Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:2881

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
01/845910-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de avond met een snelheid van minimaal 132,5 km/u met een auto door de bebouwde kom (nabij winkelcentrum Woensel Eindhoven) rijden waarbij een man is komen te overlijden levert onder de gegeven omstandigheden geen doodslag op maar overtreding van artikel 6 WVW 1994 in de zwaarste vorm: roekeloosheid.

Motivering vrijspraak en motivering roekeloosheid.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren (er is sprake van recidive op het gebied van verkeersfeiten). Daarnaast ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaren met aftrek en oplegging van schadevergoedingsmaatregelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/191
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845910-13
Parketnummer vordering: 01/713386-09

Datum uitspraak: 28 mei 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1991],

wonende te [adres 1],

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 februari 2014 en 16 mei 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 januari 2014.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 16 mei 2014 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 november 2013 te Eindhoven opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een (personen)auto gereden op [adres 2] met een snelheid van ongeveer 147 kilometer per uur, althans 132,5 kilometer per uur, althans met een (veel) te hoge snelheid, in elk geval een veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane 50 kilometer per uur, terwijl hij, verdachte een vluchtheuvel/middengeleider en/of een oversteekplaats en/of een verkeerslicht naderde en/of zonder af te remmen, althans zonder zijn snelheid tijdig en/of voldoende te verminderen en/of tijdig zijn voertuig tot stilstand te brengen met zijn, verdachtes auto, in botsing is gekomen met die [slachtoffer], ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

artikel 287 Wetboek van Strafrecht.

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 november 2013 te Eindhoven als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, [adres 2], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, heeft gereden op [adres 2] (zijnde een weg binnen de bebouwde kom waar een maximum snelheid gold van 50 kilometer per uur)

- met een snelheid van ongeveer 147 kilometer per uur, althans 132,5 kilometer per uur, althans met een (veel) te hoge snelheid, in elk geval een veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane 50 kilometer per uur, terwijl hij, verdachte, een vluchtheuvel/middengeleider en/of een oversteekplaats en/of een verkeerslicht naderde en/of

- zonder af te remmen, althans zonder zijn snelheid tijdig en/of voldoende te verminderen en/of tijdig zijn voertuig tot stilstand te brengen met zijn, verdachtes auto, in botsing is gekomen met die [slachtoffer], waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood,

zulks terwijl het feit (mede) werd veroorzaakt doordat hij, verdachte, een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 01/713386-09 is aangebracht bij vordering van 9 april 2014, ontvangen op de griffie op 10 april 2014. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de kantonrechter te 's-Hertogenbosch van 5 april 2011. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs 1

Inleiding.

Op 11 november 2013 heeft op [adres 2] te Eindhoven een verkeersongeval plaatsgevonden, waarbij de door verdachte bestuurde personenauto van het merk Opel in botsing is gekomen met een voetganger. Het slachtoffer, [slachtoffer], is ter plaatse overleden.2

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde doodslag niet bewezen kan worden verklaard en heeft vrijspraak daarvan gevorderd.
De officier van justitie acht de subsidiair aan verdachte ten laste gelegde overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 wel wettig en overtuigend bewezen, waarbij de officier van justitie de mate van verwijtbaarheid waardeert op roekeloosheid. Door het rijgedrag van verdachte heeft een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsgevonden, als gevolg waarvan [slachtoffer] is overleden. Verdachte heeft in ernstige mate de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur overschreden door met een snelheid van ongeveer tussen de 132,5 en 147 kilometer per uur te rijden en vervolgens met die snelheid richting een oversteekplaats en een vluchtheuvel te rijden, waarbij de weg zich vernauwde. Deze plek lag in de buurt van flats en een winkelcentrum. Tevens was het donker. Verdachte heeft hiermee onaanvaardbare risico’s genomen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van de primair ten laste gelegde doodslag bepleit.

Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde overtreding van de Wegenverkeerswet 1994 is de raadsman primair van mening dat verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat het causaal verband tussen de aanrijding en de dood van het slachtoffer niet is komen vast te staan. Een alternatieve doodsoorzaak, zoals een hartaanval of een hersenbloeding, valt niet uit te sluiten. Subsidiair heeft de raadsman ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat verdachte ten tijde van de aanrijding 90 kilometer per uur reed. Verdachte kan ten hoogste zeer onvoorzichtig rijden verweten worden.

Het oordeel van de rechtbank.

Ter beoordeling van de vraag of verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zal de rechtbank achtereenvolgens ingaan op de vraag of de feitelijke gedragingen, zoals omschreven in de tenlastelegging, kunnen worden bewezen, en op de vraag of de bewezen geachte feitelijke gedragingen doodslag (primair) of schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet (subsidiair) opleveren.

De rechtbank acht voor haar oordeel de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Toedracht van het ongeval.

Uit de Verkeersongevalsanalyse (VOA) volgt dat de bestuurder van de Opel over [adres 2] te Eindhoven reed, komende uit de richting van [adres 3] en gaande in de richting van [adres 4]. Een voetganger stak ter hoogte van een oversteekplaats op een afstand van ongeveer 50 meter voor de aansluiting van [adres 5] van links naar rechts [adres 2] over. Daarbij werd de voetganger geschept door de Opel. De voetganger overleed ter plaatse aan zijn verwondingen.3

Verdachte heeft bekend dat hij, als bestuurder van een personenauto van het merk Opel, het slachtoffer heeft aangereden.4

Ter plaatse geldt een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur.5

Snelheid van de door verdachte bestuurde personenauto.

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij waarschijnlijk wel te hard heeft gereden, maar dat hij niet kan vertellen hoe hard hij reed. Volgens verdachte heeft hij absoluut niet harder gereden dan 100 kilometer per uur.6 Verder heeft verdachte nog verklaard dat hij waarschijnlijk in de derde versnelling reed en dat hij ter hoogte van de duplexwoningen, vanuit zijn rijrichting gezien aan de linkerzijde van [adres 2], zijn voet van het gaspedaal heeft gehaald. Hij heeft niet geremd.7

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat, gelet op voornoemde verklaringen van verdachte en de verklaring van getuige [getuige 1] (de vriendin en bijrijder van verdachte) bij de politie en de rechter-commissaris, niet kan worden uitgesloten dat verdachte ten tijde van de aanrijding 90 kilometer per uur reed.

De rechtbank verwerpt dit verweer en neemt hierbij het volgende in aanmerking.

Uit de VOA volgt dat het ongeval werd veroorzaakt doordat de bestuurder van de Opel de ter plaatse maximum toegestane snelheid overschreed en zijn voertuig niet tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover de weg vrij en voor hem te overzien was.8

Op een afstand van ongeveer 70 meter voor de oversteekplaats bevond zich links van [adres 2] pand [nummer]. Aan de voorgevel van dit pand was een aantal camera’s bevestigd. Door twee van de camera’s werd een deel van [adres 2] geregistreerd en op een gegevensdrager vastgelegd. Het verkeer, rijdende over [adres 2], inclusief de bij dit ongeval betrokken Opel, werd geregistreerd.9

In samenwerking met het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en het Expert Team Visualisatie van het Landelijk Forensisch Servicecentrum van de Landelijke Eenheid van de politie heeft op 15 januari 2014 een reconstructie plaatsgevonden, waarbij diverse testritten zijn gehouden op de plaats van het ongeval, teneinde de geregistreerde beelden te valideren. Dit met als doel de door de Opel gereden snelheid te bepalen.10

De deskundige A. Nieuwenhuis van de Landelijke Eenheid van de politie heeft ter terechtzitting als deskundige onder meer het volgende over de reconstructie verklaard:

Ik was de bestuurder van de testauto tijdens de reconstructieritten op 15 januari 2014. Ik heb veel ervaring met reconstructies. Ik heb ook veel ervaring met hoge snelheden. Ik ben oud-coureur.
De weg is ter plaatse redelijk recht. Ter hoogte van de vluchtheuvel zit een knik naar rechts. Dat is een lastig ding. Dan gaat het heel erg hard.
Als je daar rijdt met een snelheid van meer dan 90 kilometer per uur, dan zit je boven de comfortzone. Dan wordt het gevaarlijk en moet je je vaardigheden gebruiken.
Als je daar rijdt met een snelheid van 130 kilometer per uur, op dat punt van de weg, dan heb je de grens van het betamelijke bereikt. Dat is griezelig hard. Ik moest al mijn kundigheden en vaardigheden gebruiken om de auto in het spoor te houden. Met die snelheid kun je geen aandacht voor de omgeving hebben. De weg lijkt ogenschijnlijk breed, maar met een snelheid van 130 kilometer per uur wordt die weg gevaarlijk smal.11

De eerste bevindingen van de politie geven aan dat er sprake moet zijn geweest van een minimale snelheid van 100 kilometer per uur.12 Op basis van de reconstructie heeft het NFI een exactere berekening gemaakt van de snelheid van de door verdachte bestuurde personenauto. Er is een statistisch model opgesteld waarmee op basis van geschatte snelheden op camerabeelden werkelijk gereden snelheden geschat kunnen worden.

In haar memo van 20 februari 2014 heeft A. Bolck, NFI-deskundige, onder meer het volgende geconcludeerd:

De hoogste werkelijk gereden snelheid die met dit model op basis van de testritten geschat wordt, is 132,5 kilometer per uur.

De geschatte snelheid van de auto tijdens het incident is op basis van de camerabeelden 147 kilometer per uur. Op basis van het statistische model zou de werkelijke snelheid hierbij op 143,3 kilometer per uur geschat worden. Dit is sneller dan in de testritten is gereden en sneller dan er is geschat op basis van de camerabeelden van de testritten.
Aangezien niets suggereert dat ingeschatte snelheden na de maximaal gemeten snelheid zullen dalen als functie van de werkelijk gereden snelheid, zal de werkelijke snelheid in de bevraagde rit naar verwachting boven de geschatte 132,5 kilometer per uur van de snelst geschatte testrit liggen.13

In zijn rapportage van 3 maart 2014 heeft ing. D.J. Vrijdag, NFI-deskundige, onder meer het volgende geconcludeerd:

Tijdens de referentieritten was het door weersomstandigheden niet mogelijk om met hogere snelheden te rijden. Hierdoor valt de snelheid, gemeten in de beelden van het incident, buiten de snelheden gemeten in de referentiebeelden. Het is daarom niet mogelijk om een betrouwbaarheidsinterval te geven voor de snelheid gemeten in de beelden van het incident.

De ongecorrigeerde gemiddelde snelheid van de auto in de beelden is bepaald op 147 kilometer per uur.
De ongecorrigeerde gemiddelde snelheid van de snelst gereden referentierit is bepaald op 136 kilometer per uur. De gecorrigeerde snelheid bedraagt binnen een betrouwbaarheidsinterval van 95%: 132 ± 5 kilometer per uur. De werkelijke snelheid van deze referentierit is tijdens de rit vastgelegd op 129 kilometer per uur.
Het is niet mogelijk om een uitspraak te doen over een snelheidstoename of snelheidsafname over het gehele traject.14

Naar aanleiding van de verklaring van verdachte dat hij ter hoogte van de duplexwoningen zijn gas heeft losgelaten, heeft de rechtbank het NFI opdracht gegeven aanvullend onderzoek te doen naar de snelheid van de auto, ervan uitgaande dat verdachte ter hoogte van de locatie van de camera’s aan het pand aan [adres 2] 16 het gas heeft losgelaten.

In zijn rapportage van 2 mei 2014 heeft ing. K.M. Hagendoorn, NFI-deskundige, onder meer het volgende geconcludeerd:

Er zijn twee beginsnelheden betrokken: een uiterste ondergrenssnelheid van 127 kilometer per uur en een indicatie van de meer waarschijnlijke snelheid van 143 kilometer per uur.
De resultaten wijzen op snelheden ter hoogte van de mogelijke botsplaatsen variërend van 90 kilometer per uur tot 142 kilometer per uur.
De ondergrens van 90 kilometer per uur wordt conservatief beschouwd. Daarbij is bijvoorbeeld rekening gehouden met de mogelijkheid dat verdachte op de ongevalsdreiging heeft gereageerd door naar de eerste versnelling terug te schakelen. Hierdoor wordt de hoogst haalbare afremming behaald. Hoewel daarvoor in het dossier geen aanwijzingen zijn gevonden (geen schade aan de motor, geen sporen op het wegdek die hierop zouden kunnen wijzen, de motor kon na het ongeval nog gestart worden), kan deze mogelijkheid niet worden uitgesloten.
Bij de bovengrens van 142 kilometer per uur is er rekening mee gehouden dat het koppelingspedaal werd ingedrukt voorafgaand aan het loslaten van het gas. Omdat het bedienen van het koppelingspedaal geen sporen achterlaat en niet zou moeten leiden tot schade aan de auto, zit er minder ruimte in de vastgestelde bovengrens.15

Diverse getuigen hebben de door verdachte bestuurde personenauto kort voor het ongeval zien rijden dan wel het ongeval zien gebeuren.

Getuige [getuige 2] heeft onder meer het volgende verklaard:

Ik stond als bestuurster van een fiets te wachten voor het rode verkeerslicht op de kruising [adres 3] – [adres 2] – [adres 6]. Toen het verkeerslicht op groen sprong, ben ik aangefietst en heb ik mijn weg vervolgd over [adres 2], in de richting van [adres 4]. Ik hoorde plotseling een geluid van een motor van een auto. Ik dacht op dat moment nog bij mijzelf: “Jezus, wat gaat dat hard”. De auto remde niet af. Ik zag geen remlichten. Ik hoorde de auto steeds opschakelen en hoorde dat de motor veel toeren maakte. Het ging in mijn beleving steeds harder.16


Getuige [getuige 3] heeft onder meer het volgende verklaard:


Toen ik op [adres 2] fietste, hoorde ik op een bepaald moment een auto met hoge snelheid aankomen. Ik hoorde dat de snelheid toenam door het geluid wat hierbij vrij kwam. Doordat de auto zo hard reed, heb ik uit frustratie geroepen: “Verrekte lul”. Voor wat betreft het geluid toerde de auto steeds verder op. Hiermee bedoel ik dat deze steeds harder ging rijden. Ik ben de auto blijven volgen, omdat ik het niet normaal vond hoe hard deze reed.17

Getuige [getuige 4] heeft onder meer het volgende verklaard:

Ik was aan het joggen. Ik liep vanuit [adres 3] [adres 2] in. Ik liep over het voetpad in de richting van het winkelcentrum Woensel. Ik hoorde het geluid van een auto aankomen die hoog in zijn toeren reed. Ik zag dat de auto mij voorbij scheurde. De bestuurder gaf alleen maar gas bij. Ik dacht toen nog, dit gaat niet goed. Als er iemand zo onverantwoord rijdt als de bestuurder van die auto, dan gebeuren er ongelukken.18

Getuige [getuige 5] heeft onder meer het volgende verklaard:

Ik ben via [adres 7] linksaf [adres 2] opgelopen in de richting van [adres 4]. Plotseling hoorde ik een auto heel hard komen aanrijden vanuit de richting van [adres 3]. Ik hoorde aan het geluid dat deze auto heel hard reed. Ik hoorde aan het geluid van de motor dat de auto snelheid aan het maken was. Ik hoorde aan het geluid dat dit erg hard ging en niet op een normale manier plaatsvond zoals het overige verkeer. Ik zag dat die auto, toen deze mij voorbij reed, erg hard reed.Ik kom geregeld op deze weg en ik zie wel met welke snelheid men daar gemiddeld rijdt. Daaraan kon ik zien dat deze auto idioot hard reed.19

Getuige [getuige 6] heeft onder meer het volgende verklaard:

Ik reed in mijn auto op [adres 5], tot aan de T-kruising met [adres 2]. Ik wilde linksaf in de richting van [adres 4] rijden. Ik zag een man de weg oversteken in de richting van het Winkelcentrum Woensel. Ik zag dat deze man liep ter hoogte van de vluchtheuvel. Ik zag tevens dat er een auto op [adres 2] reed, welke reed in de richting van [adres 4]. Ik hoorde dat die auto veel lawaai maakte en klonk alsof hij heel hard reed. Ik hoorde dit aan het motorgeluid. Ik zag ook dat die auto hard reed. Ik zag dat die man op de vluchtheuvel gewoon doorliep en de rechterweghelft overstak. Ik zag dat de man een sprint begon te trekken. Ik dacht nog: “Dat haalt die man nooit”. Ik zag dat er een aanrijding zou gaan plaatsvinden. Ik zag dat de personenauto geen snelheid minderde en met dezelfde snelheid op de voetganger afreed.20

Getuige [getuige 7] heeft onder meer het volgende verklaard:


Ik reed met mijn auto op [adres 2], komende vanuit [adres 4] in de richting van [adres 3]. Ik zag een auto, komende vanuit [adres 3], met ontzettend hoge snelheid het verkeerspunt naderen. Hiermee bedoel ik het punt van [adres 2] met [adres 5]. Ik heb op dat moment in mijn auto gemopperd: “Wat een idioot”. De tegenligger reed echt heel hard. Dit ging abnormaal hard.21

Getuige [getuige 8] heeft onder meer het volgende verklaard:

Ik zat in mijn woning gelegen in [adres 2] TV te kijken. Boven het geluid van mijn TV uit hoorde ik het geluid van een motor van een personenauto. Het klonk als een opgevoerde auto. Ik zei tegen mijn vrouw: “Er komt een raket aan”. Ik keek naar buiten en zag dat er een auto met een zeer hoge snelheid voorbij kwam rijden. Het leek echt een raket, ik heb wel verstand van snelheid. Het is een hobby van mij, auto’s. Ik woon er al 10 jaar en ik heb nog nooit een auto zo snel voorbij zien rijden.

Getuige [getuige 9] heeft onder meer het volgende verklaard:

Ik reed op [adres 5] richting de t-splitsing met [adres 2]. Op ongeveer 20 meter afstand van de t-splitsing ben ik gestopt, omdat ik een heel hard geluid hoorde, komende vanaf [adres 2], gezien vanuit [adres 3]. Dit geluid leek wel afkomstig van een straaljager, absurd zo hard. Ik keek in de richting van [adres 2]. Hier zag ik een man op de weg naast de vluchtheuvel stil staan. Op enig moment later zag ik dat er een auto met hoge snelheid aan kwam.22

De rechtbank overweegt dat zij in voornoemde veelheid aan getuigenverklaringen over verdachtes weggebruik als bestuurder van de Opel, in onderling verband en samenhang bezien, voldoende steun vindt voor de onderzoeksbevindingen die zijn weergegeven in de rapportages van het NFI en dat zij geen aanleiding heeft om aan deze (onafhankelijke) bevindingen te twijfelen. De enkele ontkenning van verdachte dat hij zo hard heeft gereden als in voornoemde rapportages is vermeld en de verklaring van zijn vriendin dat verdachte niet te hard heeft gereden, zijn daarvoor onvoldoende, nu deze geen enkele steun vinden in enig objectief redengevend bewijsmiddel.

Op basis van de onderzoeksbevindingen van de verschillende deskundigen van het NFI stelt de rechtbank vast dat de snelheid van de door verdachte bestuurde personenauto ten tijde van het ongeval minimaal 132,5 kilometer per uur bedroeg. Daarbij houdt de rechtbank er rekening mee dat niet is gebleken, noch door verdachte of zijn vriendin is verklaard, dat verdachte voorafgaand aan het ongeval op enig moment heeft geremd of handmatig heeft teruggeschakeld in de versnelling. Uitgaande van het door verdachte geschetste scenario dat hij ter hoogte van de duplexwoningen het gas heeft losgelaten, stelt de rechtbank vast dat dit, mede gelet op de op dat moment zeer hoge snelheid van de door verdachte bestuurde auto, slechts van minimale invloed kan zijn geweest op de afname van de snelheid van de auto tot het moment van de botsing. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de duplexwoningen waar verdachte naar verwijst, zich bevonden op een afstand van slechts ongeveer 70 meter van de plaats van het ongeval.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ten tijde van het ongeval heeft gereden met een snelheid van minimaal 132,5 kilometer per uur, terwijl ter plaatse een snelheid van 50 kilometer per uur was toegestaan.

Overige omstandigheden.

Met betrekking tot de overige in de tenlastelegging genoemde omstandigheden, te weten het feit dat verdachte met zijn personenauto een verkeerslicht en een vluchtheuvel/ middengeleider is genaderd, terwijl hij zijn snelheid niet heeft aangepast, overweegt de rechtbank dat verdachte deze omstandigheden heeft bekend.23

Voorts houdt de rechtbank rekening met de situatie ter plaatse, zoals omschreven in het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1]. Uit dit proces-verbaal blijkt dat even verderop aan [adres 2] het winkelcentrum Woensel is gelegen. In het winkelcentrum bevinden zich enkele supermarkten die avondopenstellingen hebben. Tevens is aan deze zijde van het winkelcentrum een doorgaans druk bezochte McDonalds-vestiging gelegen. Door bezoekers die het winkelcentrum te voet of per fiets verlaten en naar de wijk Vlokhoven of de noordelijk gelegen wijken gaan, wordt in de avonduren vaak het aan de linkerzijde van de rijbaan gelegen voet- en fietspad gebruikt om ter hoogte van [adres 5] over te steken. Gesteld kan worden dat [adres 2] in de avonduren een qua verkeer redelijk drukke weg is.24

De rechtbank houdt ook rekening met het feit dat het ten tijde van het ongeval donker was en de omstandigheid dat op de plaats waar het ongeval heeft plaatsgevonden, de weg zich vernauwt en een flauwe bocht naar rechts maakt.25 Verder heeft verdachte verklaard dat hij de situatie op [adres 2] heel erg goed kent, dat hij daar dagelijks rijdt en dat hij weet dat daar een voetgangersoversteekplaats is.26

Causaal verband tussen ongeval en overlijden van het slachtoffer.

De raadsman heeft aangevoerd dat het causaal verband tussen het ongeval en de dood van het slachtoffer niet is komen vast te staan en dat een alternatieve doodsoorzaak, zoals een hartaanval of een hersenbloeding, niet kan worden uitgesloten.

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad de beantwoording van de vraag of er causaal verband bestaat tussen het door verdachte veroorzaakte ongeval en de dood van het slachtoffer, dient te geschieden aan de hand van de maatstaf of die dood redelijkerwijs als gevolg van het ongeval aan de verdachte kan worden toegerekend. Daarbij staat een hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid van een alternatieve gang van zaken niet aan vaststelling van het causaal verband in de weg.

Het slachtoffer, [slachtoffer], is ter plaatse overleden. Omtrent de doodsoorzaak heeft dokter K.H. Gan, als schouwarts verbonden aan de forensisch geneeskundige eenheid GGD Oost-Brabant, op 11 november 2013 gerapporteerd dat het lichaam van het slachtoffer door buitengewoon krachtig botsend geweld ernstig is beschadigd en dat het er op lijkt dat het lichaam met hoge snelheid door een auto is geraakt, waarbij de voorzijde van het lichaam in aanraking is gekomen met de A-stijl van de auto. Door het massale trauma en massale bloedverlies is het slachtoffer bij het ongeval terstond overleden.27

Op verzoek van de verdediging is dokter K.H. Gan op 13 mei 2014 gehoord bij de rechter-commissaris als getuige-deskundige. Gan heeft onder meer het volgende verklaard:

De raadsman vraagt of ik op enig moment heb nagedacht over een scenario waarbij het slachtoffer ten gevolge van een hartaanval of hersenbloeding kan zijn overleden, in plaats van door de impact van de aanrijding. Dat is niet aan de orde geweest. Daartegen pleit ook de algemene lichamelijke toestand van het slachtoffer die ik aantrof. Die was goed en ik schatte hem jonger in dan zijn daadwerkelijke leeftijd. Ik baseer dat dan op mijn waarnemingen van de huid, de spieren en hoe dik iemand is. Ook tegen pleit de manier waarop de man geraakt is door de auto, hij stond rechtop en kan niet gevallen zijn.
De raadsman houdt mij voor dat iemand door een attack uit balans kan raken en in een split second door de auto geraakt kan zijn en vraagt of ik dit als mogelijkheid heb meegenomen, of dat dit gesuggereerd is door een officier van justitie of een agent. Dat is niet besproken. Het zou dan echt gebeurd moeten zijn op het moment dat het slachtoffer door de auto geraakt werd.

Ik moet nog één ding zeggen. Als iemand langs de kant van de weg staat en een hartinfarct krijgt, dan is die nog niet meteen dood en in Nederland overleven veel mensen een hartinfarct. Bij een herseninfarct is de kans dat iemand overlijdt kleiner dan dat men nog een paar minuten of langer leeft. Je bent niet in één seconde dood.28

De rechtbank is van oordeel dat hiermee vaststaat dat de dood van het slachtoffer, [slachtoffer]
, redelijkerwijs als gevolg van het door verdachte veroorzaakte ongeval aan verdachte kan worden toegerekend. De bevindingen van de deskundige laten geen ruimte voor een reële alternatieve doodsoorzaak. Evenmin biedt het onderzoek door de politie daartoe enig aanknopingspunt, De door de raadsman aangehaalde omstandigheden, zoals bijvoorbeeld het feit dat het slachtoffer bejaard was, kennelijk niet gereageerd heeft op het kabaal dat de auto van verdachte genereerde en op een afwijkende plek stond, leveren nog geen begin van aannemelijkheid van een alternatieve doodsoorzaak op. Daarbij heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat getuige [getuige 6] heeft verklaard dat zij zag dat het slachtoffer aan het oversteken was en net voor de vluchtheuvel een sprint begon te trekken. Zij zag dat de man over de vluchtheuvel heen rende.29 Deze verklaring is in het geheel niet te verenigen met één van de door de raadsman geopperde mogelijke alternatieve doodsoorzaken. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de verdediging.

Opzet of schuld.

De vraag die de rechtbank nu als eerste moet beantwoorden, is of deze feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet bij verdachte op de dood van het slachtoffer of dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. In dat laatste geval ligt de vraag voor of sprake was van roekeloosheid bij verdachte, dan wel of verdachte zich zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig of onoplettend in het verkeer heeft gedragen.

(Voorwaardelijk) opzet.

Met betrekking tot de primair ten laste gelegde doodslag gaat het in de eerste plaats om de vraag of verdachte opzettelijk de dood van het slachtoffer teweeg heeft gebracht. De rechtbank is van oordeel dat opzet in onvoorwaardelijke zin niet bewezen kan worden. Daarvoor zou vereist zijn dat verdachte de gevolgen van zijn handelen en daarmee de dood van het slachtoffer daadwerkelijk heeft bedoeld te veroorzaken of als een noodzakelijk gevolg van zijn handelen zou hebben aanvaard. Daarvan is niet gebleken.

Vervolgens is de vraag aan de orde of dan sprake is geweest van voorwaardelijk opzet bij verdachte op de dood van het slachtoffer. Dat kan aanwezig worden geacht als verdachte zich welbewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij de dood van een andere verkeersdeelnemer zou veroorzaken. Was verdachte zo duidelijk onverschillig omtrent de afloop van zijn verkeersgedrag, dat hierin een welbewuste aanvaarding van het ontstane gevolg ligt besloten? De rechtbank is van oordeel dat voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer onvoldoende grond aanwezig is. Meer in het bijzonder kan de rechtbank niet uit de omstandigheid dat verdachte met een zeer veel hogere snelheid reed dan ter plaatse was toegestaan, afleiden dat het hem evident onverschillig was wat daarvan de gevolgen zouden zijn en dat hierin een welbewuste aanvaarding van de dood van het slachtoffer ligt besloten. Aannemelijk is wel dat verdachte, gelet op zijn wijze van rijden, grote risico’s op het veroorzaken van een ernstig verkeersongeluk heeft genomen en dat hij zich daarvan ook bewust is geweest. Niet aannemelijk is echter dat hij zich een concrete voorstelling heeft gemaakt van de mogelijkheid dat zijn verkeersgedrag de dood van het slachtoffer zou veroorzaken en dat hij desondanks toch volhard heeft in zijn wijze van rijden.

Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank, met de officier van justitie en de verdediging, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [slachtoffer]. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair aan hem ten laste gelegde feit.

Schuld.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan het ontstane verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, komt het volgens vaste rechtspraak aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank acht de wijze waarop verdachte over [adres 2] heeft gereden, met een zeer veel hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan, op zichzelf reeds zeer onvoorzichtig. Verdachte heeft met een snelheid van minimaal 132,5 kilometer per uur gereden. Verdachte heeft hiermee de bijzondere zorgplicht om zich te houden aan de maximumsnelheid zeer veronachtzaamd.

Roekeloosheid.

Met betrekking tot de ten laste gelegde roekeloosheid stelt de rechtbank voorop dat met roekeloosheid wordt gedoeld op de zwaarste vorm van schuld die volgens de wet aanleiding geeft voor strafverhoging. Mede met het oog op het strafverzwarende effect van dit bestanddeel dient de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 te voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Dat geldt ook in de gevallen waarin de roekeloosheid in de kern bestaat uit de in artikel 175, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 omschreven gedragingen, nu die gedragingen grond vormen voor een verdere verhoging van het ingevolge het tweede lid van dat artikel voor roekeloosheid geldende strafmaximum. Daarbij verdient opmerking dat roekeloosheid in zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder roekeloos, in de betekenis van onberaden, wordt verstaan.

Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Het gaat dan in het algemeen om gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust onaanvaardbare risico’s zijn genomen. Roekeloosheid vereist een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid.

De rechtbank stelt op grond van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen vast dat verdachte met zijn personenauto met een snelheid van minimaal 132,5 kilometer per uur heeft gereden terwijl ter plaatse 50 kilometer per uur is toegestaan. Verdachte is met deze snelheid, zonder te remmen of terug te schakelen, een voetgangersoversteekplaats en een vluchtheuvel/middengeleider genaderd op een plek waar de weg zich vernauwt en een flauwe bocht naar rechts maakt en terwijl het donker was. Verder is in het wegdek ter plaatse sprake van spoorvorming en is het wegdek op vele plaatsen gerepareerd. Verdachte heeft verklaard dat hij meer dan bekend was met de situatie ter plaatse. Hij wist dus van deze specifieke omstandigheden ter plaatse. Ook wist verdachte dat het op genoemde locatie, een straat nabij een winkelcentrum met winkels met avondopenstellingen, omstreeks 20.15 uur druk kon zijn en dat hij een plaats naderde waar zich zonder meer veel kwetsbare verkeersdeelnemers, zoals voetgangers en fietsers, op de weg zouden kunnen bevinden.

De deskundige noemde de snelheid van verdachte op die specifieke locatie “griezelig hard” en hij gaf aan dat je met die snelheid “de grens van het betamelijke bereikt”. Hij gaf tevens aan dat hij tijdens de testritten al zijn vaardigheden en kundigheden moest inzetten om de auto op de weg te houden. Dit terwijl het tijdens de reconstructieritten door de weersomstandigheden op dat moment (regen/vochtig wegdek) niet mogelijk was om snelheden te halen die vergelijkbaar waren met de snelheid van de auto van verdachte kort voor het ongeval, zoals op de camerabeelden is vastgelegd. Voorts gaf de deskundige aan dat een bestuurder met een dergelijke snelheid geen aandacht voor de omgeving kan hebben. Uit de getuigenverklaring van [getuige 10] kan verder nog worden afgeleid dat de dollemansrit van verdachte niet alleen heeft plaatsgehad op [adres 2], de straat waar het ongeval is gebeurd, maar ook reeds enkele minuten daarvoor door verdachte was ingezet door met hoge snelheid en op levensgevaarlijke wijze door andere straten van Eindhoven te rijden, waarbij hij eveneens andere weggebruikers in gevaar heeft gebracht.30

Dit samenstel van gedragingen van verdachte, onder de hierboven omschreven omstandigheden, getuigt naar het oordeel van de rechtbank van een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid bij het deelnemen aan het verkeer en het besturen van zijn voertuig. Door onder deze omstandigheden zo te rijden, heeft verdachte bewust de verkeersveiligheid geheel veronachtzaamd en onaanvaardbare risico’s genomen voor andere weggebruikers. Die risico’s hebben zich ook verwezenlijkt doordat hij met hoge snelheid het slachtoffer heeft aangereden, als gevolg waarvan het slachtoffer is komen te overlijden. Een botsing was met deze snelheid onder de gegeven omstandigheden onvermijdelijk. De rechtbank merkt het bewezen verklaarde rijgedrag van verdachte dan ook aan als roekeloos.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

subsidiair

op 11 november 2013 te Eindhoven als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, [adres 2], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos te rijden op [adres 2], zijnde een weg binnen de bebouwde kom waar een maximumsnelheid gold van 50 kilometer per uur,

- met een snelheid van minimaal 132,5 kilometer per uur, terwijl hij, verdachte, een verkeerslicht en een oversteekplaats en een vluchtheuvel/middengeleider naderde en

- zonder af te remmen met zijn, verdachtes auto, in botsing is gekomen met die [slachtoffer], waardoor die [slachtoffer] werd gedood,

zulks terwijl het feit mede werd veroorzaakt doordat hij, verdachte, een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de officier van justitie gevorderd:

- een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van het voorarrest;

- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs al is ingevorderd en ingehouden;

- verbeurdverklaring van de in beslag genomen personenauto;

- gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] tot een bedrag van € 4.921,- en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 200,- subsidiair 4 dagen jeugddetentie (parketnummer 01/713386-09);

- afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte een jonge man is die aan het begin van zijn leven staat. Hij is dom geweest om daar ter plaatse te hard te rijden, maar hij is geen crimineel.

Bij een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde in de vorm van zeer onvoorzichtig rijden vindt de raadsman overeenkomstig de oriëntatiepunten behorend bij een grove verkeersfout een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs al is ingevorderd en ingehouden, passend. De raadsman vermag op geen enkele wijze in te zien dat de officier van justitie aansluiting zoekt bij een straf die behoort bij een bestuurder onder invloed van grote hoeveelheden alcohol, nu een snelheidsovertreding daarmee geenszins kan worden vergeleken.

De raadsman heeft opheffing van de voorlopige hechtenis verzocht.
Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Er is geen bezwaar tegen tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 200,- (parketnummer 01/713386-09).

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de draagkracht.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft ’s avonds met zijn personenauto met een snelheid van minimaal 132,5 kilometer per uur binnen de bebouwde kom gereden en daarbij een tragisch verkeersongeval veroorzaakt, waarbij de heer [slachtoffer] is overleden. Het leed dat door dit ongeval bij de partner, de kinderen en de overige nabestaanden van het slachtoffer is veroorzaakt, is groot, pijnlijk en vooral onherstelbaar. Dit kan ook worden opgemaakt uit de schriftelijke slachtofferverklaringen die ter terechtzitting door [benadeelde partij 1], de partner van het slachtoffer, en [benadeelde partij 2], de zoon van het slachtoffer, zijn voorgelezen. Het ongeval heeft ook grote indruk gemaakt op de personen die getuige zijn geweest van het ongeval. Verdachte heeft met zijn gevaarlijke en asociale rijgedrag blijk ervan gegeven het leven van andere weggebruikers niet te respecteren. Verdachte is bovendien een beginnend bestuurder in de zin van de Wegenverkeerswet 1994, van wie nog meer voorzichtigheid en zorg in het verkeer zou mogen worden verwacht.

Kijkend naar de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte reeds meermalen voor verkeersdelicten door een rechter is veroordeeld en aan hem een strafbeschikking is uitgevaardigd. De rechtbank houdt er in dit verband ook rekening mee dat uit een overzicht in het dossier kan worden opgemaakt dat verdachte als jonge verkeersdeelnemer in zeven jaar tijd al 28 boetes heeft gekregen voor diverse verkeersovertredingen, waaronder vanwege overschrijdingen van de maximumsnelheid, zij het sommige voor een relatief geringe snelheidsovertreding. In dat opzicht was verdachte dus al veelvuldig een gewaarschuwd mens. Het feit dat verdachte in een proeftijd liep van een eerdere veroordeling inzake de Wegenverkeerswet 1994 heeft verdachte niet weerhouden van het plegen van het bewezen verklaarde feit.

De rechtbank rekent dit alles verdachte zeer zwaar aan.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van de reclassering van 28 november 2013. Uit dit rapport blijkt dat er weinig tot geen problemen spelen op de diverse leefgebieden. Verdachte heeft zijn leven goed op de rails en heeft toekomstplannen. Wel constateert de reclassering dat bij verdachte sprake is van een patroon in het buiten zichzelf leggen van de oorzaak van zijn gedrag. Verdachte kwam vaker met justitie in aanraking en geeft telkens anderen (gedeeltelijk) daarvan de schuld. Verdachte neemt in het algemeen weinig verantwoordelijkheid voor zijn handelen. Verdachte maakt regelmatig dezelfde fouten en leert daar schijnbaar moeilijk van. Dit baart de reclassering enige zorg. Het recidiverisico wordt ingeschat op hoog/gemiddeld. Als verdachte zijn verkeersgedrag niet wijzigt, dan kan iedere willekeurige verkeersdeelnemer het slachtoffer worden van zijn gedrag. De reclassering adviseert om aan verdachte een onvoorwaardelijke (gevangenis)straf op te leggen. Toezicht op bijzondere voorwaarden en interventies/behandelingen zijn niet geïndiceerd.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De categorie die de rechtbank in het onderhavige geval het meest vindt passen, is de categorie “Wegpiraterij Roekeloos rijden”. Het uitgangspunt dat bij deze categorie wordt gegeven, voorziet in het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren indien een slachtoffer overlijdt.

Gelet op het voorgaande, rekening houdend met de herhaalde recidive van verdachte op het gebied van verkeersdelicten, acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de duur van het voorarrest van verdachte, passend en geboden. De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk opleggen en daaraan een proeftijd van twee jaren verbinden om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Naast deze gevangenisstraf acht de rechtbank een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier jaren passend en geboden, enerzijds om recht te doen aan de ernst van het feit en anderzijds ter bescherming van de verkeersveiligheid.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Het beslag.

De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerp, de personenauto, vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit een voorwerp is met behulp van welke het feit is begaan en dit voorwerp ten tijde van het begaan van het feit aan verdachte toebehoorde.

Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

De rechtbank zal het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afwijzen, gelet op de op te leggen straf.

De ernstige bezwaren met betrekking tot de doodslag komen te vervallen, gelet op de vrijspraak ten aanzien van dit feit. De gronden voor de voorlopige hechtenis, zoals vermeld in het bevel tot verlenging gevangenhouding van 18 december 2013, zijn onverkort van kracht, met dien verstande dat de ’12-jaarsgrond’ door de vrijspraak van de doodslag is komen te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering van [benadeelde partij 2] toewijsbaar, met uitzondering van de kosten ‘Dela Uitvaart Koopsompolis’ ter hoogte van € 5.917,-, welke kosten niet door de nabestaanden zijn gemaakt.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van de kosten van € 5.917,-, waarvoor het slachtoffer was verzekerd.

Beoordeling.

De rechtbank acht de kosten voor de uitvaart ter hoogte van € 2.920,79 toewijsbaar.

De rechtbank heeft ter terechtzitting uit de mondelinge toelichting van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] begrepen dat de kosten van € 5.917,- zijn ingetrokken, nu dit geen kosten zijn die door de nabestaanden zijn gedragen.

De kosten van € 589,68 (vervoer van Weerde naar Eindhoven en vice versa) hebben betrekking op kosten gemaakt door de nabestaande [benadeelde partij 2].

De kosten van € 1.412,32 (vervoer van Glimes naar Eindhoven en vice versa) zijn gemaakt door de zus van [benadeelde partij 2]. Ter terechtzitting heeft de zus van [benadeelde partij 2]
aangegeven dat zij deze kosten zelf vordert als dit juridisch nodig is.
De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook als aparte vordering van [benadeelde partij 3]
beschouwen.

De rechtbank acht de vordering van [benadeelde partij 2] met betrekking tot de kosten voor de uitvaart ter hoogte van € 2.920,79 en de kosten voor het vervoer van Weerde naar Eindhoven en vice versa ter hoogte van € 589,68 toewijsbaar.

De rechtbank zal verdachte tevens veroordelen in de kosten van de benadeelde partij [benadeelde partij 2], tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3].

De rechtbank acht de kosten van € 1.412,32 voor het vervoer van Glimes naar Eindhoven en vice versa toewijsbaar. [benadeelde partij 3] heeft deze kosten ter terechtzitting mondeling gevorderd.

De rechtbank gaat ervan uit dat [benadeelde partij 3] in deze domicilie kiest op het adres van haar broer [benadeelde partij 2].

De rechtbank zal verdachte tevens veroordelen in de kosten van de benadeelde partij [benadeelde partij 3], tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering geheel toewijsbaar.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich ten aanzien van deze vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling.

De rechtbank acht de vordering van [benadeelde partij 1] geheel toewijsbaar.

De rechtbank zal verdachte tevens veroordelen in de kosten van de benadeelde partij [benadeelde partij 1], tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregelen.

De rechtbank zal voor de toegewezen bedragen telkens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank telkens bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 01/713386-09.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 33, 33a, 36f,

Wegenverkeerswet 1994 art. 6, 175, 179.

DE UITSPRAAK

T.a.v. het primair ten laste gelegde:

Vrijspraak.

T.a.v. het subsidiair ten laste gelegde:

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:


(subsidiair)

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval

betreft waardoor een ander wordt gedood en de schuld bestaat uit roekeloosheid en het feit mede is veroorzaakt doordat verdachte een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen en maatregelen.

T.a.v. het subsidiair ten laste gelegde:

Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder begrepen) voor de duur van 4 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de

Wegenverkeerswet 1994.

Afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] van een bedrag van € 989,- (zegge: negenhonderdnegenentachtig euro), betreffende materiële schadevergoeding (posten: huur bestek, taxikosten naaste familieleden in de nacht van het ongeval, bereiden en serveren van maaltijden na de crematie, drukkosten en portokosten dankbetuigingen).

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Maatregel van schadevergoeding van € 989,- subsidiair 19 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de nabestaande van het slachtoffer, [benadeelde partij 1], van een bedrag van € 989,- (zegge: negenhonderdnegenentachtig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 19 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding (posten: huur bestek, taxikosten naaste familieleden in de nacht van het ongeval, bereiden en serveren van maaltijden na de crematie, drukkosten en portokosten dankbetuigingen).

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2] van een bedrag van € 3.510,47 (zegge drieduizend vijfhonderdtien euro en zevenenveertig cent), betreffende materiële schadevergoeding (posten: niet vergoede kosten uitvaart Dela
(€ 2.920,79) en vervoer van Weerde naar Eindhoven en vice versa (€ 589,68).

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Maatregel van schadevergoeding van € 3.510,47 subsidiair 45 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de nabestaande van het slachtoffer, [benadeelde partij 2], van een bedrag van € 3.510,47 (zegge: drieduizend vijfhonderdtien euro en zevenenveertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 45 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding (posten: niet vergoede kosten uitvaart Dela (€ 2.920,79) en vervoer van Weerde naar Eindhoven en vice versa (€ 589,68).

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 3] van een bedrag van € 1.412,32 (zegge: duizend vierhonderdtwaalf euro en tweeëndertig cent), betreffende materiële schadevergoeding (post: vervoer van Glimes naar Eindhoven en vice versa).

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Maatregel van schadevergoeding van € 1.412,32 subsidiair 24 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de nabestaande van het slachtoffer, [benadeelde partij 3], van een bedrag van € 1.412,32 (zegge: duizend vierhonderdtwaalf euro en tweeëndertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 24 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding (post: vervoer van Glimes naar Eindhoven en vice versa).

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling.

Last tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kantonrechter te 's-Hertogenbosch van 5 april 2011, gewezen onder parketnummer 01/713386-09, te weten:

een geldboete van € 200,-- subsidiair 4 dagen jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.J. Sangers-de Jong, voorzitter,

mr. H.A. van Gameren en mr. N.I.B.M. Buljevic, leden,

in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,

en is uitgesproken op 28 mei 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Oost-Brabant, VVCI Eindhoven Noord, met dossiernummer 2013156764, afgesloten op 13 november 2013, aantal doorgenummerde pagina’s: 174, met daarbij als bijlage het proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse (aantal pagina’s: 14, met bijlagen.)

2 Verkeersongevalsanalyse (VOA), p. 3 en 13, en verklaring verdachte, p. 37.

3 VOA, p. 3, 5 en 13.

4 Verklaring verdachte, p. 37 en verklaring verdachte ter terechtzitting van 16 mei 2014.

5 VOA, p. 5.

6 Verklaring verdachte, p. 37, 39, 112 en verklaring verdachte ter terechtzitting van 16 mei 2014.

7 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 16 mei 2014.

8 VOA, p. 13.

9 VOA, p. 13.

10 VOA, p. 13 en proces-verbaal van reconstructie d.d. 15 januari 2014.

11 Verklaring deskundige A. Nieuwenhuis ter terechtzitting van 16 mei 2014.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 103.

13 Memo NFI, opgemaakt door A. Bolck, d.d. 20 februari 2014.

14 Rapportage NFI, opgemaakt door ing. D.J. Vrijdag, d.d. 3 maart 2014.

15 Rapportage NFI, opgemaakt door ing. K.M. Hagendoorn, d.d. 2 mei 2014.

16 Verklaring getuige [getuige 2], p. 51 en 52.

17 Verklaring getuige [getuige 3], p. 53 en 54.

18 Verklaring getuige [getuige 4], p. 65.

19 Verklaring getuige [getuige 5], p. 67 en 68.

20 Verklaring getuige [getuige 6], p. 71, 72 en 116.

21 Verklaring getuige [getuige 7], p. 84 en 172.

22 Verklaring getuige [getuige 9], p. 123.

23 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 16 mei 2014.

24 Proces-verbaal van bevindingen, p. 168.

25 VOA, p. 5 en 6.

26 Verklaring verdachte, p. 36 en verklaring verdachte ter terechtzitting van 16 mei 2014.

27 Schouwverslag d.d. 11 november 2013, opgemaakt door dr. K.H. Gan, forensisch geneeskundige.

28 Verhoor getuige K.H. Gan, forensisch geneeskundige, bij de rechter-commissaris op 13 mei 2014.

29 Verklaring getuige [getuige 6], p. 116.

30 Verklaring getuige [getuige 10], p. 114 en 115, inhoudende onder meer het volgende: Ik reed op de fiets. Toen ik voorbij [adres 8] was, hoorde ik het harde geluid van een motor. Ik bedoel hiermee dat ik een motor van een auto hard hoorde draaien. Ik zag dat de auto linksaf [adres 9] in reed. Ik zag dat deze auto geen normale bocht nam. Ik bedoel hiermee dat de stand van de wielen niet overeenkwam. Ik hoorde dus de motor veel toeren maken. Ik zag vervolgens dat de auto met hoge snelheid [adres 9] inreed. Ik dacht nog, als ik daar net had gefietst, dan had hij mij zeker aangereden. Ik dacht nog bij mezelf, die gaat een ongeluk veroorzaken. Toen ik [adres 9] in keek, zag ik de auto met hoge snelheid rijden. Ik zag dat de auto ter hoogte van [adres 10] vol in de remmen moest, ik zag dat de remlichten aan waren. In [adres 9] waren meerdere weggebruikers, fietsers, overstekende mensen, mensen die aan het wachten waren op de bus, aanwezig. Toen ik na ongeveer 5 minuten op [adres 2] fietste, zag ik dat ter hoogte van de kruising met [adres 5] een aanrijding had plaatsgevonden. Ik zag dat er nog geen hulpdiensten ter plaatse waren. Ik zag dat er voorbij de kruising een personenauto dwars op de weg stond die zwaar beschadigd was. Ik herkende de auto als zijnde de auto die ik op [adres 9] zo hard had zien rijden.