Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:267

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-01-2014
Datum publicatie
23-01-2014
Zaaknummer
01/845396-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank acht anders dan officier van justitie en verdediging wel poging doodslag bewezen door met een mes stekende bewegingen te maken richting de buik van zijn zoon. Verder acht de rechtbank mishandeling bewezen van de twee zoons van verdachte.

Beroep op noodweer en noodweerexces verworpen.

Licht verminderd toerekeningsvatbaar (PDD-NOS).

Straf: taakstraf 140 uur met aftrek van de dag(en) tijdens de inverzekeringstelling doorgebracht en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden (behandeling).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845396-13

Datum uitspraak: 22 januari 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1965],

wonende te [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 januari 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 9 december 2013.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 26 mei 2013 te Veldhoven ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven

te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

meermalen, althans eenmaal, (een) stekende beweging(en) met een mes, althans

een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gemaakt in de richting van de buik,

althans het lichaam van die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art. 302 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 mei 2013 te Veldhoven [slachtoffer 1] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer 1] een mes,

althans een scherp en/of puntig voorwerp voorgehouden;

2.

hij op of omstreeks 26 mei 2013 te Veldhoven opzettelijk mishandelend zijn

kind, althans een persoon, te weten [slachtoffer 1], meermalen, althans

eenmaal, heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen

en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 26 mei 2013 te Veldhoven opzettelijk mishandelend zijn

kind, althans een persoon, te weten [slachtoffer 2], meermalen, althans

eenmaal, heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen

en/of pijn heeft ondervonden;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs. 1

Ten aanzien van feit 1 primair.

Inleiding .

Op 26 mei 2013 te omstreeks 22.00 uur bevonden verdachte, [slachtoffer 1] (hierna te noemen: [slachtoffer 1]) en [slachtoffer 2] (hierna te noemen: [slachtoffer 2]) zich in de woning gelegen aan [adres]. Er ontstond onenigheid tussen verdachte en zijn zonen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] omtrent een controller van een Xbox. Verdachte pakte een mes uit de keukenla. 234 [getuige], de vriendin van verdachte, hoorde een la opengaan en hoorde [slachtoffer 1] zeggen: “Doe eens normaal man met dat mes”. 5 [slachtoffer 2] sloeg het mes uit de handen van verdachte. 67

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt dat er discrepanties zijn tussen de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Zo stelt [slachtoffer 1] dat verdachte stekende bewegingen maakte met het mes en stelt [slachtoffer 2] dat verdachte snijdende bewegingen maakte met het mes. Voorts blijkt uit de verklaring van [slachtoffer 2] niet op welke afstand verdachte zich van [slachtoffer 1] bevond toen verdachte bewegingen maakte met het mes. Alhoewel er wettig bewijs voorhanden is, ontbreekt de overtuiging, derhalve verzoekt de officier van justitie om verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat in het dossier het wettig bewijs ontbreekt alsook de overtuiging dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde zou hebben begaan, mede gelet op de discrepantie die er is tussen de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met betrekking tot de vermeende bewegingen die verdachte met het mes zou hebben gemaakt. De verdediging verzoekt de rechtbank derhalve om verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair ten laste gelegde.

Het oordeel van de rechtbank.

Zowel de officier van justitie als de raadsman hebben geconcludeerd tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde. Volgens de raadsman zijn de verklaringen van de beide zoons van verdachte niet betrouwbaar en kunnen deze niet voor het bewijs worden gebezigd zodat het wettig bewijs ontbreekt voor het maken van stekende bewegingen door verdachte. De officier van justitie acht gelet op de verklaringen van de zoons het wettig bewijs wel aanwezig maar vindt dat op het punt van de stekende bewegingen de overtuiging ontbreekt.

Verdachte heeft ontkent dat hij stekende bewegingen met het mes heeft gemaakt. Hij zou het mes hebben vastgehouden met gestrekte arm naar voren en gericht op zijn zoon [slachtoffer 1], waarbij het mes ongeveer een meter van [slachtoffer 1] verwijderd bleef. Aldus heeft hij zijn zoon op afstand willen houden, zo heeft verdachte verklaard.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte een gekarteld mes van vijftien á twintig centimeter lang in zijn hand hield en op hem afliep. De punt van het mes wees omhoog. Op een gegeven moment stond verdachte minder dan één meter van [slachtoffer 1] af. [slachtoffer 1] zag dat verdachte vervolgens een stekende beweging maakte in zijn richting. Hij denkt dat hij ongeveer vier keer een stekende beweging in zijn richting maakte. Op het moment dat verdachte zijn arm helemaal strekte, bedroeg de afstand tussen [slachtoffer 1] en verdachte vier centimeter. Als [slachtoffer 1] niet een aantal keren een stap naar achter had gemaakt, had verdachte [slachtoffer 1] in zijn buik geraakt. 8

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij zag dat verdachte snijdende en stekende bewegingen naar [slachtoffer 1] maakte. [slachtoffer 2] was zeer angstig toen hij het mes in de handen van zijn vader zag, hij was bang dat verdachte [slachtoffer 1] iets zou aandoen met dat mes.9

In tegenstelling tot de officier van justitie en de raadsman acht de rechtbank de verklaring die [slachtoffer 1] heeft afgelegd over de stekende bewegingen en de afstand tussen het mes en zijn buik betrouwbaar. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van zijn broer [slachtoffer 2], die eveneens heeft verklaard dat verdachte stekende bewegingen met het mes maakte en die voorts heeft verklaard dat hij zeer angstig was en het mes uit de handen van verdachte heeft geslagen om te voorkomen dat deze [slachtoffer 1] wat zou aandoen. De betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] volgt onder meer uit de omstandigheid dat zij reeds enkele uren na het voorval tegelijkertijd, maar wel afzonderlijk zijn gehoord en dat hun gedetailleerde verklaringen sterk overeenkomen. De rechtbank zal hun verklaringen dan ook bezigen voor het bewijs.

Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op enig moment uit de keukenla een gekarteld mes van ongeveer 20 centimeter lengte heeft gepakt en daarmee op korte afstand van zijn zoon [slachtoffer 1] stekende bewegingen heeft gemaakt, zodanig dat het mes slechts ongeveer vier centimeter van [slachtoffer 1] buik verwijderd was en [slachtoffer 1] naar achteren is gestapt om te voorkomen dat hij werd geraakt.

Dit handelen van verdachte kan naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van [slachtoffer 1], dat verdachte door zo te handelen de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat zich in de buikstreek vitale organen bevinden en dat naar algemene ervaringsregels een steekwond in de buik tot de dood kan leiden. Het feit dat [slachtoffer 1] geen letsel heeft opgelopen doet daaraan niet af, nu niet aannemelijk is geworden dat dit te danken is aan uitermate beheerste steekbewegingen van verdachte maar veeleer aan het achteruitstappen van [slachtoffer 1] en de omstandigheid dat [slachtoffer 2] het mes uit de handen van verdachte heeft geslagen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2.

Inleiding.

[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van mishandeling gepleegd op 26 mei 2013 te Veldhoven door zijn vader, te weten verdachte. Verdachte kwam op hem af gelopen en kwam in een bokshouding voor [slachtoffer 1] staan. [slachtoffer 1] voelde dat verdachte hem kennelijk opzettelijk met gebalde rechtervuist tegen zijn ribben sloeg. [slachtoffer 1] voelde meteen pijn. 10 [slachtoffer 2] zag dat zijn broer [slachtoffer 1] voluit en met kracht door verdachte werd geslagen. 11 Getuige [getuige], vriendin van verdachte, heeft verklaard dat zij zich in de woonkamer van de woning van verdachte bevond en dat zij zag dat verdachte in een bokshouding tegenover [slachtoffer 1] stond. 12

Het standpunt van de officier van justitie.

Hetgeen verdachte is ten laste gelegd onder 2 is wettig en overtuigend te bewijzen.

Het standpunt van de raadsman.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Op grond van de aangifte en de getuigenverklaringen van [slachtoffer 2] en [getuige] zoals hiervoor verwoord, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 26 mei 2013 zijn kind [slachtoffer 1] heeft mishandeld.

Ten aanzien van feit 3.

Het standpunt van de officier van justitie.

Hetgeen verdachte is ten laste gelegd onder 3 is wettig en overtuigend te bewijzen.

Het standpunt van de raadsman.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met dien verstande dat verdachte slechts eenmaal met de vlakke hand heeft geslagen.

Het oordeel van de rechtbank.

Op grond van de aangifte van [slachtoffer 2] 13 en de bekennende verklaring van verdachte bij de politie 14 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 26 mei 2013 zijn kind [slachtoffer 2] heeft mishandeld.

Gelet op het bepaalde in artikel 359 derde lid van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op 26 mei 2013 te Veldhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, een stekende beweging met een mes heeft gemaakt in de richting van de buik van die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 26 mei 2013 te Veldhoven opzettelijk mishandelend zijn kind, te weten [slachtoffer 1], heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

3.

op 26 mei 2013 te Veldhoven opzettelijk mishandelend zijn kind, te weten [slachtoffer 2], heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten

De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 betoogd dat verdachte handelde uit noodweer. Volgens de raadsman was er sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte door diens zoon [slachtoffer 1]. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het [slachtoffer 1] was die begon met slaan en dat verdachte zich daarvan niet kon distantiëren. Verdachte kreeg rake klappen en kwam tegen een kast in de hoek terecht terwijl [slachtoffer 1] hem bleef aanvallen. De verdachte kon niet anders dan zich verdedigen door terug te slaan.

De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer aangezien de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet aannemelijk zijn geworden. Zoals hiervoor overwogen acht de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] betrouwbaar nu deze gedetailleerd zijn en in grote mate overeenkomen en reeds enkele uren na het voorval zijn afgelegd. Uit die verklaringen blijkt dat verdachte een bokshouding aannam en is begonnen met slaan. Dit wordt ook nog deels ondersteund door de verklaring van [getuige], de in de woonkamer aanwezige vriendin van verdachte. Zij verklaart dat verdachte naar [slachtoffer 1] is toegelopen en in een bokshouding stond. Aldus stelt de rechtbank vast dat het verdachte was die de gewelddadige escalatie tussen hem en [slachtoffer 1] is begonnen door de eerste aanval te plaatsen. Vervolgens hebben verdachte en [slachtoffer 1] elkaar over en weer meermalen geslagen. Gelet op het vorenstaande kan niet gezegd worden dat verdachte heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van hem door [slachtoffer 1].

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 betoogd dat verdachte handelde uit noodweerexces. Volgens de raadsman heeft verdachte zich mogen verdedigen, maar heeft hij de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden door een mes te pakken. Dat verdachte een mes ter hand nam is echter het onmiddellijke gevolg geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding werd veroorzaakt, aldus de verdediging.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder ‘de strafbaarheid van het feit’ is overwogen concludeert de rechtbank dat verdachte niet in een noodweersituatie is komen te verkeren, zodat het beroep op noodweerexces niet kan slagen. De rechtbank verwerpt het gevoerde verweer.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor al hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

Een werkstraf voor de duur van 80 uur subsidiair 40 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarden zoals verwoord in het reclasseringsrapport d.d. 26 juli 2013.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De voorlopige hechtenis van verdachte is reeds geruime tijd geleden onder voorwaarden geschorst. Verdachte heeft zich al die tijd aan de gestelde voorwaarden gehouden. De relatie tussen verdachte en zijn zoon [slachtoffer 2] is inmiddels verbeterd. Voorts verzoekt de verdediging de rechtbank rekening te houden met het feit dat verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar is en het recidiverisico matig tot laag is. De verdediging kan zich vinden in de eis zoals verwoord door de officier van justitie.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag van zijn oudste zoon [slachtoffer 1] door met een mes stekende bewegingen te maken in de richting van de buik van die [slachtoffer 1]. Door zijn gedragingen heeft verdachte een levensbedreigend gevaar voor zijn zoon [slachtoffer 1] in het leven geroepen en heeft verdachte zich niets aangetrokken van diens belangen. Voorts heeft verdachte zijn zonen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geslagen.

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waren ten tijde van de feiten respectievelijk achttien en zestien jaar oud. De bedreigingen en het geweld moeten een grote indruk op zijn zonen hebben gemaakt. De slachtoffers bevonden zich in een afhankelijke positie van verdachte en verdachte wist dit.

Uit een omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebracht rapport door drs. M.H.C.C. Nieuwhof van 31 juli 2013 blijkt, dat de door hem gepleegde strafbare feiten in licht verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend. Er is bij verdachte sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van autistische trekken, te classificeren als PDD-NOS. De gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestaat uit narcistische persoonlijkheidstrekken. Hiervan was ook sprake tijdens het ten laste gelegde.

Verdachte werd blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 december 2013 niet eerder veroordeeld terzake soortgelijke feiten. De rechtbank weegt mee dat de door verdachte gepleegde strafbare feiten gelet op de persoon van verdachte kennelijk gezien moeten worden als een eenmalige misstap. Verdachte heeft er blijk van gegeven dat hij de ernst van het door hem aan zijn slachtoffers aangedane leed inziet en heeft berouw getoond.

De rechtbank betrekt tevens bij haar oordeel dat verdachte zelf is getroffen door de gevolgen van de door hem gepleegde strafbare feiten in die zin dat hij zelf letsel heeft opgelopen, alsmede dat de relatie met zijn zoon [slachtoffer 1] mogelijk definitief is verstoord.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming van lange duur op zijn plaats maar zal deze gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen verklaart en van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 45, 57, 287, 300, 304.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Poging tot doodslag.

Ten aanzien van feit 2:

Mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen zijn kind.

Ten aanzien van feit 3:

Mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen zijn kind.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

T.a.v. feit 1 primair, feit 2, feit 3:

Taakstraf voor de duur van 140 uren subsidiair 70 dagen hechtenis.

De rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.

T.a.v. feit 1 primair, feit 2, feit 3:

Gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen

van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de

Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de

medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden

gegeven door de reclassering;

- dat de veroordeelde zich meldt bij Reclassering Nederland, Eindhoven. Hierna moet

veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit nodig acht.

- dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal laten stellen voor zijn

mogelijke PDD-NOS (Forensische) bij psychiatrie - GGzE, de Omslag of soortgelijke

ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de

verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling

door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

- waarbij de Reclassering Nederland, Regio's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6,

5233 VG te 's-Hertogenbosch, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de

naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 29 mei 2013 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, voorzitter,

mr. E.C.P.M. Valckx en mr. C.A. Mandemakers, leden,

in tegenwoordigheid van J. Kapteijns, griffier,

en is uitgesproken op 22 januari 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie regiopolitie Brabant Zuid-Oost, genummerd PL2218 2013078764, aantal doorgenummerde pagina’s 60.

2 Als verklaring van [slachtoffer 1], aangever, d.d. 27 mei 2013 te 00.30 u p. 22 t/m 25

3 Als verklaring van [slachtoffer 2], aangever, d.d. 27 mei 2013 te 00.32 u p. 52 t/m 55

4 Als verklaring van [verdachte], verdachte, d.d. 27 mei 2013 te 13.30 u p. 39 t/m 47

5 Als verklaring van [getuige], getuige, d.d. 28 mei 2013 p. 32

6 Als verklaring van [slachtoffer 1], aangever, d.d. 27 mei 2013 te 00.30 u p. 22 t/m 25

7 Als verklaring van [slachtoffer 2], aangever, d.d. 27 mei 2013 te 00.32 u p. 52 t/m 55

8 Als verklaring van [slachtoffer 1], aangever, d.d. 27 mei 2013 te 00.30 u p. 22 t/m 25

9 Als verklaring van [slachtoffer 2], aangever, d.d. 27 mei 2013 te 00.32 u p. 52 t/m 55

10 Als verklaring van [slachtoffer 1], aangever, d.d. 27 mei 2013 te 00.30 u p. 22 t/m 25

11 Als verklaring van [slachtoffer 2], aangever, d.d. 27 mei 2013 te 00.32 u p. 52 t/m 55

12 Als verklaring van [getuige], getuige d.d. 28 mei 2013 p. 30 t/m 35

13 Als verklaring van [slachtoffer 2], aangever, d.d. 27 mei 2013 te 00.32 u p. 52 t/m 55

14 Als verklaring van [verdachte], verdachte, d.d. 27 mei 2013 te 13.30 u p. 45