Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:2528

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
16-05-2014
Datum publicatie
22-05-2014
Zaaknummer
SHE 13/5445
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende. Horen in elkaars aanwezigheid. Onderzoeksplicht.

De zaak betreft een watervergunning voor aantal hydrologische maatregelen om het hoogveen-herstel in de Deurnsche Peel mogelijk te maken en lokaal natuurontwikkeling te stimuleren. Niet op voorhand kan worden uitgesloten dat de vergunde maatregelen enige gevolgen kunnen hebben voor de waterhuishoudkundige situatie van het perceel van eiseres. Om te bezien wat de invloed is van de maatregelen in de watervergunning is onderzoek noodzakelijk. Hiermee onderscheidt het belang van eiseres zich van dat van een willekeurige derde bij wie helemaal geen onderzoek noodzakelijk is, ook al ligt het perceel van eiseres in een ander peilvak met een eigen gemaal. Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiseres ten onrechte niet ontvankelijk verklaard.

Eisers zijn niet in aanwezigheid van andere bezwaarmakers zijn gehoord. Dit is in strijd met artikel 7:6 van de Awb. De rechtbank acht echter niet aannemelijk dat belanghebbenden door de schending van deze rechtsregel zijn benadeeld aangezien bij het horen van de overige partijen alleen de ontvankelijkheid aan de orde is gekomen en passeert het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

De watervergunning bevat voorschriften die vergunninghouder verplichten eventuele schade door peilverhoging te vergoeden. Verweerder heeft niet zelf onderzoek verricht en is afgegaan op een memo van vergunninghouder. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit niet kunnen volstaan met een verwijzing naar de voorschriften. Verweerder zal voorafgaand aan vergunningverlening moeten aantonen wat de gevolgen zijn van de vergunde maatregelen voor de percelen van eisers. Anders kan verweerder niet de afweging maken op basis van artikel 2.1 en artikel 6.21 van de Waterwet. De betreffende memo acht de rechtbank onvoldoende. Dit geldt ook voor een na het bestreden besluit uitgevoerd onderzoek omdat hierin de effecten van voorgaande maatregelen niet zijn meegenomen.

Wetsverwijzingen
Waterwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/5445 T en SHE 13/5870

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 16 mei 2014 in de zaak tussen

[bedrijf], te [vestigingsplaats],

[eiser 1] te [woonplaats],

[eiser 2] te [woonplaats],

eisers,

(gemachtigde: mr. C. Drent)

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. G.J. van Tuel - Koenders)

en

het dagelijks bestuur van Waterschap Aa en Maas, verweerder.

(gemachtigden: mr. K.I.M. Lap, ing. A. Vrielink en ir. C.P.M. van Rens)

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Dienst Landelijk Gebied, te Tilburg, vergunninghouder.

(gemachtigde: I.F.M. Appel)

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een watervergunning verleend voor diverse maatregelen in het kader van het landinrichtingsplan Peelvenen, module Koningshoeven Natuur Middengebied.

Bij besluit van 19 november 2013 heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. In een afzonderlijk besluit van dezelfde datum heeft verweerder het bezwaar van eisers deels gegrond verklaard. Verweerder heeft het primaire besluit ingetrokken en een nieuwe watervergunning verleend. Tevens heeft verweerder een proceskostenvergoeding toegekend.

Eisers en eiseres hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep van eiseres is geregistreerd onder zaaknummer SHE 13/5870. Het beroep van eisers is geregistreerd onder zaaknummer SHE 13/5445. Voorts hebben eisers de voorzieningenrechter bij brief van 26 november 2013 verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 10 december 2013 (zaaknummer SHE 13/5444) heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2014. De zaken zijn gelijktijdig behandeld tezamen met de zaken SHE 13/5869 en SHE 13/5693. Van eisers zijn verschenen [eiser 1] alsmede de echtgenote van [eiser 2], bijgestaan door hun gemachtigde. Eiseres is verschenen, vergezeld van haar dochter [persoon 1] en [persoon 2] en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Voorts is de gemachtigde van de derde-partij verschenen.

Overwegingen

1.1 De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2 Vergunninghouder wil een aantal hydrologische maatregelen treffen om het hoogveen-herstel in de Deurnsche Peel mogelijk te maken en lokaal natuurontwikkeling te stimuleren. Hiervoor heeft hij een aanvraag voor een watervergunning ingediend bij verweerder. Deze aanvraag (voor het project Koningshoeven Natuur) betreft het gedeeltelijk dempen van een waterloop (de Soeloop Noord-Zuid), de herprofilering (vergraven) van een oppervlaktewaterlichaam, het verwijderen van 2 stuwen, het verondiepen van een oppervlaktewaterlichaam (de Soeloop Oost-West), het realiseren van 3 stuwen, het realiseren van 3 dammen met duikers, het gefaseerd leegpompen van het te dempen gedeelte van de Soeloop Noord-Zuid en het lozen van het daarbij vrijkomende water in het overgebleven deel van het oppervlaktewaterlichaam, het realiseren van een damwand, het rooien van beplantingen en het opzetten van een waterpeil tot 29,40 meter +NAP. De werkzaamheden vinden plaats in het gebied Koningshoeven te Deurne.

1.3 Voorts heeft vergunninghouder een aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van diverse werken ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne. De activiteiten betreffen de hierboven genoemde hydrologische maatregelen, alsmede het uitvoeren van graafwerkzaamheden, het ophogen, verlagen, afgraven of egaliseren van de bodem of het wijzigen van maaiveld, het aanbrengen van rasters en de aanleg van twee wandelroutes waarbij voor de paden geen verharding wordt toegepast. De omgevingsvergunning is verleend op 31 mei 2013. Burgemeester en Wethouders hebben het hiertegen onder meer door eiseres ingestelde bezwaar gegrond verklaard op 20 november 2013, maar de omgevingsvergunning is in stand gelaten onder aanvulling van de motivering en een advies van het waterschap alsmede een verklaring van geen bedenkingen van gedeputeerde staten van Noord-Brabant. Het hiertegen door eiseres ingestelde beroep is geregistreerd onder zaaknummer SHE 13/5869.

1.4 Eisers oefenen een gemengd agrarisch bedrijf uit. De percelen liggen deels ten westen van het Kanaal van Deurne. Voorts hebben eisers percelen die zijn gelegen ten oosten van het Kanaal van Deurne en ten zuiden van het gedeelte van de Soeloop Oost-West dat wordt verondiept. Zij gebruiken deze percelen onder meer voor de teelt van gras, bieten en mais ten behoeve van hun grondgebonden melkveehouderij. De percelen worden voor inzaai gereed gemaakt vanaf februari 2014 en vanaf april 2014 ingezaaid. De stroomrichting van de Soeloop Oost-West is van oost naar west.

1.5 Eiseres woont aan [adres]. Haar woning ligt op een perceel dat zowel ten westen als ten noorden grenst aan de watergang Soeloop Noord-Zuid. Het perceel is gelegen in het peilvak Boven. Dit peilvak grenst in de zuidwestelijke hoek aan een van de peilvakken waar de maatregelen worden uitgevoerd waarvoor de watervergunning is verleend. De dichtstbijzijnde maatregel wordt op een afstand van ongeveer 650 meter van haar perceel uitgevoerd.

2.

In de bestreden besluiten heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij volgens verweerder geen rechtstreeks betrokken belang heeft. De bezwaren van eisers zijn weliswaar gegrond verklaard maar verweerder heeft het primaire besluit ingetrokken en een nieuwe watervergunning verleend. Hieraan zijn voorschriften verbonden. Verder maken de door vergunninghouder verschafte aanvullende gegevens waaronder de memo ‘Onderbouwing effecten maatregelen Koningshoeven Natuur’ (verder: de Memo) deel uit van de vergunning. De nieuwe watervergunning verschaft vergunninghouder een titel om het oppervlaktewaterpeil te verhogen tot 29,40 meter +NAP.

3.1

Eiseres heeft aangevoerd dat zij wel een rechtstreeks betrokken belang heeft. Zij heeft al jaren last van een sterk wisselende grondwaterstand op haar perceel waardoor de grond eerst is ingeklonken. Vervolgens is de grondwaterstand weer gestegen met schade aan haar woning tot gevolg. Er wordt een aantal maatregelen vergund in de Soeloop Noord-Zuid die grenst aan haar perceel. Het dempen van een watergang kan een negatieve invloed hebben op de werking van de afvoer- en bergingscapaciteit van de Soeloop Noord-Zuid. Daarbij is het perceel van eiseres laaggelegen waardoor hydrologische ingrepen in het watersysteem haar perceel in het bijzonder raken.

3.2

Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat het perceel van eiseres niet is gelegen in het (deel)plangebied Koningshoeven Natuur. De maatregelen hebben geen invloed op haar percelen. De meest dichtstbijzijnde werkzaamheden vinden plaats op 650 meter ten zuiden van het perceel waar eiseres woont. Het perceel is voorzien van een eigen gemaal waardoor de grondwaterstand lokaal goed te sturen is. Uit berekeningen is dan ook gebleken dat de maatregelen geen effect hebben op het perceel van eiseres. Haar belang onderscheidt zich in onvoldoende mate van dat van andere bewoners van de gemeente Deurne. Daarom acht verweerder eiseres geen belanghebbende en is haar bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

3.3

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

3.4

De rechtbank is van oordeel dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat de vergunde maatregelen enige gevolgen kunnen hebben voor de waterhuishoudkundige situatie van het perceel van eiseres. Om te bezien wat de invloed is van de maatregelen in de watervergunning is onderzoek noodzakelijk. Hiermee onderscheidt het belang van eiseres zich van dat van een willekeurige derde bij wie helemaal geen onderzoek noodzakelijk is. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het peilvak waarin de percelen van eiseres zijn gelegen grenst aan dat waar de maatregelen worden uitgevoerd, dat het perceel van eiseres grenst aan de Soeloop Noord-Zuid, alsmede dat haar perceel laag is gelegen. Dat de maatregelen op enige afstand van haar perceel worden uitgevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Ook in verweerders veronderstelling dat bij eiseres geen schade zou kunnen ontstaan, vanwege in het verleden in het projectgebied Koningshoeven Cultuur getroffen maatregelen, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen, te meer nu eiseres stelt schade te hebben geleden vanwege deze in het verleden uitgevoerde maatregelen. Dat het peilvak waarin het perceel van eiseres is gelegen, beschikt over een eigen gemaal acht de rechtbank niet relevant. Er liggen ook percelen van andere eigenaren in het peilvak en de rechtbank acht het onwaarschijnlijk dat eiseres op eigen houtje, zonder overleg met deze andere eigenaren, het peil kan verlagen. Bovendien heeft [persoon 2] ter zitting onweersproken verklaard dat bedoeld gemaal bij een hoger gelegen perceel ligt en dat een ander gemaal niet meer functioneert. Het bezwaarschrift van eiseres is ontvankelijk en haar beroep slaagt. Het besluit van 19 november 2013 dat op eiseres betrekking heeft, komt voor vernietiging in aanmerking.

4.1

Eisers hebben aangevoerd dat zij ten onrechte niet in de aanwezigheid van andere bezwaarmakers zijn gehoord. Dit is in strijd met het bepaalde in artikel 7:6, eerste en derde lid, van de Awb. Eisers menen dat zij hierdoor in hun belangen zijn geschaad.

4.2

Verweerder erkent dat hij heeft verzuimd om aan te geven dat partijen afzonderlijk zouden worden gehoord. Verweerder heeft bezwaarmakers abusievelijk niet van elkaars bezwaren op de hoogte gesteld. Na het nemen van het besluit op bezwaar heeft verweerder dit alsnog gecorrigeerd door de adviezen en verslagen van de hoorzittingen aan alle bezwaarmakers toe te zenden.

4.3

Ingevolge artikel 6:22 van de Awb kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

4.4

De rechtbank stelt vast dat eisers niet in aanwezigheid van andere bezwaarmakers zijn gehoord en dat eisers hiervan niet op de hoogte zijn gesteld. Voorts is niet gebleken van omstandigheden in de zin van artikel 7:6, tweede lid, van de Awb om hiervan af te zien. Dit is in strijd met artikel 7:6 van de Awb. De rechtbank acht echter niet aannemelijk dat belanghebbenden door de schending van deze rechtsregel zijn benadeeld aangezien bij het horen van de overige partijen alleen de ontvankelijkheid aan de orde is gekomen. Eisers zijn na het bestreden besluit in kennis gesteld van de stellingname van de andere partijen. De rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

5.1

Eisers stellen dat de vergunning is verleend in strijd met artikel 6.12 van de Waterwet (Wtw) en artikel 2.1 van de Wtw, omdat de watervergunning zal leiden tot wateroverlast. Dit volgt volgens hen ook uit het Landinrichtingsplan Herinrichting Peelvenen onderdeel Deurnsche Peel-Mariapeel “Het onverenigbare verenigd” (verder: het Landinrichtingsplan), waaraan verweerder zich heeft geconformeerd. De percelen van eisers liggen lager dan de percelen waar de wijzigingen in het watersysteem plaatsvinden. Het dempen en verondiepen van de Soeloop Oost-West zal ervoor zorgen dat het gebied met water verzadigd raakt. Dit zorgt volgens eisers voor een toename van kwelwater en een verhoging van de grondwaterstand. Zo komt water tijdelijk op het land te staan. Verder vrezen eisers overstromingen. Eisers verwijzen in het beroepschrift naar kaarten, die behoren bij de GGOR Inrichtingsvisie Deurnsche Peel (verder: de GGOR Inrichtingsvisie) waarop te zien is dat zich op de percelen van eisers een stijging van de grondwaterstand kan voordoen van meer dan 40 cm. Volgens eisers kan verweerder niet volstaan met een verwijzing naar de voorschriften van de watervergunning, maar moet verweerder aantonen dat er geen wateroverlast zal optreden. Ook de verwijzing naar de Memo is onvoldoende. Tot slot wordt onvoldoende aandacht besteed aan de maatregelen die reeds in het verleden zijn vergund, alsmede aan de peilverhogingen in het verleden. Ter onderbouwing hebben eisers verwezen naar een, onderzoek van Artesia dat in hun opdracht is uitgevoerd.

5.2

Verweerder stelt in het bestreden besluit dat de vergunning is verleend conform de Beleidsregels keur Waterschap Aa en Maas 2013 (verder: de Beleidsregels). In hoofdstuk 2.14 van de Beleidsregels is als uitgangpunt bepaald dat de waterhuishouding niet negatief mag worden beïnvloed. Als voorschrift is in de vergunning opgenomen dat, ter plaatse van de betreffende maatregel, maatregelen moeten worden getroffen om wateroverlast bij aangrenzende percelen te voorkomen. Voorts is een extra voorschrift opgenomen op grond waarvan aantoonbare schade als gevolg van wijziging in de grondwaterstanden (na monitoring) volledig wordt vergoed. De maatregelen uit de GGOR Inrichtingsvisie zijn niet de maatregelen die nu worden uitgevoerd. Het peil wordt veel minder hoog opgezet en ook over een veel kleinere afstand. Het Landinrichtingsplan is slechts een raamwerk en biedt geen zelfstandige basis om de maatregelen uit te voeren. De uitwerking volgt in deelgebieden (modules), waarvan de module Koningshoeven Natuur Middengebied er een is.

5.3

Vergunninghouder heeft aangegeven dat de peilverhoging stapsgewijs wordt uitgevoerd. Er is aangegeven dat daarmee zal worden begonnen na januari 2015

5.4

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wtw is de toepassing van de wet gericht op de voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met de bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.
Ingevolge artikel 6.21 van de Wtw wordt een vergunning geweigerd, voor zover verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 2.1 of de belangen, bedoeld in artikel 6.11.

5.5.

Ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van de Keur 2013 is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.

5.6

Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, van de Keur 2013 is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van regionale waterkeringen die in de legger zijn aangewezen als compartimenteringskeringen en bijbehorende beschermingszone en overige waterkeringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder:

a. voorwerpen in de grond aan te brengen, te wijzigen, te hebben, te onderhouden of uit de grond te verwijderen, te boren of te sonderen;

b. het maaiveld te verhogen of te verlagen;

c. kunstwerken, kabels en leidingen te maken, te hebben, te onderhouden, te wijzigen of te verwijderen die een verbinding maken met een andere zijde van de compartimenteringskering.

5.7

Ingevolge artikel 2.11 van de Keur 2013 zijn de eigenaren van stuwen, dan wel andere onderhoudsplichtigen van stuwen, verplicht het door het bestuur bepaalde stuwpeil in te stellen en te houden.

5.8

Aan de watervergunning van 13 november 2013 zijn onder meer de volgende voorschriften verbonden:

1.10.

De vergunninghouder is verplicht de schade, die hij door het gebruik van de vergunning toebrengt, te vergoeden. Ook moet hij de redelijkerwijs mogelijke maatregelen nemen om te voorkomen dat het waterschap of derden schade lijden door het gebruik van de vergunning.

1.12.

De uitvoering van de werkzaamheden mag geen negatieve invloed hebben op het functioneren van het watersysteem en het onderhoud van de waterloop.

5.15

De vergunninghouder voert de in de aanvraag genoemde werkzaamheden zodanig uit dat de stuw na uitvoering van de werkzaamheden voldoet aan de volgende maatvoering:

Tabel 1: schotbalkstuw Soeloop Oost-West: (..), streefpeil 29,40 + NAP.

11.

Monitoring grondwaterstanden.

11.1.

Vergunninghouder stelt een monitoringsplan op, in samenspraak met bestuurscommissie De Peelvenen, dat voor voltooiing daarvan goedkeuring moet hebben van het dagelijks bestuur.

11.2.

Het monitoringsplan moet gericht zijn op het vaststellen van een nul-situatie van de grondwaterstanden en vaststelling van de invloed van vergunde maatregelen.

11.3.

De maatregelen zoals beschreven in deze vergunning welke van invloed zijn op de grondwaterstanden mogen pas worden voltooid, nadat een nul situatie van de grondwaterstanden is vastgelegd en geaccordeerd door of namens het dagelijks bestuur.

11.4.

Bij constatering van een significante wijziging in de grondwaterstanden bij omringende percelen van belanghebbenden, op basis van het monitoringsprogramma na vaststelling van de nul situatie, moet de grondwaterstand op eigen initiatief, maar in ieder geval op aanwijzing van het waterschap naar de nul situatie worden teruggebracht, of

11.5.

Aantoonbare schade als gevolg van geconstateerde wijziging in de grondwaterstanden te wijten aan maatregelen zoals genoemd in de vergunning moet volledig worden vergoed door vergunninghouder.

5.9

In de Memo is op pagina 4 aangegeven dat de peilstijging in de Soeloop Oost-West slechts 5% van de oppervlakte uitmaakt. Een peilstijging tot 29,40 meter +NAP zal niet leiden tot verhoging van de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) in de omliggende landbouwgronden. Op pagina 5 is aangegeven dat de maatregelen zo worden uitgevoerd, dat geen nadelige effecten op particuliere eigendommen worden verwacht. Monitoring wordt echter wel gewenst geacht. Op pagina 6 wordt aangegeven dat, als toch een verhoging van de grondwaterstanden wordt gemeten, het peil wordt verlaagd tot het niveau waarop geen natschade ontstaat.

5.10

De rechtbank stelt voorop dat voorschrift 5.1 van de watervergunning slechts een titel biedt om het oppervlaktewaterpeil te verhogen naar 29,40 meter +NAP. De peilverhoging die is voorzien in de GGOR Inrichtingsvisie is niet vergund. Indien vergunninghouder het peil verder zou verhogen dan vergund in voorschrift 5.1 van het bestreden besluit, zou worden gehandeld in strijd met de watervergunning.

5.11

Verweerder merkt terecht op dat het Landinrichtingsplan niet rechtstreeks onderdeel uitmaakt van het toetsingskader van de watervergunning. De rechtbank is echter wel van oordeel dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit niet zonder meer voorbij kan gaan aan de uitgangspunten van het Landinrichtingsplan. Als verweerder van deze uitgangspunten afwijkt, dient verweerder dit te motiveren.

5.12

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit niet kunnen volstaan met een verwijzing naar de voorschriften. Verweerder zal voorafgaand aan vergunningverlening moeten aantonen wat de gevolgen zijn van de vergunde maatregelen voor de percelen van eisers. Anders kan verweerder niet de afweging maken op basis van artikel 2.1 en artikel 6.21 van de Wtw. Voorts is de rechtbank van oordeel dat voorschrift 1.10 onvoldoende concreet is. Indien niet van tevoren duidelijk is of en zo ja welke schade ontstaat, kan niet redelijkerwijze van vergunninghouder worden verlangd dat hij zomaar niet nader benoemde maatregelen treft. Tot slot heeft verweerder miskend dat de aanvraag voorziet in het ophogen van het peil tot 29,40 meter +NAP. Zolang niet is aangetoond dat de peilverhoging niet tot een significante verhoging van de grondwaterstand bij omringende percelen kan leiden, brengt voorschrift 11.4 met zich dat de aangevraagde activiteiten door middel van dit voorschrift mogelijk verkapt wordt geweigerd. Verweerder heeft het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.

5.13

In het bestreden besluit heeft verweerder weliswaar verwezen naar de Memo maar met deze verwijzing heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet aangetoond dat geen, dan wel slechts in beperkte mate, wateroverlast in de vorm van hogere kweldruk, stijgende grondwaterhoogte of toenemend overstromingsgevaar zal optreden. De rechtbank heeft ter zitting vastgesteld waar de percelen van eisers liggen. De doorsnedetekening op pagina 2 van de Memo kan geen betrekking hebben op de percelen van eisers. Verder wordt in de Memo slechts een verwachting uitgesproken zonder dat onderzoek is verricht of berekeningen op basis van een modellering zijn uitgevoerd. Integendeel, er wordt in de Memo aangegeven dat het peil zal worden verhoogd en dat op basis van de monitoring zal worden gehandeld. De Memo biedt onvoldoende inzicht of de verhoging van het peil zal leiden tot een verhoging van de grondwaterstand op de percelen van eisers. Weliswaar wordt een conclusie getrokken voor omliggende percelen maar deze conclusie valt niet te rijmen met de behoefte aan monitoring en de opmerking dat, bij een stijging van de grondwaterstand, het peil wordt teruggebracht naar het overigens niet nader benoemde niveau waarop geen natschade zal ontstaan. De rechtbank merkt hierbij op dat uit voorschrift 11.5 niet volgt wat het nulsituatieniveau is. Evenmin is duidelijk of dit het niveau is waarop geen natschade ontstaat dat in de Memo wordt genoemd. Daarom heeft verweerder op basis van de Memo niet kunnen bepalen of voorafgaande technische maatregelen noodzakelijk zijn ter voorkoming van wateroverlast en of er aanleiding bestond om een natschaderegeling te treffen. Verweerder heeft evenmin op basis van de Memo de afweging kunnen maken op basis van artikel 2.1 en artikel 6.21 van de Wtw. Het bestreden besluit is daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd..

5.14

Gelet op bovenstaande overwegingen slaagt de beroepsgrond.

6.1

Eisers vrezen dat als gevolg van de stijging van het grondwaterpeil gevaarlijke stoffen vanuit een voormalige vuilstortplaats nabij het projectgebied veel gemakkelijker in het grondwater en/of oppervlaktewateren terecht kunnen komen. Zij vrezen voor gezondheidsrisico’s en voor het toekomstig gebruik van het grondwater voor bedrijfsdoeleinden, namelijk voor de gewassen en het vee. Verweerder heeft dit niet onderzocht.

6.2

Verweerder stelt dat de provincie Noord-Brabant ten aanzien van de vuilstortplaatsen het bevoegde gezag is voor toezicht op en handhaving van naleving van wettelijke voorschriften.

Voor een vuilstort gelden monitoringsverplichtingen. Indien sprake is van stoffen die schadelijk zijn voor het grondwater of oppervlaktewater dan dient de beheerder van de vuilstortplaats dan wel het bevoegde gezag maatregelen te treffen om uitstroming te voorkomen. Het aanwezig zijn van een vuilstortplaats is voor verweerder dan ook geen toetsingskader voor het al dan niet verlenen van een watervergunning. Overigens is de stromingsrichting van de gesloten stortplaats noordwestelijk waardoor de percelen van eisers niet zullen worden bereikt.

6.3

Uit artikel 2.1 van de Wtw volgt dat wanneer verlening van de vergunning niet verenigbaar is met onder andere de bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, deze moet worden geweigerd.

6.4

De rechtbank is van oordeel dat, nu het grondwater van de gesloten stortplaats in noordelijke richting stroomt, de percelen van eisers hierdoor niet worden bereikt. Bovendien merkt verweerder terecht op dat de provincie Noord-Brabant toeziet op de verplichtingen met betrekking tot de voormalige stortplaats. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat een goede afscheiding tussen de stortplaats en het oppervlaktewater en grondwater onderdeel uitmaakt van deze verplichtingen. In de niet onderbouwde stelling van eisers dat er niet in kaart gebrachte grondwaterstromen zouden kunnen lopen onder de stortplaats naar de Soeloop Oost-West of het Leegveld, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Deze beroepsgrond faalt.

7.1

Eisers zijn van mening dat de voorschriften bij de vergunning ten onrechte niet voorzien in een bescherming van de percelen (en het bedrijf) van eisers tegen wateroverlast.

Dit is ook in strijd met het Landinrichtingsplan waarin herhaaldelijk is bepaald dat de maatregelen in het kader van het Landinrichtingsplan alleen mogen worden opgenomen als waterschade zoveel mogelijk wordt voorkomen door het treffen van technische maatregelen. Aan vergunninghouder is geen enkele schadebeperkende maatregel opgelegd. Voorts zijn geen toereikende monitoringsverplichtingen opgelegd aan vergunninghouder.

Monitoringsvoorschrift 11.3 voldoet niet, omdat het niet voorschrijft dat vóór de start van de maatregelen een nulsituatie moet zijn vastgelegd. Het monitoringsvoorschrift voldoet voorts niet, omdat het alleen voorziet in het monitoren van de grondwaterstanden. Onduidelijk is of ook de gevolgen van verhoging van kwelwater en tragere piekafvoer van regen- en oppervlaktewater door middel van het monitoringsvoorschrift in kaart worden gebracht.

7.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat een extra vergunningvoorschrift is opgenomen in de vergunning met betrekking tot monitoring. Het bestaande meetnet is uitgebreid met peilbuizen op bekende kwetsbare locaties, onder andere nabij de percelen van eisers. Vergunninghouder zal pas gaan starten met het opzetten van de streefpeilen in de Soeloop Oost-West na 1 januari 2015. De toegevoegde peilbuizen zijn in februari 2013 geplaatst. De percelen van eisers zijn gelegen buiten het plangebied. Verweerder geeft aan dat op basis van monitoringsgegevens na 1 januari 2015 een nulsituatie wordt vastgesteld. Mocht na het uitvoeren van de maatregelen blijken dat toch vernatting optreedt, dan kan worden teruggevallen op de natschaderegeling van DLG. Verweerder acht een periode van twee jaar voldoende om een nulsituatie vast te kunnen stellen.

7.3

De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van verweerder had gelegen om een concrete datum te verbinden aan het vastleggen van de nulsituatie. De vergunnings-voorschriften laten het toe dat het streefpeil reeds nu wordt opgezet. De enkele opmerking dat dit pas vanaf 1 januari 2015 zal gebeuren, biedt onvoldoende rechtszekerheid,

omdat deze datum niet in de voorschriften van het bestreden besluit is vastgelegd. Bovendien zijn de maatregelen grotendeels uitgevoerd en valt niet op voorhand uit te sluiten dat de maatregelen zelf invloed kunnen hebben op het grondwaterpeil Dit wordt bevestigd in de conclusies van het eerste onderzoek van Artesia. Onder verwijzing naar de voorgaande rechtsoverweging is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet heeft kunnen afzien van het opleggen van technische maatregelen zonder voldoende onderzoek naar de gevolgen van vergunningverlening voor de waterhuiskundige situatie op de percelen van eisers. Deze beroepsgrond slaagt.

8.1

Eisers zijn van mening dat de door verweerder verleende watervergunning in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb (het evenredigheidsbeginsel). Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met het belang van eisers om voorafgaand aan de vergunningverlening duidelijkheid te verkrijgen over het bedrag aan schadevergoeding waarop zij aanspraak kunnen maken. Eisers wijzen in dit verband ook op het Landinrichtingsplan waarin wordt gesproken over een natschaderegeling. Deze wijze van omgaan met de nadelige gevolgen van vernattingsmaatregelen heeft verweerder inmiddels ook vervat in het GGOR Inrichtingsvisie Deurnsche Peel. Verweerder heeft niet voldaan aan het Landinrichtingsplan dat voorschrijft dat voorafgaande aan vergunningverlening moet worden onderzocht of er schade zal optreden, en dat die vooraf moet worden vergoed.

8.2

Verweerder is van oordeel dat weigering van de vergunning op dit punt niet aan de orde is, aangezien geen significante schade bij eisers valt te voorzien. In zoverre wordt de Natschaderegeling in het Landinrichtingsplan gevolgd. Voor zover de bedoelde onvoorziene schade toch optreedt, voorzien de regeling van artikel 7.14 van de Wtw en de Verordening Schadevergoeding waterschap Aa en Maas in een voldoende schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de grief omtrent het onvoldoende volgen van de Natschaderegeling stelt verweerder dat de vergunning geheel conform de schadevergoedingsafspraken van het Landinrichtingsplan is verleend.

8.3

Uit het Landinrichtingsplan volgt dat voorzienbare schade vooraf wordt vergoed (pag. 56). In Bijlage 5 is daartoe de zogeheten Natschaderegeling opgenomen. Onder voorzienbare vernattingsschade wordt verstaan (pag. 95): de vernattingsschade die het voorzienbare gevolg is van de uitvoering van vernattingsmaatregelen. Als voorzienbare vernattingsschade vooraf is bepaald en er overeenstemming is tussen partijen, zal via een overeenkomst worden geregeld dat de vernattingsschade wordt afgekocht.

8.4

Het bestreden besluit voorziet in vernattingsmaatregelen. Uit de voorafgaande rechtsoverwegingen volgt dat verweerder onvoldoende heeft aangetoond dat geen significante schade zal optreden. Daarom valt vooralsnog niet uit te sluiten dat voorzienbare schade zal optreden en dat er aanleiding was om op voorhand een schaderegeling te treffen. Het bestreden besluit is op dit onderdeel onvoldoende gemotiveerd. Ten aanzien van onvoorzienbare schade volstaat vergunningvoorschrift 11.5 in het bestreden besluit in combinatie met de mogelijkheid om een verzoek tot schadevergoeding in te dienen op grond van artikel 7:14 van de Wtw.

9.

Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking gelet op de hierboven genoemde geslaagde beroepsgronden. De rechtbank zal hieronder beoordelen of aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen in stand te laten.

10.1

In het verweerschrift in de procedure SHE 13/5870 heeft verweerder nader onderbouwd dat het perceel van eiseres geen invloed kan ondervinden van de maatregelen die zijn vergund in de watervergunning. Hierbij is een berekening gevoegd, waaruit blijkt dat de grondwaterstand in de directe omgeving van het peilvak van eiseres niet zal stijgen door de maatregelen in Koningshoeven Natuur.

10.2

De rechtbank acht niet voorzienbaar dat door uitvoering van het bestreden besluit schade zal optreden op het perceel van eiseres. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd, geen reden aan de juistheid van deze berekening te twijfelen. Dat eiseres schade ondervindt van de wisselende grondwaterstand leidt niet tot een ander oordeel. Niet valt uit te sluiten dat deze schade wordt veroorzaakt door eerder uitgevoerde maatregelen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de vergunde maatregelen in Koningshoeven Natuur grotendeels zijn uitgevoerd in de periode tussen 10 december 2013 en 8 april 2014. Gesteld noch gebleken is dat in deze periode aanvullende schade is ontstaan. Weliswaar zal het oppervlaktewaterpeil door vergunninghouder later worden opgezet maar de rechtbank is van oordeel dat voor wat betreft het perceel van eiseres in de watervergunning in voldoende mate in voorschriften is voorzien om wateroverlast te voorkomen. De rechtbank neemt hierbij de stroomrichting van de Soeloop Noord-Zuid en de Soeloop Oost-West in aanmerking. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder had moeten afzien van het bestreden besluit. Evenmin bestaat aanleiding om reeds nu technische maatregelen voor te schrijven ter voorkoming van vernattingsschade. De vraag of vergunninghouder een toereikend monitoringsplan heeft, maakt geen onderdeel uit van dit geding. Overigens gaat de rechtbank ervan uit dat verweerder de mogelijkheid heeft om op basis van de peilbuizen nabij het perceel van eiseres die zijn geplaatst in kader van eerdere vergunningen te monitoren of het bestreden besluit invloed heeft op de grondwaterstand in het peilvak waar het perceel van eiseres in is gelegen en lijkt er geen bezwaar te bestaan om deze bestaande buizen in het monitoringsplan op te nemen. De rechtbank zal in de einduitspraak zelf in de zaak voorzien en het bezwaar van eiseres alsnog ongegrond verklaren.

11.1

Naar aanleiding van de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening heeft verweerder een onderzoek laten uitvoeren door Witteveen en Bos. Dit onderzoek genaamd ‘Modellering Koningshoeven Natuur’ heeft verweerder ingebracht in de procedure SHE 13/5445. Hierbij zijn de gevolgen van het bestreden besluit voor de GHG op de percelen van eisers berekend. Als referentiesituatie is de huidige situatie op basis van de legger en de keur, inclusief de uitvoering van Koningshoeven Cultuur, gekozen. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting aangegeven dat maatregelen uit het verleden buiten het model zijn gelaten. Uit het onderzoek blijkt het volgende: Bij uitvoering van het bestreden besluit treedt een stijging op van de GHG op beide percelen met minder dan 5 cm. Het effect is sterker op het zuidelijk gelegen perceel van eisers waar de GHG met 5 centimeter zal stijgen. Witteveen en Bos merkt op dat eisers hun eigen ontwatering via het gemaal op het zuidelijk gelegen perceel behouden. Een stijging van de GHG met 5 centimeter is volgens Witteveen en Bos niet significant. Het peil van de Soeloop aangrenzend aan het noordwestelijk perceel zal niet veranderen. De toename van kwel is zeer beperkt, volgens verweerder 5 tot 6 % per jaar meer, en leidt naar alle waarschijnlijkheid niet tot wateroverlast. Ook het inzakken van taluds door een stijging van 0-5 cm is erg onwaarschijnlijk. Voorts heeft Witteveen en Bos een onderzoek gedaan naar de gevolgen van het bestreden besluit voor de afvoercapaciteit van de Soeloop Oost-West. Deze zal afnemen door de verhoging van de bodem. Het afwateringsgebied neemt echter fors af. Door de ophoging van de bodem zullen in de toekomst geen hogere peilen ontstaan. Een hoger peil wordt uitsluitend veroorzaakt door de ophoging van het stuwpeil. Ter zitting heeft verweerder benadrukt dat vooral de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand van belang is voor eisers en dat deze niet stijgt.

11.2

Eisers hebben twee onderzoeken laten uitvoeren door Artesia. Het eerste onderzoek van Artesia van 28 februari 2014 (verder: het eerste onderzoek) is een reactie op de Memo. Het tweede onderzoek Artesia van 27 maart 2014 (verder: het tweede onderzoek) betreft een reactie op het rapport van Witteveen en Bos. Uit het eerste onderzoek volgt op basis van eigen berekeningen met een eigen doorsnedemodel dat de peilopzet wordt opgevangen door een grotere afvoer van het maaiveld van de Soeloop Oost-West. Het effect is in de natte wintermaanden beperkt tot een zone van 100 meter rond de Soeloop Oost-West. Vooral de zuidelijk gelegen percelen van eisers zouden hiervan hinder kunnen ondervinden. Enkele ruimtelijke variabelen, zoals de omstandigheid dat op het zuidelijke perceel verschillende maaiveldhoogten zijn, zijn nog niet meegenomen in het doorsnedemodel van Artesia. In het tweede onderzoek merkt Artesia op dat het grondwatermodel van Witteveen en Bos geschikt lijkt om de effecten op de GHG te bepalen. Artesia blijft bij de conclusie dat het, door de verhoging van de GHG in de wintermaanden, langer kan duren totdat de GHG in het voorjaar is weggezakt. Dit kan tot gemiddeld 13 dagen langer duren. Daardoor kan ook later met de bewerking van het land worden gestart. Bovendien wijst Artesia erop dat een stijging van de GHG met 5 centimeter weliswaar beperkt is, maar dat de GHG aan de oostzijde van het noordwestelijke perceel van eisers en aan de noordzijde van de zuidelijke percelen van eisers al aan het maaiveld ligt. Artesia vraagt tot slot aandacht voor de kweldruk op de percelen. Eisers hebben ter zitting in aanvulling op het bovenstaande aandacht gevraagd voor een aantal effecten van de stijging in de GHG, waaronder de verminderde werking van de drainage, de begroeiing van de kanten van de Soeloop Oost-West en een toename van ongedierte, zoals knutten, waardoor de gezondheid van hun veestapel in gevaar komt.

11.3

De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat niet valt uit te sluiten dat eisers het rapport van Witteveen en Bos later hebben ontvangen dan in de uitspraak van de voorzieningenrechter is bepaald, maar ziet hierin geen aanleiding het rapport buiten beschouwing te laten, omdat eisers wel voldoende hebben kunnen reageren op het rapport.

11.4

De rechtbank stelt vast dat Artesia en Witteveen en Bos op zichzelf niet van mening verschillen over de omvang van de stijging van de GHG met 5 centimeter.

11.5

Naar het oordeel van de rechtbank stellen eisers terecht dat de effecten van voorgaande maatregelen niet zijn meegenomen in het model van Witteveen en Bos. Ook al zou een stijging van maximaal 5 centimeter van de GHG niet significant te noemen zijn, niet valt uit te sluiten dat deze 5 centimeter de spreekwoordelijke druppel vormt die de emmer doet overlopen. Als de GHG op de percelen van eisers reeds zo hoog is als gevolg van voorgaande maatregelen, dat door een stijging van een extra 5 centimeter langdurig water op het land komt te staan, is deze 5 centimeter wel degelijk significant voor eisers. In dat geval zou het bestreden besluit kunnen leiden tot voorzienbare wateroverlast en rust op verweerder de verplichting om deze door middel van extra technische maatregelen te voorkomen, dan wel een natschaderegeling te treffen. Het op zichzelf beoordelen van iedere stijging als gevolg van elke aparte maatregel kan tot gevolg hebben dat het totale effect van maatregelen uit het oog wordt verloren.
De rechtbank kan voorts uit het rapport van Witteveen en Bos niet opmaken dat rekening wordt gehouden met de ruimtelijke variatie op het zuidelijk gelegen perceel van eisers.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder de toename van kweldruk onvoldoende heeft gekwantificeerd. Ook hierbij had het op de weg van verweerder gelegen om deze toename niet op zichzelf te bezien, maar hierbij de reeds bestaande hoge kweldruk te betrekken en na te gaan of als gevolg van het bestreden besluit niet een te hoge kweldruk optreedt.

11.5

De rechtbank acht wel voldoende aannemelijk dat de verondieping van de Soeloop Oost-West niet zal leiden tot overstromingen. Eisers hebben de conclusies van Witteveen en Bos op dit onderdeel onvoldoende weersproken.

11.6

Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten.

12.

In hetgeen eisers hebben aangevoerd, ziet de rechtbank echter geen reden om zelf in de zaak te voorzien en de gevraagde vergunning te weigeren. Niet valt uit te sluiten dat, indien verweerder wel de effecten van maatregelen uit het verleden op de GHG en de kweldruk zou betrekken in het onderzoek, de toename van de GHG en de kweldruk niet significant is. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat Artesia in beide rapporten evenmin rekening heeft gehouden met de ruimtelijke variatie en dat Artesia in het tweede onderzoek erkent dat zij geen rekening heeft gehouden met de afwatering van dit perceel buiten de Soeloop in de door Artesia gemaakte doorsnedeberekening. Ook in de door eisers naar voren gebrachte vrees voor de toename van ongedierte ziet de rechtbank geen aanleiding om de aanvraag te weigeren. De rechtbank acht niet onaannemelijk dat in het gebied reeds sprake is van een toename van ongedierte die los staat van de maatregelen in het bestreden besluit. Hetzelfde geldt voor de toenemende begroeiing van de Soeloop Oost-West, wat hier verder ook van zij. Verweerder is immers gehouden de Soeloop Oost-West te onderhouden conform de keur. Eisers kunnen, indien verweerder nalatig is, verzoeken om handhaving.

13.1

Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen de hierboven genoemde gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Dat herstellen kan uitsluitend met een nieuw besluit, onder intrekking van het bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet verweerder het volgende doen:

 Verweerder dient in voorschrift 11.3 van de nieuw te nemen watervergunning een concrete periode te noemen waarbinnen de nulsituatie moet worden vastgelegd. Hierbij dient de aanvangsdatum en de duur van het nulsituatieonderzoek te worden genoemd.

 Verweerder dient in voorschrift 11.5 van de nieuw te nemen watervergunning een concreet peil (in een hoogte boven NAP) te noemen.

 Verweerder dient de huidige waterhuishoudkundige situatie op de percelen van eisers, inclusief de effecten van eerder vergunde maatregelen, te bepalen. Hiertoe dienen ook de GHG, de kweldruk en de afwatering, alsmede de ruimtelijke variatie op de percelen in kaart te worden gebracht.

 Om te bezien of de stijging van de GHG en de toename van de kweldruk een significant effect hebben op de percelen van eisers dient verweerder voorts aan te geven of, en zo ja, in welke zone in welke periode, van de percelen van eisers de GHG zal stijgen en hoeveel de kweldruk zal toenemen. Hierbij zal verweerder ook moeten duiden of door deze effecten de landbewerking van het perceel gemiddeld later kan plaatsvinden. Verweerder kan hiertoe een nader onderzoek laten verrichten door Witteveen en Bos. Het verdient aanbeveling om te bewerkstelligen dat in dat geval overleg plaatsvindt met Artesia.

 Indien en voor zover verweerder tot de conclusie komt dat het bestreden besluit wel zou kunnen leiden tot wateroverlast op de percelen van eisers, dient verweerder aan de nieuw te nemen watervergunning ter aanvulling van voorschrift 1.10 concrete technische maatregelen te verbinden ter voorkoming van schade dan wel een natschaderegeling met eisers te treffen.

13.2

De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. Als verweerder geen gebruik wil maken van de hierboven geboden gelegenheid, zal verweerder dit uiterlijk binnen twee weken moeten meedelen aan de rechtbank. Als verweerder gebruik heeft gemaakt van de geboden gelegenheid, zal de rechtbank eisers en vergunninghouder in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder volgende zitting uitspraak doen op het beroep.

13.3

Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).

13.4

De rechtbank ziet in wat zij hiervoor heeft overwogen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Hierboven is geoordeeld dat in het bestreden besluit niet is aangeven vanaf welk moment het peil mag worden opgezet tot het in voorschrift 5.15 van het bestreden besluit aangegeven niveau. De hierboven gedane toezegging van vergunninghouder acht de rechtbank onvoldoende. De rechtbank schorst daarom voorschrift 5.15 van het bestreden besluit en treft de voorlopige voorziening dat het waterpeil niet verder mag worden opgezet dan is toegestaan op basis van de geldende legger en keur.

13.5

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt en pas in de einduitspraak in de procedure SHE 13/5870 zelf in de zaak zal voorzien.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- schorst voorschrift 5.15 van het bestreden besluit en treft de voorlopige voorziening dat het waterpeil niet verder mag worden opgezet dan is toegestaan op basis van de geldende legger en keur;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. D.J. de Lange en mr. J.H.G van den Broek, leden, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.