Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:2526

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
01-05-2014
Datum publicatie
22-05-2014
Zaaknummer
2936804
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Loonvordering in kort geding. Eenzijdige wijziging in arbeidsvoorwaarden. Mag een werkgever de standplaats eenzijdig wijzigen? Toetsing aan criteria HR inzake Mammoet/Stoof

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0467
AR 2014/341
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST- BRABANT

Kanton, locatie ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 2936804 / 303

Rolnummer : 14-3143

Uitspraak : 1 mei 2014

in de zaak van:

1 [eiseres 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiseres 3],

wonende te [woonplaats],

4. [eiseres 4],

wonende te [woonplaats],

5. [eiseres 5],

wonende te [woonplaats],

6. [eiseres 6],

wonende te [woonplaats],

eiseressen,

gemachtigde: mr. M.Z. Hupkes,

t e g e n :

1 [gedaagde 1] B.V.,

gevestigd te Waalre,

2. Hairz B.V.

gevestigd te Eindhoven,

gedaagden,

gemachtigde: mr. K.A. Doekhi.

Eiseressen zullen hierna worden genoemd ieder afzonderlijk: [eiseres 1]’, ‘[eiseres 2]’, ‘[eiseres 3]’, ‘[eiseres 4]’, ‘[eiseres 5]’, en ‘[eiseres 6]’, en gezamenlijk ‘eiseressen’.

Gedaagden zullen hierna worden genoemd ieder afzonderlijk: ‘[gedaagde 1]’, en ‘Hairz’ en gezamenlijk ‘gedaagden’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties,

- de brieven van 16, 18 en 22 april 2014 met producties die gedaagden ten behoeve van de mondelinge behandeling aan de rechtbank en eiseressen hebben toegezonden,

- de brief van 22 april 2014 met aanvullende productie die eiseressen ten behoeve van de mondelinge behandeling aan de rechtbank en gedaagden hebben toegezonden,

- de mondelinge behandeling d.d. 23 april 2014, waarbij partijen hun standpunten hebben toegelicht; de gemachtigden van partijen aan de hand van een pleitnota.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Tussen partijen staat, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken en/of op grond van de onbestreden inhoud van overgelegde producties, het volgende vast:

2.1.

Hairz heeft aan het adres [adres] in [woonplaats] een kapsalon geëxploiteerd. Hairz is de (opvolgend) werkgever van eiseressen. De heer [naam] is eigenaar van Hairz.

2.2.

De kapsalon is verwoest als gevolg van een brand op 21 november 2013 in het boven de zaak gelegen appartement. De heer [naam] heeft per 26 november 2013 voor een korte duur een tijdelijke werkplek voor de personeelsleden van Hairz weten te vinden bij een collega kapper te [woonplaats].

Met ingang van 3 december 2013 heeft [naam] vlakbij de oorspronkelijke locatie van de kapsalon een noodunit laten plaatsen zodat de werkzaamheden konden worden voortgezet. De voorzieningen van deze noodunit waren aangesloten via het bedrijfspand van mevrouw [naam], verhuurder van het oorspronkelijk bedrijfspand. Vanwege een huurgeschil heeft [naam] op 25 februari 2013 de stroomtoevoer naar de noodunit afgesloten. Daarna heeft [naam] contact opgenomen met een collega kapsalon te [woonplaats], waarna de personeelsleden voor korte tijd hun werkzaamheden daar hebben verricht.

2.3.

De heer [naam] heeft eiseressen bij brief van 28 februari 2014 het volgende medegedeeld:

‘Als gevolg van de brand en het daarmee verloren gaan van de huidige vestigingslocatie heb ik besloten om de kapsalon elders voort te zetten.

Vanaf 11 maart 2014 zal de kapsalon worden voortgezet op het volgende adres:

[adres], [postcode], [woonplaats]

Als gevolg van de extra reistijd ben ik als werkgever bereid voor de komende drie maanden de extra reistijd van 2 uur gedeeltelijk te vergoeden door de reistijd te beschouwen als werktijd voor 1 uur per gewerkte dag.

Graag zie ik jullie op 11 maart 2014 om 9.00u op onze nieuwe locatie’

2.4.

Bij brief van 6 maart 2014 heeft FNV Mooi, als behartiger van eiseressen, Hairz medegedeeld dat de voorgenomen wijziging van standplaats strijdig is met de redelijkheid en billijkheid, waarbij Hairz verzocht is om geen rechtsgevolgen te verbinden aan het niet verschijnen van eiseressen op 11 maart 2014.

2.5.

Bij email van 10 maart 2014 heeft FNV Mooi ter bevestiging van een telefonisch onderhoud aan de heer [naam] medegedeeld dat overeengekomen is dat FNV Mooi in de gelegenheid wordt gesteld om de situatie nader uit te zoeken en derhalve besloten is dat de werknemers voorlopig, maar in ieder geval 11 maart 2014, niet zullen verschijnen in het filiaal te [woonplaats] en dat daaraan geen rechtsgevolgen worden verbonden.

2.6.

Door de gemachtigde van Hairz is bij email van 12 maart 2014 aan FNV Mooi medegedeeld dat Hairz voor deze week akkoord is met vrijstelling van werk met behoud van loon.

3 Het geschil

3.1.

Eiseressen vorderen - zakelijk weergegeven - dat de kantonrechter bij wege van voorziening ex artikel 254 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.), uitvoerbaar bij voorraad,

a. a) gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 677,08 bruto per maand aan [eiseres 1] over de periode vanaf maart 2014 zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt alsmede een bedrag van € 1.836,53 ter zake achterstallig loon dat ingevolge de cao te weinig is betaald;

b) gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 909,19 bruto per maand aan [eiseres 2] over de periode vanaf maart 2014 zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt;

c) gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 1.565,37 bruto per maand aan [eiseres 3] over de periode vanaf maart 2014 zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt;

c) gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 1.123,79 bruto per maand aan [eiseres 4] over de periode vanaf maart 2014 zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt;

e) gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 1.697,51 bruto per maand aan [eiseres 5] over de periode vanaf maart 2014 zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt;

f) gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 563,69 bruto per maand aan [eiseres 6] over de periode vanaf maart 2014 zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt, alsmede een bedrag van € 563,69 bruto per maand over de periode juni 2013 tot maart 2014 waarbij gedaagden op het netto-verschuldigde in mindering mogen brengen een bedrag van

€ 3.593,59 als zijnde reeds betaald;

g) gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over voormelde bedragen met ingang van de dag van dagvaarding dan wel de dag waarop de betreffende vordering opeisbaar is;

h) gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, waaronder een bedrag aan nakosten.

Eiseressen leggen, tegen de achtergrond van (een deel van) de vaststaande feiten, het volgende aan hun vorderingen ten grondslag.

Hairz komt haar betalingsverplichtingen uit de arbeidsovereenkomsten niet na. Daarnaast kan ook [gedaagde 1] op grond van artikel 7:663 BW worden aangesproken op uitbetaling van het verschuldigde loon. Immers, de kapsalon in [woonplaats] was tot 31 december 2013 in eigendom aan [gedaagde 1] BV, waarna de zaak overgedragen is aan Hairz. Eiseressen hebben zich beschikbaar gehouden voor werk, zodat gedaagden gehouden zijn tot betaling van het loon. Naast aanspraak op loondoorbetaling hebben [eiseres 1] en [eiseres 6] aanspraak op achterstallig loon. Gebleken is dat zij langere tijd zijn onderbetaald ingevolge de toepasselijke cao.

3.2.

Gedaagden voeren, kort weergegeven, de navolgende verweren.

- [gedaagde 1] is niet de werkgever van eiseressen en zij is ook niet op enige andere manier gehouden tot betaling aan eiseressen.

- Nadat de kapsalon in [woonplaats] door brand verwoest was, heeft de heer [naam] al het nodige gedaan om de exploitatie van de zaak in [woonplaats] voort te zetten, hetgeen niet gelukt is. [naam] moest dus een andere oplossing zoeken. Eiseressen weigeren naar [woonplaats] te komen om arbeid te verrichten, terwijl [naam] hiervoor redelijke voorstellen aan eiseressen heeft gedaan. Voor een aantal eiseressen heeft te gelden dat hun instemming met de wijziging van de standplaats expliciet contractueel is overeengekomen. Nu zij weigeren te verschijnen op de nieuwe werkplek te [woonplaats], zonder enige redelijke grond daartoe, is de werkgever geen loon verschuldigd ingevolge artikel 7:627 BW.

- De lonen over de gewerkte week in de maand maart 2014 zijn wel door Hairz aan eiseressen voldaan.

- Van enig achterstallig loon vanwege onderbetaling bij [eiseres 1] en [eiseres 6] is geen sprake, gelet op hetgeen in de betreffende cao voor het kappersbedrijf bepaald is ter zake het loon.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voorzover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De spoedeisendheid van de vordering is door gedaagden niet bestreden. Dienaangaande geldt dat de vordering tot betaling van loon naar zijn aard vrijwel steeds een spoedeisend karakter draagt. Eiseressen zijn daarom ontvankelijk in hun vordering.

4.2.

In de onderhavige procedure, strekkende tot het treffen van een voorlopige voorziening, dient de vordering slechts te worden toegewezen indien met een redelijke mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de kantonrechter een overeenkomstige vordering in de bodemprocedure zal toewijzen. Daarbij dient tevens te worden afgewogen het belang dat de werknemers stellen te hebben bij onverwijlde voldoening van het voorshands gevorderde tegenover het belang dat de werkgever heeft bij het afwachten van een (onherroepelijk) rechterlijk oordeel. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

4.3.

Vooropgesteld dient te worden dat [eiseres 1], [eiseres 4], [eiseres 6] en [eiseres 3] een arbeidsovereenkomst gesloten hebben met Hairz. Voorts heeft ten aanzien van [eiseres 2] en [eiseres 5] te gelden dat Hairz aangemerkt kan worden als opvolgend werkgever door een overgang van onderneming. Dit volgt uit de producties, meer in het bijzonder de arbeidscontracten, die door partijen in het geding zijn gebracht.

4.4.

Eiseressen vorderen niet alleen betaling van loon van hun (opvolgend) werkgever Hairz, maar ook van [gedaagde 1].

Eiseressen zijn kennelijk in de veronderstelling dat ook [gedaagde 1] kan worden aangesproken tot betaling van loon omdat, zó stellen zij, de kapsalon in [woonplaats] tot

31 december 2013 eigendom was van [gedaagde 1] en [gedaagde 1] als oude werkgever op grond van de wet hoofdelijk aansprakelijk is. Hiertegenover hebben gedaagden aangevoerd dat de onderneming niet op 31 december 2013 maar reeds op 31 december 2012 is overgegaan van [gedaagde 1] op Hairz, waarbij verwezen is naar het uittreksel van de Kamer van Koophandel (prod. 21 bij dagvaarding). De kantonrechter stelt vast dat in dit uittreksel vermeld staat dat op 30 januari 2013 geregistreerd is dat de betreffende onderneming met ingang van 31 december 2012 is overgedragen aan Hairz, zodat vooralsnog er vanuit gegaan moet worden dat het tijdstip van overgang van de onderneming

31 december 2012 is geweest.

In artikel 7:663 BW is bepaald dat de oude werkgever nog gedurende een jaar na de overgang naast de verkrijger hoofdelijk verbonden is voor de nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, die zijn ontstaan vóór dat tijdstip. De aansprakelijkheid van de oude werkgever is aldus beperkt tot die verplichtingen die zijn ontstaan vóór het tijdstip van de overgang. Eiseressen vorderen betaling van het loon vanaf maart 2014. Dit betreft dus betalingsverplichtingen ontstaan ná het tijdstip van de overgang, zodat [gedaagde 1] als oude werkgever niet aangesproken kan worden op loonbetalingen vanaf maart 2014.

Ter zake de vorderingen van [eiseres 1] en [eiseres 6] die zien op achterstallig loon, heeft het volgende te gelden. Aangezien het achterstallig loon van[eiseres 6] betrekking heeft op de periode van juni 2013 tot maart 2014, derhalve ná het tijdstip van overgang, kan [naam] niet worden aangesproken op betaling van dit loon. Het achterstallig loon van [eiseres 1] heeft, volgens productie 37 bij dagvaarding, betrekking op de periode van februari 2012 tot maart 2014. Weliswaar betreft dit voor een deel betalingsverplichtingen ontstaan vóór de datum van overgang, maar de termijn van één jaar genoemd in artikel 7:663 BW is ruimschoots verstreken, zodat [gedaagde 1] niet meer kan worden aangesproken tot betaling van dat deel van het achterstallige loon.

De conclusie van het voorgaande is dat een grond voor aansprakelijkheid van de loonbetalingen ontbreekt. Reeds hierom dienen de vorderingen van eiseressen jegens [gedaagde 1] te worden afgewezen.

4.5.

Ten aanzien van de vorderingen van eiseressen jegens Hairz oordeelt de kantonrechter als volgt.

Eiseressen maken ten eerste aanspraak op doorbetaling van loon vanaf maart 2014. Zij stellen zich op het standpunt dat zij weliswaar geen werkzaamheden meer hebben verricht na die datum, maar dat de oorzaak van het niet kunnen verrichten van de werkzaamheden in de risicosfeer van de werkgever ligt. Zo hebben eiseressen aangevoerd dat ná de brand een alternatief voor handen was, namelijk dat de werkzaamheden konden worden voortgezet vanuit een noodunit. De werkzaamheden konden hier echter op een gegeven moment niet meer worden voortgezet door een omstandigheid die voor risico van de werkgever komt, aldus eiseressen. Wat hier verder ook van zij, Hairz heeft, nadat pogingen om de werkzaamheden in [woonplaats] voort te zetten niet zijn geslaagd, uiteindelijk besloten om de exploitatie van de kapsalon voort te zetten in [woonplaats] en heeft eiseressen opgedragen om op deze locatie werkzaamheden te verrichten. Hetgeen ter beantwoording voorligt is aldus de vraag of Hairz deze wijziging van de standplaats heeft mogen doorvoeren en of eiseressen op goede gronden geweigerd hebben om werkzaamheden te verrichten op de nieuwe locatie te [woonplaats].

4.6.

Ter beoordeling van de vraag of een werknemer positief moet reageren op een voorstel tot (eenzijdige) wijziging in de arbeidsvoorwaarden, zoals de onderhavige standplaatswijziging, dient volgens vaste jurisprudentie in de eerste plaats te worden onderzocht of de werkgever in de gewijzigde omstandigheden aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging.

Als daarvan sprake is, dient vervolgens te worden onderzocht of aanvaarding van het voorstel van het door de werkgever gedane redelijke voorstel in redelijkheid van de werknemer gevergd kan worden. Als ook dat het geval is, komt de werknemer het niet toe het voorstel tot wijziging te weigeren.

4.7.

Vaststaat dat vanwege een brand de kapsalon in [woonplaats] verwoest is, zodat de betreffende personeelsleden hun werk niet meer op die locatie konden verrichten. Nadien heeft [naam] een aantal pogingen ondernomen om de werkzaamheden in [woonplaats] en/of in de omgeving voort te zetten. Niet in geschil is dat deze pogingen uiteindelijk niet zijn geslaagd. Het voorgaande in ogenschouw genomen en nu Hairz met betrekking tot de bedrijfsvoering en de inrichting van de onderneming een zekere mate van vrijheid toekomt, is de kantonrechter voorshands van oordeel dat Hairz voldoende aanleiding heeft kunnen vinden tot de voorgestelde standplaatswijziging. Daarmee is de eerste vraag bevestigend beantwoord. De kantonrechter oordeelt ten aanzien van de vervolgvragen verder als volgt.

4.8.

De kantonrechter volgt eiseressen in hun standpunt dat de reistijd aanzienlijk toeneemt indien zij gehouden zijn om in [woonplaats] hun werkzaamheden te verrichten. Hairz heeft aangevoerd dat de reistijd vanuit de woonplaats van eiseressen naar [woonplaats] hooguit een uur bedraagt, waarbij zij verwezen heeft naar een routekaart met berekening van de reistijd. Dit betreft echter, zoals door eiseressen terecht opgemerkt, een berekening van de reistijd buiten de files om. Daarbij komt dat een van eiseressen, [eiseres 3], de proef op de som heeft genomen en op 12 maart 2014 op de locatie te [woonplaats] is verschenen. Volgens de verklaring van [eiseres 3] deed zij daar, zonder file, 1 uur en 20 minuten over. Voorts hebben andere werknemers aangevoerd dat zij niet beschikken over een auto. Onweersproken is gesteld dat de reistijd met het openbaar vervoer meer dan twee uur bedraagt. De kantonrechter acht een dergelijke reistijd niet aanvaardbaar. Hoewel Hairz rekening heeft gehouden met de extra reistijd en eiseressen heeft aangeboden om de extra reistijd gedeeltelijk te vergoeden door gedurende drie maanden de reistijd te beschouwen als werktijd voor 1 uur per gewerkte dag, is de kantonrechter van oordeel dat Hairz met de aangeboden vergoeding niet in voldoende mate aan de bezwaren en de belangen van eiseressen tegemoet is gekomen. Zo is geen rekening gehouden met de extra kosten voor woon/werkverkeer en evenmin met de toegekomen lengte van de werkdag. Aldus is het aanbod van Hairz om in [woonplaats] te komen werken niet als een redelijk aanbod aan te merken.

4.9.

Hairz heeft nog aangevoerd dat voor wat betreft eiseressen [eiseres 1], [eiseres 4], [eiseres 6] en [eiseres 3] te gelden heeft dat hun instemming met de wijziging van de standplaats expliciet contractueel is overeengekomen.

Echter, een werkgever kan slechts een beroep doen op een schriftelijk beding dat hem de bevoegdheid geeft een in de arbeidsovereenkomst voorkomende arbeidsvoorwaarde te wijzigen, indien hij bij de wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Hairz heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hiervan sprake is. Hierbij is hetgeen onder 4.8. is overwogen met betrekking tot de reisafstand naar [woonplaats], in aanmerking genomen.

4.10.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de kantonrechter voorlopig van oordeel dat eiseressen op goede gronden geweigerd hebben om de werkzaamheden in [woonplaats] te verrichten. De vorderingen van eiseressen tot doorbetaling van het loon komen dan ook voor toewijzing in aanmerking, met inachtneming van het volgende.

4.11.

Door [naam] is ter zitting aangevoerd dat Hairz het loon betaald heeft over de gewerkte dagen in de eerste week van maart 2014. Ter onderbouwing van zijn stelling is verwezen naar de loonstroken over de maand maart 2014 (prod. 2 van de door gedaagden in het geding gebrachte producties). Eiseressen hebben erkend dat loonbetalingen zijn verricht ter zake de gewerkte dagen van maart 2014, zodat hiervan in rechte wordt uitgegaan.

De vorderingen tot betaling van het loon zullen daarom worden toegewezen vanaf de maand maart 2014 totdat de arbeidsovereenkomsten rechtsgeldig zijn beëindigd, met dien verstande dat hierop in mindering strekt de betalingen die reeds verricht zijn ter zake de maand maart 2014, zoals volgt uit de overgelegde loonstroken.

Voorts stelt de kantonrechter op basis van de overgelegde arbeidsovereenkomsten en het door eiseressen overgelegde overzicht met gegevens (prod. 40) vast dat ten aanzien van

[eiseres 1], [eiseres 4], [eiseres 6] en [eiseres 3], sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die van rechtswege eindigt op respectievelijk,

1 mei 2014, 30 april 2014, 1 juni 2014 en 30 november 2014. De vorderingen tot betaling van het loon van deze eiseressen zal daarom worden toegewezen tot het eind van hun dienstverband, zoals vermeld in genoemde producties.

4.12.

Ter zake de vorderingen tot betaling van achterstallig loon van [eiseres 1] en [eiseres 6], oordeelt de kantonrechter als volgt.

Hairz heeft het standpunt dat [eiseres 1] en [eiseres 6] op grond van de cao onderbetaald zouden zijn, gemotiveerd betwist. Zo heeft Hairz aangevoerd dat de vordering van [eiseres 1] ziet op de periode van februari 2012 tot en met november 2013 en dat over die periode [eiseres 1] 16, 17 en 18 jaar oud was. Hairz stelt dat [eiseres 1] pas met ingang van december 2013 de functie van ‘salon assistent’ is gaan vervullen en daarvoor de functie van ‘junior stylist A’ vervulde, waarbij zij verwezen heeft naar de loonstroken. De berekening in productie 37 bij dagvaarding, die uitgaat van het salaris van ‘salon assistent’, is volgens Hairz dan ook onjuist. Gelet op de salarissen behorend bij de functie van ‘junior stylist a’ en de verschillende leeftijdscategorieën in de loonlijsten van de betreffende cao (die door eiseressen in het geding zijn gebracht) en de parttime aanstelling van [eiseres 1] van 33,5 uur in aanmerking nemende, is geen sprake geweest van onderbetaling maar heeft [eiseres 1] juist teveel aan salaris ontvangen.

Ook ten aanzien van [eiseres 6] stelt Hairz zich op het standpunt dat zij de functie van ‘junior stylist a’ vervult. Gelet op het salaris behorend bij deze functie, de betreffende leeftijdscategorie en de parttime aanstelling van 25,5 uur is volgens Hairz ook hier geen sprake van onderbetaling.

Gegeven de gemotiveerde betwisting staat vooralsnog niet vast dat [eiseres 1] en [eiseres 6] gedurende een bepaalde periode op grond van de betreffende cao te weinig betaald hebben gekregen. Ter zitting zijn eiseressen ook niet althans onvoldoende ingegaan op het gemotiveerde verweer. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben eiseressen dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hun berekening van het achterstallig loon juist is.

Gelet hierop en nu een kort geding procedure zich niet leent voor een uitgebreid onderzoek naar de houdbaarheid van de stellingen van eiseressen, op wie de bewijslast van deze stellingen rust, zullen de vorderingen tot betaling van achterstallig loon worden afgewezen.

4.13.

De gevorderde rente zal worden toegewezen over de toewijsbare loonbedragen vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van voldoening.

4.14.

Ten aanzien van de gevorderde afgifte van loonspecificaties op straffe van een dwangsom oordeelt de kantonrechter als volgt.

Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat Hairz de lonen betaald heeft over de gewerkte dagen in maart 2014 en dat zij ter zake loonspecificaties heeft verstrekt (prod. 2 van de door gedaagden in het geding gebrachte producties). Ter zitting heeft Hairz in aansluiting hierop aangevoerd dat zij, indien een verplichting tot betaling van loon aanwezig wordt geacht voor de periode hierna, zal zorgdragen voor de daarbij behorende loonspecificaties. Dit in aanmerking nemende ziet de kantonrechter geen aanleiding om Hairz te veroordelen tot afgifte van loonspecificaties op straffe van een dwangsom. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

Proceskosten

4.15.

Hairz zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiseressen gevallen. Deze kosten worden begroot op:

explootkosten € 93,80

griffierecht € 77,00

salaris gemachtigde € 400,00

---------- +

totaal € 570,80

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

4.16.

De vorderingen jegens [gedaagde 1] worden afgewezen. Eiseressen zullen daarom als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeelt in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde 1] gevallen. Deze worden begroot op een punt van € 200,- aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende in kort geding:

5.1.

wijst de vorderingen van eiseressen jegens [gedaagde 1] af;

5.2.

veroordeelt eiseressen in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde 1] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op € 200,- aan salaris gemachtigde;

5.3.

veroordeelt Hairz om aan [eiseres 1] te betalen de som van € 677,08 bruto per maand vanaf de maand maart 2014 tot 1 mei 2014, met dien verstande dat de reeds verrichte loonbetaling in maart 2013 hierop in mindering strekt;

5.4.

veroordeelt Hairz om aan [eiseres 2] te betalen de som van € 909,19 bruto per maand vanaf de maand maart 2014 tot de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig geëindigd zal zijn, met dien verstande dat de reeds verrichte loonbetaling in maart 2013 hierop in mindering strekt;

5.5.

veroordeelt Hairz om aan [eiseres 3] te betalen de som van € 1.565,37 bruto per maand vanaf de maand maart 2014 tot 30 november 2014, met dien verstande dat de reeds verrichte loonbetaling in maart 2013 hierop in mindering strekt;

5.6.

veroordeelt Hairz om aan [eiseres 4] te betalen de som van € 1.123,79 bruto per maand vanaf de maand maart 2014 tot 30 april 2014, met dien verstande dat de reeds verrichte loonbetaling in maart 2013 hierop in mindering strekt;

5.7.

veroordeelt Hairz om aan [eiseres 5] te betalen de som van € 1.697,51 bruto per maand vanaf de maand maart 2014 tot de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig geëindigd zal zijn, met dien verstande dat de reeds verrichte loonbetaling in maart 2013 hierop in mindering strekt;

5.8.

veroordeelt Hairz om aan [eiseres 6] te betalen de som van € 563,69 bruto per maand vanaf de maand maart 2014 tot 1 juni 2014, met dien verstande dat de reeds verrichte loonbetaling in maart 2013 hierop in mindering strekt;

5.9.

veroordeelt Hairz om aan eiseressen te betalen de wettelijke rente over de toewijsbare loonbedragen vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag der voldoening;

5.10.

veroordeelt Hairz in de kosten van deze procedure aan de zijde van eiseressen gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op een bedrag van in totaal € 570,80.

5.11.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. Spoor, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 mei 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.