Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:2517

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-05-2014
Datum publicatie
22-05-2014
Zaaknummer
01/038403-94
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging terbeschikkingstelling met een jaar. Indexdelict: brandstichting met gevaar voor personen en goederen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/038403-94

Uitspraakdatum: 22 mei 2014

Beslissing verlenging terbeschikkingstelling

Beslissing in de zaak van:

[terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [1967],

verblijvende in [kliniek].

Het onderzoek van de zaak.

Bij vonnis van de rechtbank van 15 december 1994 is betrokkene ter beschikking gesteld. Deze terbeschikkingstelling is voor het laatst, bij beslissing van deze rechtbank van 6 april 2012, met twee jaar verlengd.

De vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank van 17 februari 2014 strekt tot verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling voor de duur van één jaar.

Deze vordering is behandeld ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 mei 2014.

Hierbij zijn de officier van justitie, de deskundige en de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman gehoord.

In het dossier bevinden zich onder andere:

  • -

    het advies van de inrichting waar betrokkene verblijft d.d. 20 januari 2014, ondertekend door drs. M.J.J.C. Smits, hoofd behandeling, prof. dr. H.F. Kraan, psychiater en drs. A.J. de Groot, directeur behandeling en zorg, plv. hoofd van de inrichting;

  • -

    de omtrent de terbeschikkinggestelde gehouden wettelijke aantekeningen;

  • -

    het persoonsdossier van de terbeschikkinggestelde.

De beoordeling.

De terbeschikkingstelling is toegepast ter zake van meermalen “Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is” en “Opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor personen te duchten is”, terwijl de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eiste. Het hiervoor genoemd misdrijf “Opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor personen te duchten is” is een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

In voornoemd advies van het hoofd van de inrichting is onder meer het navolgende gesteld:

“In het kader van een eventuele beëindiging van de tbs wordt het recidivegevaar ten aanzien van het tbs-delict als hoog ingeschat. Van belang is dat betrokkene zich begeleidbaar opstelt en openheid geeft wat betreft zijn gedachten en gevoelens. Gezien de blijvende beperkingen, zoals zwakbegaafdheid en ontoereikende copingvaardigheden, zullen spanningen oplopen en bestaat er kans op destabilisering, waarbij impulsieve doorbraken zoals wegloopgedrag tot de mogelijkheden behoren. Indien de huidige dwangmaatregel met de geboden ondersteuning en controle zou komen te vervallen zou dit in deze fase kunnen leiden tot recidive. Er moet dus vanuit worden gegaan dat betrokkene altijd een vorm van begeleiding en controle nodig zal blijven hebben. Op dit moment wordt gewerkt aan twee varianten van een resocialisatietraject: via verlofverlening binnen het kader van een tbs met dwangverpleging en via het onderzoeken van de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging. Momenteel is het lastig te voorspellen of en zo ja, met welke snelheid betrokkenes resocialisatietraject zich voort kan zetten. Dit is deels afhankelijk van de verlofregeling, deels ook van de mogelijkheden die de reclassering heeft en deels ook van betrokkenes bereidwilligheid wat betreft het risicomanagement en de daarbij behorende context en begeleiding. Gelet op het bovenstaande is een advies tot verlenging van de maatregel van tbs met dwangverpleging met een termijn van twee jaar overwogen. Immers, gezien de huidige stand van zaken, het wachten op toestemming van het ministerie wat betreft verlof en de dan nog te zetten stappen, zou een dergelijke tijdspanne noodzakelijk kunnen zijn om mettertijd betrokkene over te dragen aan bijvoorbeeld de reclassering, die het risicomanagement van de kliniek en daarmee de verdere resocialisatie binnen een verplichtend kader kan overnemen. Anderzijds willen we er ook van uitgaan dat betrokkene zijn kansen berekent en mee wil werken aan een resocialisatietraject, gelet op zijn voorkeur, buiten het kader van de dwangverpleging. Ofwel: zonder de problematiek en de daaraan gerelateerde risico’s te willen bagatelliseren, mogen wij niet uitsluiten dat bij een verantwoord resocialisatietraject betrokkene zich constructief opstelt, waarbij er wellicht over een jaar een toets kan plaatsvinden aangaande een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging (i.c. het overhevelen van risicomanagement, verplicht toezicht en begeleiding door de reclassering). Ook is het onze inschatting dat een verlenging van de huidige maatregel met een termijn van twee jaar erg demotiverend en krenkend kan werken voor betrokkene, hetgeen de samenwerking en het bewandelen van het zo noodzakelijke traject niet ten goede zal komen. Alles overwegend adviseren wij de maatregel van tbs met dwangverpleging te verlengen met een termijn van één jaar, waarbij wij willen benadrukken dat er ook na dat jaar sprake zal moeten zijn van een verplichtend kader ten behoeve van de verdere resocialisatie, maar dat hoeft niet noodzakelijkerwijze het huidige kader te zijn. Over een jaar zouden hierover op geleide van de ervaringen met betrokkene nader onderbouwde uitspraken gedaan moeten kunnen worden.”

De terbeschikkinggestelde heeft verklaard, kort en zakelijk weergegeven:

Het gaat goed met me. Ik zit nu weer twee jaar in [kliniek] en heb al mijn therapieën afgerond. Inmiddels is mijn verlof aangevraagd en als het goed is komt volgende week de toestemming van het ministerie. Er kan dan worden gestart met het begeleid en onbegeleid verlof. Het is juist dat ik wel eens jointjes heb gerookt. Ik ben in de periode rond de jaarwisseling wat somber geweest, maar dat is nu niet meer het geval. Ik bied mijn excuses aan dat ik in 2012 ben ontvlucht. Ik heb daarmee mijn eigen ruiten ingegooid. De vandaag verschenen deskundige Smits gaat binnenkort weg bij [kliniek]. Ik hoop dat haar opvolger op dezelfde voet verder gaat. Ik zit inmiddels twintig jaar in de tbs en ik wil dat de dwangverpleging voorwaardelijk wordt beëindigd. Een dergelijke beslissing zou mij erg motiveren.

De deskundige drs. M.J.J.C. Smits, optredend namens voormelde inrichting, heeft bij de behandeling ter terechtzitting gepersisteerd bij voornoemd advies. Zij heeft voorts het navolgende verklaard, verkort en zakelijk weergegeven:

Ik verwacht dat volgende week de machtiging tot verlof komt. De situatie van betrokkene is sinds het uitbrengen van ons advies onveranderd. Betrokkene voelt zich de laatste maanden wat betutteld, heeft de neiging om jointjes te roken en gaat – zoals betrokkene dat zelf noemt - met vakantie. Hij werkt dan niet mee aan de tbs. Ook bagatelliseert hij een en ander. Dit maakt dat zijn dossier voor het ministerie en [kliniek] een risicodossier is. We hebben inmiddels wel goede afspraken met hem gemaakt en ik heb er vertrouwen in dat hij die gaat nakomen. Er is zicht op een voorwaardelijke beëindiging, maar nog niet op de hele korte termijn. Betrokkene heeft onverkort controle en begeleiding nodig. De uitzichtloosheid in de kliniek maakt hem in feite gevaarlijker. Vanaf juli 2013 tot nu toe zijn we bezig geweest met het aanvragen van verlof. Het ministerie heeft bedenkingen bij het drugsgebruik van betrokkene. Ik vraag pas een maatregelenrapport in het kader van een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging aan op het moment dat de kans reëel is dat dit positief uitpakt. Om die reden heb ik dat dus nog niet gedaan. Dit zou ook alleen maar onrust bij betrokkene veroorzaken. Hij is in het geheel nog niet bekend bij de reclassering. Betrokkene gaat binnenkort naar een voorziening voor begeleid wonen, samen met drie of vier anderen. Tijdens de afwezigheden van betrokkene is er voor zover ik weet geen sprake geweest van strafrechtelijk handelen. In mijn visie is door het drugsgebruik van betrokkene en het bekijken van pornobanden door hem, geen sprake van een verhoogd recidiverisico. Het is juist dat ik binnenkort [kliniek] verlaat. Ik zal dit dossier overdragen aan mijn opvolger.

De officier van justitie heeft aangevoerd, verkort en zakelijk weergegeven:

Het gevaarcriterium en de stoornis zijn nog onverkort aanwezig. Ik persisteer dan ook bij mijn vordering tot een verlenging van de tbs voor de duur van een jaar. In de afgelopen periode is het beter gegaan met betrokkene. Hij is inmiddels uitbehandeld. Wellicht is over een jaar een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging een optie. Betrokkene bagatelliseert zijn ongeoorloofde afwezigheden. We moeten voorzichtig met hem omspringen en telkens kleine stappen zetten. Ik verzet me er tegen indien de rechtbank nu reeds de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging zou laten onderzoeken. Indien zulks over een jaar zou gebeuren dan zal ik me daar niet tegen verzetten.

De raadsman van de terbeschikkinggestelde voert het woord overeenkomstig een door hem overgelegde pleitnotitie.

Hij verzoekt primair om de tbs met een jaar te verlengen en het onderzoek ten aanzien van de voortzetting van de dwangverpleging voor drie maanden te schorsen teneinde de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging door de reclassering te laten onderzoeken. Subsidiair heeft hij verzocht een dergelijk onderzoek reeds vóór de volgende zitting te laten plaatsvinden. Hij voegt aan zijn pleitnotities nog toe dat zijn cliënt na de ongeoorloofde afwezigheden telkens zelf is teruggekeerd naar de kliniek.

De rechtbank verenigt zich met het advies van voornoemde inrichting en met de daarop ter terechtzitting gegeven toelichting door de deskundige.

Gelet op het vorenstaande, gezien de artikelen 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist en wel voor de duur van één jaar.

De rechtbank wijst het verzoek van de verdediging af om de beslissing betreffende de voortzetting van de dwangverpleging voor drie maanden aan te houden om de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging door de reclassering te laten onderzoeken. De rechtbank is van oordeel dat, gezien de huidige stand van zaken, het wachten op toestemming van het ministerie voor wat betreft verlof en de dan nog te zetten stappen in het kader van de verdere resocialisatie van betrokkene, een dergelijke beslissing op dit moment prematuur zou zijn.

De rechtbank zal wel het subsidiaire verzoek van de raadsman toewijzen en de reclassering opdracht geven om vóór de volgende verlengingszitting een (maatregelen)rapport op te stellen en daarin de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging te onderzoeken, alsook de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de terugkeer van betrokkene in het maatschappelijke verkeer zou kunnen geschieden.

DE BESLISSING

De rechtbank:

- verlengt de termijn gedurende welke [terbeschikkinggestelde] ter beschikking is gesteld met één jaar.

- geeft de reclassering opdracht om vóór de volgende verlengingszitting een (maatregelen)rapport op te stellen en daarin de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging te onderzoeken, alsook de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de terugkeer van betrokkene in het maatschappelijke verkeer zou kunnen geschieden.

Deze beslissing is gegeven door:

mr. J. Leyenaar-Holleman, voorzitter,

mr. M.A. Waals en mr. C.A. Mandemakers, leden,

in tegenwoordigheid van G.A.M. de Laat, griffier,

en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 mei 2014.