Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:2516

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-05-2014
Datum publicatie
22-05-2014
Zaaknummer
01/845714-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als stagiaire van een school tijdens de vakantie ontucht gepleegd met twee aan haar opleiding toevertrouwde minderjarigen. Opgelegd is een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 87 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de voorwaarde van reclasseringstoezicht. Daarnaast moet verdachte een taakstraf van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis verrichten. De benadeelde partijen zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845714-13

Datum uitspraak: 22 mei 2014

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1986],

wonende te [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 mei 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 maart 2014.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 20 juni 2013 tot en met 5 augustus 2013 te

's-Hertogenbosch, met [slachtoffer 1] (geboren [1997]), die de

leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt en al dan niet aan haar zorg

en/of opleiding en/of waakzaamheid was toevertrouwd, buiten echt ontuchtige

handelingen heeft gepleegd, immers heeft zij, verdachte, toen en aldaar de

penis van die [slachtoffer 1] betast en/of in haar mond genomen en/of in haar vagina

gebracht;

(artikel 247/248 Sr)

2.

zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode 20 juni 2013 tot

en met 5 augustus 2013 te 's-Hertogenbosch, met [slachtoffer 2]

(geboren [1997]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die

van zestien jaren had bereikt en al dan niet aan haar zorg en/of opleiding of

waakzaamheid was toevertrouwd, buiten echt, een of meer ontuchtige

handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2],

hebbende verdachte toen en aldaar (telkens) een of meer vingers in de vagina

van die [slachtoffer 2] gebracht en/of met haar tong tussen de

schaamlippen van die [slachtoffer 2] gelikt;

(artikel 245/248 Sr)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijsoverweging (ten aanzien van beide feiten).

De rechtbank acht bewezen dat de slachtoffers van beide feiten ten tijde daarvan aan de opleiding van verdachte waren toevertrouwd. Verdachte was toen immers als stagiaire verbonden aan [school] te [gemeente] en heeft daar aan beide slachtoffers ook feitelijk les gegeven. Dat het ten tijde van de feiten vakantie was en verdachte er aan twijfelde of ze haar opleiding tot lerares zou vervolgen, doet daaraan niet af.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1.

in de periode van 20 juni 2013 tot en met 5 augustus 2013 te 's-Hertogenbosch, met [slachtoffer 1] (geboren [1997]), die de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt en aan haar opleiding was toevertrouwd, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft zij, verdachte, toen en aldaar de penis van die [slachtoffer 1] betast en in haar mond genomen en in haar vagina gebracht;

2.

in de periode 20 juni 2013 tot en met 5 augustus 2013 te 's-Hertogenbosch, met [slachtoffer 2] (geboren [1997]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt en aan haar opleiding was toevertrouwd, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte toen en aldaar met haar tong tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 2] gelikt.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en vorderingen benadeelde partijen.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van beide feiten een werkstraf voor de duur van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met als bijzondere voorwaarde toezicht van de reclassering. Voorts integrale toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, telkens met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft als 27-jarige stagiaire verregaande seksuele handelingen verricht met een tweetal aan haar opleiding toevertrouwde vijftienjarige leerlingen. Beide slachtoffers waren kwetsbare en labiele leerlingen. Verdachte had gelet hierop haar verantwoordelijkheid moeten nemen, maar heeft dat nagelaten. Dit terwijl minderjarigen voor wat betreft relaties als de onderhavige in het algemeen niet of onvoldoende in staat zijn om de draagwijdte van hun handelen te overzien en hun wil dienaangaande in vrijheid te bepalen. Minderjarigen moeten in zoverre tegen een ongewenste beïnvloeding van hun wil worden beschermd.

Door met beide slachtoffers intiem te zijn, heeft verdachte de lichamelijke integriteit van de slachtoffers geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit vaak langdurige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van slachtoffers. Verdachte heeft als stagelopend lerares met haar handelen ook haar verantwoordelijkheid ten opzichte van de ouders van de slachtoffers miskend en hun vertrouwen ernstig beschaamd. Uit verdachtes proceshouding blijkt bovendien dat zij de ernst van het door haar aan haar slachtoffers aangedane leed niet dan wel onvoldoende inziet.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat uit een omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebracht rapport door de GZ-psycholoog S. Labrijn van 14 november 2013 blijkt, dat de door haar gepleegde strafbare feiten in verminderde mate aan haar kunnen worden toegerekend. Voorts heeft verdachte zich in verband met haar psychische problemen bereid verklaard om vrijwillig een langdurige klinische behandeling te ondergaan. De rechtbank weegt ook mee dat deze strafzaak veel mediabelangstelling kent en dat dit zijn weerslag heeft op het leven van verdachte. Ten slotte weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee dat zij een blanco strafblad heeft.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van als na te melden.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zal na te noemen bijzondere voorwaarde worden gekoppeld.

De rechtbank zal anders dan door de reclassering geadviseerd niet een klinische behandelingsplicht aan de voorwaardelijke straf verbinden. Deze behandeling, waarvoor verdachte zegt gemotiveerd te zijn, kan zeer wel in een vrijwillig kader plaatsvinden. De rechtbank weegt hierbij dat het recidiverisico ook zonder die klinische behandeling als laag wordt ingeschat.

De rechtbank zal een lichtere gevangenisstraf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf, nu de rechtbank van oordeel is dat de gevangenisstraf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1).

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat niet kan worden vastgesteld wat de relatie is tussen de verweten gedragingen en de gestelde schade. Uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat de psychische schade pas is ontstaan nadat het feit in de openbaarheid is gekomen. Om vast te kunnen stellen welke schade door het feit zelf is veroorzaakt zal nader onderzoek dienen te volgen. Dit onderzoek levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op.

De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2).

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat niet kan worden vastgesteld wat de relatie is tussen de verweten gedragingen en de gestelde schade, mede gelet op de whatsapp-gesprekken die nadien tussen verdachte en [slachtoffer 2] hebben plaatsgevonden en gelet op hetgeen uit het dossier blijkt over de psychische gesteldheid van [slachtoffer 2] vóór het feit en nadien. Om vast te kunnen stellen welke schade door het feit zelf is veroorzaakt zal nader onderzoek dienen te volgen. Dit onderzoek levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op.

De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 57, 245, 247, 248.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan haar opleiding toevertrouwde minderjarige.

t.a.v. feit 2:

Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan haar opleiding toevertrouwde minderjarige.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

t.a.v. feit 1, feit 2:

- een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 87 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar

feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan

het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld

in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d,

tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen

die worden gegeven door de reclassering,

waarbij de Reclassering Nederland, Regio's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6,

5233 VG te 's-Hertogenbosch, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de

naleving van de voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

t.a.v. feit 1, feit 2:

- een werkstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met

ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 29 augustus 2013 reeds

geschorst.

t.a.v. feit 1:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

t.a.v. feit 2:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 2] in de vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.A. Waals, voorzitter,

mr. C.A. Mandemakers en mr. J. Leyenaar-Holleman, leden,

in tegenwoordigheid van G.A.M. de Laat, griffier,

en is uitgesproken op 22 mei 2014.