Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:2451

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-05-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
01/845043-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor twee woninginbraken. Straf: gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest. Eis was 8 maanden gevangenisstraf. Tevens dient schade te worden vergoed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845043-14
Parketnummer vordering: 01/027105-13

Datum uitspraak: 15 mei 2014

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1971],

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 mei 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 31 maart 2014.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 21 januari 2014 te Eindhoven tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening in / uit een woning gelegen aan de [adres 1] heeft

weggenomen een hoeveelheid geld en/of sieraden en/of een fototas en/of een

notebook en/of een ladyshave , in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn

mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben

verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik

heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming;

2.

hij op of omstreeks 22 november 2012 te Sint-Oedenrode met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning, gelegen aan [adres 2],

heeft weggenomen een of meer elektronische apparaten en/of een of mee

identiteitspapieren en/of een of meer geluid en beeldapparaten en/of een of

meer kledingstukken en/of een of meer film/foto materialen en/of een of meer

kantoorartikelen en/of een of meer postzegels en/of geld, in elk geval enig(e)

goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang

tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en / of de / het weg te nemen

goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en / of

verbreking (parketnummer 01-116696-13)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 01/027105-13 is aangebracht bij vordering van 31 maart 2014. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch d.d. 24 juni 2013. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1.

op 21 januari 2014 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning gelegen aan de [adres 1] heeft weggenomen een hoeveelheid geld en sieraden en een notebook en een ladyshave, toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak;

2.

op 22 november 2012 te Sint-Oedenrode met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening uit een woning, gelegen aan [adres 2],

heeft weggenomen een elektronische apparaat toebehorende aan [slachtoffer 2],

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft

door middel van braak.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat verdachte ter zitting bekent in die woning te hebben ingebroken, maar verklaart dat hij alleen een computer heeft weggenomen. Hij was alleen, aldus verdachte.

Nu er naast de aangifte geen aanvullend bewijs ter zake aanwezig is, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat de overige goederen zijn weggenomen door verdachte, zodat deze in zoverre moet worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest.

Toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] ten bedrage van 9898,66 euro, hoofdelijk, met oplegging van de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht vermeerderd met de wettelijke rente.

Toewijzing van de vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 01/027105-13.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende ten bezware van verdachte in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee woninginbraken.

De woning is voor de bewoners daarvan bij uitstek de plaats waar men zich veilig moet kunnen voelen. Een inbraak in de woning veroorzaakt gevoelens van angst en onveiligheid bij de bewoners in het bijzonder en in de samenleving in het algemeen. Daarnaast brengt een woninginbraak voor de benadeelden materiële schade en overlast met zich mee. Verdachte heeft zich van dit alles niets aangetrokken. Hij heeft zich enkel laten leiden door het motief van zijn eigen financieel gewin.

Voorts is verdachte eerder meermalen voor soortgelijke feiten veroordeeld, onder andere tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen. Bovendien heeft verdachte het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit gepleegd tijdens de proeftijd van een eerdere veroordeling.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de hierna te melden duur.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] (feit 1)

De rechtbank acht toewijsbaar, als vergoeding van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte materiele schade, een schadevergoeding tot een bedrag van 3.421,69 euro,

bestaande uit de volgende posten:

1.

timmerwerk etc. € 280,-

2.

schilderwerk € 767,74

3.

gordijnen € 500,-

4.

parketvloer € 1.775,-

7.

bloempot en plant € 48,95

9.

tafelpoot € 50,-

De rechtbank zal de gevorderde schadevergoeding in verband met de Nooitgedagt beitels (post 6, € 56) afwijzen, nu niet is komen vast te staan dat deze door verdachte zijn ontvreemd. Ditzelfde geldt met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding in verband met vermiste sleutels (post 10, € 425).

Tenslotte geldt met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding in verband met de tafelpoot (post 9, € 149) het volgende. Het gevorderde bedrag betreft de nieuwwaarde van de tafel. Bij de begroting van de schade dient de huidige situatie van de benadeelde partij te worden vergeleken met de situatie waarin deze zou hebben verkeerd zonder dat de inbraak was gepleegd. Nu de tafel volgens eigen opgave van de benadeelde partij vijf jaar oud was, kan er derhalve niet van worden uitgegaan dat de waarde van de tafel ten tijde van de inbraak overeenkwam met de nieuwprijs daarvan. De rechtbank zal de restantwaarde van de tafel daarom bij wijze van schatting begroten op € 50,- en hetgeen in dit verband meer is gevorderd afwijzen.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering ter zake de gordijnen (post 3, € 2.476,97). De benadeelde partij heeft geen gegevens verstrekt met betrekking tot de (restant)waarde en ouderdom van de gordijnen, terwijl het alsnog opvragen van deze gegevens een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Aldus valt niet vast te stellen in hoeverre in dit verband schade is geleden als gevolg van de inbraak. Aangezien evenwel zonder meer valt aan te nemen dat enige schade is geleden zal de rechtbank deze post tot een bedrag van € 500,- toewijzen en dit onderdeel van de vordering voor het overige (€ 1.976,97) niet ontvankelijk verklaren.

Wat betreft de vermiste juwelen (post 5, € 1.720,-) geldt dat, gelet op de betwisting van verdachte dienaangaande, niet als vaststaand kan worden aangenomen dat als gevolg van de inbraak blijvend juwelen zijn vermist, noch dat - indien daarvan sprake zou zijn – deze de door de benadeelde partij gestelde waarde vertegenwoordigen. Aangezien de (verdere) behandeling van dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zal de rechtbank deze niet ontvankelijk verklaren.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 01/027105-13.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan, zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 57, 63, 310, 311.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de

toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

T.a.v. feit 2:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft verschaft door middel van braak

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. feit 1, feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 3421,69 subsidiair 44 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van de slachtoffers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] van een bedrag van

EUR 3421,69 (zegge: drieduizendvierhonderdeenentwintig euro en negenenzestig

cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 44 dagen

hechtenis. Het gehele bedrag bestaat uit materiële schade.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn

mededader is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde

betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot

betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] van een bedrag

van EUR 3421,69 (zegge: drieduizendvierhonderdeenentwintig euro en

negenenzestig cent), zijnde materiële schade.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn

mededader is betaald.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor

zover hij of zijn mededader heeft voldaan aan een van de hem opgelegde

verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het deel van de vordering ter zake post 3

tot een bedrag van 1976,97 euro en post 5 (1720 euro) niet ontvankelijk is.

Wijst af de vordering ter zake post 6 (56 euro), post 9 tot een bedrag van 99

euro en post 10 (425 euro).

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Last tot tenuitvoerlegging van de straf, voorzover voorwaardelijk opgelegd bij

vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch d.d. 24 juni 2013, gewezen

onder parketnummer 01/027105-13, te weten: 2 weken gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. Lammers, voorzitter,

mr. H.M. Hettinga en mr. J. Leyenaar-Holleman, leden,

in tegenwoordigheid van L.D. Wittenberg, griffier,

en is uitgesproken op 15 mei 2014.