Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:2439

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-05-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
01/825208-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk voor ontucht met drie meisjes en verkrachting van één van hen. Opgelegd is o.a. de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich ambulant laat behandelen in verband met pedofilie. De proeftijd is bepaald op 3 jaren.

Pleegperiode 1985 tot en met 2012.

Een van de ten laste gelegde deelfeiten is verjaard.

Bewijsvraagstuk artikel 342 Sv.

Verdachte wordt licht toerekeningsvatbaar geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/825208-12

Datum uitspraak: 15 mei 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1959],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 oktober 2013, 14 februari 2014 en 1 mei 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 23 september 2013.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 1 mei 2014 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meerdere tijdstippen gelegen in de periode van 1 november 2010

tot en met 16 april 2012 in de gemeente Eindhoven ontucht heeft gepleegd met

de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige

[slachtoffer 1], geboren op[2006], immers heeft hij verdachte

(telkens) die [slachtoffer 1] over haar schaamstreek en/of vagina en/of buik gestreeld;

(artikel 249 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1

november 2010 tot en met 16 april 2012 in de gemeente Eindhoven, met [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] (geboren op [2006]), die toen de leeftijd van zestien jaren

nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft

gepleegd, bestaande uit het betasten en/of strelen van de schaamstreek en/of vagina en/of

buik van die [slachtoffer 1];

(artikel 247 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1

november 1994 tot en met 30 november 1997 te Helmond en/of Eindhoven en/of

Acht en/of elders in Nederland, met [slachtoffer 2] (geboren op [1989]

[1989]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt en aan zijn

zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd, een of meer handeling(en) heeft

gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte zijn,

verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of

hebbende hij, verdachte, die [slachtoffer 2] over haar schaamstreek en/of vagina gestreeld;

(artikel 244 jo 248 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1

november 1994 tot en met 30 november 1997 te Helmond en/of Eindhoven en/of

Acht en/of elders in Nederland, met [slachtoffer 2] (geboren op [1989]

[1989]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt en aan zijn

zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd, buiten echt, (telkens) een of meer

ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het strelen over de

schaamstreek en/of vagina van die [slachtoffer 2];

(artikel 247 jo 248 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 25

april 1985 tot en met 25 april 1991 te Eindhoven en/of Helmond en/of

Veldhoven en/of elders in Nederland door geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of andere feitelijkhe(i)d(en)

[slachtoffer 3] (geboren op [1978]), heeft gedwongen tot het

ondergaan van (een) handeling(en) die (telkens) bestond(en) uit of mede

bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3],

hebbende verdachte:

- zijn penis (deels) in de vagina van die [slachtoffer 3] gebracht en/of

- zijn penis tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 3] gebracht en/of

- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 3] gebracht en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 3] gebracht en/of

- met zijn tong de vagina en/of schaamstreek van die [slachtoffer 3] gelikt en/of

- met zijn vinger(s) de vagina en/of schaamstreek en/of de borsten van die [slachtoffer 3] gestreeld en/of aangeraakt en/of

- zijn penis laten aanraken en/of aftrekken door die [slachtoffer 3]

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die

bedreiging met geweld of die andere feitelijk he(i)d(en) hierin dat verdachte

(telkens):

- tegen de wil van die [slachtoffer 3] de benen van die [slachtoffer 3] uit elkaar heeft

getrokken/geduwd en/of

- tegen de wil van die [slachtoffer 3] die [slachtoffer 3] op haar rug heeft gedraaid

(terwijl die [slachtoffer 3] trachtte met haar lichaam van verdachte weg te

draaien) en/of

- het hoofd van die [slachtoffer 3] naar beneden (in de richting van zijn penis)

heeft geduwd en/of

- het hoofd van die [slachtoffer 3] vast heeft gehouden en/of (vervolgens) op en

neer gaande bewegingen met het hoofd van die [slachtoffer 3] heeft gemaakt

(terwijl zijn penis zich in de mond van die [slachtoffer 3] bevond);

(artikel 242 Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 25

april 1985 tot en met 24 april 1990 te Eindhoven en/of Helmond en/of Veldhoven

en/of elders in Nederland [slachtoffer 3] (geboren op [1978]), die

de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt een of meer ontuchtige

handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede

bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3],

hebbende verdachte:

- zijn penis (deels) in de vagina van die [slachtoffer 3] gebracht en/of

- zijn penis tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 3] gebracht en/of

- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 3] gebracht en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 3] gebracht en/of

- met zijn tong de vagina en/of schaamstreek van die [slachtoffer 3] gelikt en/of

- met zijn vinger(s) de vagina en/of schaamstreek en/of de borsten van die [slachtoffer 3] gestreeld en/of aangeraakt en/of

- zijn penis laten aanraken en/of aftrekken door die [slachtoffer 3].

(artikel 244 Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 april 1990

tot en met 25 april 1991 te Eindhoven en/of Helmond en/of Veldhoven en/of

elders in Nederland [slachtoffer 3] (geboren op [1978]), die de

leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, een

of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit

of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3]

[slachtoffer 3], hebbende verdachte:

- zijn penis (deels) in de vagina van die [slachtoffer 3] gebracht en/of

- zijn penis tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 3] gebracht en/of

- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 3] gebracht en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 3] gebracht en/of

- met zijn tong de vagina en/of schaamstreek van die [slachtoffer 3] gelikt en/of

- met zijn vinger(s) de vagina en/of schaamstreek en/of de borsten van die[slachtoffer 3] gestreeld en/of aangeraakt en/of

- zijn penis laten aanraken en/of aftrekken door die [slachtoffer 3].

(artikel 245 Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen, behalve ten aanzien van het onder 3 laatst cumulatief tenlastegelegde feit (artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht), omdat het recht tot strafvordering voor dit feit door verjaring is vervallen. De rechtbank overweegt daaromtrent het navolgende.

Het tenlastegelegde is strafbaar gesteld bij art. 245 Sr, waarop ten tijde van de tenlastegelegde pleegperiode (25 april 1990 tot en met 25 april 1991) - maar ook thans nog - een gevangenisstraf van ten hoogste 8 jaren is gesteld. Ingevolge de huidige en ten tijde van bedoelde pleegperiode geldende bepaling van artikel 70, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, bedraagt de verjaringstermijn van het tenlastegelegde feit 12 jaren.

Dat zou betekenen dat het feit zou zijn verjaard op 25 april 2003.

Bij wet van 7 juli 1994 tot wijziging van de artikelen 71 en 245 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 310 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (verjarings- en klachttermijnen zedendelicten) (Stb. 1994, 529, inwerkingtreding 1 september 1994) is in art. I echter onder meer art. 71 gewijzigd, in dier voege dat bij de misdrijven omschreven in de art. 240b en 242 tot en met 250ter Sr, en gepleegd ten aanzien van een minderjarige, de verjaring aanvangt op de dag na die waarop die persoon achttien jaren is geworden.

In aanmerking genomen dat ten tijde van de inwerkingtreding van deze wet het tenlastegelegde nog niet was verjaard, heeft deze wet onmiddellijke werking en is deze van toepassing op het onderhavige geval. Op die grond moet worden vastgesteld dat de verjaringstermijn van twaalf jaren voor de vervolging van verdachte terzake van art. 245 Sr gepleegd met het slachtoffer [slachtoffer 3], geboren op [1978], is aangevangen op de dag na die waarop zij achttien jaren is geworden, te weten op [1996].

Dat brengt mee dat het tenlastegelegde feit op 26 april 2008 is verjaard. Nu uit de stukken van het geding niet blijkt dat voorafgaand aan 26 april 2008 een daad van vervolging is verricht, moet het ervoor worden gehouden dat de verjaring niet vóór deze datum is gestuit. Dit betekent dat het recht tot strafvervolging voor dit feit is komen te vervallen en dat de officier van justitie in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.

Voor het overige zijn er geen gronden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging in de weg staan.

Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de ter terechtzitting van 1 mei 2014 aangevoerde gronden acht de officier van justitie de ten laste gelegde feiten onder 1 primair, 2 subsidiair en onder 3, tweede cumulatief tenlastegelegde delen, wettig en overtuigend bewezen. Zij acht de onder 2 primair en onder 3, eerste cumulatief, tenlastegelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde feit refereert de verdediging zich voor wat betreft de bewijsvraag aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde feit concludeert de verdediging op de in de pleitnota aangevoerde gronden tot vrijspraak omdat verdachte weliswaar heeft verklaard dat hij bij [slachtoffer 2] over de vagina heeft gestreeld en/of heeft gevoeld maar dat er geen wettig en overtuigend bewijs is voor het seksueel binnendringen. De rechtbank begrijpt het pleidooi aldus, dat de verdediging zich ten aanzien van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde refereert aan het oordeel van de rechtbank.

Voorts concludeert de verdediging op de aangevoerde gronden in de pleitnota tot integrale vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde feit omdat er geen wettig en overtuigend bewijs is voor handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen en/of de expliciet tenlastegelegde gedragingen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bronnen

A

Een einddossier van de politie regio Brabant Zuid-Oost, dossiernummer PL2233 2012056148, afgesloten op 18 juli 2012, aantal doorgenummerde pagina’s: 264.

B

De verklaringen van de getuigen [slachtoffer 2], [getuige 1], [getuige 2] en [slachtoffer 3], afgelegd op 19 december 2013 ten overstaan van de rechter-commissaris.

C.

De verklaring van verdachte zoals weergegeven in het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 mei 2014.

Vrijspraak.

De rechtbank acht – met de officier van justitie en de verdediging – niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 2 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierna vermelde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op tijdstippen gelegen in de periode van 1 november 2010 tot en met 16 april 2012 in de gemeente Eindhoven ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1], geboren op[2006], immers heeft hij verdachte telkens die [slachtoffer 1] over haar schaamstreek en/of vagina en/of buik gestreeld;

2.

Subsidiair

op tijdstippen gelegen in de periode van 1 november 1994 tot en met 30 november 1997 te Eindhoven en/of elders in Nederland, met [slachtoffer 2] geboren op [1989], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt en aan zijn

zorg en waakzaamheid was toevertrouwd, buiten echt, telkens ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het strelen over de schaamstreek en/of vagina van die [slachtoffer 2];

3.

op tijdstippen in de periode van 25 april 1985 tot en met 25 april 1991 te Eindhoven en/of Helmond en/of elders in Nederland door feitelijkheden [slachtoffer 3] geboren op [1978], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die telkens bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3],

hebbende verdachte:

- zijn penis (deels) in de vagina van die [slachtoffer 3] gebracht en/of

- zijn penis tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 3] gebracht en/of

- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 3] gebracht en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 3] gebracht

en bestaande die feitelijkheden hierin dat verdachte:

- tegen de wil van die [slachtoffer 3] de benen van die [slachtoffer 3] uit elkaar heeft

getrokken/geduwd en/of

- tegen de wil van die [slachtoffer 3] die [slachtoffer 3] op haar rug heeft gedraaid

terwijl die [slachtoffer 3] trachtte met haar lichaam van verdachte weg te

draaien en/of

- het hoofd van die [slachtoffer 3] naar beneden in de richting van zijn penis)

heeft geduwd en/of

- het hoofd van die [slachtoffer 3] vast heeft gehouden en/of vervolgens op en

neer gaande bewegingen met het hoofd van die [slachtoffer 3] heeft gemaakt

terwijl zijn penis zich in de mond van die [slachtoffer 3] bevond;

en

op tijdstippen in de periode van 25 april 1985 tot en met 24 april 1990 te Eindhoven en/of Helmond en/of elders in Nederland [slachtoffer 3] geboren op [1978], die

de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3], hebbende verdachte:

- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 3] gebracht en/of

- met zijn tong de vagina en/of schaamstreek van die [slachtoffer 3] gelikt en/of

- met zijn vinger(s) de vagina en/of schaamstreek en/of borsten van die [slachtoffer 3] gestreeld en/of aangeraakt en/of

- zijn penis laten aanraken en/of aftrekken door die [slachtoffer 3].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1 primair [slachtoffer 1]):

De rechtbank zal, nu verdachte dit feit heeft erkend en gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid van het Wetboek van Strafvordering, volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

-aangifte en nadere verklaring van [persoon 1], moeder van [slachtoffer 1] (dossier onder A: pg. 38-54);

-verbatim studioverhoor van [slachtoffer 1] (dossier onder A: pg. 205-248);

-verklaring [persoon 2] (dossier onder A: pg. 101-108);

-verklaring verdachte (dossier onder A: pg. 158-203 en de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 mei 2014 (onder C);

Ten aanzien van feit 2 subsidiair ([slachtoffer 2]):

De rechtbank, zal nu verdachte dit feit heeft erkend en gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid van het Wetboek van Strafvordering, volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

-aangifte van [slachtoffer 2] (dossier onder A: pg. 72-76);

-verklaring van [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris (onder B)

-verklaring van [getuige 2], moeder van [slachtoffer 2] (dossier onder A: pg. 109-113);

-verklaring van [getuige 2] bij de rechter-commissaris (onder B);

-verklaring verdachte (dossier onder A: pg. 158-203 en de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 mei 2014 (onder C);

Ten aanzien van feit 3 eerste en tweede cumulatief [slachtoffer 3]):

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bijlage bij dit vonnis (bladzijde 20-30) en dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs van het onder 3 tenlastegelegde

Voldoende steunbewijs?

De verdediging heeft in de eerste plaats aangevoerd dat onvoldoende wettig bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, omdat haars inziens de aangifte van [slachtoffer 3] onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. De rechtbank verstaat dat de verdediging daarmee een beroep heeft willen doen op het voorschrift van art. 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. In de tweede plaats heeft de verdediging met een beroep op de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster betwist dat tot een bewezenverklaring kan worden gekomen.

De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Deze bepaling betreft de tenlastelegging in haar geheel. Niet is vereist dat elk onderdeel daarvan ook in ander bewijsmateriaal steun dient te vinden.

Dit voorschrift betekent dat als van elkaar te onderscheiden beslissingen moeten worden aangemerkt enerzijds het oordeel dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en anderzijds het oordeel dat de verklaring van aangeefster in ander bewijsmateriaal voldoende steun vindt. Het feit dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar wordt geacht kan niet op zichzelf als voldoende steunbewijs dienen. Een gebrek aan voldoende steunbewijs voor de verklaring van aangeefster kan dus niet worden gecompenseerd door een gemotiveerd oordeel dat die verklaring betrouwbaar is. Het steunbewijs zal voorts dienen te zien op feiten en omstandigheden die niet in een te ver verwijderd verband staan tot de aan de verdachte verweten gedragingen.

Deze in de onderhavige zaak aan te leggen toets brengt de rechtbank tot de volgende beoordeling.

Aangeefster [slachtoffer 3] heeft bij gelegenheid van het informatief gesprek zeden (zeden intake gesprek), in haar vervolgens gedane aangifte en in haar verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard over seksuele handelingen die verdachte bij haar zou hebben verricht en over seksuele handelingen die zij bij verdachte heeft verricht. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen aangeefster daarover heeft verklaard in voldoende mate steun vindt in andere bronnen dan aangeefster zelf, te weten in de verklaringen van verschillende getuigen en de verklaringen van verdachte zelf.

De rechtbank heeft daarbij niet het oog op de inhoud van die getuigenverklaringen voor zover zij behelzen hetgeen zij van aangeefster hebben vernomen over de gedragingen van de verdachte – de inhoud van dergelijke de-auditu verklaringen moeten dan immers geacht worden van dezelfde bron, aangeefster, afkomstig te zijn – maar op die verklaringen voor zover zij behelzen eigen waarnemingen of ondervindingen van de getuigen met betrekking tot de context of feitelijke situatie die door aangeefster is beschreven en waarin de seksuele handelingen volgens aangeefster zouden hebben plaatsgevonden.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat [slachtoffer 3] in haar verklaringen rept van verschillende seksuele handelingen die bij haar zijn verricht door verdachte en die zij bij verdachte heeft verricht, maar die niet bestonden uit het seksueel binnendringen.

De rechtbank heeft daarbij het oog op handelingen zoals strelen of wrijven over de borsten en vagina van [slachtoffer 3] door verdachte en het aftrekken van verdachte door [slachtoffer 3]. Haar verklaringen worden in zoverre bevestigd door de verklaringen van verdachte bij de politie en ter terechtzitting van de rechtbank. Verdachte erkent dat dergelijke handelingen hebben plaatsgevonden en hij heeft verklaard over de frequentie waarmee en de plaatsen waar deze handelingen werden verricht, en zijn verklaring is telkens in de kern in overeenstemming met hetgeen aangeefster daarover heeft verklaard.

Wat betreft de seksuele handelingen bestaande uit het seksueel binnendringen verklaart [slachtoffer 3] dat verdachte met zijn vingers en penis meermalen is binnengedrongen in haar vagina en dat zij meermalen de penis van verdachte in haar mond moest nemen. Wat betreft het penetreren met de penis en het pijpen heeft aangeefster nog verklaard dat dit onder dwang gebeurde. Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting van de rechtbank ontkend dat dergelijke handelingen al dan niet met dwang ooit hebben plaatsgevonden. Nochtans is de rechtbank ook ten aanzien van deze handelingen van oordeel dat de verklaringen van aangeefster in voldoende mate bevestiging vinden in andere bronnen, te weten daar waar het de hiervoor bedoelde context en/of feitelijke situatie betreft, mede in aanmerking genomen dat de verklaringen van [slachtoffer 3] over de niet binnendringende handelingen reeds in de verklaringen van verdachte hun bevestiging hebben gevonden. Nogmaals zij hier opgemerkt, dat het bewijsminimum voorschrift de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet elk te bewijzen onderdeel daarvan.

Zo verklaart [slachtoffer 3] samengevat dat verdachte ongeveer vanaf haar 7e levensjaar is begonnen met het aanraken van haar vagina, dat dit aanraken zich vervolgens ontwikkelde tot het penetreren van haar vagina met vingers en penis en dat het penetreren met de penis voor het eerst plaatsvond toen zij tussen de 7 en 8 jaar oud was. De rechtbank verstaat, gelet op haar geboortedatum, daarmee de periode van 1985 en 1986.

Zij verklaart dat het aanraken en penetreren meestal gebeurde op de momenten dat zij in haar bed lag en dat verdachte op die momenten bij haar in bed lag bij het voorlezen, maar ook dat het gebeurde op de camping, onder de douche en als ze samen in bad zaten. Eén van de momenten waarop verdachte haar had gepenetreerd met zijn vingers, zou ook in het bed van [persoon 2], destijds de partner van verdachte, hebben plaatsgevonden. Tijdens het samen in bed liggen had verdachte af en toe zijn gulp open of zijn broek los.

Ten aanzien van één specifiek moment verklaart aangeefster dat [persoon 2] boven op de slaapkamer kwam, dat zij verdachte betrapte met [slachtoffer 3] in bed, dat [persoon 2] kennelijk schrok van hetgeen zij had gezien en dat [persoon 2] en verdachte kort daarna op de gang een woordenwisseling kregen over hetgeen zij had gezien. Wat betreft het pijpen verklaart [slachtoffer 3] over een moment waarop zij met verdachte mee was gegaan om de hond uit laten in de bossen bij Helmond. Zij moest verdachte in het bos eerst aftrekken en vervolgens had verdachte afgedwongen dat zij zijn penis in haar mond moest nemen onder meer door tegen aangeefster te zeggen dat zij anders [persoon 2] pijn zou doen.

Aangeefster verklaart ten slotte nog dat verdachte in relatie tot het misbruik vaker tegen aangeefster had gezegd dat zij tegen niemand iets mocht vertellen omdat zij dan zijn toenmalige partner [persoon 2] pijn zou doen, daarmee ook verdachte pijn zou doen en dat zij daardoor ervoor zou zorgen dat verdachte en [persoon 2] uit elkaar zouden gaan.

De verklaringen van aangeefster vinden op bovenstaande punten bevestiging in de verklaringen van verdachte bij de politie en ter terechtzitting, voor zover inhoudende dat aangeefster hem een aantal keren heeft afgetrokken, dat het misbruik meestal gebeurde als hij bij haar in bed lag, dat er ook seksueel misbruik van aangeefster heeft plaatsgevonden op de camping, in de douche en in bad, dat aangeefster wel eens met hem is meegegaan de hond uitlaten, dat hij wel eens tegen [slachtoffer 3] heeft gezegd dat wat hij deed niet mocht en dat hij weg zou moeten als anderen dat te weten zouden komen, dat zijn toenmalige partner [persoon 2] een keer (op de slaapkamer van [slachtoffer 3], zo verstaat de rechtbank) is binnengekomen terwijl hij en [slachtoffer 3] samen in bed lagen, dat hij toen zijn gulp open had en zijn geslachtsdeel uit zijn broek had, dat het mogelijk was dat hij met zijn blote penis tegen de vagina van [slachtoffer 3] aan lag en dat hij naderhand met [persoon 2] heeft gepraat en dat [persoon 2] toen moest huilen. Bevestiging kan ook worden gevonden in de verklaring van [persoon 2] ten overstaan van de politie, voor zover inhoudende dat verdachte eigenlijk altijd aangeefster naar bed bracht, hetgeen bevestiging vindt in de verklaring bij de politie van [getuige 1], en dat zij een keer verdachte en [slachtoffer 3] samen in bed zag liggen en dat zij zag dat verdachte schrok.

Het hiervoor overwogene brengt de rechtbank tot de slotsom dat de belastende verklaringen van aangeefster in voldoende mate steun vinden in de door andere getuigen beschreven feiten en omstandigheden alsmede in de verklaringen van verdachte zelf. Bedoelde feiten en omstandigheden zijn voldoende specifiek en houden voldoende contextueel verband met de aan verdachte verweten gedragingen. Dat betekent dat aan het bewijsminimumvoorschrift van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, ook wat betreft het aan verdachte verweten dwangaspect.

Het verweer van de verdediging wordt dus verworpen.

Betrouwbaarheid van de belastende verklaringen

Het verweer van de verdediging, dat de verklaringen van aangeefster als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt, wordt eveneens verworpen.

De rechtbank heeft in het strafdossier noch het verhandelde ter terechtzitting objectieve aanwijzingen gevonden die ertoe zouden moeten leiden dat de verklaringen van aangeefster als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt. De verklaringen van aangeefster zijn in de kern genomen consistent wat betreft de beschuldiging die zij naar verdachte uit en wat betreft de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden en haar verklaringen vinden wat dat betreft bevestiging in andere bron. Aangeefster is bovendien vasthoudend in haar beschuldiging, in aanmerking genomen dat zij ook bij haar ondervraging door de verdediging ten overstaan van de rechter-commissaris in de kern bij haar lezing van de feiten is gebleven.

De rechtbank onderkent dat aangeefster in haar verklaringen niet op alle onderdelen even consistent is en hier en daar ook tegenstrijdig verklaart. De rechtbank heeft dan met name het oog op enkele verschillen in haar verklaringen met betrekking tot de locaties waar en momenten waarop het penetreren met de vingers en/of de penis heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank doen deze verschillen evenwel geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van aangeefster en haar verklaringen. De rechtbank wijt deze verschillen aan het feit dat het hier verklaringen betreft van een 35-jarige vrouw over een veelheid aan momenten gedurende een langere periode in een relatief ver verleden waarin zij door verdachte op verschillende manier was misbruikt. Dat zij daardoor niet alles meer even helder voor de geest heeft en om die reden niet telkens even consistent verklaart, wekt dan ook geen verwondering en draagt onder deze omstandigheden juist bij aan haar geloofwaardigheid. Wanneer zij ondanks dat ruime tijdsverloop op geen enkel onderdeel van haar verklaringen tegenstrijdigheden of verschillen had laten zien, dan zou dat wellicht kunnen leiden tot het vermoeden dat aangeefster een verhaal uit het hoofd had geleerd en een motief heeft gehad voor het afleggen van de voor verdachte belastende verklaringen anders dan vanwege het feit dat het seksueel binnendringen daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Daarvan is in deze zaak dus geen sprake. De door de verdediging gedane suggestie dat aangeefster verklaart over handelingen die verder gaan dan enkel het aaien en strelen met de bedoeling om de verdachte “erbij te naaien”, wordt door de rechtbank dan ook van de hand gewezen.

Het verweer van de verdediging stuit af op al hetgeen hiervoor is overwogen.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 subsidiair en

feit 3 (behoudens ten aanzien van het laatst cumulatief tenlastegelegde deel omdat dit feit is verjaard en het openbaar ministerie om die reden niet-ontvankelijk is):

Een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden waarvan 7 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 3 jaren. Bijzondere voorwaarden: toezicht van de reclassering en voorts een contact- en straatverbod met de slachtoffers [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3].

Algehele toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] met oplegging van de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat, mede gelet op de deels bepleite vrijspraak, volstaan kan worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van gelijke duur als het ondergane voorarrest gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf met de (bijzondere) voorwaarden die daarbij door de rechtbank passend worden geacht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende ten bezware van verdachte in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een lange periode in zijn leven, te weten een periode van 27 jaar, schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met drie (zeer) jonge kinderen waarbij het in bepaalde gevallen ook ging om seksueel binnendringen.

Alle slachtoffers (3) bevonden zich in een van verdachte afhankelijke positie en waren weinig weerbaar. Verdachte wist dit. Verdachte heeft ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de slachtoffers in hem stelden. Per slot van rekening was verdachte degene die in de periode van ontucht de zorg had over die kinderen.

Verdachte heeft aldus een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en hun lichamelijke integriteit op ernstige wijze aangetast. Slachtoffers van dergelijk seksueel misbruik ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan en veelal ook bij latere seksuele ervaringen. Uit de toelichting op de vorderingen benadeelde partijen en de slachtofferverklaringen blijkt dat dit ook in deze zaken in ernstige mate het geval is.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat hij (deels) de bewezenverklaarde feiten heeft erkend en vervolgens zich min of meer eigener beweging ter zake heeft laten behandelen en bereid is om deze behandeling voort te zetten.

Bovendien weegt de rechtbank in strafverminderende zin mee dat er bij verdachte ten tijde van het tenlastegelegde sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens die benoemd kan worden als pedofilie, om welke reden verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd. Een en ander conform de conclusie van een psychologisch onderzoek op 27 augustus 2012 door de klinisch psycholoog J.A.E.M. van den Bosch, welke conclusie de rechtbank overneemt en tot de hare maakt.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur als hierna te melden.

De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming van langere duur op zijn plaats.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen, enerzijds om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en anderzijds om via de band van bijzondere voorwaarden onder meer te kunnen bewerkstelligen dat verdachte de behandeling voor pedofilie blijft voortzetten zoals de Reclassering dat heeft geadviseerd en geen contact meer in welke vorm dan ook zal opnemen met de slachtoffers. Deze en de overige bijzondere voorwaarden worden hierna in het dictum verder omschreven.

De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt en omdat de rechtbank meer bewezen acht dan waar de officier van justitie haar strafeis op heeft gebaseerd.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1 primair).

Het standpunt van de verdediging.

Matiging van het immateriële schadebedrag tot EUR 1500,00 en niet-ontvankelijkheid ten aanzien van het overige deel. De verdediging refereert zich ten aanzien van het materiële deel van de vordering.

Beoordeling.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten immateriële schadevergoeding tot een bedrag van EUR 2000,00 (post 4) en materiële schadevergoeding tot een bedrag van EUR 234,20 (post 1, 2 en 3).

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering, omdat de rechtbank van oordeel is dat behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2 subsidiair).

Het standpunt van de verdediging.

De benadeelde partij is niet-ontvankelijk omdat behandeling van de vordering een onevenredige belasting is van het strafgeding. Er is geen wettig en of overtuigend bewijs voor het vermeende seksueel binnendringen. Bovendien is het lastig te onderkennen wat de immateriële schade is omdat 1) er op latere leeftijd een zedendelict heeft plaatsgevonden waarbij benadeelde door haar ex zou zijn verkracht en 2) ook in de onderbouwing zelf geen sprake lijkt van psychische schade: benadeelde is het incident gaandeweg vergeten en zegt zelf over te zijn gegaan tot het doen van aangifte omdat ze van incidenten met andere meisjes te horen kreeg waarbij cliënt betrokken zou zijn.

Beoordeling.

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank heeft daarbij overwogen, wat er ook zij van de schade die [slachtoffer 2] zou hebben geleden in verband met een ander soortgelijk feit dat haar is aangedaan, dat zulks niet afdoet aan het feit dat de thans gevorderde schade naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ter zake het bewezenverklaarde feit kan worden toegewezen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 3).

Het standpunt van de verdediging.

Afwijzing gelet op bepleite vrijspraak. Overigens is de materiële schade niet als

rechtstreekse schade te bezien, nog los van enige onderbouwing voor het vermeende

schadebedrag van € 100,00 en het gegeven dat voor haar verhoor als getuige een

financiële tegemoetkoming geldt.

Wat het immateriële schadebedrag betreft: de hoogte van de toekenning in de

namens benadeelde partij aangedragen zaken fluctueert sterk. In alleen zeer

uitzonderlijke gevallen wordt een immaterieel schadebedrag als in deze verzocht

toegekend. Het subsidiaire verzoek is dit schadebedrag sterk te matigen. De

verdediging verzoekt u een bedrag van maximaal € 2.500,00 toe te wijzen en

overigens dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

Beoordeling.

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Ten aanzien van alle vorderingen benadeelde partij

Ten aanzien van de vordering van de officier van justitie om in alle gevallen van gevorderde schadevergoedingen tevens de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, zal de rechtbank dit niet doen, omdat volgens het geldend overgangsrecht artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing is op strafbare feiten die voor of deels voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, zijnde 1 januari 2011, zijn begaan.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 55, 57, 242, 244, 247, 248, 249.

DE UITSPRAAK

T.a.v. feit 3:

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging ter zake het laatste deel van het onder 3 cumulatief tenlastegelegde (artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht).

T.a.v. feit 2 primair:

Vrijspraak:

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde

heeft begaan.

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair:

ontucht plegen met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde

minderjarige, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 2 subsidiair:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige

handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn

zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 3:

verkrachting, meermalen gepleegd

en

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd,

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 1 primair, feit 2 subsidiair, feit 3:

Gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan

het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld

in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d,

tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen

die worden gegeven door de reclassering;

- zich binnen drie werkdagen volgend op de uitspraak telefonisch zal melden bij

Reclassering Nederland op telefoonnummer 073-6408080. Hierna moet veroordeelde

zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd meewerkt aan een ambulante behandeling voor pedofilie in een (forensisch-) psychiatrische polikliniek, zoals de Woenselse Poort of een soortgelijke instelling, zolang de reclassering dat noodzakelijk acht, waarbij

de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van

die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, dit met uitzondering van contacten door tussenkomst van een advocaat,

waarbij de Reclassering Nederland, Regio's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6,

5233 VG te 's-Hertogenbosch, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de

naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te

begeleiden.

T.a.v. feit 1 primair:

Toewijzing civiele vordering van EUR 2234,20.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1], van een bedrag van EUR 2234,20 (zegge

tweeduizendtweehonderdvierendertig euro en twintig cent), te weten EUR 2000,00

immateriële schadevergoeding (post 4) en materiële schadevergoeding tot een

bedrag van EUR 234,20 (post 1, 2 en 3).

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige (immateriële) deel van de

vordering niet ontvankelijk is.

T.a.v. feit 2 subsidiair:

Toewijzing van de civiele vordering van EUR 2179,00.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte

mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], van een

bedrag van EUR 2179,00 (zegge: tweeduizendhonderdnegenenzeventig euro), te weten

EUR 2000,00 immateriële schadevergoeding (post 1) en materiële schadevergoeding

ten bedrage van EUR 179,00 (post 2).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de

datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

T.a.v. feit 3:

Toewijzing van de civiele vordering van EUR 10.100,00.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte

mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], van een

bedrag van EUR 10.100,00 (zegge: tienduizendhonderd euro), te weten EUR 10.000,00

immateriële schadevergoeding (post 1) en materiële schadevergoeding ten bedrage

van EUR 100,00.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de

datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden welk bevel op

20 april 2012 werd geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,

mr. M. Lammers en mr. J. Leyenaar-Holleman, leden,

in tegenwoordigheid van L.D. Wittenberg, griffier,

en is uitgesproken op 15 mei 2014.

BIJLAGE

De bewijsmiddelen (feit 3)

- een proces-verbaal van politie inhoudende een verslag van een zeden intake gesprek met [slachtoffer 3], dossier onder A pg. 80-82, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende:

[slachtoffer 3] vertelde dat zij thans inhoudelijk wilde gaan praten over het seksuele misbruik door haar schoonbroer [verdachte].

[slachtoffer 3] zei dat zij zich nog heel goed kon herinneren, dat zij vanaf de kleuterklas, tot aan haar 13e of 14e jaar, seksueel was misbruikt door [verdachte]. [slachtoffer 3] zei dat ze op school ook heel vaak en stelselmatig werd gepest. Zij moest dan vaak hard rennend naar huis, omdat een hele grote groep met kinderen haar aan het pesten waren. Destijds had zij helemaal geen vriendjes of vriendinnetjes. Alleen thuis voelde [slachtoffer 3] zich veilig. Als zij dan thuis was, werd zij vaak opgevangen door [verdachte] of haar zus [persoon 2].

Als zij dan thuis was, kwam zij iedere keer in het web van [verdachte] terecht. Hij nam haar mee naar de bossen, tijdens het uitlaten van de hond of in de auto van [verdachte]. Ze moest met hem douchen. [verdachte] waarschuwde haar, om niets verder te vertellen, want anders zou hij [slachtoffer 3] of [persoon 2] pijn gaan doen. Met haar zus [persoon 2] ging zij vaak samen met [verdachte] naar pretparken. Op haar 9e levensjaar begon [slachtoffer 3] al met menstrueren, kreeg zij borstgroei en schaamhaar groei, ze was helemaal vrouw, het misbruik werd toen minder. [verdachte] bleef echter doorgaan met het seksuele misbruik tot aan haar 13e of 14 levensjaar. Hierna is [verdachte] met de seksuele handelingen gestopt. Waarom hij gestopt is, weet [slachtoffer 3] niet. In het begin heeft [verdachte] handelingen hij haar gedaan, naarmate ze ouder werd, moest ze handelingen bij hem verrichten.

[verdachte] zou in de genoemde periode 1983 1992, aan de borsten van [slachtoffer 3] hebben gezeten. Ook had hij haar in haar wang en nek gekust. [verdachte] was ook met zijn vinger(s) in haar vagina gegaan en had haar gevingerd. Zij moest [verdachte] over zijn penis wrijven en ook moest zij hem oraal bevredigen, dus pijpen. [verdachte] had ook een paar keer geprobeerd om met zijn penis in haar vagina te gaan, maar omdat zij nog te smal/nauw was, is dit niet gelukt. [slachtoffer 3] zei tegen [verdachte] dat het pijn deed en daarom stopte hij met haar vaginaal te penetreren met zijn penis. [slachtoffer 3] vertelde dat ze altijd nee heeft gezegd en heeft verteld dat ze het niet wilde.

[slachtoffer 3] verklaarde ook dat zij een keertje, samen met [verdachte] in bed lag. Ze lag onder de dekens. Op dat moment waren [verdachte] en [persoon 2] nog niet getrouwd. [slachtoffer 3] was naar bed gegaan om een middagdutje te doen. [verdachte] was bij haar gekomen om een verhaaltje te vertellen en kroop onder de dekens. Hij bleef wel 2 uur doorgaan met verhaaltjes vertellen. Ondertussen verrichtte hij dan weer handelingen bij haar. Hij was o.a. bezig om haar borsten te betasten. Net voor etenstijd, zo rond 17.15 uur, kwam [persoon 2] naar boven om te laten weten dat het eten klaar was. [persoon 2] zag [slachtoffer 3] en [verdachte] dan in hetzelfde bed liggen. Schijnbaar had zij vaag iets gezien wat er onder de lakens gebeurde, wat ze niet vertrouwde. [verdachte] en [persoon 2] waren op dat moment bezig om te gaan trouwen. [slachtoffer 3] zag toen dat [persoon 2] op de gang ging huilen en even later in de wasbak moest overgeven. [slachtoffer 3] heeft dit verder nooit aan iemand verteld, omdat zij haar zus [persoon 2] geen pijn/leed wilde doen. [slachtoffer 3] heeft het altijd geheim gehouden, tot ongeveer haar 18e jaar, om het openbaar te maken, toen haar zus [getuige 2] met het verhaal kwam over het dochtertje [slachtoffer 2]. Toen is er ook een grote ruzie ontstaan in de familie, en werden [slachtoffer 3] en [getuige 2] niet geloofd. Wel zijn [verdachte] en [persoon 2] gescheiden, en kort hierna toch weer bij elkaar gekomen. Destijds zag [slachtoffer 3] geen uitweg voor wat haar was overkomen.

-proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] ([slachtoffer 3]), dossier onder A pg. 83-91, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende:

...

Ik wil aangifte doen tegen [verdachte], omdat hij mij in het verleden seksueel misbruikt heeft.

V = Over welke tijdsperiode hebben wij het dan ?

A = Van de tijd dat ik op de kleuterschool zat, ongeveer toen ik 5 jaar oud was en

dat is door gegaan totdat ik ongeveer 13 jaar oud was. Ik ben begonnen met vrouw te

worden rond mijn 9e jaar en daarna is het misbruik nog een paar jaar doorgegaan, tot

aan mijn 13e of 14e jaar en daarna is het misbruik van [verdachte] gestopt of in ieder geval

afgenomen. Waarom het gestopt of afgenomen is weet ik niet. Misschien dat [verdachte] vond

dat ik al een vrouw was of dat hij mogelijk een ander slachtoffer had.

...

V = Hoe is het de 1e keer gegaan ?

A = Wat ik mij kan herinneren is het begonnen met strelen en knuffelen. Hierna werd

het steeds meer intiemer.

V = Waar streelde [verdachte] dan ?

A = Hij streelde over mijn armen, daarna over mijn bol, over mijn rug en daarna over

mijn borstkast. Op een later moment ging hij steeds verder en ging hij naar beneden.

V = Wat bedoel jij met naar beneden ?

A = Naar mijn onderbroek, naar mijn vrouwelijke.

V = Wat bedoel je met jouw vrouwelijke ?

A = Dat is gewoon mijn vagina.

V = Op welke leeftijd was dat toen ?

A = Het is begonnen op mijn 7e en op mijn 9e jaar begon ik al vrouw te worden.

Ik begon te menstrueren en ook kreeg ik borsten. Ik had toen al cup B.

V = Wat deed [verdachte] met jouw vagina ?

A = In 1e instantie begon hij gewoon over mijn vagina te wrijven. Ook begon hij naar

mijn vagina te kijken en onderzoeken.

V = Op wat voor manier wreef [verdachte] over jouw vagina ?

A = Ik had toen op mijn 9e al wat schaamhaar. [verdachte] wreef met zijn vingers over mijn

vagina en op een gegeven moment ging hij ook met zijn vingers in mijn vagina. Ook

wreef en kneep [verdachte] zo af en toe in mijn borsten. Ik kreeg ook wel eens een kus in

mijn nek van [verdachte]. Ik gaf ook zo af en toe aan bij [verdachte] dat ik het niet leuk vond,

dat hij met zijn vingers in mijn vagina ging. Ik duwde dan zijn hand weg en kruiste

mijn benen. [verdachte] deed dan mijn benen weer open.

V = Op wat voor manier deed [verdachte] jouw benen open ?

A = Hij pakte dan mijn onderbeen vast en legde deze weer open. Dit ging ook zo bij

mij thuis, in bad, op de camping en in zijn auto.

V = Waar komt [verdachte] dan aan jouw vagina ?

A = Hij begon met zijn vingers bovenaan bij mijn schede. Hierna naar mijn clitoris en

uiteindelijk ging hij met zijn vingers in mijn vagina.

V = Wat voelde jij toen [verdachte] met zijn vingers in jouw vagina ging ?

A = Dat voelde niet echt fijn aan. Het was stroef en schuurde en het deed pijn.

V = Wat heb jij toen tegen [verdachte] hierover gezegd ?

A = Ik heb tegen hem gezegd dat ik het niet wilde en dat ik het niet fijn vond. [verdachte]

zei tegen mij dat ik niets tegen [persoon 2] mocht zeggen, want dat zou [persoon 2] pijn

doen. Dan zou het uiteindelijk ook pijn zijn voor [verdachte]. Ook begon hij steeds meer te

dreigen, dat het uiteindelijk pijn zou doen voor [persoon 2] en dat hij en [persoon 2] dan

uit elkaar zouden gaan. Ook zou ik dan de schuldige zijn dat hij en [persoon 2] uit

elkaar zouden gaan en dat er daardoor problemen in de familie zouden ontstaan.

V = Op wat voor manier onderzocht en bekeek [verdachte] jou ?

A = Dat was meestal op het moment dat ik ‘s avonds naar bed ging. Mijn broertje en ik

lagen op een stapelbed op dezelfde kamer. Ik lag dan in het onderste bed. Meestal

kwam [verdachte] dan naar boven om een verhaaltje voor te lezen. Meestal had ik een soort

van pyjama aan, een soort van nachtjapon. Hieronder droeg ik een onderbroek. Als [verdachte] boven op mijn kamer kwam, dan trok hij mijn nachtjapon uit en daarna mijn

onderbroek. Ook gebeurde het wel eens dat ik zelf mijn nachtjapon uit moest doen voor

[verdachte], en ook mijn onderbroek. Soms deed [verdachte] alleen maar over mijn lichaam en mijn

vagina strelen, maar ook ging hij wel eens vaker met zijn vingers in mijn vagina.

Soms ging [verdachte] dan, toen hij nog helemaal gekleed was, tegen mijn naakte lichaam aan

liggen. Tussen de betastingen door, had [verdachte] ook wel eens een rustpauze en begon hij

een verhaaltje voor te lezen.

V = Hoe ging dat bekijken van jouw vagina dan ongeveer ?

A = Ik lag dan naakt en recht op mijn rug. [verdachte] lag dan gedeeltelijk over mij heen.

[verdachte] lag in eerste instantie met zijn eigen hoofd naast mijn hoofd. Ik keek hem dan

aan. Hierna ging [verdachte] met zijn hoofd naar mijn beneden lichaam en begon daar verder te

kijken.

V = Wat voor handelingen deed [verdachte] nog meer als hij jouw onderlichaam, jouw vagina

ging bekijken en onderzoeken ?

A = [verdachte] ging met zijn vingers naar binnen in mijn vagina. Ook gebruikte hij 2

vingers om mijn vagina open te maken. In het begin ging [verdachte] met 1 of 2 vingers naar

binnen in mijn vagina, maar dit is steeds verder gegaan, uiteindelijk tot

3

of 4 maal toe geprobeerd heeft om met zijn penis in mijn vagina te komen. Omdat ik

toen zei dat het pijn deed, is [verdachte] hiermee gestopt.

V = Hoe was [verdachte] zelf gekleed, als hij jouw lichaam bekeek ?

A = Hij had een gewone broek en een shirt aan. Dit was vooral in het beginstadium.

V = Hoe oud was jij, toen [verdachte] probeerde om met zijn penis in jouw lichaam te komen?

A = Dat was in de periode dat ik net mijn menstruatie had gehad. Hij heeft dat dus 3

of 4 keer geprobeerd. Dat was kort voor mijn periode dat ik ongesteld werd. Ik denk

dus tussen mijn 7e en mijn 8e jaar. En daarna, dus na mijn 9e jaar, moest ik [verdachte]

ook vaak oraal bevredigen, dus hem pijpen.

V = Hoe weet je dat [verdachte] met zijn penis in jouw vagina probeerde te gaan?

A = Ik heb dat gewoon gevoeld. Ik voelde in ieder geval dat het niet zijn vingers

waren. Het voelde in ieder geval hard en warm aan en op dat moment had [verdachte] ook zijn

onderbroek uit.

V = Waar was jij toen [verdachte] voor het eerst probeerde om met zijn penis in jouw vagina

te gaan ?

A = Dat was in mijn eigen woning, in het stapelbed. Ook is het een keer gebeurd dat

[verdachte] probeerde om met zijn penis in mijn vagina te komen, in het bed van [persoon 2]. Op

die kamer stonden 2 eenpersoonsbedden. Een van [getuige 2] en een van [persoon 2]. [verdachte] had

mij toen meegenomen naar de slaapkamer van [persoon 2]. [verdachte] begon mij dan voor te lezen.

Hierna begon hij mij betasten. Ik weet niet meer precies of [verdachte] toen ook geprobeerd

heeft om met zijn penis in mijn vagina te komen, maar op dat moment weet ik nog wel

dat hij met zijn vingers in mijn vagina ging. Wij lagen toen onder de dekens. Ik weet

ook nog wel dat [verdachte] zijn kleding aan had, en zo af en toe had hij ook zijn gulp open

of zijn broek los. Ik lag met mijn gezicht richting de muur en [verdachte] lag achter mij,

met zijn rug richting de deur. Ik weet nog wel dat [persoon 2] ons kwam roepen voor het

avondeten. Ik draaide om en ik keek naar [persoon 2]. Ik zag aan het gezicht van [persoon 2]

dat zij schrok van hetgeen zij zag. Ik weet niet wat zij precies gezien heeft. Maar

in ieder geval draaide zij zich om en liep weg naar de hal. [verdachte] stond toen op uit

het bed en liep naar [persoon 2] toe. Ik hoorde dat [persoon 2] tegen [verdachte] zei “Wat ben

jij aan het doen. Waar ben jij mee bezig.” Ik hoorde dat [verdachte] zei “Ik ben niets aan

het doen, ik ben nergens mee bezig. “ [persoon 2] begon toen te huilen. [verdachte] deed toen de

deur dicht. Ik ben toen ook opgestaan. Volgens mij moest ik eerst mijn pyjama aandoen of misschien mijn schoenen. In ieder geval moest ik iets aantrekken. Ik wilde [persoon 2]

gaan troosten, omdat ik hun relatie niet kapot wilde maken en ik haar hoorde huilen.

V = Wij gaan even terug naar jouw beschrijving van de keer dat [verdachte] met jou in de

bossen was en dat er toen iets gebeurd was. Wat kan jij daarover vertellen ?

A = Het was toen dat we de hond uit gingen laten in de bossen in Helmond. De hond

heette[naam hond]. Dat was de hond van [persoon 2] en ik had hem uitgezocht. Volgens mij

woonden [verdachte] en [persoon 2] ergens in de [plaats]. In ieder geval was het 2e huis van

[persoon 2] en [verdachte] in Helmond. Ik weet nog dat het schemerig was. Tijdens het uitlaten,

stopte [verdachte]. Ik moest dan bepaalde dingen doen. [verdachte] trok dan zijn broek en

onderkleding uit. [verdachte] drukte mij dan met zijn hand mijn hoofd naar beneden. Ik kwam

op mijn knieën terecht en toen moest ik hem pijpen.

V = Omschrijf dat pijpen eens ?

A = Dit was in de periode dat ik al geheel vrouw was. Toen [verdachte] probeerde met zijn

penis in mij te komen, toen was mijn lijf nog niet in ontwikkeling zeg maar. Het

pijpen gebeurde daarna, toen ik dus al gedeeltelijk vrouw was. Het pijpen gebeurde

ergens in de herfst en het was die avond nog wel warm. Toen [verdachte] mij naar beneden had

geduwd, heb ik ook meteen tegen hem gezegd, dat ik het niet wilde. [verdachte] zei toch wel

op een dwingende manier tegen mij, dat ik het moest doen, want anders zou ik [persoon 2]

dan pijn doen. Omdat ik een oudere broer had, [persoon 3], en dat hij ook seksboekjes en

seksfilms had, wist ik dat dit pijpen was. Dus dat een vrouw de penis van een man in

haar mond moet nemen en hem dan oraal moet bevredigen. Ik heb [verdachte] meerdere malen

moeten pijpen, dit was op verschillende momenten en plaatsen. Ik weet dat hij hierbij

1

keer is klaargekomen, in de bossen. Zijn sperma kwam dan op een hoop bladeren

terecht en [verdachte] veegde dan met wat andere bruine bladeren het sperma van zijn penis

af. Een paar keer werden wij gestoord door voorbijgangers en dan deden wij net of we

de bal of een stok voor de hond aan het zoeken waren.

V = Hoe weet jij dat [verdachte] bedoelde dat jij hem moest pijpen ?

A = [verdachte] stond dan half naakt voor mij. Hij had een stijve penis. Hij wees met zijn

vingers naar zijn penis.

0: aangeefster doet dit voor en wees met haar hand.

A = Hij pakte dan mij hand en dan moest ik zijn penis aftrekken. Hierna duwde mijn

hoofd naar beneden. Ik wist dat ik zijn penis in mijn mond moest doen en dus dat [verdachte]

wilde dat ik hem ging pijpen. [verdachte] had dan zijn trui vast, als een frotje en toen

begon hij met zijn onderlichaam wat schommelbewegingen te maken. Ook pakte hij met

zijn hand mijn hoofd vast en hij bewoog dan mijn hoofd op en neer.

V = Waarom hield [verdachte] zijn trui in een frotje ?

A = Ik denk dat ik dan beter bij zijn penis kon komen en dat hij mij kon zien wat ik

deed.

V = Waar was de hond op dat moment ?

A = Die liep dan los rond in de bossen. Zo af en toe kwam [naam hond] ons storen en dan

duwde [verdachte] haar weg.

V = Wat was jouw leeftijd toen?

A = Volgens mij was ik toen 8 of 9 jaar. Op dat moment stonden [verdachte] en [persoon 2] ook al

op een andere camping als ons. Hun stonden daarna op camping de [naam] in

Veldhoven.

V = Wat kan jij je nog herinneren van de keren dat [verdachte] jou vaginaal probeerde te

penetreren ?

A = Dat was op het moment dat ik bezig was om mij te ontwikkelen tot vrouw. De le

keer was het gebeurd hij mij thuis, in mijn stapelbed. Ik lag toen in het onderste

bed. Dat was op het moment dat [verdachte] mij naar bed bracht. Hij zou mij dan weer een

verhaaltje voorlezen. Hij ging met mij mee naar boven. Ik moest mijn pyjama uitdoen.

Hierna begon [verdachte] mij te strelen. Ook begon hij richting mijn vagina te gaan en ging

met zijn vingers in mijn vagina. [verdachte] had zijn kleding gewoon aan. Hij had wel zijn

gulp open en had zijn penis uit zijn gulp.

V = Hoe lag jij op dat moment ?

A = Ik lag met mijn rug op bed. Ik lag met mijn bovenlichaam een beetje schuin, en

mijn benen lagen recht, want ik probeerde mij een beetje af te draaien van [verdachte]. Ik

wilde namelijk niet [verdachte] in zijn gezicht kijken. Ik was dan helemaal naakt. [verdachte]

pakte dan mijn arm en draaide mij weer terug. Ik hield mijn benen stijf dicht tegen

elkaar. Ik probeerde kracht te zetten in mijn bovenbenen, zodat [verdachte] geen kans zag om

met zijn penis bij mij binnen in mijn vagina te komen. Meestal pakte [verdachte] dan mijn

benen en duwde ze met kracht uit elkaar. Ook zag ik dat [verdachte] met zijn ogen en gezicht

boze blikken maakte en hij zei ook tegen mij dat ik moest blijven liggen.

V = Waar lag [verdachte] op dat moment ?

A = [verdachte] lag ook op het stapelbed. Hij lag gedeeltelijk over mij heen. Zij hoofd was

ter hoogte van mijn hoofd of hals. Elke keer probeerde ik mij weg te draaien, maar

[verdachte] draaide mij dan weer op mijn rug. Ook schaamde ik mij erg. Ik begon al borsten

te krijgen en ik kruiste mijn handen voor mijn borsten. Iedere keer draaide [verdachte] mij

weer op mijn rug. Ook probeerde [verdachte] hierna met zijn penis in mijn vagina te gaan.

V = Op welk moment maakte [verdachte] zijn gulp open en was zijn penis zichtbaar ?

A = Toen hij bezig was om mijn benen wijder te maken. Mijn onderbroek was ook uit.

Toen ik telkens probeerde om weg te draaien, bleef hij maar doorgaan om mij weer op

mijn rug te draaien. [verdachte] legde mij in een soort van opgetrokken positie en toen was

zijn broek open. Ik zag op een gegeven moment dat [verdachte] met zijn penis in mijn vagina

ging. De penis van [verdachte] was toen stijf. Ik voelde dat [verdachte] gedeeltelijk met zijn

penis in mijn vagina ging. Dit was maar een klein stukje van zijn penis, maar het

deed toen pijn. Ik zei dat ook tegen [verdachte], dat het pijn deed. Ik begon toen ook te

huilen. [verdachte] zei toen tegen mij dat het niet lukte en hij hield er mee op om met zijn

penis in mijn vagina te gaan. [verdachte] zei dat ik mij weer moest aankleden. [verdachte] deed

toen mijn pyjama, mijn nachtpon weer aan. Het moest dus snel gebeuren, zodat niemand kon zien dat ik naakt was. Ik moest zelf mijn onderbroek aantrekken. [verdachte] had die

altijd verstopt onder de dekens of het kussen, zodat niemand meteen kon zien dat ik

naakt was, dus zonder onderbroek of nachtpon. Ook zei ik wel vaker tegen [verdachte] dat ik

het koud had en dat ik onder de dekens wilde liggen. Dit zei ik omdat het dan

moeilijker voor [verdachte] was om bepaalde dingen bij hem te doen of dat hij bij mij deed.

0 =

We zullen nu even de handelingen en de aantallen van seksuele handelingen

benoemen, die [verdachte] bij jou deed of die jij bij hem moest doen.

V = Het betasten ?

A = Het betasten gebeurde bijna iedere keer en overal. Zelfs op momenten dat [persoon 2]

erbij zat. We zaten dan onder een soort van fleecedeken, op de zitbank. Als [persoon 2]

dan naar de WC ging of naar de keuken, dan begon [verdachte] mij te betasten. Ook gebeurde

het in de auto, of op de camping. Ook is het gebeurd dat [verdachte] en ik samen onder de

douche stonden, of in bad zaten.

V = Waar en hoe vaak heeft [verdachte] jou gevingerd, dat hij dus met zijn vingers in jouw

vagina is geweest ?

A = In mijn eigen woning, in het stapelbed en ook in het bed van [persoon 2] in mijn

woning. Ook heeft hij mij gevingerd op de camping en in de bossen. Het is ook een

keer gebeurd dat [verdachte] en ik in bad zaten, in de woning van [verdachte] en [persoon 2] op de

[plaats]. Ik was toen 9 of 10 jaar oud. [persoon 2] heeft toen daarna gezegd, dat [verdachte] en

ik niet meer samen in bad mochten, omdat ik een vrouw aan het worden was en zij vond

het dus niet meer goed dat [verdachte] en ik samen gingen douchen of in bad waren.

V = Hoe vaak heeft [verdachte] geprobeerd om jouw vaginaal te penetreren ?

A = Dit is in totaal 3 keer gebeurd. In mijn eigen stapelbed in mijn eigen woning.

Volgens mij was dat rond mijn 7e jaar.

V = Hoe vaak en waar heb je [verdachte] moeten aftrekken ?

A = Dit was meestal in de auto of in de bossen. [verdachte] reed dan richting de bossen,

zowel in Eindhoven als in Helmond. Hij reed dan naar de middle of nowhere en daar

moest ik hem dan aftrekken. Dit is wel 3 of 4 keer gebeurd, in ieder geval wel vaker.

V = Hoe vaak heb je [verdachte] moeten pijpen en waar was dat ?

A = Dat was een paar keer. Een keertje in zijn auto en ook een paar keer in de

bossen. Ook is hij 1 keer klaargekomen, dat was in Helmond in de bossen. Hierna zijn

de handelingen ook verder en verder afgenomen. Ik werd ouder en ik wilde niet meer

met [verdachte] mee. Ik bleef nog wel slapen hij [verdachte] en [persoon 2], maar ik probeerde steeds

vaker te vluchten van [verdachte], of om niet met hem alleen te hoeven zijn.

O = Om alles helder te krijgen, op je 9e jaar was jij al helemaal klaar met het vrouw

worden en had je al borsten, en daarna begon je te menstrueren. Voor jouw 9e jaar

heeft [verdachte] geprobeerd om met zijn penis in jouw vagina te komen. Omdat het niet

lukte, omdat je te nauw was, heeft [verdachte] hierna jou gevingerd en heb je hem

afgetrokken en moest jij hem pijpen.

A = Ja dat klopt helemaal.

-verklaring [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris (onder B), voor zover

inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende:

Ik kan me herinneren dat ik bij de politie heb besproken dat ik met [verdachte] boven in bed lag en

dat zijn partner [persoon 2] naar boven kwam. [verdachte] las toen een verhaaltje voor en terwijl hij dat deed betastte hij mijn borsten. Volgens mij heeft [persoon 2] daar wat van gezien, want ik heb

meegekregen dat zij op de gang stond te huilen.

In mijn aangifte heb ik het ook over deze situatie, want het is één keer voorgekomen dat [persoon 2] [verdachte] in bed met mij heeft betrapt. Ik weet niet wat [persoon 2] precies gezien heeft. Toen [persoon 2] naar boven kwam, heeft [verdachte] mij lichamelijk helemaal betast, hij zat aan mijn borsten. Hij zat ook aan mijn vagina. Hij zat in feite aan mijn hele lichaam. Hij is die keer niet met zijn vingers in mij geweest. Wat ik mij van die keer herinner is dat hij met zijn handen over mijn borsten ging, naar mijn buik toe en richting mijn vagina en over mijn vagina heen. Hij is die keer niet in mijn vagina geweest, dat is een andere keer geweest. Mr. Faber houdt mij voor dat [verdachte] bij de politie heeft bekend aan mij te hebben gezeten, aan mijn borsten en aan mijn vagina, maar dat hij ontkent in mijn vagina te zijn geweest. Mijn reactie daarop is dat ik u zeg dat [verdachte] dan liegt. Ik stond erbij op de gang toen [verdachte] en zijn partner [persoon 2] met elkaar een gesprek hadden naar aanleiding van het feit dat zijn partner ons boven in bed had aangetroffen. Wij waren alle drie vrij emotioneel tijdens dat gesprek.

Mr. Faber houdt mij voor dat ze bij de politie heeft verklaard dat ze haar gezicht heeft gewassen.

Hij zei tegen mij dat ik niet mocht zeggen wat er was gebeurd, omdat ik dan een relatie kapot zou maken en dat ik [persoon 2] pijn zijn doen.

Het klopt dat ik in de aangifte erover heb gesproken dat ik [verdachte] heb moeten pijpen toen hij en ik de hond uit lieten. Dat is de waarheid, dat is gebeurd, ik blijf daar ook vandaag bij. [verdachte] en [persoon 2] woonden bij een bosgebied en het is één keer gebeurd toen [verdachte] en ik de hond daar uitlieten dat ik hem heb moeten pijpen. Het was nog wel licht, maar het schemerde. Het was een gebied waar meer mensen hun hond uitlieten, het was ook een stuk waar je echt dichte stukken hebt. Tot drie maal toe heeft [verdachte] geprobeerd met zijn penis in mij te komen. Al die drie keren is het gebeurd op mijn slaapkamer die ik deelde met mijn jongste broertje en waar wij een stapelbed hadden. Ik blijf daar vandaag ook bij. Als [verdachte] bij de politie ontkent dat ik hem gepijpt heb, dan liegt hij. Als hij bij de politie ontkent dat hij heeft geprobeerd mij met zijn penis vaginaal te penetreren, dan liegt hij ook, dat is namelijk wel gebeurd. Het was tijdens één en dezelfde bedscène dat [verdachte] heeft geprobeerd twee à drie keer kort achter elkaar om met zijn penis in mijn vagina te komen. Ik heb geprobeerd mijn benen te kruisen en mijn bovenlichaam om te draaien zodat het hem niet zou lukken. Uiteindelijk is het [verdachte] ook niet gelukt. Het deed mij teveel pijn. Ik heb hem dat ook gezegd, hij is ermee gestopt. Dit alles was op het stapelbed en het onderste bed daarvan, daar sliep ik namelijk. Ik heb dit niet bij de politie gezegd om [verdachte] een hak te zetten, dit is echt gebeurd.

-verklaring verdachte bij de politie, dossier onder A pg.173/174 en 194-200, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende:

V: Wie is jouw schoonzusje?

A: [slachtoffer 3].

V: Hou oud was zij toen?

A: Vanaf een jaar of 5 geloof ik.

V: Een jaar of 5. En hoe oud was jij toen ongeveer?

A: Ze is nu een jaar of 33/34 geloof ik. En ik ben 52.

V: En hoever ging het met [slachtoffer 3]?

A: Naakt, denk ik.

V: Wie was er dan naakt?

A: Alle twee.

V: En wat werd er dan gedaan?

A: Gestreeld.

V: Wie bij wie?

A: En gefriemeld. Gelikt.

V: Gelikt zei je. Door wie werd dit gedaan?

A: Ik.

V: Waar?

A: Haar schaamstreek.

V: Deed [slachtoffer 3] bij jou ook iets?

A: Met de hand.

V: Wat deed ze met de hand?

A: Mij aftrekken.

V: Hoe vaak is dit gebeurd met [slachtoffer 3]?

A: Het is zo een aantal jaren gegaan. Dat weet ik niet meer precies. Het is té vaak

gebeurd. Maar ik sloeg op hol en de kinderen vonden het zelf ook prettig. Dat maakt

het natuurlijk een stuk gemakkelijker. En dan voel je natuurlijk ook niet dat je ze

kwaad doet. Want ze vinden het fijn. Sterker nog, ze vragen er soms zelf om. Als ze

het fijn vinden, reken je de kinderen niks aan. En ik weet dat het zó fout is.

Nooit laten merken. Ik had er zoveel moeite mee. Ik mag het niet laten merken. Ik

mag het niet toegeven, want dan raak ik alles kwijt. Misschien is het heel goed dat

het nu zo gebeurd is. Want dan kan het in ieder geval niet verder gaan.

V: Wanneer is het gestopt met [slachtoffer 3]?

A: Toen ze een jaar of 11 of 12 was. Toen is het gestopt.

A = Bij [slachtoffer 3] heb ik wel wat gedaan

V = Op welke plaatsen gebeurde dat ?

A = Meestal bij haar in bed daar moest ik slapen. In de tijd dat ik nog verkering

had sliep ik wel eens bij hun en toen sliep ik bij [slachtoffer 3] in bed.

V Hoe ging dat dan, lag [slachtoffer 3] al in bed of gingen jullie samen naar bed?

A [slachtoffer 3] lag dan al in bed. Die ging niet 's avonds pas om 23:00 uur naar bed.

v = Je hebt al eerder verklaard, dat jij [slachtoffer 3] hebt gelikt bij haar schaamstreek.

Hoe deed je dat precies ?

A = Gewoon zoals je dat ook bij een volwassen vrouw doet. Gewoon erover heen

likken?

V Waar lik je dan precies overheen.

A Over haar klit.

V Hoe vaak heb je haar bij haar vagina/schaamstreek gelikt ?

A Paar keer ik weet het niet precies.

V Wat vond [slachtoffer 3] er van dat ze gelikt werd bij haar schaamstreek ?

A Heel fijn.

V Hoe weet je dat?

A Omdat ze me aanmoedigde?

V Hoe deed ze dat dan?

A Mijn hoofd vasthouden en er dan tegenaan duwen.

V Waar duwde ze dan tegenaan?

A Tegen haar vagina.

V Wat deed dit likken jou ?

A Dat vond ik fijn. Ik vond dit fijn omdat zij dit fijn vond.

v = Heb je haar nog op andere plaatsen gelikt.

A = Gewoon over haar klit om haar een fijn gevoel te geven. Ik ging met mijn tong

net tot aan haar klit.

v = Je hebt al eerder verklaard dat [slachtoffer 3] jou heeft afgetrokken. Geef eens een

omschrijving, op wat voor manier zij dit bij jou deed?

A Gewoon met haar hand op en neer.

V Ze begint toch niet plotseling. Hoe oud was [slachtoffer 3] toen ze dit deed?

A Jaar of 6.

v = Je woonde nog niet bij [persoon 2] dan?

A = Nee dat klopt ik woonde op mezelf en [persoon 2] woonde nog thuis. Het gebeurde ook

altijd in heb bed van [slachtoffer 3]. Ik bleef af en toe in het weekend slapen.

V Hoe vaak is het voorgekomen dat [slachtoffer 3] jou heeft afgetrokken ?

A 2 of 3 keer of zo.

v Bij hoeveel keren, dat [slachtoffer 3] jou heeft afgetrokken, ben je ook klaargekomen ?

A 1 of 2 keer.

V Wat is er hierna gebeurd met jouw sperma ?

A Dat werd opgevangen in mijn onderbroek.

v = Je zegt dat het alleen bij [slachtoffer 3] in bed is gebeurd.

[slachtoffer 3] heeft ons verteld dat het ook op meerdere plaatsen is gebeurd ook in Helmond.

Wat vond [slachtoffer 3] er van dat ze dit moest doen.

A = Ze vond het leuk. Ik heb het 1 keer aan haar voorgedaan.

Ik merkte dat ze het leuk vond en dat ze het vrijwillig deed.

v = [slachtoffer 3] heeft dus verteld dat het ook op andere plekken is gebeurd?

A = Nee alleen bij haar in bed. Ik kan me voorstellen dat ze andere plekken noemt

want zo goed is onze relatie niet meer de laatste jaren.

v Hoe merkte jij op bij [slachtoffer 3]?

A Ik merkte dat ze het fijn vond maar ik kan dat niet omschrijven.

V = Hoe reageerde [slachtoffer 3] toen je klaarkwam?

A = Ze vroeg wat het was. Ik zei dat het melk was.

Het sperma kwam eerst op mijn buik. Dat heeft [slachtoffer 3] gezien. Ik poetste de sperma

mijn onderbroek af. Ik had mijn onderbroek half aan naar beneden getrokken.

V = Wat voor seksuele handelingen zijn er verder nog voorgevallen tussen jou en

[slachtoffer 3] ?

A Zover ik weet niet.

V [slachtoffer 3] geeft wel aan dat er meerdere dingen zijn gebeurd?

A Ik zou het niet weten wat er verder is geweest.

v = Wij hebben van [slachtoffer 3] gehoord, dat er toch meer seksuele dingen zijn gebeurd

tussen jou en [slachtoffer 3]. Waar zou [slachtoffer 3] op doelen?

Ze doelde op een voorval in het bos bij de hond uitlaten.

A = Ze is wel eens meegegaan met de hond uitlaten.

-verklaring van verdachte ter terechtzitting van 1 mei 2014, voor zover

inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende:

Het begon toen [slachtoffer 3] ongeveer 5 jaar oud was. In de periode van 25 april 1985 tot en met 25 april 1991 bracht ik haar vaak naar bed en sliep ik bij haar. Ik heb haar toen gedurende die jaren over haar hele lichaam gestreeld, ook over haar vagina en borsten. Ook heb ik aan haar vagina gelikt. [slachtoffer 3] heeft mij 2 of 3 keer afgetrokken. Dat aftrekken/strelen gebeurde nadat ik haar had gestreeld in bed.

Het is ook op de camping, in de douche en in bad gebeurd.

Ik heb weleens tegen [slachtoffer 3] gezegd dat wat ik deed niet mocht en dat ik weg zou moeten als anderen dat zouden weten. Ik wilde niet dat het in de openbaarheid zou komen.

Mijn partner [persoon 2] is een keer binnengekomen terwijl [slachtoffer 3] en ik samen in bed lagen. Ik was haar aan het strelen over haar benen, de vagina en de borsten. Ik had mijn gulp open en mijn geslachtsdeel was uit de broek. Ik ben toen uit bed gegaan en heb met [persoon 2] gepraat. [persoon 2] heeft toen gehuild en is naar beneden gegaan.

Het is mogelijk dat ik in bed met mijn blote penis tegen de vagina van [slachtoffer 3] heb gelegen.

[slachtoffer 3] is weleens met mij mee de bossen ingegaan om de hond uit te laten.

-verklaring [persoon 2], dossier onder A, pg. 126-133, voor zover

inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende:

V: Wie bracht [slachtoffer 3] naar bed toe?

A: Ik of [verdachte], mijn ouders in ieder geval niet.

V: Waar bestond dat naar bed brengen uit?

A: Gewoon naar bed brengen en verhaaltjes voorlezen. [slachtoffer 3] kreeg beneden haar pyama

aan. Iedereen kreeg nog een kusje en daarna ging ze naar boven. Er werd dan nog een

verhaaltje voorgelezen en dan ging ze slapen. [slachtoffer 3] vroeg altijd om door [verdachte] naar

bed gebracht te worden.

V = Wat weet U nog van een voorval, dat U [verdachte] en [slachtoffer 3] hebt aangetroffen in bed en

dat U toen woorden hebt gehad met [verdachte]?

A = Nu ik er nog eens over nadenk, weet ik mij vaag weer iets te herinneren. Het

was op een zondagmiddag en we zouden gaan eten. Het was toen thuis bij mijn ouders.

Ik zag toen [verdachte] en [slachtoffer 3] in bed liggen. Ze lagen toen in mijn bed. Ik vond het

raar dat [verdachte] in de middag, nog samen met [slachtoffer 3] in bed lagen. Ik zag ook dat [verdachte]

kennelijk ergens van schrok. In reactie hierop zei ik tegen hem dat ik het niet

normaal vond, dat hij bij een kind in bed lag. Volgens mij waren [verdachte] en ik toen al

getrouwd. [verdachte] zei dat er verder niets gebeurd was en dat hij met [slachtoffer 3] aan het

knuffelen en stoeien was geweest en dat ik mij dus niet druk hoefde te maken.

Hierna ben ik naar beneden gegaan en [verdachte] en [slachtoffer 3] zijn daarna ook naar beneden

gekomen. Ik weet dat niet precies hoe dat gegaan is, of ik eerder dan hen naar

beneden ben gegaan of net andersom.

V: Wanneer was dit?

A: In mijn beleving waren wij toen net getrouwd, nog niet zo heel lang.

A: Ik ben naar de wastafel gegaan en ik heb daar mijn gezicht gewassen.

-verklaring [getuige 1], dossier A pg. 140-145, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende:

V: Mevrouw [getuige 1]. Wat is uw gehuwde naam?

A: [naam]. Al bijna 51 jaar.

V: Hoe heten uw kinderen, beginnende van oud naar jong?

A: [persoon 4], [persoon 2], [getuige 2], [persoon 3] en [slachtoffer 3].

V: Hoe oud waren [persoon 2], [slachtoffer 3] en [persoon 3] toen?

A: [persoon 2] was een jaar of 17/18 oud. Ja en [slachtoffer 3] en [persoon 3] waren nog klein. Kleine

frutjes. Ik denk dat [slachtoffer 3] pakweg een jaar of 4/5 oud was en [persoon 3] dan 4 jaar ouder.

V: kwam het in die periode wel eens voor dat [verdachte], [slachtoffer 3] naar

bed bracht?

A: Ja.

-V: Hoe vaak gebeurde dit, kun je hier iets meer over vertellen?

-A: Bijna elke dag

A: [verdachte] bracht ons [slachtoffer 3] naar bed. Ons [persoon 2] bleef meestal dan wel beneden.