Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:2400

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-05-2014
Datum publicatie
12-05-2014
Zaaknummer
01/855014-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging terbeschikkingstelling met één jaar; beslissing over dwangverpleging aangehouden voor het uitbrengen van een maatregelenrapport. Indexdelict: diefstal met geweld [3x]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/045101-01

Uitspraakdatum: 9 mei 2014

Beslissing verlenging terbeschikkingstelling

Beslissing in de zaak van:

[terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [1964],
verblijvende te [adres].

Het onderzoek van de zaak.

Bij vonnis van de rechtbank van 16 augustus 2001 is betrokkene ter beschikking gesteld. Deze terbeschikkingstelling is voor het laatst, bij beslissing van deze rechtbank van 25 april 2013 met één jaar verlengd.

De vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank van 14 maart 3014 strekt tot verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling voor de duur van één jaar.

Deze vordering is behandeld ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 april 2014.

Hierbij zijn de officier van justitie, de deskundige Smeets en de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman gehoord.

In het dossier bevinden zich onder andere:

  • -

    het advies van mw. E.P.M.T. Brouns, plv.-hoofd van de inrichting ([kliniek]) waar betrokkene verblijft, d.d. 6 februari 2014;

  • -

    de omtrent de terbeschikkinggestelde gehouden wettelijke aantekeningen;

  • -

    een rapport van psycholoog A.J. de Groot, gedateerd 31-01-2014

  • -

    een rapport van psychiater J.C. Zwemstra, gedateerd 26 januari 2014

  • -

    het persoonsdossier van terbeschikkinggestelde.

De beoordeling.

De terbeschikkingstelling is toegepast ter zake van diefstal met geweld (driemaal) en diefstal in vereniging, terwijl de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eiste.

De drie eerste genoemde misdrijven betreffen misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

In voornoemd advies van het hoofd van de inrichting is onder meer het navolgende gesteld: Uit de delictanalyse blijkt dan ook dat de indexdelicten nauw samenhangen met ernstige verslavingsproblematiek en de (antisociale- en borderline) persoonlijkheidsproblematiek van betrokkene. Overige delictfactoren zijn de vastgestelde aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit en de beperkte intellectuele capaciteiten.

Betrokkene blijft dwingend in zijn behoefte om opnieuw benzodiazepinen voorgeschreven te krijgen en in zijn wens om te stoppen met alcoholaversieve medicatie. Betrokkene geeft, samen met zijn overtuiging dat toekomstig alcoholgebruik geen risico meer vormt, hiermee blijk van onvoldoende inzicht in de risico’s die het gebruik van drugs, benzodiazepinen en het stoppen van alcoholaversieve medicatie met zich meebrengt.

Tevens is gebleken dat de antisociale persoonlijkheidsproblematiek als potentiële risicofactor nog actueel is.

Ook is betrokkene beschreven periode regelmatig verbaal grensoverschrijdend geweest jegens zijn werkbegeleiders, een medewerker van het RIBW en leden van het behandelteam.

Betrokkene is vanuit zijn kwetsbare persoonlijkheidsstructuur gebaat bij extern opgelegde structuur en begrenzing. Tegelijkertijd roept dit, vanuit wantrouwen en een aversie tegen autoriteit, weerstand op bij betrokkene.

Wanneer thans het dwingend kader van de terbeschikkingstelling zou wegvallen achten wij de kans op risicovol gedrag naar derden aanwezig.

Zonder dwingend kader bestaat de kans dat betrokkene, als hij stress en spanning ervaart, zich aan de behandeling zal onttrekken en/of zal terugvallen in middelengebruik zoals dit eerder tijdens de opgelegde behandeling is gebeurd.

Professionele begeleiding en ondersteuning binnen een gedwongen kader is naar onze mening nog geïndiceerd.

Betrokkene is inmiddels geplaatst in een reguliere beschermde woonvoorziening waar bij deels zelfstandig en deels in groepsverband kan verblijven. De reclassering is inmiddels verzocht om de mogelijkheden voor proefverlof te onderzoeken. Gelet op bovenstaande adviseren wij u derhalve om de maatregel van de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege te verlengen voor de duur van l jaar

In voornoemde psychologische rapportage van 31 januari 2014 van psycholoog A.J. de Groot is, verkort en zakelijk weergegeven, onder meer het navolgende gesteld:

Er is bij betrokkene sprake van een gebrekkige ontwikkeling (persoonlijkheidsstoornis NAO), als ook ziekelijke stoornissen (ADHD, verslavingsproblematiek, pathologisch gokken en een paniekstoornis, de laatste twee volledig in remissie).

Laag-matig risico op geweld (verblijf binnen een RIBW op basis van transmuraal

verlof/voorwaardelijke beëindiging; Matig-hoog risico op geweld (soortgelijk aan indexdelict) voor de middellange termijn bij beëindiging van het tbs-kader.

Wordt klinisch bezien of het brede risico op geweld kan worden verengd naar het risico op daadwerkelijke delictrecidivering dan is hier nog een verhoogde kans op, mocht betrokkene zonder steun en toezicht, in de vrije maatschappij komen te verblijven. Het te verwachten delictscenario is transparant: Aan zichzelf overgeleverd zal betrokkene snel oplopende

spanningen ervaren, het overzicht verliezen met oplopende impulsiviteit waarbij hij kwetsbaar is om terug te vallen in middelengebruik. In het verlengde hiervan is de kans groot dat hij maatschappelijk af zal glijden met oplopend gevaar om opnieuw impulsief een overval te plegen om aan geld te komen.

In het kader van risicomanagement (alsook welzijn) is het van belang dat betrokkene medicamenteuze ondersteuning houdt. De gebrekkige draagkracht in betrokkenes persoonlijkheid wordt gecompromitteerd door zijn ADHD, waarbij hij te weinig vaardigheden heeft om zichzelf te reguleren. Betrokkene blijft aangewezen op zowel medicamenteuze steun als begeleiding vanuit de omgeving. Nu betrokkene is ingesteld op Dipiperon, wordt geadviseerd om deze te handhaven, al blijft aan de orde dat behandeling met methylfenidaat de voorkeur verdient. De medicamenteuze kanten van de behandeling hadden gedurende de behandeling wellicht meer aandacht mogen hebben. Het betreft zowel de Oxazepamverslaving, als ook de beïnvloedingsmogelijkheden bi] ADHD.

Geadviseerd wordt om de maatregel tbs met de duur van twee jaar te verlengen en het bevel tot verpleging hierbij voorwaardelijk te beëindigen.

In voornoemde psychiatrische rapportage van 26 januari 2014 van psychiater J.C. Zwemstra is, verkort en zakelijk weergegeven, onder meer het navolgende gesteld:

De risico-inschatting voor recidief delictgedrag dat vergelijkbaar is met de delicten waarvoor de tbs destijds werd opgelegd, diefstal met geweld maar zonder fysiek letsel, kan op twee manieren plaatsvinden: op een gestructureerde wijze met behulp van risicotaxatie instrumenten (i.e. gevalideerde vragenlijsten), en op een meer geïndividueerde klinische wijze. Er is overigens geen reden om aan te nemen dat er een duidelijk verhoogd risico is op andersoortig delictgedrag.

Er lijken geen bindingen meer met het criminele verslavingsmilieu, betrokkene is goed ingebed in de huidige woonvoorziening en op zijn werk hij de WSW.

Alleen de impulsiviteit, met name voortkomend vanuit de ADHD, lijkt nog steeds nadrukkelijk aan de orde.

Samenvattend lijkt met uitzondering van de impulsiviteit de ‘motoren’ van het delictgedrag van destijds niet meer of duidelijk minder aan de orde, zodat in een context van woonbegeleiding en ambulant toezicht vanuit de kliniek of vanuit de reclassering risico’s voor terugval in delictgedrag betrekkelijk laag lijken. Deze beide risico inschattingswijzen combinerend lijken de recidive risico’s voor vergelijkbaar delictgedrag in een context van ambulant toezicht/begeleiding en woonbegeleiding laag.

De nu voorliggende vraag is of de verdere begeleiding plaats dient te vinden in het kader van een verlengde tbs met verpleging en dan afbouw via een proefverlof, of dat in essentie exact dezelfde begeleiding en hulpstructuren worden geboden in het kader van een voorwaardelijk beëindigde tbs en dan met toezicht en inkadering vanuit de reclassering. Daarbij zouden voorwaarden dan moeten zijn transparantie met betrekking tot zijn functioneren, onthouding van alcohol- en middelengebruik, houden aan aanwijzingen van de reclassering inclusief aanwijzingen om het psychisch beeld poliklinisch te volgen en behandelen vanuit een forensische polikliniek.

Mede in het licht van de relatief lichte delicten, maar vooral in het licht van de fase van de resocialisatie, denkt ondergetekende dat een dergelijk kader voor deze man in deze fase van de tbs een reële optie kan zijn.

Ondergetekende acht de huidige begeleidingsintensiteit, met woonbegeleiding en werk binnen de WSW, passend en adequaat. Ondergetekende ziet geen dwingende noodzaak dat de begeleiding dient plaats te vinden binnen het kader van tbs met verpleging.

Ondergetekende adviseert uw college daarom de zaak aan te houden en de reclassering te vragen een maatregelrapport op te maken en op basis daarvan te komen tot een

voorwaardelijke beëindiging van de maatregel als de reclassering zegt deze begeleiding over te kunnen nemen binnen de te stellen voorwaarden.

Bij een voorwaardelijke beëindiging wordt geadviseerd de tbs met twee jaar te verlengen, bij een reguliere verlenging met een jaar om daarin te komen tot proefverlof vervolgens voorwaardelijke beëindiging.

De terbeschikkinggestelde heeft verklaard, kort en zakelijk weergegeven:

Het gaat goed waar ik nu zit, maar ik wil toch wel een einde aan de TBS. Ik word nu begeleid door het RIBW, ik heb werk. Ik zit nu dus heel goed. Ik ben wel bang dat als ik zelfstandig zou gaan wonen er mogelijk wel eens iets mis zou kunnen gaan. Ik wil geen dwangverpleging meer, maar wel begeleiding van de RIBW. Als er al eens een keer iets mis zou gaan - en dat kan natuurlijk altijd - dan kunnen we toch met de reclassering gaan praten en niet weer meteen de dwangverpleging in?

Ik heb nu vastigheid, heb een vast contract en dat is geruststellend. Ik wil mijn delict niet bagatelliseren, maar als ik zie dat [persoon] zonder behandeling weer de straat op wordt gezet dan denk ik wel: wat is er aan de hand? Dat is mijn mening en met respect natuurlijk voor de rechtbank.

De deskundige Smeets, optredend namens voormelde inrichting, heeft bij de behandeling ter terechtzitting gepersisteerd bij voornoemd advies. Hij heeft voorts het navolgende verklaard, verkort en zakelijk weergegeven:

Ik ben verbaasd over de door de externe deskundigen voorgestelde voorwaardelijke beëindiging van de verpleging. Er zijn de afgelopen tijd best veel incidenten geweest. Ik vraag me af of betrokkene zich zal houden aan de gestelde voorwaarden. Het lijkt me tot mislukking gedoemd. Er wordt nu door de reclassering onderzoek gedaan naar proefverlof.

Als het mis gaat bij een voorwaardelijke beëindiging dan is betrokkene verder van huis. Als er gedurende een jaar geen incidenten meer zijn geweest dan zou er een mogelijkheid zijn om te komen tot een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging. Er is nog geen proefverlof aangezegd. De verwachting is dat het proefverlof over ongeveer vier maanden zal kunnen ingaan.

De officier van justitie heeft aangevoerd, verkort en zakelijk weergegeven:

Er is nog steeds sprake van een recidiverisisco. Er zijn door de deskundigen verschillende meningen geuit met betrekking tot de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging. Het is steeds met ups en downs gegaan met betrokkene. Het laatste incident dateert van december 2013. De externe deskundigen adviseren beiden - mede gelet op het tijdsverloop - tot een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging. De kliniek zegt dat dit nu nog niet aan de orde is, omdat er teveel incidenten zijn geweest. Wat er ook gebeurt, betrokkene zal meer vrijheid krijgen.

Ik stel de rechtbank voor om de terbeschikkingstelling met dwangverpleging met een jaar te verlengen en na dat jaar de zaak vervolgens aan te houden voor het uitbrengen van een maatregelenrapport door de reclassering in verband met een mogelijk voorwaardelijke beëindiging van de verpleging.

De raadsman van de terbeschikkinggestelde heeft aangevoerd, verkort en zakelijk weergegeven:

Cliënt zal altijd begeleiding nodig hebben. Hij moet toch ook eens in de buurt komen van de voorwaardelijke beëindiging. Cliënt zal altijd wel valkuilen tegenkomen. De incidenten die er zijn geweest, passen wel bij hem. Je moet weten hoe je met hem om moet gaan. Zwemstra geeft zijn advies mede gelet op het indexdelict. De reclassering is nu toch al bezig met het opstellen van een rapport in verband met het proefverlof. Ik verzoek de rechtbank om de terbeschikkingstelling met een jaar te verlengen en voorts de zaak aan te houden in verband met uit uitbrengen van een maatregelenrapport.

Met betrekking tot de verlenging van de terbeschikkingstelling

De rechtbank verenigt zich met betrekking tot de verlenging van de terbeschikkingstelling met het advies van de psychiater Zwemstra, de psycholoog De Groot, met uitzondering voor wat betreft de duur van de verlenging, en voornoemde inrichting, met de daarop ter terechtzitting gegeven toelichting door de deskundige Smeets.

Met betrekking tot de verlenging van het bevel verpleging

Uit het vorenstaande en uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat de permanente beschikbaarheid van de kliniek op de achtergrond niet meer noodzakelijk is. [terbeschikkinggestelde] verblijft al sinds augustus 2013 in het kader van RIBW buiten de kliniek en er zijn geen aanwijzingen dat hij in recidivegedrag zal terugvallen.

In de praktijk is er geen verschil tussen een situatie van proefverlof - waarbij de kliniek zich nog actief met [terbeschikkinggestelde] kan bezighouden - en een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging, waarbij de regie bij de reclassering ligt.

Daarom overweegt de rechtbank, onder verlenging van de terbeschikkingstelling voor de tijd van één jaar, de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging.

Voor de vorming van haar eindoordeel acht de rechtbank het noodzakelijk zich nader te doen voorlichten door de Reclassering Nederland omtrent de wijze waarop en de voorwaarden waaronder dit zou kunnen geschieden, waarvoor de rechtbank haar beslissing voor ten hoogste drie maanden zal aanhouden.

De reclassering dient omtrent het vorenstaande nader te rapporteren. Bedoelde rapportage dient binnen drie maanden na de uitspraakdatum te worden uitgebracht, waarna de zaak zo spoedig mogelijk weer ter terechtzitting moet worden aangebracht door de officier van justitie.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, zal de rechtbank op grond van artikel 509t lid 5 van het Wetboek van Strafvordering de beslissing op een mogelijke voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege voor onbepaalde tijd, maar maximaal drie maanden, aanhouden in afwachting van het rapport van Reclassering Nederland. Daarnaast is de rechtbank, gelet op artikel 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist, zodat de terbeschikkingstelling zal worden verlengd met één jaar.

DE BESLISSING

De rechtbank:

- verlengt de termijn gedurende welke [terbeschikkinggestelde] ter beschikking is gesteld met één jaar;

- houdt de beslissing omtrent de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege aan en schorst daartoe het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd, tot ten hoogste drie maanden, teneinde de reclassering een rapport te laten opmaken omtrent de vraag of, en zo ja, de wijze waarop en de voorwaarden waaronder, de verpleging van overheidswege van de terbeschikkinggestelde kan worden beëindigd;

- beveelt de oproeping van de terbeschikkinggestelde, de deskundige Smeets en de rapporteur van de reclassering tegen het tijdstip van de nadere terechtzitting, met kennisgeving van dat tijdstip aan de raadsman van de terbeschikkinggestelde, F.J. Koningsveld, advocaat te Breda.

- stelt de stukken met dat doel in handen van de officier van justitie.

Deze beslissing is gegeven door

mr. H.M. Hettinga, voorzitter,

mr. W.A.F. Damen en mr. C.C. Kuijs, leden,

in tegenwoordigheid van J.C. de Steur, griffier,

en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 mei 2014.

Mr. Kuijs is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.