Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:2348

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-04-2014
Datum publicatie
02-05-2014
Zaaknummer
SHE 14/1389
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd was de woning voor drie maanden en de bedrijfsruimte voor 12 maanden te sluiten omdat zowel in de woning als in de bedrijfsruimte handelshoeveelheden harddrugs zijn aangetroffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 14/1389

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 april 2014 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. P.E. van Zon),

en

de burgemeester van de gemeente Oss, verweerder

(gemachtigde: mr. P.W.B. Verhoeven).

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet en met inachtneming van het “Beleid inzake bestuurlijke handhaving van artikel 13b van de Opiumwet, Basisteam Maasland, gemeente Oss” (het handhavingsbeleid) besloten verzoekers woning ([adres 1]) en bedrijfspand ([adres 2]) op 1 mei 2014 voor respectievelijk drie en twaalf maanden te sluiten.

Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij verweerder en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen tijdens die bezwaarprocedure.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. M.A.W. Nillesen, kantoorgenoot van verzoekers gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet.

2.

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten.

2.1. In een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel is vermeld dat verzoeker eigenaar is van de eenmanszaak met als handelsnamen [handelsnaam 1] en [handelsnaam 2]. De eenmanszaak is gevestigd in het bedrijfspand aan de [adres 2] (hierna: het bedrijfspand). Verzoeker woont op het adres [adres 1] (hierna: de woning). Het bedrijfspand en de woning bevinden zich onder één dak en kunnen door een inpandige, af te sluiten, deur over en weer worden betreden. Het bedrijfspand en de woning hebben aan de buitenkant beide een eigen toegangsdeur.

2.2. Op 5 december 2013 heeft de politie van Oss vier processen-verbaal van de Criminele

Inlichtingen Eenheid ontvangen. In één van die processen-verbaal staat vermeld: “[persoon 1] handelt volop in speed, cocaïne en pillen. [persoon 1] heeft ook altijd een voorraad van deze drugs in huis”.

2.3.

Naar aanleiding van deze processen-verbaal heeft de politie van Oss op vrijdag

6

december 2013 om 9.00 uur een onderzoek ingesteld in de woning en in het bedrijfspand. Van dit onderzoek heeft een medewerker van de politie naar waarheid een bestuurlijke rapportage opgemaakt en deze op 24 februari 2014 in Oss ondertekend.

In deze bestuurlijke rapportage staat het volgende vermeld:

“(…)

Tijdens het onderzoek werd er in de woning aan de [adres 1] het navolgende aangetroffen:

Stof aangetroffen hoeveelheid

GHB ca 1500 ML

GHB ca 150 ML

GHB ca 150 ML

GHB ca 120 ML

Cocaïne ca 5.4 GR

Amfetamine ca 3.8 GR

Amfetamine ca 14.1 GR

Cocaïne ca 14.06 GR

MDMA ca 6.51 GR

Tevens werd er een grote hoeveelheid gootsteenontstopper aangetroffen hetgeen een bestanddeel is van GHB en duidt op het vervaardigen van GHB.

Tijdens het onderzoek werd er in het bedrijfspand aan de [adres 1] het navolgende aangetroffen:

Stof aangetroffen hoeveelheid

GHB ca 1400 ML

GHB ca 150 ML

(…)

Gelet op de hoeveelheid aangetroffen verdovende middelen wordt er vermoedelijk vanuit de betreffende woning en/of bedrijfspand gedeald.

(…)

Gelet op de aangetroffen situatie kan worden geconcludeerd dat de woning en het bedrijfspand gelegen aan de [adres 1] wordt gebruikt voor/als:

  • -

    Vervaardigen van harddrugs, te weten GHB

  • -

    Opslag van harddrugs

  • -

    Verhandelen van harddrugs

(…)

Vanuit zowel maatschappelijk oogpunt als vanwege de gevaren voor de volksgezondheid dient hiertegen te worden opgetreden,

(…)

Om een einde te maken aan de gevaarlijke en ongewenste situatie in en rondom de woning gelegen aan de [adres 1], dient deze zo spoedig mogelijk gesloten te worden.

(…)"

Bij het bestreden besluit heeft verweerder besloten verzoekers woning voor een periode

van drie maanden en zijn bedrijfspand voor een periode van twaalf maanden te sluiten omdat er handelshoeveelheden harddrugs zijn gevonden.

3.

Volgens artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.

Verzoeker vindt dat hij een spoedeisend belang heeft omdat verweerder zijn woning en bedrijfspand op 1 mei 2014 om 11.30 uur wil gaan sluiten en hij er dan niet meer in kan. De voorzieningenrechter vindt dit een voldoende spoedeisend belang om het verzoek van verzoeker verder inhoudelijk te beoordelen.

5.

Verzoeker voert aan dat verweerder eerst de uitkomst van de strafrechtelijke procedure moet afwachten voordat hij een beslissing neemt over het sluiten van verzoekers woning en bedrijfspand.

6.

De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt of daartoe aanwezig is. Dit is geen strafrechtelijke, maar een bestuursrechtelijke bevoegdheid. Verweerder is niet afhankelijk van een strafrechtelijke veroordeling. Hij moet een eigen afweging maken of hij aanleiding ziet om gebruik te maken van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verweerder is daarbij niet gebonden aan strafrechtelijke bewijsregels. Verweerder mag in de bestuursrechtelijke procedure in beginsel uitgaan van de feiten die staan vermeld in de bestuurlijke rapportage die is opgemaakt naar aanleiding van het politieonderzoek ter plaatse. De stelling van verzoeker dat verweerder eerst de uitkomst van de strafrechtelijke procedure had moeten afwachten, faalt.

7.

De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn stelling dat volgens de bestuurlijke rapportage geen verdovende middelen in het bedrijfspand aan de [adres 2] zijn aangetroffen. Verzoeker heeft ter zitting erkend dat de politie het pand op 6 december 2013 is binnengetreden via de ingang van de woning en via de deur tussen de woning en het bedrijfspand ook naar het bedrijfspand is gegaan. De politie heeft ook het bedrijfspand doorzocht. In de bestuurlijke rapportage is onderscheid gemaakt tussen wat in de woning is aangetroffen en wat in het bedrijfspand is aangetroffen. Daarbij is vermeld dat tijdens het onderzoek in het bedrijfspand circa 1400 ml. en circa 150 ml. GHB is aangetroffen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder aannemelijk mogen achten dat er ook verdovende middelen in het bedrijfspand zijn aangetroffen. Dat als adres van het bedrijfspand [adres 1] is vermeld, ziet de voorzieningenrechter vooralsnog als een kennelijke vergissing.

8.

Naar aanleiding van de stelling van verzoeker dat in het bedrijfspand geen verdovende middelen zijn aangetroffen, wijst de voorzieningenrechter erop dat volgens de bestuurlijke rapportage in totaal zes vloeistoffen en vijf droge stoffen zijn aangetroffen, waarvan twee vloeistoffen in het bedrijfspand. Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft (monsters van) deze vloeistoffen en andere stoffen onderzocht. Uit het ter zitting overgelegde “rapport Identificatie van drugs en precursoren” van het NFI van 17 maart 2014 blijkt dat vijf van de zes vloeistofmonsters GHB bevatten, dat twee andere monsters cocaïne bevatten en één monster hasjiesj. Verzoeker heeft dit rapport niet betwist. Uit de bestuurlijke rapportage, in samenhang met het rapport van het NFI, kan naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter worden geconcludeerd dat ook GHB in het bedrijfspand is aangetroffen. GHB en cocaïne zijn harddrugs die zijn vermeld in lijst 1 bij de Opiumwet. Dat betekent naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter dat er niet alleen harddrugs zijn aangetroffen in de woning, maar ook in het bedrijfspand.

9.

Verzoeker heeft gesteld dat hij geen “dealer” is en dat hij niet heeft gehandeld in verdovende middelen. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat, zo er al sprake was van handel in verdovende middelen, in elk geval niet werd gehandeld vanuit het bedrijfspand. Hij wijst er in dit kader op dat in de processen verbaal van de Criminele Inlichtingen Eenheid slechts wordt gesproken over een drugsvoorraad in huis.

10.

De voorzieningenrechter overweegt dat uit vaste jurisprudentie blijkt dat voor het ontstaan van de bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen niet vereist is dat daadwerkelijk verdovende middelen zijn verhandeld vanuit de woning of het bedrijfspand. Uit het woord ‘daartoe’ in artikel 13b, eerste lid van de Opiumwet volgt dat de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs, bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking de bevoegdheid verschaft tot sluiting van een lokaal (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 21 maart 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV9512). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder, op grond van de inhoud van de bestuurlijke rapportage, in redelijkheid kunnen aannemen dat sprake was van handelshoeveelheden harddrugs in de woning en het bedrijfspand. De inhoud van de rapportage van het NFI leidt niet tot een ander oordeel. Mede gelet op de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie, wordt onder een handelsvoorraad harddrugs (waaronder cocaïne) verstaan: meer dan 0,5 gram. Onder een handelsvoorraad GHB wordt verstaan: meer dan 5 ml. Gelet op het voorgaande heeft verweerder mogen aannemen dat sprake was van handel in verdovende middelen vanuit de woning èn vanuit het bedrijfspand. Verweerder was daarom bevoegd om met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet de sluiting van verzoekers woning en bedrijfspand te bevelen.

11.

De vraag die nu moet worden beantwoord is of verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot sluiting gebruik heeft kunnen maken. In bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 26 juli 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AY5066 ) is bepaald dat in het licht van de vergaande bevoegdheden die in artikel 13b van de Opiumwet aan verweerder zijn toegekend, de rechter sluitingsbevelen die zijn genomen op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet op terughoudende wijze dient te toetsen. Ook bij de vaststelling van de sluitingstermijn beschikt verweerder over beslissingsruimte. Verweerder hanteert het eerder genoemde handhavingsbeleid bij de invulling van zijn beslissingsruimte. In dit beleid is bepaald dat als in woningen of op de daarbij behorende erven drugshandel plaatsvindt van een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs), met een handelsvoorraad van meer dan 0,5 gram bij een eerste constatering een sluiting van drie maanden volgt. Voor lokalen, zijnde niet gedoogde verkooppunten van drugs, is in het handhavingsbeleid bepaald dat bij handel in harddrugs bij een eerste constatering een sluiting van minimaal twaalf maanden volgt. Verweerder is op grond van artikel 4:83 van de Awb verplicht om overeenkomstig dit beleid te handelen, tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

12.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in overeenstemming heeft gehandeld met het handhavingsbeleid door de woning voor drie maanden te sluiten en de bedrijfsruimte voor twaalf maanden. Hierbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat de sluiting van de bedrijfsruimte, anders dan verzoeker stelt, niet voortvloeit uit de sluiting van de woning. Het gaat om een zelfstandige sluiting die is gebaseerd op de in de bedrijfsruimte aangetroffen handelshoeveelheid harddrugs.

13.

Verzoeker heeft aangevoerd dat de sluiting van de bedrijfsruimte voor 12 maanden niet redelijk is omdat de onderneming ook wordt gedreven door zijn broer en vader en zij hierdoor ten onrechte financieel worden benadeeld. Verzoeker heeft het gestelde nadeel dat zijn broer en zijn vader zouden lijden echter niet geconcretiseerd. Alleen daarom al merkt de voorzieningenrechter dit niet aan als een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 4:83 van de Awb.

14.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat het bezwaar van verzoeker tegen de tijdelijke sluiting van de woning en van de bedrijfsruimte geen redelijke kans van slagen heeft.

15.

Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Hutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.