Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:2339

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
06-05-2014
Datum publicatie
12-05-2014
Zaaknummer
AWB-13_5775
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag na beëindiging bijstand vanwege gezamenlijke huishouding: geen bijzondere omstandigheden.

Betrokkene heeft aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden gelet op de situatie waardoor eiser zijn woning heeft verlaten en dat daarom niet moet worden vastgehouden aan het besluit van 23 november 2012, waarbij is geoordeeld dat hij een gezamenlijke huishouding voert.

Deze grond slaagt niet. Met het besluit van 23 november 2012 is in rechte vast komen staan dat eiser met (..) een gezamenlijke huishouding voerde. Hetgeen eiser tegen dit besluit heeft aangevoerd kan hem daarom niet baten. Ten overvloede wijst de rechtbank er op dat de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie volgens vaste jurisprudentie (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3931) niet van belang zijn.

Zoals de voorzieningenrechter reeds heeft overwogen bestaat voorts niet de mogelijkheid met toepassing van artikel 16 van de WWB toch bijstand te verlenen. De bijstand is immers geweigerd omdat eiser een gezamenlijke huishouding voert met een ander en niet omdat hij niet tot de kring der rechthebbenden behoort als omschreven in paragraaf 2.2 van de WWB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/5775

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

gemachtigde: mr. H. Zahi,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag van 20 maart 2013 om in aanmerking te komen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en tevens de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 18 juli 2013 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen (SHE 13/3132).

Bij besluit van 23 oktober 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is – zoals tevoren schriftelijk aangekondigd – niet verschenen.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. 1.1 Eiser woonde tot 6 juli 2012 aan [adres 1]. Met ingang van die datum verblijft eiser bij een vriend, de heer [persoon 1] op het adres [adres 2]. Als reden voor het vertrek uit zijn eigen woning heeft eiser gegeven dat een noodsituatie is ontstaan. Hij is homoseksueel en is door het gedrag van zijn buren in een noodsituatie komen te verkeren.

1.2

Bij besluit van 23 november 2012 heeft verweerder zich op grond van de verklaringen van eiser op het standpunt gesteld dat eiser een gezamenlijke huishouding voert met deze vriend. Er is sprake van gezamenlijk hoofdverblijf en van zorg dragen voor elkaar. In de door eiser opgegeven reden heeft verweerder echter aanleiding gezien eiser over de periode van 6 juli 2012 tot 23 februari 2013 een bijstandsuitkering naar de norm alleenstaande toe te kennen, zodat eiser drie maanden de tijd zou hebben om zijn verblijfadres te wijzigen. Daarbij is aangegeven dat bij ongewijzigde omstandigheden het recht op bijstand per 23 februari 2013 eindigt. Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddel aangewend.

1.3

Omdat eiser zijn verblijfadres niet voor 23 februari 2013 heeft gewijzigd, is zijn recht op bijstand naar de norm van een alleenstaande met ingang van diezelfde datum geëindigd. Hierover is geen afzonderlijk beëindigingsbesluit genomen.

1.4

Op 15 maart 2013 heeft eiser een aanvraag ingediend om met ingang van 14 maart 2013 in aanmerking te komen voor een WWB-uitkering. Op dit formulier heeft eiser aangegeven dat hij tijdelijk verblijft op [adres 2].

2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht afgewezen.

3.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag met een gewijzigde motivering afgewezen. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser een gezamenlijke huishouding voert. Hij is eerder samen met de heer [persoon 1] voor de bijstand als gehuwd aangemerkt. Nu eiser heeft aangegeven dat er geen wijziging heeft plaatsgevonden in zijn woon- en leefsituatie sinds 6 juli 2012, is sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden dat zij een gezamenlijke huishouding voeren.

4.

Eiser heeft in beroep verwezen naar de gronden in bezwaar. Hij heeft voorts betwist dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Daarbij heeft eiser verwezen naar de huurovereenkomst van 15 januari 2014.

5.

Ingevolge vaste jurisprudentie behelst de beoordelingsperiode bij een bijstandsaanvraag, de periode vanaf de datum waarover bijstand wordt gevraagd tot en met de datum van het primaire besluit.

6.

Nu eiser geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het besluit van 23 november 2012, is in rechte komen vast te staan dat eiser met ingang van 6 juli 2012 een gezamenlijke huishouding voert met [persoon 1] aan [adres 2]. Eiser heeft sinds 6 juli 2012 zijn verblijfplaats niet gewijzigd. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij samen met [persoon 1] hoofdverblijf heeft in de woning aan [adres 2].

7.

Gelet hierop is geen sprake van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat eiser, anders dan per de beëindigingsdatum van 23 februari 2013, ten tijde van de aanvraag van
15 maart 2013 wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand voor een alleenstaande. Nu sprake is van gezamenlijk hoofdverblijf met [persoon 1] en eiser en [persoon 1] eerder voor de bijstand als gehuwden zijn aangemerkt, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden dat sprake is van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, vierde lid, onder a, van de WWB.

8.

Eiser heeft aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden gelet op de situatie waardoor eiser zijn woning aan [adres 1] heeft verlaten en dat daarom niet moet worden vastgehouden aan het besluit van 23 november 2012.

Deze grond slaagt niet. Met het besluit van 23 november 2012 is in rechte vast komen staan dat eiser met [persoon 1] een gezamenlijke huishouding voerde. Hetgeen eiser tegen dit besluit heeft aangevoerd kan hem daarom niet baten. Ten overvloede wijst de rechtbank er op dat de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie volgens vaste jurisprudentie (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3931) niet van belang zijn.

9.

Zoals de voorzieningenrechter reeds heeft overwogen bestaat voorts niet de mogelijkheid met toepassing van artikel 16 van de WWB toch bijstand te verlenen. De bijstand is immers geweigerd omdat eiser een gezamenlijke huishouding voert met een ander en niet omdat hij niet tot de kring der rechthebbenden behoort als omschreven in paragraaf 2.2 van de WWB.

10.

Het feit dat eiser een huurcontract heeft overgelegd van 15 januari 2014 (ondertekend op 9 februari 2014) en dat hij bij besluit van 5 maart 2014 met ingang van 16 december 2013 in aanmerking is gebracht voor een WWB-uitkering naar de norm alleenstaande – terwijl eiser nog steeds op hetzelfde adres aan [adres 2] verblijft – maakt dit niet anders. Deze feiten hebben immers geen betrekking op de periode die thans in geding is.

11.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.M. Dohmen, rechter, in aanwezigheid van

J.H. van Wordragen-van Kampen griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.