Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:2309

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
01-05-2014
Datum publicatie
01-05-2014
Zaaknummer
01/845426-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden waarvan een deel, groot 6 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met bijzondere voorwaarden.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de primair ten laste gelegde poging tot doodslag heeft begaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845426-13

Datum uitspraak: 01 mei 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1987],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 september 2013, 4 december 2013 en 17 april 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 augustus 2013.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 04 juni 2013 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met kracht) de keel/nek van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en/of (vervolgens) de keel/nek van die [slachtoffer 1] (met kracht) heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 04 juni 2013 te Eindhoven opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), de keel/nek vastgepakt en/of vervolgens de keel/nek van die [slachtoffer 1] (met kracht) heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Bron.

Een dossier van de regiopolitie Oost-Brabant, afhandeleenheid Eindhoven, registratienummer PL2204 2013075765, afgesloten d.d. 6 juni 2013, aantal doorgenummerde bladzijden: 30. Dit dossier bevat een verzameling opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventuele) andere bescheiden.

Inleiding.

Verdachte wordt verweten dat hij [slachtoffer 1] met kracht bij de keel heeft vastgepakt, zijn keel heeft dichtgeknepen en ook dichtgeknepen heeft gehouden. Verdachte zou door zijn handelen opzettelijk getracht hebben genoemde [slachtoffer 1] van het leven te beroven dan wel (zwaar) lichamelijk letsel toe te brengen.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit, poging tot doodslag, wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte heeft door aangever bij de keel te pakken en deze met kracht dicht te knijpen en te houden gedurende minimaal 20 seconden bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever het niet zou overleven. Dat verdachte na deze tijd wellicht nog langer de keel heeft dichtgeknepen mogelijk als gevolg van een epileptisch insult doet aan voornoemde conclusie niets af.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat volgens [neuroloog] de hypothese dat verdachte de keel van [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen en gehouden onder invloed van een epileptisch insult waarschijnlijker is dan de hypothese dat zijn handelen andere oorzaken heeft gehad. Aangezien verdachte tijdens een epileptisch insult geen controle heeft over zijn handelen is sprake van overmacht. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet bewezen kan worden, aangezien onduidelijk is hoe lang verdachte de keel van [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen. De verdediging acht de primair ten laste gelegd poging tot zware mishandeling wel bewezen.

Het oordeel van de rechtbank.

Aangever [slachtoffer 1] verklaart dat verdachte hem op 4 juni 2013 krachtig met beide handen bij zijn keel pakte en zijn keel krachtig met beide handen dichtkneep. [slachtoffer 1] voelde dat verdachte zijn keel zo hard dichtkneep dat hij niets meer kon zeggen, geen lucht meer kreeg en hevige pijn had. Nadat [slachtoffer 1] achterover op de bank viel, voelde hij dat verdachte hem niet los liet en door bleef gaan met het dichtknijpen van zijn keel. [slachtoffer 1] verklaart dat hij zich probeerde los te trekken, maar dat dat niet lukte. Hij snakte naar adem en kreeg het gevoel dat hij onwel werd door het zuurstofgebrek. Op een bepaald moment sprong[getuige ] bij verdachte op zijn rug om hem, [slachtoffer 1], te helpen, maar dit hielp ook niet en verdachte bleef zijn keel met kracht dichtknijpen. [slachtoffer 1] verklaart dat hij denkt dat hij heel even het bewustzijn heeft verloren. (politiedossier blz. 4).

[getuige ] verklaart dat zij op 4 juni 2013 zag dat verdachte [slachtoffer 1] aanvloog, hem met beide handen bij de keel vastgreep en hem begon te wurgen. Ze zag dat ze beiden op de bank vielen en dat verdachte bovenop [slachtoffer 1] zat. Getuige zag dat [slachtoffer 1] wit weg begon te trekken en dat hij een piepend geluid maakte. Zij heeft toen direct verdachte van [slachtoffer 1] proberen af te trekken, maar dat lukte niet omdat hij te sterk was. Nadat zij verdachte in zijn rechterarm beet, liet hij [slachtoffer 1] los en stond hij op (politiedossier, blz. 9-10).

Verdachte verklaart bij de politie dat hij op 4 juni 2013 aangever [slachtoffer 1] bij zijn nek heeft gepakt en hij, terwijl hij [slachtoffer 1] in zijn nek kneep, zag dat [slachtoffer 1] grotere ogen kreeg en dat hij bang was. Verdachte zag dat het gezicht van aangever wit was en iets witter werd. Verdachte denkt dat hij [slachtoffer 1] ongeveer twee en een halve minuut stevig bij zijn nek heeft vastgehouden en hem daarna steeds losser liet. Verdachte is gestopt nadat hij[getuige ] ‘Stop!’ hoorde roepen. Hij hoorde [slachtoffer 1] daarna zeggen dat hij, verdachte, weg moest gaan, omdat [slachtoffer 1] anders de politie zou bellen. (politiedossier blz. 27).

Verbalisanten zien kort na dit incident bij aangever [slachtoffer 1] vuurrode strepen op zijn hals. Dit betroffen verse bloeduitstortingen (politiedossier blz. 11).

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat verdachte aangever bij de keel heeft vastgepakt en enige tijd met kracht heeft dichtgeknepen (gehouden), met ademnood bij [slachtoffer 1] als gevolg. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is om aan te nemen dat aangever het bewustzijn heeft verloren. De enkele verklaring van aangever is hiervoor onvoldoende.

De rechtbank stelt vast dat op basis van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld hoe lang verdachte de keel van [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen. Gelet op het geconstateerde letsel bij aangever, het volgens verdachte en [getuige ] onder meer bleker worden van het gezicht van aangever tijdens het dichtknijpen van de keel en de handelingen die [getuige ] heeft verricht tussen het moment dat verdachte [slachtoffer 1] vastpakte en weer losliet, gaat de rechtbank er vanuit dat het dichtknijpen van de keel enige tijd heeft geduurd. Het is echter onduidelijk of het dan gaat om enkele minuten of om tientallen seconden. Gelet op het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat in de gegeven omstandigheden niet zonder meer gesteld kan worden dat er een aanmerkelijke kans bestond dat verdachtes handelen [slachtoffer 1] fataal zou worden. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de ten laste gelegde poging tot doodslag. Dat ligt echter anders ter zake van de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Naar algemene ervaringsregels is te verwachten dat iemand als gevolg van het met kracht vastgrijpen van de keel en het strottenhoofd en het enige tijd dichtgeknepen houden hiervan zwaar lichamelijke letsel kan worden toegebracht.

Uit het handelen van verdachte leidt de rechtbank ook af dat verdachte deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank in dit verband dat zij van oordeel is dat bij verdachte in ieder geval geen sprake was van een epileptisch insult tijdens het vastgrijpen en enige tijd dichtknijpen van de keel van [slachtoffer 1] gelet op verdachtes eigen verklaring. Verdachte kan zich het vastgrijpen van de keel van [slachtoffer 1] en het gedurende enige tijd dichtknijpen van de keel namelijk nog herinneren en hij herinnert zich ook dat [slachtoffer 1] wit werd terwijl hij diens keel dichtkneep en dat diens ogen groter werden. Gedurende deze periode was derhalve bij verdachte geen sprake van een gedaald bewustzijn, hetgeen hij doorgaans wel ondervindt bij een epileptische insult, zodat de rechtbank ervan uit gaat dat gedurende deze periode geen sprake was van een epileptische insult. De rechtbank is van oordeel dat - zelfs als vast zou komen te staan dat na deze waarnemingen van verdachte bij aangever sprake is geweest van een kort epileptisch insult tijdens het dichtgeknepen houden van de keel - dit een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet in de weg staat. Immers op het moment dat dergelijke waarnemingen door verdachte werden gedaan was naar het oordeel van de rechtbank reeds sprake van een poging tot zware mishandeling.

Hieruit volgt dat verdachte met (voorwaardelijk) opzet heeft getracht om aangever [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank acht de poging tot zware mishandeling dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Het verweer van de verdediging dat verdachte geen controle had over zijn handelen en hem derhalve een beroep op overmacht toekomt, behoeft naar het oordeel van de rechtbank gelet op het voorgaande geen bespreking meer.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 04 juni 2013 te Eindhoven, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met kracht de keel/nek van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en vervolgens de keel/nek van die [slachtoffer 1] met kracht heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit (poging tot doodslag) gevorderd:

- een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in de rapportage van 26 augustus 2013, waaronder een contactverbod met [slachtoffer 1].

De officier van justitie heeft daarbij verzocht de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

In het geval van een veroordeling tot een gevangenisstraf wordt verzocht om een fors deel voorwaardelijk op te leggen met een reclasseringstoezicht. Gelet op de persoon van verdachte vindt de raadsvrouw het niet passend om een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan het voorarrest. Verdachte heeft zijn leven weer opgepakt bij Lunetzorg en het gaat goed. Een proeftijd voor de duur van drie jaar is daarom niet nodig. Dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden is volgens de raadsvrouwe ook niet noodzakelijk, omdat het toezicht dat is gekoppeld aan het geschorste bevel voorlopige hechtenis nog doorloopt totdat de uitspraak onherroepelijk is geworden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Hij heeft de keel van [slachtoffer 1] vastgepakt, dichtgeknepen en enige tijd dichtgeknepen gehouden, waardoor [slachtoffer 1] in ademnood kwam. Dit terwijl verdachte bij [slachtoffer 1] thuis op bezoek was. Verdachte heeft daarmee een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en zijn lichamelijke integriteit aangetast. Dit geweld moet een grote indruk op hem hebben gemaakt. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan.

De poging tot zware mishandeling onder de gegeven omstandigheden is een ernstig feit dat in beginsel een gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigt. De rechtbank is echter van oordeel dat de hierna te noemen bijzondere omstandigheden aanleiding vormen om van dit uitgangspunt af te wijken.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat verdachte het door hem gepleegde strafbare feit direct heeft toegegeven en ook verder zijn volledige medewerking aan dat onderzoek heeft verleend. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat verdachte nooit eerder met politie en/of justitie in aanraking is geweest. Voorts concluderen gedragsdeskundigen drs. [psycholoog](GZ-psycholoog) en [psychiater] (psychiater) in hun rapportages d.d.

13 augustus 2013 respectievelijk 24 juli 2013 dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. De rechtbank neemt in dit verband de conclusie van genoemde deskundigen (verminderd toerekeningsvatbaar) over en maakt die tot de hare. De rechtbank leidt tot slot uit genoemde rapportages van de gedragsdeskundigen en het rapport van de reclassering d.d. 26 augustus 2013 de noodzaak af voor het langdurig handhaven van de huidige behandelstructuur (Lunetzorg) en een ambulante behandeling van de cannabisverslaving om het recidiverisico te beperken.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen enkele meerwaarde in een gevangenisstraf die het reeds ondergane voorarrest overstijgt. De rechtbank acht het wenselijk dat verdachte zijn plaats bij Lunetzorg behoudt en de ambulante behandeling bij de verslavingszorg Novadic-Kentron direct voortzet.

Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf overeenkomstig de duur van het reeds ondergane voorarrest. Daarbij acht

de rechtbank een voorwaardelijk strafgedeelte op zijn plaats, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

De rechtbank zal bevelen dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank verdachte vrijspreekt van de ten laste gelegde poging tot doodslag en van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 27, 45, 302.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen dat verdachte de onder primair ten laste gelegde poging tot doodslag heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart de onder primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

poging tot zware mishandeling.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:

Gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27

van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering;

- zich laat behandelen voor zijn softdrugsverslaving bij Novadic-Kentron, een verslavingsinstelling of soortgelijke ambulante forensische zorg, afhankelijk van de uitkomsten van IFZO. Veroordeelde dient zich te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich uiterlijk op 3 mei 2014 zal melden bij Reclassering Nederland, Eekbrouwersweg 6 te 's-Hertogenbosch en zich daarna gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden zo lang en zo frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht,

waarbij de Reclassering Nederland, Regio's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt de dadelijke uitvoerbaarheid van de gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met

ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 16 september 2013 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.A. Buijs, voorzitter,

mr. J.H.P.G. Wielders en mr. C.J. Sangers- de Jong, leden,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Meurs, griffier,

en is uitgesproken op 1 mei 2014.