Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:2308

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
273241
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Korte samenvatting: Incident art. 843a Rv. Mogelijkheid indienen vordering tegen een derde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RBP 2014/76

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/273241 / HA ZA 14-44

Vonnis in incident van 23 april 2014

in de zaak van

1 [eiseres 1],

wonende te Amsterdam,

2. de vennootschap naar buitenlands recht

[eiser 2] ,

gevestigd te Luxemburg,

eiseressen in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

advocaat mr. G.T.J. Hoff te Haarlem,

tegen

1 [gedaagde 1],

wonende te Vught,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. L.P. Schuttelaar te 's‑Hertogenbosch,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2] ,

gevestigd te Vught,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. L.P. Schuttelaar te 's‑Hertogenbosch,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 3] ,

gevestigd te Vught,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. L.P. Schuttelaar te 's‑Hertogenbosch,

4. [gedaagde 4],

wonende te Vught,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. A.J. Verdaas te Utrecht,

5. [gedaagde 5],

wonende te Vught,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. A.J. Verdaas te Utrecht,

6. [gedaagde 6],

wonende te Vught,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. A.J. Verdaas te Utrecht,

7. [gedaagde 7],

wonende te Vught,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. A.J. Verdaas te Utrecht,

8. de naamloze vennootschap

[gedaagde 8] ,

gevestigd te Waalwijk,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. R. van den Berg Jeths te Eindhoven.

Partijen zullen hierna [eisende partij] (individueel [eiseres 1] en [eiser 2]) en [gedaagden]genoemd worden. Gedaagde 1 in de hoofdzaak zal [gedaagde 1] worden genoemd, gedaagden 4 tot en met 7 de kinderen [familienaam] en gedaagde 8 [gedaagde 8].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding tevens houdende incidentele conclusie ex art. 843a Rv

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident ex art. 843a Rv van [gedaagde 8]

  • -

    de akte in het incident van [eisende partij]

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident ex art. 843a Rv van [gedaagde 1].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 Het geschil in de hoofdzaak

2.1.

In het incident gaat de rechtbank uit van de volgende voorlopige feiten. Deze feiten zijn alleen gebaseerd op de dagvaarding en moeten later in de hoofdzaak nog definitief worden vastgesteld.

2.2.

[eiseres 1] was tot medio 2012 op huwelijkse voorwaarden gehuwd met Leo [betrokkene 1]. [betrokkene 1] was directeur en aandeelhouder van [betrokkene 1] Holding Nederland B.V. (hierna [betrokkene 1] Holding). [betrokkene 1] Holding bezat aandelen in Cyclomedia Technology B.V. (hierna Cyclomedia).

2.3.

[gedaagde 1] was de beste vriend en zakenpartner van [betrokkene 1], die (direct dan wel via zijn vennootschappen) een aanzienlijke schuld aan [gedaagde 1] had waarover hij een rente van 22% per jaar verschuldigd was.

2.4.

Op 29 maart 2006 kwamen [betrokkene 1] en [gedaagde 1] overeen dat [betrokkene 1] als zekerheid voor zijn schuld onder meer 4 x 4,9% (totaal 19.6%) van de aandelen Cyclomedia zou overdragen. Op 28 maart 2007 verkocht [betrokkene 1] Holding aan ieder van de vier kinderen [familienaam] 4,9% van de aandelen Cyclomedia voor € 50.000,, totaal € 200.000,. De aandelen werden op 12 juni 2007 geleverd.

2.5.

Op 3 augustus 2008 ondertekende [eiseres 1] een verklaring, inhoudende dat zij uiterlijk op 30 januari 2010 de bedoelde aandelen Cyclomedia voor een bedrag van € 10.000.000, van de familie [familienaam] zou kopen. Deze verklaring werd mede ondertekend door [gedaagde 1]. Het tweede en derde blad van dit stuk bevat door [betrokkene 1] en [gedaagde 1] ondertekende afspraken over een betalingsregeling, waarbij [betrokkene 1] op zijn schulden aan [gedaagde 1] totaal € 10.000.000, zou aflossen in vier termijnen, waarvan de laatste op 6 december 2009 moest worden voldaan.

2.6.

Op 20 mei 2009 werd een overeenkomst gesloten tussen [gedaagde 1], de kinderen [familienaam], [betrokkene 1], [eiseres 1] en de zakenlieden [betrokkene 2] en [betrokkene 3], onder meer inhoudende dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] het op 3 augustus 2008 door [eiseres 1] met [gedaagde 1] gesloten contract overnamen en derhalve de aandelen Cyclomedia voor € 10.000.000, van de kinderen [familienaam] zou kopen. [eiseres 1] stelde zich garant voor de betaling van het bedrag van € 10.000.000,.

2.7.

In november 2009 werd een overeenkomst gesloten, inhoudende dat 2SQR Participatiemaatschappij B.V. (hierna 2SQR), een vennootschap van [betrokkene 2] en [betrokkene 3], de aandelen Cyclomedia voor € 10.000.000, van de kinderen [familienaam] zou kopen. De levering van de aandelen zou plaatsvinden uiterlijk 1 december 2009 en de koopprijs zou uiterlijk 30 januari 2010 worden betaald. [betrokkene 2] en [betrokkene 3] stelden zich garant voor de betaling van € 10.000.000,. [eiseres 1] stelde zich garant voor de nakoming van de verplichtingen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3].

2.8.

De aandelen Cyclomedia werden aan 2SQR geleverd, maar de koopprijs werd niet betaald. Bij vonnis in kort geding van 21 mei 2010 van de voorzieningenrechter bij de rechtbank ’s‑Hertogenbosch werden 2SQR, [betrokkene 2] en [betrokkene 3] veroordeeld tot betaling aan de kinderen [familienaam] van het bedrag van € 10.000.000,. [eiseres 1] werd veroordeeld tot betaling van het gedeelte van dat bedrag dat niet binnen dertig dagen na betekening van het vonnis door 2SQR c.s. zou zijn voldaan.

2.9.

Het bedrag van € 10.000.000, werd niet binnen de genoemde termijn door 2SQR c.s. voldaan. [eiseres 1] beschikte niet over voldoende liquide middelen om dat bedrag te betalen. Op 16 augustus 2010 sloten [eiseres 1] en [gedaagden]een overeenkomst over de wijze waarop [eiseres 1] aan de veroordeling zou voldoen. Uit hoofde van die overeenkomst droeg [eisende partij] een aantal eigendommen over aan [gedaagden]en verstrekte zij diverse zekerheden aan [gedaagden].

2.10.

In de hoofdzaak stelt [eisende partij] dat zij de overeenkomst van 3 augustus 2008 en de latere overeenkomsten heeft gesloten onder druk van [betrokkene 1], die een grote emotionele macht over haar had, en dat [gedaagde 1] van die machtspositie misbruik heeft gemaakt door [betrokkene 1] onder bedreiging althans misbruik van omstandigheden (zijnde de financiële noodpositie van [betrokkene 1]) op te dragen [eiseres 1] onder valse voorwendselen de verklaring van 3 augustus 2008 te laten tekenen. [eiseres 1] meent dat de overeenkomsten nietig, vernietigd of vernietigbaar zijn omdat een op een rechtsgevolg gerichte wil ontbrak, of vanwege strijd met de goede zeden, bedreiging, bedrog, misbruik van omstandigheden, dwaling dan wel beschikkingsonbevoegdheid van de kinderen [familienaam], aangezien de levering van de aandelen Cyclomedia door [betrokkene 1] Holding aan de kinderen [familienaam] in strijd was met het fiduciaverbod van art. 3:84 lid 3 BW.

2.11.

[eisende partij] vordert op die gronden in de hoofdzaak - summier samengevat - te verklaren voor recht dat de diverse overeenkomst nietig of vernietigd zijn, dan wel dat de rechtbank die overeenkomsten alsnog vernietigt, en gedaagden te veroordelen om de overdracht van de eigendommen en de vestiging van de zekerheden ongedaan te maken.

3 Het geschil in het incident

3.1.

Aanleiding voor dit incident is een ‘fiscale verklaring’ van 10 februari 2010 afgelegd door [betrokkene 1] en [gedaagde 1] mede namens hun holdingvennootschappen, onder meer inhoudende dat de kinderen [familienaam] in juni 2007 de juridische eigendom van de aandelen Cyclomedia hadden verkregen en dat het economisch eigendom bij [betrokkene 1] Holding was gebleven, dat de overeenkomst van 20 mei 2009 inhield dat 2SQR c.s. het juridisch eigendom van de kinderen [familienaam] en het economisch eigendom van [betrokkene 1] Holding zouden overnemen voor € 10.000.000,, dat 2SQR c.s. het bedrag van € 10.000.000, rechtstreeks aan [familienaam] zou overmaken en dat de vordering van [familienaam] op [betrokkene 1] daarmee zou worden afgelost.

3.2.

[eisende partij] vordert in het incident – samengevat – dat aan [gedaagde 1] en zijn belastingadviseur [gedaagde 8] wordt bevolen om binnen 10 dagen na het incidentele vonnis aan [eiseres 1] afschriften te verschaffen van uitgewisselde correspondentie uit het laatste kwartaal van 2009 en het eerste kwartaal van 2010 tussen de Belastingdienst enerzijds en [gedaagde 1] en/of [gedaagde 8] anderzijds, waarin zijn vastgelegd de afspraken met betrekking tot de fiscale behandeling van de overeenkomsten met betrekking tot de aandelen Cyclomedia en de aflossing van de schuld van [betrokkene 1] aan [familienaam], de feiten waarop die afspraken zijn gebaseerd en/of de aanleiding voor het opstellen van de fiscale verklaring van 10 februari 2010, op straffe van een dwangsom.

3.3.

[gedaagde 1] en [gedaagde 8] voeren ieder zelfstandig verweer. De rechtbank zal hierna voor zoveel nodig op dat verweer ingaan.

4 De beoordeling van het incident

4.1.

Een op art. 843a Rv gebaseerde vordering kan alleen worden toegewezen indien aan alle drie in lid 1 van dit artikel gestelde voorwaarden is voldaan:

1) de wederpartij van degene die bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, moet rechtmatig belang hebben bij inzage, afschrift of uittreksel daarvan,

2) de vordering moet betrekking hebben op bepaalde bescheiden en

3) de bescheiden moeten een rechtsbetrekking betreffen waarin de wederpartij van degene die ze te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, partij is.

Verder moet zich geen van de volgende eveneens in artikel 843a Rv opgenomen uitzonderingen voordoen:

4) hij die uit hoofde van zijn ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht is, is niet gehouden aan de vordering te voldoen, indien de bescheiden uitsluitend uit dien hoofde te zijner beschikking staan of onder zijn berusting zijn,

5) degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, is niet gehouden aan de vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn en

6) degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, is niet gehouden aan de vordering te voldoen, indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

4.2.

In het algemeen heeft een procespartij geen rechtmatig belang bij kennisname van de correspondentie tussen zijn wederpartij en de fiscus over belastingkwesties. [eisende partij] vraagt echter om concrete correspondentie over een fiscale verklaring, waarin [betrokkene 1] en [gedaagde 1] een bepaalde uitleg hebben gegeven aan een overeenkomst. Omdat ook [eiseres 1] partij was bij die overeenkomst, heeft zij er een rechtmatig belang bij om kennis te kunnen nemen van die uitleg en de daarover met de fiscus gevoerde correspondentie. Die correspondentie betreft voldoende bepaalde bescheiden in de zin van art. 843a Rv.

4.3.

[gedaagde 1] wijst erop dat er in de twee genoemde kwartalen geen correspondentie is uitgewisseld tussen hem en de Belastingdienst. [gedaagde 1] kan niet veroordeeld worden tot verschaffing van bescheiden die niet bestaan. Hij ontkent echter niet dat zijn belastingadviseur [gedaagde 8] namens hem met de Belastingdienst over deze kwestie heeft gecorrespondeerd. Ook [gedaagde 8] ontkent dat niet. [gedaagde 1] en [gedaagde 8] ontkennen evenmin dat zij de door [gedaagde 8] gevoerde correspondentie met de Belastingdienst onder hun berusting hebben of ter beschikking hebben.

4.4.

[gedaagde 8] beroept zich op het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 2000 (NJ 2001/259), waarin is overwogen dat er een rechtsbetrekking moet bestaan tussen de partij die afgifte van bescheiden vordert en de houder van de bescheiden. De in 4.1 onder 3 genoemde voorwaarde is op dat arrest gebaseerd. Duidelijk is dat er alleen een rechtsbetrekking bestaat tussen [eisende partij] en [gedaagde 1] (die samen meerdere overeenkomsten hebben gesloten), maar niet tussen [eisende partij] en [gedaagde 8]. [eisende partij] meent echter dat art. 843a Rv ruim moet worden uitgelegd in die zin dat voldoende is dat de gevraagde bescheiden een rechtsbetrekking aangaan waarbij [eisende partij] partij is. [eisende partij] wijst erop dat zij eerder heeft geprobeerd op andere wijze in haar bewijsbehoefte te voorzien door de bescheiden per brief op te vragen en een voorlopig getuigenverhoor aan te vragen waarin onder meer de heer [betrokkene 4], partner van [gedaagde 8], als getuige is gehoord, maar [betrokkene 4] bleek op nagenoeg geen enkele vraag zich het antwoord te kunnen herinneren.

4.5.

In de literatuur is verdedigd dat het begrip “rechtsbetrekking” ruimer moet worden uitgelegd dan de Hoge Raad heeft gedaan in zijn arrest uit 2000. De tekst van art. 843a Rv en de Parlementaire Geschiedenis bieden ook ruimte voor een dergelijke ruime uitleg. Er is bovendien de laatste jaren in de jurisprudentie een lijn herkenbaar waarbij steeds soepeler wordt omgegaan met de voorwaarden van art. 843a Rv. Ook de wetgever heeft een wetsvoorstel ingediend, waarin minder stringente eisen aan dat artikel worden gesteld. Daarmee lijkt ruimte beschikbaar om afhankelijk van de omstandigheden van het geval uitzonderingen op de regel uit het arrest uit 2000 toe te staan. In ieder geval geldt in een geval als het onderhavige als voorwaarde voor het tegen een derde instellen van een vordering tot afgifte van bescheiden, dat de partij die om de bescheiden vraagt die bescheiden niet van zijn eigen wederpartij kan verkrijgen. In dat kader moet het in art. 843a Rv gebruikte begrip “te zijner beschikking heeft” ruim worden uitgelegd, zodat daaronder ook valt het geval waarin de wederpartij de stukken niet zelf houdt, maar die stukken bij een derde heeft ondergebracht of die stukken in ieder geval kan opvragen bij een derde die afgifte aan de wederpartij niet zonder meer kan weigeren. Een enkele schriftelijke weigering van de wederpartij tot afgifte van de gevraagde bescheiden is onvoldoende om het instellen van een vordering tot afgifte tegen een derde te kunnen rechtvaardigen. Dat kan pas aan de orde komen nadat de rechter in een procedure tegen de wederpartij heeft vastgesteld dat de opvragende partij in beginsel jegens diens wederpartij recht heeft op afgifte of inzage van de bescheiden, maar de wederpartij daaraan zelf niet kan of wil voldoen.

4.6.

Het voorgaande betekent dat de vordering tegen [gedaagde 8] moet worden afgewezen, omdat pas in dit vonnis wordt beslist of [eisende partij] jegens [gedaagde 1] recht heeft op afgifte van de door haar gevraagde correspondentie en nog moet blijken of [gedaagde 1] al dan niet aan een veroordeling zal voldoen.

4.7.

De vordering tegen [gedaagde 1] voldoet wel aan de drie voorwaarden van art. 843a Rv. Volgende vraag is dan of hier sprake is van een van de in 4.1 onder 4 tot en met 6 genoemde uitzonderingen.

4.8.

[gedaagde 1] beroept zich op de onder 5 genoemde uitzondering wegens gewichtige redenen, omdat correspondentie met de Belastingdienst betrekking heeft op vertrouwelijke gegevens inzake het vermogen, de financiële positie en de fiscale positie van [gedaagde 1] en diens privacy geschonden wordt als [eisende partij] daarvan kennis zou kunnen nemen. De rechtbank verwerpt dat beroep. Het verzoek van [eisende partij] is niet gericht op kennisname van vertrouwelijke financiële gegevens van [gedaagde 1], maar alleen op kennisname van de correspondentie tussen de Belastingdienst en [gedaagde 8] (namens [gedaagde 1]) over de wijze van uitleg van een overeenkomst. Omdat [eiseres 1] ook partij was bij die overeenkomst, heeft de inhoud van die overeenkomst in de verhouding tussen [eisende partij] en [gedaagde 1] geen vertrouwelijk karakter.

4.9.

Op grond van het vorenstaande zal de incidentele vordering tegen [gedaagde 1] als na te melden worden toegewezen. De verplichting tot afgifte zal pas ingaan na betekening van dit vonnis en de gevorderde - op zich niet betwiste - dwangsomsanctie zal worden beperkt.

4.10.

In de verhouding tussen [eisende partij] en [gedaagde 1] zal [gedaagde 1] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisende partij] worden begroot op advocaatkosten van 1 punt tegen het tarief horend bij vorderingen van onbepaalde waarde. De rechtbank ziet geen reden om bij een kostenveroordeling in een incident de nakosten op voorhand te begroten.

4.11.

In de verhouding tussen [eisende partij] en [gedaagde 8] zal [eisende partij] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Ook de kosten aan de zijde van [eisende partij] worden begroot op advocaatkosten van 1 punt tegen het tarief horend bij vorderingen van onbepaalde waarde. Omdat [gedaagde 8] door [eisende partij] alleen is gedagvaard in verband met de onderhavige incidentele vordering en daarom met deze uitspraak een einde komt aan de zaak tussen [eisende partij] en [gedaagde 8], betrekt de rechtbank ook het door [gedaagde 8] betaalde griffierecht van € 608, in de kostenbegroting.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident tegen [gedaagde 1]

5.1.

veroordeelt [gedaagde 1] om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis aan [eiseres 1] afschriften te verschaffen van de correspondentie die in het laatste kwartaal van 2009 en het eerste kwartaal van 2010 tussen [gedaagde 8] en de Belastingdienst is uitgewisseld, waarin zijn vastgelegd de afspraken met betrekking tot de fiscale behandeling van de overeenkomsten met betrekking tot de aandelen Cyclomedia en de aflossing van de schuld van [betrokkene 1] aan [familienaam], de feiten waarop die afspraken zijn gebaseerd en/of de aanleiding voor het opstellen van de fiscale verklaring van 10 februari 2010,

5.2.

veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eisende partij] een dwangsom te betalen van € 10.000, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 250.000, is bereikt,

5.3.

bepaalt dat geen dwangsommen zullen worden verbeurd voor zover dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding,

5.4.

veroordeelt [gedaagde 1] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eisende partij] tot op heden begroot op € 452,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf tien dagen na dit vonnis,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

in het incident tegen [gedaagde 8]

5.6.

wijst de incidentele vordering tegen [gedaagde 8] af,

5.7.

veroordeelt [eisende partij] in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde 8] tot op heden begroot op € 1.060,,

5.8.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

5.9.

verstaat dat de hoofdzaak tegen [gedaagde 8] is beëindigd,

5.10.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 4 juni 2014 voor conclusie van antwoord door de overige gedaagden.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.F.M.T. Franke en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2014.