Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:2222

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-04-2014
Datum publicatie
29-04-2014
Zaaknummer
AWB-13_5236
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om verlening van subsidie. Vertrouwensbeginsel.

Uit de brief van 24 november 1997, noch uit de gesprekken die eisers met wethouders hebben gevoerd, noch anderszins kan worden afgeleid dat verweerder eisers ondubbelzinnig heeft toegezegd dat hij de door eisers gewenste kogelvangers zal subsidiëren. Zoals in het advies terecht is opgemerkt, hadden eisers op basis van uitlatingen in evenbedoelde brief in 1997 wellicht subsidie gekregen indien zij die aanvraag destijds hadden doorgezet, maar het tijdsverloop staat eraan in de weg dat eisers ten tijde van onderhavige aanvraag daaraan nog gerechtvaardigde verwachtingen kunnen ontlenen. Dat verweerder in 1997 aan twee andere verenigingen wel subsidie heeft verstrekt voor de aanschaf van kogelvangers en dat eisers er destijds voor hebben gekozen hun aanvraag niet door te zetten omdat de noodzaak voor het aanschaffen van kogelvangers toen niet bestond, betekent niet dat verweerder thans, nu de kogelvangers wettelijk verplicht zijn, gehouden zou zijn de door eisers gewenste kogelvangers alsnog te subsidiëren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/5236

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 april 2014 in de zaak tussen

1) het bestuur van de vereniging Sint Antoniusschut Eeneind-Opwetten (Sint Antoniusschut),

2) het bestuur van de vereniging Sint Catharina Gilde Nuenen-Boord (Sint Catharina Gilde),

3) het bestuur van de vereniging Gilde Sint Anna (Gilde Sint Anna),

allen gevestigd in de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten,

tezamen te noemen eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten, verweerder

(gemachtigde: M.W.M. Versluijsen).

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de subsidieaanvraag van eisers afgewezen.

Bij besluit van 23 september 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2014. Voor Sint Antoniusschut, Sint Catharina Gilde en Gilde Sint Anna zijn respectievelijk verschenen [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

Eisers zijn verenigingen die zich bezighouden met schutterij. Naast deze drie verenigingen zijn er in verweerders gemeente nog twee verenigingen die zich daarmee bezighouden (het Heiligkruisgilde Gerwen en het Sint Annagilde Nuenen).

1.2

In de brief van verweerder aan Sint Catharina Gilde van 24 november 1997 staat het volgende.

“(…)

Naar aanleiding van uw verzoek om subsidie ten behoeve van het plaatsen van kogelvangers delen wij u het volgende mede.

In 1989 heeft ons College besloten om een éénmalig subsidie van maximaal 50% van de kosten van een kogelvanger toe te kennen aan het Heilig Kruisgilde Gerwen. Ook het Sint Annagilde Nuenen heeft hiervoor een financiële bijdrage van de gemeente gekregen.

Uit de door u ingediende offerte is op te maken dat in uw plan sprake is van 7 aparte kogelvangers, hetgeen een kostenplaatje van ƒ 34.385,20 oplevert. Uit navraag is gebleken dat de voornoemde gildes slechts één kogelvanger hebben geplaatst. Hiermee voldoen zij aan de gestelde eisen. De door u genoemde schietvormen kunnen met deze kogelvanger zonder problemen beoefend worden. De kosten voor het plaatsen van één kogelvanger bedragen ongeveer ƒ 17.500,-- dus bijna de helft van het door u genoemde bedrag.

Wij verzoeken u deze oplossing te overwegen voor uw schietterrein en naar aanleiding hiervan eventueel een aangepaste offerte in te dienen. U kunt hiervoor contact opnemen met bovengenoemde gildes. Na ontvangst van uw reactie zullen wij uw verzoek om subsidie verder in behandeling nemen.

(…)”

1.3

Bij brief van 1 december 2011 hebben eisers verweerder verzocht een subsidie toe te kennen voor het aanschaffen van zes kogelvangers voor een bedrag van € 7.751,- per gilde. Eisers hebben in laatstgenoemde brief verwezen naar een gesprek met de toenmalige wethouder H. Pero op 13 april 2011. In de brief staat onder meer het volgende.

“(…)

Door wethouder Pero is toegezegd dat hij, via uw college, een voorstel zou doen om een gemeentelijke bijdrage/subsidie mogelijk te maken. Omdat de situatie en stand van zaken van de diverse schietterreinen niet vergelijkbaar is, is als uitgangspunt genomen dat de gemeente de aanschaf van de kogelvangers subsidieert. (…)”

1.4

Bij e-mail van 16 maart 2012 heeft een medewerker van verweerder – kort gezegd – bericht dat hij de bewuste aantekeningen van het gesprek van 13 april 2012 (lees:
13 april 2011) niet kan terugvinden en dat hem het overleg en de afspraken nog helder voor ogen staan, waaronder dat de gilden in dit gesprek een verzoek hebben gedaan om een financiële bijdrage voor het aanbrengen van kogelvangers en dat in het gesprek verder geen toezeggingen zijn gedaan over het verstrekken van subsidies.

1.5

Op 23 maart 2012 heeft een overleg plaatsgevonden tussen eisers en verweerder. In de op 26 maart 2012 opgemaakte schriftelijke samenvatting van dit overleg staat het volgende.

“(…)

Wethouder De Witte concludeert dat in deze situatie twee scenario’s denkbaar zijn:

1.

De gemeente heeft in het verleden verwachtingen gewekt omtrent de subsidiëring van

de kogelvangers. Deze verwachtingen kunnen tot gevolg hebben dat de gemeente genoodzaakt is om de aanschaf te subsidiëren (op grond van de Algemene wet bestuursrecht). Er zal dus onderzocht moeten worden of er inderdaad sprake is van deze gewekte verwachtingen.

2.

De gilden kunnen een subsidieverzoek indienen dat ‘meeloopt’ in de raming van de

subsidie in 2013. Eerder is niet mogelijk, omdat de subsidieplafonds reeds bereikt zijn. In dat geval zal de aanvraag, zoals die er nu ligt, vertaald moeten worden in reguliere subsidietermen. In dat geval kan sprake zijn van een bijdrage in de financiering (op basis annuïteiten).

Als gevolg van deze scenario’s worden twee afspraken gemaakt:

1.

Onderzocht wordt of sprake is van gewekte verwachtingen (gilden en gemeente duiken in het archief).

2.

De gemeente zal behulpzaam zijn bij de subsidieaanvraag van de gilden.

(…)”

1.6

Bij brief van 30 november 2012 heeft verweerder eisers bericht dat in het verleden geen toezeggingen zijn gedaan over de subsidie voor de aanschaf van de benodigde kogelvangers.

1.7

Bij het primaire besluit heeft verweerder de subsidieaanvraag van eisers van
1 december 2011 afgewezen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het aanbrengen van kogelvangers op alle gildeterreinen niet noodzakelijk is en dat de financiële mogelijkheden ontbreken om het verzoek van eisers te honoreren.

1.8

Naar aanleiding van hun bezwaarschrift zijn eisers op 20 augustus 2013 gehoord door de commissie voor de bezwaarschriften. Bij advies van 20 augustus 2013 (advies) heeft de commissie verweerder geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren.

2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies, het bezwaar ongegrond verklaard.

3.

Eisers hebben aangevoerd dat gedurende de vele jaren dat de kwestie speelt meermalen toezeggingen zijn gedaan dan wel verwachtingen zijn gewekt dat eisers voor de aanschaf van kogelvangers een bijdrage van verweerder zouden mogen verwachten. Eisers hebben daartoe gewezen op de brief van 24 november 1997 en de gesprekken die zij hebben gehad met wethouders van verweerder.

4.

Eisers hebben voorts aangevoerd dat zij uit het oogpunt van gelijkheid recht hebben op een bijdrage in de kosten voor de aanschaf voor kogelvangers, nu de twee andere gilden uit verweerders gemeente in 1997 wel een substantiële bijdrage hebben ontvangen.

5.

Over deze twee beroepsgronden overweegt de rechtbank als volgt.

6.

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is nodig dat een aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezegging is gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:218). Uit de brief van 24 november 1997, noch uit de gesprekken die eisers met wethouders hebben gevoerd, noch anderszins kan worden afgeleid dat verweerder eisers ondubbelzinnig heeft toegezegd dat hij de door eisers gewenste kogelvangers zal subsidiëren. Zoals in het advies terecht is opgemerkt, hadden eisers op basis van uitlatingen in evenbedoelde brief in 1997 wellicht subsidie gekregen indien zij die aanvraag destijds hadden doorgezet, maar het tijdsverloop staat eraan in de weg dat eisers ten tijde van onderhavige aanvraag daaraan nog gerechtvaardigde verwachtingen kunnen ontlenen. Dat verweerder in 1997 aan twee andere verenigingen wel subsidie heeft verstrekt voor de aanschaf van kogelvangers en dat eisers er destijds voor hebben gekozen hun aanvraag niet door te zetten omdat de noodzaak voor het aanschaffen van kogelvangers toen niet bestond, betekent niet dat verweerder thans, nu de kogelvangers wettelijk verplicht zijn, gehouden zou zijn de door eisers gewenste kogelvangers alsnog te subsidiëren. Van gelijke gevallen die gelijk moet worden behandeld is reeds hierom geen sprake. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en het beroep op het gelijkheidsbeginsel slagen dus niet.

7.

Dit betekent dat de beroepsgronden falen.

8.

Evenzeer faalt de beroepsgrond van eisers dat zij zich door verweerder niet serieus genomen voelen. Zoals ter zitting ook besproken, betreft het hier vooral de wijze waarop eisers zich door verweerder voelen behandeld. Die behandeling raakt evenwel niet de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

9.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, voorzitter, en mr. M. van den Brink en
mr. M.H. Dworakowski-Kelders, leden, in aanwezigheid van mr. A.E. van Langen-Wouda, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2014.

De griffier is buiten staat deze uitspraak
mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.