Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:2212

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-04-2014
Datum publicatie
12-05-2014
Zaaknummer
AWB-13_4173
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres ontvangt bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Tijdens een met haar op 1 juni 2012 gevoerd gesprek heeft zij verklaard dat haar partner en de vader van haar kinderen, geboren op 12 mei 2010 en 26 september 2011, vanaf de geboorte af en toe kleertjes, melk en luiers voor de kinderen koopt. In overleg met eiseres is de hoogte van deze goederen berekend op een maandelijkse bijdrage van € 120,00. Bij besluit van 10 juli 2013 is de uitkering van eiseres over de periode van 22 november 2010 tot en met 31 januari 2012 herzien en is de over deze periode teveel ontvangen uitkering van eiseres teruggevorderd. Bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum is de bijstand gedurende één maand verlaagd met 50% wegens schending van de inlichtingenverplichting. Tevens is bij beide besluiten een dwangsom toegekend ter hoogte van € 1.260,00 en is meegedeeld dat het verschuldigde bedrag op grond van artikel 60a, vierde lid, van de WWB zal worden verrekend met de openstaande vordering.

Verweerder heeft terecht geen aanleiding gezien eiseres niet te houden aan de door haar afgelegde en ondertekende verklaring en de waarde van de verstrekte goederen terecht aangemerkt als middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB. De hoogte van de vergoeding is in overlegd met eiseres vastgesteld zodat er geen reden is om hiervan af te wijken. De gedingstukken bieden onvoldoende feitelijke grondslag om de bijstand reeds vanaf 22 november 2010 te herzien. De partner van eiseres verbleef tot 8 december 2010 in detentie en eiseres heeft niet verklaard dat de goederen tijdens zijn detentie door anderen voor haar zijn gekocht. Het beroep tegen het besluit tot herziening wordt in zoverre gegrond verklaard dat verweerder bevoegd was tot herziening van de bijstand over de periode van 8 december 2010 tot en met 31 januari 2012. Nu eiseres de inlichtingenverplichting heeft geschonden was verweerder tevens bevoegd tot het opleggen van de maatregel. Verweerder was, gelet op artikel 60a, vierde lid, van de WWB zoals dat sinds 1 juli 2013 geldt, tevens bevoegd tot verrekening van de verschuldigde dwangsommen met openstaande vorderingen over te gaan. Bij de in werking treding van het gewijzigde artikel 60a, vierde lid, van de WWB zijn geen specifieke voorschriften van overgangsrecht gegeven en in artikel 4:86 van de Awb ligt besloten dat een verplichting tot betaling van een geldsom slechts ontstaat indien dit bij beschikking is vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Participatiewet, geldigheid: 2014-05-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 13/4173 en SHE 13/4174

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 april 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. J. van de Wiel),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, verweerder

(gemachtigde: M.G.M. Hoogenboom-Otten).

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2012 (primair besluit I) heeft verweerder de uitkering van eiseres ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) over de periode van 22 november 2010 tot en met 31 januari 2012 herzien en de teveel ontvangen uitkering over deze periode tot een bedrag van € 2.524,40 van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 10 juli 2013 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat eiseres in de periode van 22 november 2010 tot en met 31 januari 2012 goederen in natura heeft ontvangen en dat de waarde hiervan in mindering dient te worden gebracht op de bijstand. Tevens is eiseres een dwangsom toegekend ter hoogte van € 1.260,00 en is meegedeeld dat het verschuldigde bedrag op grond van artikel 60a, vierde lid, van de WWB zal worden verrekend met de openstaande vordering.

Eiseres heeft tegen bestreden besluit I beroep ingesteld, bij de rechtbank bekend onder nummer SHE 13/4174.

Bij besluit van 1 oktober 2012 (primair besluit II) heeft verweerder eiseres een maatregel opgelegd inhoudende dat de WWB-uitkering met ingang van 1 november 2012 gedurende twee maanden met 50% wordt verlaagd.

Bij besluit van eveneens 10 juli 2013 (bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard in die zin dat de WWB-uitkering met ingang van 1 november 2012 gedurende één maand met 50% wordt verlaagd. Daarbij is eiseres een proceskostenvergoeding toegekend. Tevens is eiseres een dwangsom toegekend ter hoogte van € 1.260,00 en is meegedeeld dat het verschuldigde bedrag zal worden verrekend met de openstaande vordering.

Eiseres heeft tegen bestreden besluit II beroep ingesteld, bij de rechtbank bekend onder nummer SHE 13/4173.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 27 februari 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het onderzoek is heropend na de zitting.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

2.

Eiseres ontvangt sedert 4 februari 2010 een WWB-uitkering naar de norm voor een alleenstaande. In verband met de geboorte van haar eerste kind op 12 mei 2010 ontvangt eiseres met ingang van deze datum een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder. In september 2011 heeft verweerder een onderzoek opgestart naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verleende uitkering. In dat kader is eiseres opgeroepen voor een gesprek op het kantoor van verweerder op 30 september 2011 en is zij verzocht een aantal stukken over te leggen. In verband met de geboorte van het tweede kind van eiseres op 26 september 2011, heeft verweerder het onderzoek uitgesteld. Op 1 juni 2012 heeft op het kantoor van verweerder een gesprek met eiseres plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek heeft eiseres, voor zover van belang, verklaard dat haar vriend en de vader van haar twee kinderen de heer [vader] geen alimentatie betaalt, maar dat hij wel vanaf de geboorte af en toe kleertjes, melk en luiers voor de kinderen koopt, de luiers en melk koopt [vader] maandelijks en de kleding ieder kwartaal. De melk kost € 24,00 per maand, de luiers € 30,00 per maand en de kleding ongeveer € 200,00 per kwartaal. [vader] werkt sedert september 2011 fulltime in loondienst. De verklaring van eiseres is op schrift gesteld en mede door haar ondertekend. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 1 juni 2012.

Herziening en terugvordering (SHE 13/4174)

3.

Verweerder stelt zich in bestreden besluit I op het standpunt dat gelet op de verklaring van eiseres op 1 juni 2012, er vanuit mag worden gegaan dat [vader] vanaf de geboorte van het eerste kind op 12 mei 2010 kleding, melk en luiers koopt. Gelet op de door eiseres genoemde bedragen, is de maandelijkse bijdrage van [vader] vastgesteld op een bedrag van € 120,66. Abusievelijk is bij primair besluit I als ingangsdatum voor de herziening de datum 22 november 2010 gehanteerd en niet 12 mei 2010. Verweerder stelt dat eiseres door het hanteren van deze ingangsdatum voor de herziening niet is benadeeld, nu deze is gelegen na de geboorte van haar eerste kind. Daarbij stelt verweerder dat deze datum is gelegen rond het tijdstip dat [vader] uit detentie is gekomen.

4.

Eiseres betoogt dat de door [vader] verstrekte spullen ten onrechte als middelen zijn aangemerkt die op de bijstand in mindering moeten worden gebracht. Volgens eiseres hecht verweerder een te grote waarde aan de door haar ondertekende verklaring. Eiseres betwist dat de verklaring aan haar is voorgelezen. Voorts heeft eiseres niet gezegd dat [vader] alle kosten van kleding, melk en luiers van de kinderen betaalt. De genoemde bedragen hebben betrekking op hetgeen eiseres maandelijks aan kleding, melk en luiers voor de kinderen nodig had. Daarnaast was [vader] ten tijde van de geboorte van zijn eerste kind op 12 mei 2010 gedetineerd, waardoor hij niets kon bijdragen. Sinds september 2011 had hij werk zodat hij pas vanaf dat moment spullen heeft gekocht. [vader] heeft in de bezwaarprocedure gedetailleerd verklaard welke spullen hij voor de kinderen heeft gekocht. Dit komt in totaal neer op een bedrag van € 583,50, hetgeen vanwege het incidentele karakter en de geringe hoogte niet kan worden gelijkgesteld met alimentatie.

5.

Ingevolge vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB; zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4108) mag in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van een aanvankelijk afgelegde en ondertekende verklaring, ook indien later van die verklaring wordt teruggekomen, tenzij sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. In het onderhavige geval is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van dusdanig bijzondere omstandigheden dat een uitzondering op het hiervoor weergegeven uitgangspunt dient te worden gemaakt. De stelling van eiseres dat de verklaring niet aan haar is voorgelezen, hetgeen door verweerder wordt betwist, maakt dit niet anders. De verklaring is door eiseres ondertekend en niet is gebleken dat zij de verklaring niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd.

6.

Op basis van de verklaring van eiseres is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft aangenomen dat eiseres maandelijks goederen van [vader] ontving. De waarde van deze goederen moet worden aangemerkt als middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB die op de verleende bijstand in mindering moeten worden gebracht. Daarnaast kunnen de maandelijks ontvangen goederen niet worden aangemerkt als giften die uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m van de WWB en uit dien hoofde buiten beschouwing worden gelaten. Er is immers sprake van periodieke en substantiële verstrekking van goederen die betrekking hebben op kosten waarin de bijstand al voorziet en die niet zijn bestemd voor specifieke - niet in de bijstand begrepen - kosten.

7.

De hoogte van de maandelijkse bijdragen zijn door verweerder in overleg met eiseres vastgesteld. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de hoogte hiervan voor onjuist te houden. Aan de door eiseres overgelegde door [vader] gemaakte berekening kan dan ook niet dat gewicht worden toegekend dat eiseres hieraan gehecht wenst te zien nu zijn berekening is gebaseerd op een door hem gemaakte schatting van de kosten van deze goederen.

8.

Eiseres heeft geen melding gemaakt van het ontvangen van de goederen door [vader]. Het moest eiseres redelijkerwijs duidelijk zijn dat dit van invloed kon zijn op haar recht op bijstand. Door dit niet te melden heeft eiseres de inlichtingenverplichting geschonden. De waarde van de goederen ter hoogte van € 120,66 per maand is terecht als inkomsten in natura aangemerkt.

9.

De gedingstukken bieden echter onvoldoende feitelijke grondslag om de bijstand van eiseres vanaf 22 november 2010 te herzien. Door eiseres is immers verklaard dat [vader] kleertjes, melk en luiers voor de kinderen kocht. Niet betwist wordt dat [vader] tot 8 december 2010 in detentie verbleef zodat hij tot die datum niet in staat was deze goederen te kopen. Door eiseres is niet verklaard dat deze goederen tijdens de detentie van [vader] door anderen voor haar werden gekocht. De rechtbank volgt eiseres evenwel niet in haar standpunt dat de herziening pas sinds september 2011 dient te gebeuren omdat [vader] vanaf dat moment werkzaamheden in loondienst verrichtte. In haar verklaring heeft zij immers niet aangegeven dat hij pas rond de geboorte van het tweede kind de goederen is gaan verstrekken. Door eiseres is ook niet met concrete gegevens onderbouwd dat hij daartoe niet eerder financieel in staat was.

10.

Hieruit volgt dat de herziening van de bijstand over de periode van 22 november 2010 tot 8 december 2010 geen stand kan houden. Dit betekent dat het beroep van eiseres voor zover dat is gericht tegen de herziening en terugvordering van de bijstand over de periode van 22 november 2010 tot 8 december 2010 slaagt. Dit betekent dat het beroep gegrond wordt verklaard en bestreden besluit I wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt vernietigd voor zover dat ziet op de in dit besluit vervatte herziening van de bijstand over de periode van 22 november 2010 tot 8 december 2010. Omdat een terugvorderingsbesluit ondeelbaar is, zal bestreden besluit I tevens worden vernietigd voor zover het ook de daarin vervatte terugvordering betreft. De rechtbank zal voorts primair besluit I herroepen voor zover daarbij de bijstand is herzien en teruggevorderd over de periode van 22 november 2010 tot 8 december 2010, en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van bestreden besluit I.

11.

Uit het voorgaande vloeit voort dat verweerder bevoegd was op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, de bijstand over de periode van 8 december 2010 tot en met 31 januari 2012 te herzien door een bedrag van € 120,66 per maand op de uitkering in mindering te brengen. Met het voorgaande is gegeven dat verweerder tevens bevoegd was op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de kosten van de over de periode van 8 december 2010 tot en met 31 januari 2012 aan eiseres teveel verleende bijstand van haar terug te vorderen. Tegen de wijze waarop verweerder van zijn bevoegdheid tot herziening en terugvordering gebruikt heeft gemaakt heeft eiseres geen zelfstandige gronden aangevoerd.

12.

Verweerder zal een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag moeten maken omdat de rechtbank onvoldoende financiële gegevens heeft om voor wat betreft de hoogte van het terug te vorderen bedrag zelf in de zaak te voorzien. Nu het nog slechts gaat om een financiële uitwerking, die naar verwachting geen discussie zal opleveren, ziet de rechtbank af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot - volledige - finale geschilbeslechting.

Maatregel (SHE 13/4173)

13.

Verweerder stelt zich in bestreden besluit II op het standpunt dat eiseres de inlichtingenverplichting heeft geschonden door verweerder niet te informeren over het feit dat zij structureel goederen voor haar kinderen van [vader] ontving. Nu het mogelijk is dat eiseres niet heeft ingezien dat het ontvangen van deze spullen als alimentatie diende te worden beschouwd, heeft verweerder hierin aanleiding gezien de maatregel te matigen en de verlaging vast te stellen op 50% van de norm gedurende één maand.

14.

Eiseres stelt zich - kort weergegeven - op het standpunt dat haar niet kan worden verweten dat zij niet bij verweerder heeft gemeld dat zij goederen van [vader] ontving. Er is immers geen sprake geweest van het structureel ontvangen van goederen. Daarnaast stelt eiseres dat zij verweerder de gevraagde inlichtingen heeft verstrekt op het moment dat het haar duidelijk werd dat verweerder het ontvangen van deze goederen van belang achtte.

15.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

16.

Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB verlaagt het college de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, ter zake van het niet of onvoldoende nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet (..). Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

17.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het verlagen van bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid. Ter uitvoering van het voormelde artikel 8 heeft de gemeenteraad van verweerders gemeente de Maatregelenverordening Eindhoven 2012 (hierna: Maatregelenverordening) vastgesteld.

18.

Artikel 3 van de Maatregelenverordening bepaalt dat een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.

19.

Op grond van artikel 15, aanhef en onder b, van de Maatregelenverordening wordt, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht heeft geleid tot ten onrechte of een te hoog verleende bijstand of uitkering, een maatregel opgelegd van 100% van de norm in geval van misbruik.

20.

Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 8 heeft eiseres de inlichtingenplicht zoals neergelegd in artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden door verweerder niet te informeren over de goederen die zij van [vader] ontving. Door hiervan bij verweerder geen melding te maken is tot een te hoog bedrag aan bijstand verstrekt. De rechtbank is niet gebleken dat sprake is van een situatie waarin vanwege het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid van het opleggen van een maatregel moet worden afgezien als bedoeld in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Maatregelenverordening. De rechtbank ziet in de ernst van de gedraging, de mate waarin eiseres de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin zij verkeert geen grond om de maatregel met toepassing van artikel 3 van de Maatregelenverordening nog verdergaand te matigen. Gesteld noch gebleken is voorts van dringende redenen om af te zien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder d, van de Maatregelenverordening.

21.

Het beroep gericht tegen bestreden besluit II is dan ook ongegrond.

Verrekening dwangsommen o.g.v. artikel 60a, vierde lid, van de WWB

22.

Op grond van artikel 60a, vierde lid, van de WWB, zoals dit artikel sedert 1 juli 2013 luidt, kan het college, onverminderd artikel 60, derde lid, en het eerste, tweede en derde lid een vordering die een belanghebbende op hem heeft, verrekenen met een vordering als bedoeld in artikel 58 en 59.

23.

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder aan eiseres tot tweemaal toe een dwangsom toegekend ter hoogte van € 1.260,00 zodat het totale door verweerder aan eiseres toe te kennen bedrag € 2.520,00 bedraagt. De hoogte van deze dwangsommen is door eiseres niet betwist.

24.

Verweerder heeft in de bestreden besluiten meegedeeld dat de te verlenen dwangsommen op grond van artikel 60a, vierde lid, van de WWB worden verrekend met de openstaande vorderingen. Eiseres kan zich hiermee niet verenigen nu de verleende dwangsommen betrekking hebben op een periode voorafgaand aan 1 juli 2013 en verweerder op dat moment niet de mogelijkheid had om tot verrekening over te gaan.

25.

Ingevolge artikel 4:93, eerste lid, van de Awb geschiedt verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering slechts voor zover in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. Bij de wet tot Wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2013), Tweede Kamer, vergaderjaar, 2012-2013, 33 556, nr. 3, is op grond van artikel 60a, vierde lid, van de WWB met ingang van 1 juli 2013 voorzien in de bevoegdheid van verweerder om tot verrekening van een vordering met een vordering op grond van artikel 58 en 59 van de WWB over te gaan.

26.

Uit vaste rechtspraak van de CRvB, onder andere in de uitspraken van 8 november 1994, ECLI:NL:CRVB:1994:ZB0906, 23 december 1996, ECLI:NL:CRVB:AL0754 en 29 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:BQ9827, volgt dat, wanneer bij verandering van wetgeving geen specifieke voorschriften van overgangsrecht zijn gegeven, de aanspraken en verplichtingen van een verzekerde dienen te worden beoordeeld naar de regelgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarover de aanspraken of verplichtingen betrekking hebben. Nu de dwangsommen na 1 juli 2013 zijn toegekend betekent dit dat verweerder bevoegd was deze te verrekenen met openstaande vorderingen. Dat eiseres verweerder reeds op 27 maart 2013 in gebreke heeft gesteld en verweerder, gelet op artikel 4:18 van de Awb, vóór 1 juli 2013 de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsommen had dienen vast te stellen, doet hieraan niet af. De rechtbank merkt in dit verband op dat in artikel 4:86 van de Awb ligt besloten dat een verplichting tot betaling van een geldsom slechts ontstaat indien dit bij beschikking is vastgesteld. Eiseres had tegen het uitblijven van een dergelijke beschikking rechtsmiddelen kunnen aanwenden.

28.

Het beroep tegen de verrekening van de dwangsommen slaagt dan ook niet.

29.

Gelet op de rechtsoverwegingen 10 tot en met 12 komt het verzoek van eiseres om een veroordeling tot het vergoeden van schade voor toewijzing in aanmerking in zoverre dat verweerder zich dient te beraden op een nieuw te nemen besluit ter zake van de mogelijk verschuldigde wettelijke rente.

30.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseres in bezwaar en beroep in de zaak SHE 13/4174 gemaakte proceskosten. De genoemde kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 1.948,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, bestaande uit € 974,00 voor proceskosten in bezwaar (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, met een waarde per punt van € 487,00 en wegingsfactor 1) en € 974,00 voor proceskosten in beroep (1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,00 en wegingsfactor 1).

Tevens ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 44,00 vergoedt.

Beslissing

De rechtbank,

  • -

    verklaart het beroep gericht tegen bestreden besluit I gegrond;

  • -

    vernietigt bestreden besluit I voor zover dit betrekking heeft op de herziening en terugvordering over de periode van 22 november 2010 tot 8 december 2010;

  • -

    herroept primair besluit I in zoverre daarbij de uitkering over de periode van 22 november 2010 tot 8 december 2010 is herzien en teruggevorderd en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit I;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met betrekking tot de hoogte van het over de periode van 8 december 2010 tot en met 31 januari 2012 terug te vorderen bedrag;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.948,00, te betalen aan eiseres;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 44,00 vergoedt;

  • -

    draagt verweerder op een besluit te nemen ter zake van te vergoeden wettelijke rente met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

  • -

    verklaart het beroep gericht tegen bestreden besluit II ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.E. Scheepers-van Die, voorzitter, mr. E.J.J.M. Weyers en mr. A.H.N. Kruijer, in aanwezigheid van drs. J.G.J. van Geesink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.