Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:2211

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-04-2014
Datum publicatie
06-02-2015
Zaaknummer
AWB-13_4409
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verrekening op grond van artikel 60a, vierde lid, van de WWB. Overgangsrecht.

Wetsverwijzingen
Besluit WWB, geldigheid: 2015-02-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/4409

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 april 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, verweerder

(gemachtigde: mr. J.L.J. Martens).

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser in aanmerking gebracht voor een dwangsom ter hoogte van € 1.260,00. Daarbij is medegedeeld dat dit bedrag op grond van artikel 60a, vierde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) zal worden verrekenend met een openstaande vordering van eiser.

Bij besluit van 29 augustus 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2014. Eiser is verschenen in persoon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het onderzoek is heropend na de zitting.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

2.

Eiser heeft op 31 december 2012 een aanvraag ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor - onder meer - een langdurigheidstoeslag over het jaar 2011. Op 18 maart 2013 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld betreffende het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag. Bij besluit van 14 juni 2013 heeft verweerder de aanvraag van eiser om een langdurigheidstoeslag over het jaar 2011 afgewezen.

3.

Partijen houdt verdeeld de vraag of verweerder de bij besluit van 11 juli 2013 toegekende dwangsom met toepassing van artikel 60a, vierde lid, van de WWB mocht verrekenen met een nog openstaande vordering op eiser.

4.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de wijziging per 1 juli 2013 van artikel 60a, vierde lid, van de WWB onmiddellijke werking heeft, nu deze wetswijziging geen bepalingen van overgangsrecht bevat. Verweerder stelt dan ook bevoegd te zijn de vordering die eiser op verweerder heeft - de dwangsom - te verrekenen met het nog openstaande terugvorderingsbedrag in het kader van de WWB.

5.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen nu de verleende dwangsom betrekking heeft op een periode voorafgaand aan 1 juli 2013 en verweerder op dat moment niet de mogelijkheid had om tot verrekening over te gaan. Daarnaast had verweerder, gelet op artikel 4:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), vóór 1 juli 2013 een besluit op de dwangsom moeten nemen. Ook uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kan worden afgeleid dat verweerder niet de bevoegdheid toekomt om tot verrekening op grond van artikel 60a, vierde lid, van de WWB over te gaan, omdat de aanspraak op de dwangsom dateert van vóór 1 juli 2013.

6.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

7.

Op grond van artikel 60a, vierde lid, van de WWB, zoals dit artikellid luidt sedert 1 juli 2013, kan het college, onverminderd artikel 60, derde lid, en het eerste, tweede en derde lid een vordering die een belanghebbende op hem heeft, verrekenen met een vordering als bedoeld in artikel 58 en 59.

8.

Ingevolge artikel 4:93, eerste lid, van de Awb geschiedt verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering slechts voor zover in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. Bij de wet tot Wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2013), Tweede Kamer, vergaderjaar, 2012-2013, 33 556, nr. 3, is op grond van artikel 60a, vierde lid, van de WWB met ingang van 1 juli 2013 voorzien in de bevoegdheid van verweerder om tot verrekening van een vordering met een vordering op grond van artikel 58 en 59 van de WWB over te gaan.

9.

Uit vaste rechtspraak van de CRvB, onder andere in de uitspraken van 8 november 1994, ECLI:NL:CRVB:1994:ZB0906, 23 december 1996, ECLI:NL:CRVB:AL0754 en 29 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:BQ9827, volgt dat, wanneer bij verandering van wetgeving geen specifieke voorschriften van overgangsrecht zijn gegeven, de aanspraken en verplichtingen van een verzekerde dienen te worden beoordeeld naar de regelgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarover de aanspraken of verplichtingen betrekking hebben. Nu de dwangsom na 1 juli 2013 is toegekend betekent dit dat verweerder bevoegd was deze te verrekenen met openstaande vorderingen. Dat eiser verweerder reeds op 18 maart 2013 in gebreke heeft gesteld en verweerder, gelet op artikel 4:18 van de Awb, vóór 1 juli 2013 de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsommen had dienen vast te stellen, doet hieraan niet af. De rechtbank merkt in dit verband op dat in artikel 4:86 van de Awb ligt besloten dat een verplichting tot betaling van een geldsom slechts ontstaat indien dit bij beschikking is vastgesteld. Eiser had tegen het uitblijven van een dergelijke beschikking rechtsmiddelen kunnen aanwenden.

10.

Het beroep is dan ook ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.E. Scheepers-van Die, voorzitter, mr. E.J.J.M. Weyers en mr. A.H.N. Kruijer, in aanwezigheid van drs. J.G.J. van Geesink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.