Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:2159

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24-04-2014
Datum publicatie
24-04-2014
Zaaknummer
01/839762-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt voor het medeplegen van een woningoverval veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar. Het slachtoffer was een 59-jarige man met cognitieve en lichamelijke beperkingen. Verdachte die al eerder voor geweldsdelicten was veroordeeld, heeft het feit gepleegd tijdens een proeftijd van een eerder geweldsdelict.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/839762-13
Parketnummer vordering: 01/845239-13

Datum uitspraak: 24 april 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1972],

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 februari 2014 en 10 april 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 8 januari 2014.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 juni 2013 te Helmond, tezamen en in vereniging ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen

een laptop en/of een portemonnee inhoudende (onder meer) een aantal pasjes en

een hoeveelheid geld ten bedrage van 180 euro of daaromtrent, in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen genoemde [slachtoffer], gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

de woning van die [slachtoffer] is binnengegaan en daarbij, althans vervolgens,

die [slachtoffer] bij de kleding heeft vastgepakt en/of die [slachtoffer] heeft weggeduwd

en/of getrokken en/of die [slachtoffer] heeft toegeroepen: "Geld, geld" en/of die

[slachtoffer] een pistool, althans een op een pistool gelijkend voorwerp, heeft

voorgehouden, althans dat pistool, althans dat op een pistool gelijkend

voorwerp, zichtbaar voor die [slachtoffer] heeft gedragen en daarbij die [slachtoffer] de

woorden: "Anders schiet ik je kapot", althans woorden van gelijke dreigende

aard en/of strekking, heeft toegevoegd;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 01/845239-13 is aangebracht bij vordering van 7 januari 2014. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te arrondissement Oost-Brabant d.d. 17 april 2013. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht op grond van de aangifte door [slachtoffer], de getuigenverklaringen, het sporenonderzoek in de woning en het rapport van het NFI wettig en overtuigend bewezen dat verdachte één van de daders van de woningoverval is geweest. Het verhaal van verdachte dat hij gewond is geraakt bij het knippen van hennep in de betreffende woning, de avond voor de overval, acht de officier van justitie, gelet op de overige verklaringen en bevindingen in het dossier, volstrekt ongeloofwaardig.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte is van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Verdachte heeft de avond voorafgaand aan de overval, te weten op 22 juni 2013 op de zolder van de woning van [slachtoffer] samen met anderen hennep geknipt. Hierbij is verdachte gewond geraakt, waarna hij beneden bij de heer [slachtoffer] om een pleister heeft gevraagd en deze ook van hem heeft gekregen. Bij deze handeling zou het bloed van verdachte op de trui van de heer [slachtoffer] en het naaigerei terecht zijn gekomen, althans het verklaart volgens de raadsvrouwe de aanwezigheid van verdachtes DNA (bloed) op de trui van het slachtoffer en op een zakje naaigerei in de woning van het slachtoffer. Het DNA-spoor moet worden uitgesloten van het bewijs, zodat er onvoldoende bewijs overblijft om verdachte te veroordelen voor deze woningoverval. Derhalve dient volgens de verdediging vrijspraak te volgen.

Het oordeel van de rechtbank.1

De rechtbank acht voor haar oordeel de navolgende feiten en omstandigheden van belang.

Op 23 juni 2013 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van een overval in zijn woning aan [adres 1] te Helmond. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij de enige bewoner is van deze huurwoning sinds zijn vrouw in januari 2013 is overleden. Ten gevolge van meerdere herseninfarcten is hij onder meer slecht ter been, maakt hij gebruik van een rollator en is er in zijn woning een traplift. Hij krijgt elke dag hulp van de thuiszorg om hem te douchen en medicijnen te geven. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij die dag omstreeks 9.15 uur, nadat er werd aangebeld, de deur heeft opgedaan, twee vreemde mannen zag staan (grote mannen, normaal postuur en lengte) en meteen door hen de kamer in werd geduwd. Één van de mannen pakte hem bij zijn trui vast en duwde hem naar binnen en zei: “ Schiet op, schiet op, geld, geld” en trok hem mee naar de trap. Toen [slachtoffer] boven was, moest hij op zijn bed gaan zitten, terwijl de beide mannen de slaapkamers doorzochten. De mannen hadden gezegd dat [slachtoffer] niet naar hun mocht kijken. Daarna moest hij weer mee naar beneden en werd hij weer vastgepakt en de kamer ingeduwd. De kamer werd ook doorzocht. Één van de mannen was gewapend met een pistool. [slachtoffer] hoorde één van de mannen zeggen: “Anders schiet ik je kapot”. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit. Er is een Acer laptop weggenomen en een portemonnee met pasjes en 180 euro.2

Tijdens een sporenonderzoek door de recherche in de woning aan [adres 1] te Helmond op 23 juni 2013, treffen rechercheurs een bloedspoor aan op een doorzichtige plastic zakje met naaigerei, dat nabij het dressoir op de grond lag en volgens [slachtoffer] afkomstig zou zijn uit het dressoir. Dit bloedspoor kreeg het SIN nummer AAGG3102NL. Nu de daders van de overval volgens [slachtoffer] géén handschoenen droegen ten tijde van de overval en [slachtoffer] verklaarde dat hij tegen de grond was geduwd door de daders, werd tevens de trui van [slachtoffer] veiliggesteld. De trui kreeg het SIN nummer AAGG9313NL.3

Voornoemde SIN nummers zijn door het NFI onderzocht en de bevindingen daarvan zijn opgenomen in een rapport van 2 september 2013. Er is bloed aangetroffen in de bemonstering AAGG3102NL#01 van een plastic gripzak en er is bloed aangetroffen op de trui AAGG9313NL. Eén bloedspoor op de achterzijde aan de buitenkant van de trui, ter hoogte van de rechterschouder, is bemonsterd en als AAGG9313NL#03 veiliggesteld.

Er is een match gevonden tussen het DNA-profiel van het bloed in de bemonstering AAGG3102NL#01 en het DNA-profiel van [verdachte], in die zin dat de kans dat het aangetroffen DNA van een ander dan [verdachte] is, kleiner dan 1 op de 1 miljard is. Dit geldt eveneens voor het bloed in de bemonstering AAGG9313NL#03. 4.

De buurvrouw van [slachtoffer], [getuige 1] heeft op 25 juni 2013 bij de politie verklaard dat zij op 23 juni 2013 omstreeks 9.30 uur boven was op haar slaapkamer die gelegen is tegen de woning van haar buurman. Rond die tijd hoorde zij: ”Naar boven, naar boven”. Ze hoorde er ook gestommel bij. De woningen zijn vrij gehorig. De buurvrouw hoorde ook wat geschreeuw. Toen ze naar buiten voor het huiskamerraam van [slachtoffer] is gaan kijken, zag zij een man met een grijze sweater van ongeveer 1.74 m.5

[getuige 2], de medewerkster van [bedrijf 1] die meneer [slachtoffer] op 23 juni 2013 kwam verzorgen, heeft verklaard dat zij die dag omstreeks 9.20/9.30 uur bij de woning aan [adres 1] te Helmond aanbelde. De deur werd opgedaan door een haar onbekende man die zei: “Er is hier niets nodig en alles is in orde”. De deur werd meteen weer dichtgedaan. Toen zij zich omdraaide om weg te gaan, werd de deur weer door dezelfde man opengedaan en zei de man: “Trouwens ik ben de zoon”. Getuige [getuige 2] wist dat meneer [slachtoffer] maar één zoon heeft en dat de onbekende man aan de deur zeker niet de zoon van meneer [slachtoffer] was. De man, die de deur had opgedaan, was 1.80/1.85 m, had donkere zwarte haren die alle kanten opstonden, droeg een grijzig vest, had een normaal postuur, was zongebruind en ze schat hem achter in de 20.6

De rechtbank overweegt op grond van het voorgaande als volgt.

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat de overvallers hem hebben vastgepakt bij zijn trui. Voorts heeft hij verklaard, blijkens het proces-verbaal van het sporenonderzoek, dat de overvallers geen handschoenen droegen. Vóór het dressoir in de kamer is op de grond een plastic zakje met naaigerei aangetroffen, waarvan [slachtoffer] stelt dat dit vóór de overval in het dressoir lag. De lades en het deurtje van het dressoir stonden open ten tijde van het sporenonderzoek in de woning.7 De rechtbank acht op grond hiervan aannemelijk dat (in elk geval één van) de overvallers fysiek in contact is/zijn geweest met de trui van [slachtoffer] en met het plastic zakje met naaigerei dat voor het dressoir op de grond lag. Na onderzoek door het NFI is gebleken dat het bloed dat is aangetroffen op zowel de achterkant van de trui van [slachtoffer] als op voornoemd plastic zakje van verdachte [verdachte] afkomstig is.

Verdachte ontkent alle betrokkenheid bij de overval op 23 juni 2013.

Verdachte heeft als verweer aangevoerd dat zijn bloed op de trui van [slachtoffer] en op het plastic zakje afkomstig uit het dressoir is gekomen, toen hij de avond voor de overval hennep heeft geknipt op de zolder van de woning van [slachtoffer]. Hij zou daarbij gewond zijn geraakt en naar beneden zijn gegaan, alwaar [slachtoffer] hem op zijn verzoek een pleister zou hebben gegeven dan wel hem zou hebben verbonden. Verdachte zou om 20.00 uur de woning hebben verlaten.

Op grond van dit door verdachte gegeven alternatieve scenario heeft op 14 februari 2014 nader onderzoek door de recherche, in het bijzijn van onder meer de raadsvrouw van verdachte en de officier van justitie, in de betreffende woning plaatsgevonden. Hieruit is onder meer naar voren gekomen dat niet uit te sluiten is dat er op enig moment een hennepkwekerij op de zolderverdieping van de woning aan [adres 1] te Helmond aanwezig dan wel werkend is geweest, maar uit het onderzoek wordt niet duidelijk in welk(e) jaar/periode.8 Voorts is aangever [slachtoffer] nader gehoord. Hij heeft verklaard dat hij geen pleisters of verband in huis heeft en dat die er ook nooit gelegen hebben. Hij weet niets van de aanwezigheid van een hennepkwekerij op zijn zolder.9

Hoewel de rechtbank op grond van de nadere bevindingen door de recherche aannemelijk acht dat er op enig moment een (in werking zijnde) hennepkwekerij in voornoemde woning aanwezig is geweest, acht de rechtbank de hiervoor beschreven lezing van verdachte niet aannemelijk geworden.

Daartoe overweegt de rechtbank allereerst dat niet aannemelijk is geworden dat er op de avond vóór de overval, dus op 22 juni 2013, een hennepkwekerij aanwezig is geweest die vervolgens na het knippen van de hennep op die avond of in de daarop volgende nacht volledig is ontruimd. De dag van de overval, 23 juni 2013, zijn verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in opdracht van de meldkamer meteen naar de betreffende woning gegaan en omstreeks 9.45 uur in de betreffende woning aangekomen. Zij verklaren dat zij bij het verblijf in de woning géén henneplucht in de woning hebben geroken.10 Voorts heeft verbalisant [verbalisant 3] op 2 december 2013 verklaard dat hem tijdens het onderzoek in de woning op 23 juni 2013 waarbij hij ook de zolder heeft bekeken, niets is gebleken van het feit dat er een hennepkwekerij in de woning aanwezig was dan wel aanwezig zou zijn geweest. Ook werd door hem nergens in de woning de unieke en hem goed bekende geur van hennep waargenomen.11

De buurvrouw van [slachtoffer], [getuige 1], heeft -zoals hierboven opgenomen- verklaard dat de huizen vrij gehorig zijn maar dat zij niets weet van een hennepkwekerij in de woning naast haar. Het buurtonderzoek heeft ook geen aanwijzingen opgeleverd dat de avond voor de overval een hennepkwekerij in de woning aanwezig zou zijn geweest.12 De rechtbank is van oordeel dat het volledig ontruimen van een ingerichte hennepkwekerij tussen 20.00 uur in de avond van 22 juni 2013 en 9.15 uur in de ochtend van 23 juni 2013 toch de nodige activiteit met zich mee brengt, dat dit op zijn minst zou moeten zijn opgemerkt door de buren dan wel overige buurtbewoners. Eveneens is naar het oordeel van de rechtbank naar algemene ervaringsregels te verwachten dat verbalisanten die doorgaans ervaring hebben in het herkennen van de geur van hennep, die geur ook die ochtend zouden hebben waargenomen indien de avond tevoren in de kleine woning de hennep in de kwekerij zou zijn geknipt. Verder overweegt de rechtbank dat uit de lezing van verdachte niet duidelijk is geworden op welke wijze zijn bloed dan achterop de trui van aangever terecht is gekomen, toen aangever hem zou hebben geholpen met een pleister. In het zakje met naaigerei is/zijn overigens geen pleister(s) aangetroffen.

De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat nu enkel verdachte stelt dat de avond voor de overval een volledig ingerichte en in werking zijnde hennepkwekerij op de zolder van de woning aan [adres 1] te Helmond aanwezig is geweest en deze stelling door geen enkel objectief bewijsmiddel wordt ondersteund, alsmede dat verdachte niet kan aangeven hoe zijn bloed dan op de achterzijde van de trui van het slachtoffer is terecht gekomen, de verklaring van verdachte ongeloofwaardig moet worden geacht en terzijde moet worden geschoven.

De rechtbank is van oordeel dat de lezing van verdachte en zijn raadsvrouw weerlegging vindt in de voorhanden bewijsmiddelen.

De raadsvrouw van verdachte heeft nog aangevoerd dat verdachte niet in het door aangever en de getuigen opgegeven signalement past. Aangever [slachtoffer] geeft in zijn aangifte een vrij algemeen signalement en [getuige 1] en [getuige 2] zien slechts één van de overvallers. De rechtbank kan niet uitsluiten dat deze twee getuigen een beschrijving geven van de medeverdachte van de overval. Het feit dat [slachtoffer] meteen na de overval tegenover een verbalisant zou hebben gezegd dat de overvallers twee blanke jongens van ongeveer 25 jaar oud waren (en verdachte qua leeftijd niet in dat signalement past), doet hieraan niet af.13 [slachtoffer] verklaart dan tegenover die verbalisant ook dat de jongens niet boven zijn geweest, terwijl op grond van de aangifte door [slachtoffer] en de verklaring van de buurvrouw van [slachtoffer], [getuige 1], duidelijk naar voren is gekomen dat dit wel het geval is geweest. Gelet op het feit dat [slachtoffer] cognitieve beperkingen 14heeft, hij volgens zijn aangifte op de bovenverdieping naar beneden moest kijken van de overvallers, kan maken dat hij zich wellicht vergiste in de leeftijd van (in elk geval één van) de overvallers. De hiervoor genoemde signalementen maken naar het oordeel van de rechtbank niet dat verdachte als één van de daders van de overval dient te worden uitgesloten.

De overtuiging van de rechtbank dat verdachte een van de daders is van de overval op de woning van [slachtoffer] wordt verder versterkt door het feit dat verdachte op enig moment, nadat hij eerst had verklaard die avond en nacht bij zijn zus te zijn geweest, met een alternatieve lezing komt voor de aanwezigheid van zijn DNA in de betreffende woning, maar vervolgens niet de namen van de mede-knippers van de hennepkwekerij wil noemen. Deze mede-knippers zouden zijn lezing met betrekking tot de hennepkwekerij namelijk kunnen bevestigen. De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf, maar zeker in samenhang bezien, wijzen zodanig sterk in de richting van verdachte dat deze in beginsel vragen om een redelijke verklaring van de zijde van verdachte. Verdachte heeft deze verklaring niet willen geven.

De rechtbank acht gelet op al het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een medeverdachte op 23 juni 2013 de heer [slachtoffer] in zijn woning aan [adres 1] te Helmond heeft overvallen en beroofd van een laptop en een portemonnee met inhoud.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 23 juni 2013 te Helmond, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-ëigening heeft weggenomen

een laptop en een portemonnee inhoudende (onder meer) een aantal pasjes en

een hoeveelheid geld ten bedrage van 180 euro of daaromtrent, toebehorende aan [slachtoffer],

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen genoemde [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander, de woning van die [slachtoffer] is binnengegaan en vervolgens die [slachtoffer] bij de kleding heeft vastgepakt en die [slachtoffer] heeft weggeduwd en/of getrokken en die [slachtoffer] heeft toegeroepen: "Geld, geld" en die

[slachtoffer] een pistool, althans een op een pistool gelijkend voorwerp, heeft voorgehouden,

en daarbij die [slachtoffer] de woorden: "Anders schiet ik je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, heeft toegevoegd

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) jaren, met aftrek conform het gestelde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

Ten uitvoer leggen van de vordering na voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 01/845239-13, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Nu de raadsvrouw van verdachte heeft gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken, komt zij aan het innemen van een standpunt ten aanzien van het opleggen van een straf aan verdachte in het geheel niet toe.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woningoverval. Een dergelijke overval, zeker wanneer daarbij geweld wordt gebruikt zoals in casu het geval is, is voor de slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring waar zij nog jarenlang last van kunnen hebben. Overvallen leiden bovendien tot gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving. Verdachte heeft met die gevoelens geen rekening gehouden toen hij besloot op een gewelddadige manier snel aan geld te willen komen. Het gewelddadig karakter van het door verdachte gepleegde strafbare feit laat zien dat verdachte er niet voor terugschrikt om met een ander geweld tegen een ander mens te gebruiken.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten werd veroordeeld, dat verdachte het onderhavige strafbare feit heeft gepleegd kort na een eerdere veroordeling voor een soortgelijk feit, dat verdachte het onderhavige strafbare feit heeft gepleegd tijdens de proeftijd van een eerdere veroordeling en dat verdachte de ernst van het door hem aan zijn slachtoffer, een kwetsbare man van 59 jaar met lichamelijke en cognitieve beperkingen, aangedane leed kennelijk niet dan wel onvoldoende inziet.

De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming van lange duur op zijn plaats en wel een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) jaar.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 01/845239-13.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 63, 310, 312.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te

maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Last tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij

vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch (rechtbank Oost-Brabant) d.d.

17 april 2013 , gewezen onder parketnummer 01/845239-13, te weten:

Gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,

mr. M.G.P.A. Burghoorn en mr. A.M.R. van Ginneken, leden,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Etteger-Lubbers, griffier,

en is uitgesproken op 24 april 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het eindproces-verbaal (hierna te noemen: PV 1) van de regiopolitie, gezamenlijke recherche Helmond, met dossiernummer 2013085549, afgesloten d.d. 28 november 2013, aantal doorgenummerde pagina’s: 87 of de bijlagen bij het vervolg proces-verbaal (hierna te noemen: PV 2) van de politie eenheid Oost-Brabant, districtsrecherche Helmond, met dossiernummer 2013085549, afgesloten d.d. 11 maart 2014, aantal doorgenummerde pagina’s: 115.

2 Aangifte door [slachtoffer] (PV 1, p. 29, 30 en 31)

3 PV sporenonderzoek (PV 1, p. 62, 63 en 64)

4 Rapport NFI d.d. 2 september 2013 (PV 1, p. 73, 74 en 75)

5 Verklaring getuige [getuige 1] (PV 1, p. 41 en 42)

6 Verklaring getuige [getuige 2] (PV 1, p. 43, 44 en 45)

7 Foto’s 10, 12 en 14 (PV 1, p. 69, 70 en 71)

8 Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 17 februari 2014 (Pv 2, p. 33, 34 en 35)

9 Verhoor [slachtoffer] (PV 2, p. 91 en 92)

10 Proces-verbaal bevindingen (Pv 2, p. 107)

11 Proces-verbaal bevindingen (Pv 1, p. 85)

12 Proces-verbaal (Pv 1, p. 40)

13 Proces-verbaal bevindingen (Pv 1, p. 34)

14 Proces-verbaal (PV 2, p. 104)