Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:213

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-01-2014
Datum publicatie
20-01-2014
Zaaknummer
SHE 13/4677
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank onderschrijft, onder verwijzing naar een uitspraak van de ABRS, het standpunt van verweerder dat niet de weigering om ontheffing te verlenen, maar de vaststelling van de Verordening Ruimte Noord-Brabant 2011 de mogelijk schadeveroorzakende uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid is. Bij de vaststelling van die Verordening hebben provinciale staten een afweging gemaakt van de betrokken belangen en vervolgens de keuze gemaakt voor een limitatieve ontheffingsregeling, waaraan verweerder gebonden is. Dit houdt in dat in het kader van het verlenen van ontheffing geen ruimte bestaat voor een belangenafweging op grond van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht Awb.

De Verordening omvat slechts algemeen verbindende voorschriften, waartegen ingevolge de Awb geen beroep open staat. Indien de vaststelling van de Verordening onevenredig nadelige gevolgen heeft in een concreet geval, is daarom niet de bestuursrechter, maar de civiele rechter bevoegd om over de vergoeding van schade als gevolg daarvan te oordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

Zaaknummer: SHE 13/4677

Uitspraak van de meervoudige kamer van 17 januari 2014 in de zaak tussen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bladel, eiser,

(gemachtigde: E.G. van Sambeeck-van Deursen)

en

gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, verweerder,

(gemachtigde: E.A.L.J.C. van Lieshout).

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder een door eiser gevraagde ontheffing als bedoeld in artikel 9.5 van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (de Verordening) geweigerd.

Bij besluit van 13 maart 2012 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, hetgeen bij uitspraak van 21 januari 2013 gegrond is verklaard. Het besluit van 13 maart 2012 is daarbij vernietigd en verweerder is opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.


Bij besluit van 27 augustus 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser opnieuw ongegrond verklaard en het primaire besluit, wederom onder aanvulling van de motivering, gehandhaafd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2013. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

2.

Eiser heeft op 1 oktober 2010 bij verweerder een aanvraag ingediend om ontheffing te verlenen van het in artikel 9.4 van de Verordening neergelegde verbod tot nieuwvestiging van intensieve veehouderijen in landbouwontwikkelingsgebieden (LOG). Deze ontheffing van verweerder had eiser nodig om met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals die destijds luidde, vrijstelling van het bestemmingsplan Buitengebied Bladel 2010 te kunnen verlenen ten behoeve van de verplaatsing van de intensieve veehouderij van [persoon 1] naar het perceel [adres], gelegen in het LOG “Hulsel-Bladel”.

3.

Op 31 maart 2011 heeft eiser met [persoon 1] een vaststellingsovereenkomst gesloten wegens het niet doorgaan van diens bedrijfsverplaatsing. Daarin is onder meer overeengekomen dat [persoon 1] afziet van de bedrijfsverplaatsing en dat eiser bij wijze van tegemoetkoming aan [persoon 1] een bedrag van € 495.000,00 zal voldoen, bestaande uit
€ 120.000,00 voor vergoeding van kosten en inkomstenderving en € 375.000,00 als koopsom voor de desbetreffende gronden in het LOG.

4.

Met het primaire besluit heeft verweerder, op grond van artikel 9.5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening, geweigerd de gevraagde ontheffing te verlenen. Voorts heeft eiser bij brief van 14 juli 2011 verweerder aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade, begroot op € 370.248,57. Bij besluit van 15 februari 2012 heeft verweerder dit verzoek om schadevergoeding afgewezen.

5.

Bij besluit van 13 maart 2012 heeft verweerder zijn primaire besluit gehandhaafd. Het door eiser tegen dit besluit ingestelde beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van 21 januari 2013 (AWB 12/1248) gegrond verklaard. Verweerder is hierin opgedragen om met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

6.

Ter uitvoering van deze uitspraak heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Hierin heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit wederom ongegrond verklaard en ten aanzien van het niet voorzien in nadeelcompensatie verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 17 juli 2013, nummer 201204343/1/R3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet de weigering om ontheffing te verlenen, maar de vaststelling van de Verordening op grond van artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), de mogelijk schadeveroorzakende uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid is. Bij de vaststelling van de Verordening hebben provinciale staten een afweging gemaakt van de betrokken belangen en vervolgens de keuze gemaakt voor een limitatieve ontheffingsregeling, waaraan verweerder gebonden is. Dit houdt in dat in het kader van het verlenen van ontheffing geen ruimte bestaat voor een belangenafweging op grond van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De algemene regels in de Verordening zijn algemeen verbindende voorschriften. Omdat daartegen op grond van de Awb geen beroep openstaat, is niet de bestuursrechter maar de civiele rechter bevoegd te oordelen over een eventuele vergoeding van schade als gevolg van de vaststelling van deze algemene regels, ingeval de toepassing hiervan onevenredige nadelige gevolgen heeft in het concrete geval.

7.

Eiser voert aan dat verweerder met het bestreden besluit geen gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van 21 januari 2013. Verweerder stelt daarbij volgens eiser ten onrechte dat hij geen ruimte heeft voor een belangenafweging op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. De rechtbank verstaat dit standpunt aldus dat eiser bedoelt dat niet de Verordening maar de weigering om ontheffing te verlenen het schadeveroorzakende besluit is.

8.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de ABRS van 7 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:652, zal de rechtbank eisers grief dat verweerder de uitspraak van de rechtbank niet, dan wel onvolledig, heeft uitgevoerd, wat daar ook van zij, passeren.

In die uitspraak oordeelt de ABRS, met verwijzing naar haar uitspraak van 17 juli 2013 (reg.nr. 201204343/1/R3), dat de bestuursrechter slechts bevoegd is over dit aspect te oordelen indien hij ook bevoegd is ten aanzien van de schadeveroorzakende uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid. Evenals in die uitspraak is naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval de mogelijk schadeveroorzakende uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid, de vaststelling van artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, en artikel 9.5, vierde lid, van de Verordening door provinciale staten en niet de weigering van de ontheffing door verweerder. Bij de vaststelling van de Verordening hebben provinciale staten kennelijk een afweging van de betrokken belangen gemaakt en vervolgens gekozen voor de strikte, limitatieve ontheffingsregeling, waaraan verweerder gebonden is. Dit heeft tot gevolg dat er voor verweerder geen ruimte bestaat voor een belangenafweging op grond van artikel 3:4 van de Awb. De Verordening omvat slechts algemeen verbindende voorschriften, waartegen ingevolge artikel 8:2, aanhef en onder a, van de Awb, geen beroep openstond. Indien de vaststelling van de Verordening onevenredig nadelige gevolgen heeft in een concreet geval, is daarom niet de bestuursrechter, maar de civiele rechter bevoegd om over de vergoeding van schade als gevolg daarvan te oordelen. Het betoog van eiser kan reeds daarom niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De inhoudelijke argumenten van eiser waarom hij aanspraak meent te kunnen maken op schadevergoeding, behoeven daarom geen bespreking.

9.

De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat het bestreden besluit stand houdt, zodat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

10.

Er bestaat dan ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, noch om te bepalen dat het betaalde griffierecht moet worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank

-verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, en mr. M.J.H.M Verhoeven en mr. G. Neelis, leden, in aanwezigheid van mr. A.G.M. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.