Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:2125

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
AWB-13_4880
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De zaak betreft het windturbinepark Zuid-Dintel. GS hebben de verantwoordelijkheid te bewerkstelligen dat de ontwerpbeschikking gedurende de gehele termijn niet alleen online maar ook daadwerkelijk ter inzage ligt op de locatie die is aangegeven in de kennisgeving. Omdat GS dit niet hebben onderzocht wordt het beroep van een aantal eisers wel ontvankelijk verklaard. GS hoeven de verlening van de benodigde vergunning niet te coördineren met de vergunning voor twee andere nabijgelegen windturbineparken. De rechtbank is van oordeel dat de vergunning niet in strijd is met het inpassingsplan. De vergunning bevat voldoende voorschriften ter voorkoming van hinder vanwege laagfrequent geluid en slagschaduw. Gelet op de afstand van 470 meter tussen de windturbine en de meest dichtstbijzijnde woning kan niet kan worden aangenomen dat de gevreesde effecten van de windturbines voor vleermuizen de kwaliteit van de directe leefomgeving van eisers zullen aantasten. De betreffende norm van de Flora en faunawet strekt kennelijk niet tot bescherming van de belangen van eisers. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening, geldigheid: 2014-04-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/4880

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 april 2014 in de zaak tussen

[eisers], te [woonplaats], eisers

(gemachtigde: mr. J.E. Dijk),

en

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, verweerder

(gemachtigden:[naam 1] en [naam 2]).

Als derde-partij (hierna: vergunninghoudster) heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghoudster], te [plaatsnaam], (gemachtigde: mr. ing. A.P.J. Timmermans)

Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster voor het oprichten en in werking hebben van drie windturbines en het maken van een uitweg, op de percelen kadastraal bekend gemeente Dinteloord, sectie B, nummers 138, 492, 499, 543 en 545.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Op 28 oktober 2013 hebben eisers ter zake van het bestreden besluit een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer

SHE 13/4879. Het verzoek is bij de inlichtingencomparitie in de hoofdzaak van

18 december 2013 ingetrokken. Van de inlichtingencomparitie is een proces-verbaal opgemaakt.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2014. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken SHE 13/5493 en SHE 13/5496. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghoudster is vertegenwoordigd door haar gemachtigde.

Overwegingen

1.1 De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Vergunninghoudster is voornemens drie windmolens te bouwen aan de Galgendijk te Dinteloord. In de directe omgeving worden nog twee windparken opgericht, windpark Oud Dintel (tussen de Rolleplaatweg en Groeneweg in Heijningen) en Nieuw Prinsenland (Noordzeedijk Dinteloord), beide aangevraagd door [bedrijf], te[plaatsnaam].

1.2 Bij besluit van 9 juli 2010 hebben provinciale staten van de provincie Noord-Brabant het inpassingsplan "Inpassingsplan Agro & Food Cluster West-Brabant" vastgesteld om de ontwikkeling van het Agro & Foodcluster in West-Brabant mogelijk te maken. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) heeft dit besluit bij uitspraak van 7 december 2011 (ECLI:NL:RVS:2010:BU7101) gedeeltelijk vernietigd. Bij besluit van 27 augustus 2012 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant het wijzigingsplan "Windpark Zuid-Dintel" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen. Bij uitspraak van 24 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:546) heeft de ABRS het besluit van 27 augustus 2012 vernietigd maar de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten. Bij besluit van 7 februari 2013 heeft de gemeenteraad van Moerdijk het bestemmingsplan “Windpark Oud Dintel” vastgesteld. Bij uitspraak van 24 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:508) heeft de ABRS twee van de daartegen ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard en de overige beroepen ongegrond verklaard.

1.3 Op 28 augustus 2013 heeft verweerder tevens een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van vier windturbines, op de percelen kadastraal bekend gemeente Dinteloord, sectie B, nummers 155, 156, 157, 159 en 229 (windpark Nieuw Prinsenland). Het hiertegen ingestelde beroep bij deze rechtbank is geregistreerd onder zaaknummer SHE 13/5496. Bij besluit van 25 september 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van vijf windturbines, op de percelen kadastraal bekend gemeente Fijnaart, sectie U, nummers 27, 30, 31 en 32 (windpark Oud Dintel). Het hiertegen ingestelde beroep bij deze rechtbank is geregistreerd onder zaaknummer SHE 13/5493.

1.4 Ten behoeve van de drie windparken tezamen is één milieueffectrapport opgesteld.

2.1 De rechtbank stelt vast dat niet alle eisers die beroep hebben ingesteld ook zienswijzen kenbaar hebben gemaakt. Het betreffen [naam 3 en 4], [naam 5], [naam 6],
[naam 7], [naam 8], [naam 9], [naam 10], [naam 11] en [naam 12]. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan beroep slechts worden ingesteld door de belanghebbende die tegen het besluit tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

2.2 Van de zijde van eisers wordt erkend dat de hierboven genoemde personen geen zienswijzen hebben ingediend. Zij zijn van mening dat het beroep toch ontvankelijk is om de volgende redenen. Zij merken op dat sprake is van een buitengewoon ingewikkelde procedure die samenhangt met de procedures rond windpark Oud Dintel en windpark Nieuw Prinsenland. De bekendmaking van de ontwerpbeschikking vond bovendien plaats in de vakantieperiode. In deze periode was ook sprake van verwarring door de reorganisatie van de vergunningverlening door gemeenten en provincie en de oprichting van de omgevingsdienst Midden- en West-Brabant. Bovendien heeft de ontwerpbeschikking niet ter inzage gelegen op het gemeentehuis in Steenbergen en was dit wel aangegeven in de kennisgeving van de ontwerpbeschikking. De gemachtigde van eisers heeft pas op het laatste moment inzage gekregen in de ontwerpbeschikking, nadat hij deze had opgevraagd bij de contactpersoon van verweerder. Op dat moment ontbrak de tijd om de benodigde machtigingen op te vragen en de concept-zienswijzen voor te leggen aan de hierboven genoemde personen.

2.3 In de kennisgeving van de ontwerpbeschikking is het volgende aangegeven: “De ontwerpbeschikking en de bijbehorende stukken zijn vanaf 2 april 2013 tot 14 mei 2013 in te zien bij de gemeente Steenbergen. Voor locatie, tijdstippen en dagen waarop u de stukken kunt inzien verwijzen wij u naar de website van de gemeente. Ook is het mogelijk de stukken in te zien in het provinciehuis van de Provincie Noord-Brabant (…). ”

2.4 Eisers hebben al in de zienswijzen gesteld dat de ontwerpbeschikking niet daadwerkelijk ter inzage heeft gelegen. Verweerder heeft in reactie hierop aangegeven dat de aanvraag digitaal via het omgevingsloket online ter inzage heeft gelegen en heeft de zienswijze deels gegrond verklaard. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting aangegeven dat zij niet hebben geverifieerd of de gemeente Steenbergen de ontwerpbeschikking daadwerkelijk ter inzage heeft gelegd. Verweerder heeft een afschrift van de ontwerpbeschikking gestuurd aan de gemeente Steenbergen en is van mening dat het de verantwoordelijkheid is van de gemeente om de ontwerpbeschikking ter inzage te leggen.

2.5 Om zienswijzen te kunnen indienen, moet het mogelijk zijn de ontwerpbeschikking in te zien. De rechtbank gaat er van uit dat de ontwerpbeschikking niet feitelijk ter inzage heeft gelegen op het gemeentehuis van de gemeente Steenbergen nu verweerder hiernaar geen onderzoek heeft ingesteld. Anders dan verweerder veronderstelt, behoort het tot zijn verantwoordelijkheid te bewerkstelligen dat de ontwerpbeschikking gedurende de gehele termijn niet alleen online maar ook daadwerkelijk ter inzage ligt op de locatie die is aangegeven in de kennisgeving. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de hierboven genoemde eisers redelijkerwijze niet kan worden verweten dat zij geen zienswijzen hebben ingediend en is hun beroep wel ontvankelijk. De overige door eisers aangevoerde redenen behoeven geen bespreking.

3.1 Eisers stellen dat het bestreden besluit is voorbereid in strijd met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat de ontwerpbeschikking niet ter inzage heeft gelegen op het gemeentehuis van Steenbergen.

3.2 De rechtbank gaat er van uit dat deze stukken, in afwijking van de publicatie, niet ter inzage hebben gelegen op één van de twee in de publicatie aangegeven locaties. De rechtbank acht het echter niet aannemelijk dat belanghebbenden hierdoor zijn benadeeld, omdat deze stukken wel op het provinciehuis ter inzage hebben gelegen en in ieder geval op verzoek van eisers elektronisch ter beschikking zijn gesteld. Niet valt in te zien dat, als derden een soortgelijk verzoek zouden hebben gedaan, zij de stukken niet ook op het provinciehuis zouden hebben kunnen inzien of, desgevraagd, deze niet, al dan niet langs elektronische weg, tijdig zouden hebben kunnen ontvangen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de beroepen van eisers ontvankelijk zijn. De rechtbank passeert deze beroepsgrond met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

4.1 Eisers hebben aangevoerd dat de procedures rond de drie windparken hadden moeten worden gecoördineerd. Dit zou hebben geleid tot een zorgvuldigere besluitvorming. Zij wijzen er op dat ook één milieueffectrapport is gemaakt en dat indien slechts één windpark wordt gerealiseerd sprake is van strijd met artikel 11.12, tweede lid, onder b, van de Verordening ruimte 2012 (VR 2012). Ter zitting hebben eisers hun beroepsgrond dat de drie windparken tezamen één inrichting vormen in de zin van artikel 1.1 van de Wet milieubeheer ingetrokken.

4.2 Verweerder heeft geen aanleiding gezien de drie procedures te coördineren.

4.3 Vergunninghoudster heeft aangegeven hier geen voorstander van te zijn omdat de besluitvorming dan te langzaam verloopt.

4.4 In de uitspraak van 24 juli 2013 inzake het wijzigingsplan “Windpark Zuid-Dintel” (ECLI:NL:RVS:2013:546) heeft de ABRS het volgende overwogen: “Hoewel de Wro voorziet in mogelijkheden om voor het gehele door appellant en anderen bedoelde gebied één plan vast te stellen door één bestuursorgaan, ziet de Afdeling in de stelling dat nu voor de verschillende projecten één gezamenlijk MER is opgesteld, geen aanleiding voor het oordeel dat ook één plan door één bestuursorgaan had moeten worden vastgesteld en dat het college geen gebruik had kunnen maken van de wijzigingsbevoegdheid in het inpassingsplan. Dit betoog faalt. (…) Bij besluit van 7 februari 2013 heeft de raad van de gemeente Moerdijk een bestemmingsplan vastgesteld voor het gebied aan de noordzijde van de Dintel tegenover het gebied waarop het wijzigingsplan betrekking heeft. In dit plan is voorzien in de bouw van ten minste vijf en maximaal zes windturbines. Gelet hierop voorzien beide plannen in één cluster van ten minste acht windturbines en wordt voldaan aan artikel 11.12, tweede lid, onder b, van de Verordening. Overigens is bij uitspraak van het heden, in zaak nr. 201303381/1/R6, het beroep tegen dit bestemmingsplan ongegrond verklaard.”

4.5 De Wabo noch de Awb bevatten een verplichting om aanvragen voor omgevingsvergunningen te coördineren op de door eisers voorgestane wijze. Ingevolge artikel 9f, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 coördineert verweerder de voorbereiding en bekendmaking van de besluiten, aangewezen op grond van artikel 9d, eerste lid, ten behoeve van de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie als bedoeld in artikel 9e, eerste lid van de wet. Ingevolge het zesde lid, onder a, van dat artikel kan verweerder bepalen dat het eerste lid niet van toepassing is op een productie-installatie als bedoeld in artikel 9e, eerste lid, van de wet, als - in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van de desbetreffende productie-installatie - redelijkerwijze niet valt te verwachten dat toepassing van het eerste lid de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of dat daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden. Tot de besluiten als bedoeld in artikel 9d, eerste lid, worden in ieder geval gerekend de besluiten bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo ingevolge het Uitvoeringsbesluit rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten.

4.6 De rechtbank verstaat het bestreden besluit aldus dat verweerder met toepassing van artikel 9f, zesde lid, van de Electrictiteitswet 1998 twee aparte omgevingsvergunningen voor de windparken Zuid-Dintel en Nieuw Prinsenland heeft verleend. Verweerder is hiertoe bevoegd ingevolge 9e, vierde lid, van de Elektriciteitswet 1998. Nu reeds een milieueffectrapport voor de drie windparken gezamenlijk is opgesteld, is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft kunnen overgaan tot aparte vergunningverlening. Niet valt in te zien dat na het gereed komen van het milieueffectrapport en het vaststellen van het wijzigingsplan “Dintel Zuid” coördinatie de besluitvorming in betekende mate had kunnen versnellen of dat hier andere aanmerkelijke voordelen aan zijn verbonden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de ABRS reeds heeft geoordeeld dat verweerder geen toepassing heeft gegeven aan artikel 3:33 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en dat geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 3:33, eerste lid, van de Wro tot coördinatie. Er is evenmin aanleiding voor coördinatie vanwege artikel 11.12, tweede lid, onder b, van de VR 2012. Dit is geen rechtstreeks werkende bepaling als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, van de Wro en maakt aldus geen onderdeel uit van het toetsingskader ingevolge artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo voor de vergunningverlening van de activiteit ‘bouwen’. De VR 2012 maakt evenmin onderdeel uit van het toetsingskader ingevolge artikel 2.14 van de Wabo voor de activiteit ‘oprichten van een inrichting’. Deze beroepsgrond faalt.

5.1 Eisers hebben aangevoerd dat het bedrijfsmatig exploiteren van windturbines in strijd is met het bestemmingsplan. Er is volgens eisers strijd met artikel 1.38 van het inpassingsplan "Inpassingsplan Agro & Food Cluster West-Brabant" en artikel 5.51 van het wijzigingsplan "Windpark Zuid-Dintel" omdat geen sprake is van zogenoemde “symbiose”. Eisers hebben aangevoerd dat het oprichten van de beoogde turbines beschouwd moet worden als een zelfstandige inrichting waarbij geen sprake is van enige organisatorische en technische binding met het Agro & Foodcluster-West Brabant. Verder dragen de turbines niet bij aan gezamenlijke kennisontwikkeling en innovatie. Het zijn standaard turbines die de opgewekte stroom rechtsreeks aan het net leveren en niet aan het Agro & Foodcluster-

West-Brabant. Van samenwerking tussen het windmolenpark en de agrarische bedrijven is dus geen sprake. Eisers hebben verder aangevoerd dat het bedrijfsmatig exploiteren van windturbines niet valt onder de categorieën bedrijven die in de planregels worden genoemd en hiervoor is bij de in het bestemmingsplan genoemde adviescommissie geen ontheffing gevraagd.

5.2 Verweerder en vergunninghoudster hebben aangegeven dat de categorie windmolens apart is benoemd in het wijzigingsplan en dat de verplichting dat sprake moet zijn van symbiose niet ziet op windmolens.

5.3 De gronden in het plangebied van het wijzigingsplan Windpark Zuid-Dintel hebben de bestemming ‘Agrarisch’ (artikel 3) of ‘Agrarisch-projectvestiging glastuinbouw’ (artikel 4) of ‘Bedrijventerrein’ (artikel 5). Op grond van artikel 3.1, onder h, van de planvoorschriften zijn de als ‘Agrarisch’ aangewezen gronden specifiek bestemd voor windturbines ter plaatse van de aanduiding ‘windturbinepark’. Op grond van artikel 4.1, onder r, van de planvoorschriften zijn de als ‘Agrarisch-projectvestiging glastuinbouw’ aangewezen gronden specifiek bestemd voor windturbines ter plaatse van de aanduiding ‘windturbinepark’. Op grond van artikel 5.1, onder s, van de planvoorschriften zijn de als ‘Bedrijventerrein’ aangewezen gronden specifiek bestemd voor windturbines ter plaatse van de aanduiding ‘windturbinepark’.

5.4 Ingevolge artikel 4.5.1 van de planvoorschriften is het beleid ten aanzien van glastuinbouwbedrijven erop gericht om ter plaatse een volwaardige glastuinbouwprojectvestiging te creëren met een symbiose met de bedrijven in het plangebied. Ingevolge artikel 5.5.1 van de planvoorschriften is het beleid ten aanzien van de onder 5.1, onder a, van de planvoorschriften genoemde bedrijven erop gericht om een bedrijventerrein te realiseren dat is gericht op symbiose. De in artikel 5.1, onder a, genoemde bedrijven zijn agro- en foodgerelateerde bedrijven, bedrijven op het gebied van agrologistiek en bedrijven uit de voedings- en genotmiddelenindustrie in de milieucategorieën 3, 4 en 5 van de staat van bedrijfsactiviteiten bij het wijzigingsplan.

5.5 De rechtbank is van oordeel dat de windmolens als aparte doeleinden in de bestemmingen zijn genoemd. Dit is een nevenbestemming. Een aparte vermelding in de staat van bedrijfsactiviteiten is niet noodzakelijk. De rechtbank is verder van oordeel dat uit de tekst van de planvoorschriften duidelijk blijkt dat er slechts een symbiose moet bestaan tussen glastuinbouwbedrijven, dan wel de specifiek in artikel 5.1, onder a, van de planvoorschriften genoemde bedrijven. De planvoorschriften verplichten niet tot een symbiose tussen deze bedrijven en de windmolens. Dat in de toelichting van het wijzigingsplan, alsmede het inpassingsplan, volgens eisers een andere indruk wordt gewekt, leidt, wat daar verder ook van zij, niet tot een ander oordeel. De toelichting vormt geen onderdeel van het bestemmingsplan. Omdat de tekst van het bestemmingsplan duidelijk is, hecht de rechtbank aan de toelichting daarom geen waarde. Deze beroepsgrond faalt.

6.

Eisers hebben hun beroepsgrond ten aanzien van lichtschittering ingetrokken.

7.1

In verband met de vrees voor gezondheidsschade veroorzaakt door laagfrequent geluid en het ontbreken van een norm op dit gebied hebben eisers aangevoerd dat verweerder aanvullende voorschriften dient op te nemen in de vergunning waarin controlemetingen in de woningen en daarbuiten verplicht worden gesteld. Eisers hebben desgevraagd aangegeven dat de bewoners geen bezwaar hebben tegen het verrichten van metingen in hun woningen.

7.2

Verweerder en vergunninghoudster hebben aangegeven dat uit het bij de aanvraag gevoegde deskundigenonderzoek is gebleken dat ter plaatse van de woningen in de omgeving geen hinder van laag frequent geluid valt te verwachten. Vergunninghoudster ziet geen toegevoegde waarde in het opleggen van een norm en een voorschrift om controlemetingen in de woningen van eisers uit te voeren. Naast de praktische problemen, bestaat er geen wettelijk objectieve norm en is de objectiviteit van de metingen niet gegarandeerd. Het opleggen van een norm voor laagfrequent geluid en het voorschrijven van een door vergunninghoudster uit te voeren controlemeting zijn onredelijk bezwarend voor vergunninghoudster.

7.3

De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij toepassing van artikel 2.14 van de Wabo een zekere beoordelingsvrijheid toekomt die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen

voortvloeit uit de meest recente, algemeen aanvaarde, milieutechnische inzichten. Voorts dient de besluitvorming te voldoen aan de wettelijke eisen en aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verder komt verweerder beleidsvrijheid toe bij de beantwoording van de vraag of hij gebruik zal maken van de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen en dient hij daarbij een belangenafweging te maken.

7.4

Voor laagfrequent geluid zijn geen normen opgesteld. Wel hebben de Nederlandse Stichting Geluidhinder (NSG) en de DCMR Milieudienst Rijnmond (DCMR) respectievelijk de NSG LF-referentiecurve en de DCMR LF-toetscurve voor de dag-, avond- en nachtperiode opgesteld, die als richtlijn gebruikt kunnen worden voor mogelijke hinder als gevolg van laagfrequent geluid. Aan de aanvraag is een rapport van Pondera van 17 februari 2013, kenmerk 713013 AS WP SurveyCom V3 gehecht van een akoestisch onderzoek en een onderzoek naar slagschaduwhinder. (verder: het Ponderarapport). In het rapport is een berekening uitgevoerd. Uit grafieken 2-3 tot en met 2-5 in het Ponderarapport is af te leiden dat de werkelijke immissieniveaus onder beide curven liggen. Verder zal de bouwkundige staat van de woningen voldoende zijn om het laagfrequente geluid binnen te weren zodat dit geluid in de woningen niet waarneembaar zal zijn.

7.5

Eisers hebben de bevindingen in het rapport niet bestreden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de bevindingen in het rapport, geen aanleiding heeft hoeven zien om de vergunning te weigeren. De rechtbank is voorts van oordeel dat het stellen van een controlevoorschrift ten behoeve van het meten binnen de woningen van eisers geen toegevoegde waarde heeft nu uit het Ponderarapport voortvloeit dat het laagfrequent geluid hier niet waarneembaar zal zijn. Niet valt in te zien dat het dan hinderlijk zal zijn. Deze beroepsgrond faalt.

8.1

Eisers hebben aangevoerd dat ten onrechte alleen voor turbine 3 in windpark Zuid-Dintel in een stilstandregeling is voorzien. Er had rekening moeten worden gehouden met een wisselend aantal winddagen per jaar en afwijkingen van de computermodellen alsmede met mogelijke toekomstige woningen. Om hierop in te spelen dient volgens eisers ook voor turbine 1 en 2 in een stilstandregeling te worden voorzien. In ieder geval had de interpretatie van artikel 3.12 van de Activiteitenregeling milieubeheer (Arm) in het Ponderarapport als maatwerkvoorschrift moeten worden opgelegd.

8.2

Verweerder stelt hierover dat om te voldoen aan het Activiteitenbesluit (Abm) en de Arm alleen de windturbines 3 (Dintel-Zuid) en 6 en 7 (Nieuw Prinsenland) dienen te worden voorzien van een stilstandregeling. Er is geen noodzaak om op grond van artikel 3.12, tweede lid, van de Arm strengere maatregelen te eisen. De exploitanten zijn ook niet bereid om stilstandvoorzieningen op de windturbines aan te brengen of andere maatregelen te treffen. Er bestaat geen grond om bij maatwerkvoorschriften aanvullende eisen te stellen.

8.3

Vergunninghoudster heeft aangegeven dat uit het slagschaduwonderzoek blijkt dat een stilstandregeling op windturbine 3 voldoet aan het beperken van de omvang van de slagschaduw tot gemiddeld maximaal 5 uur per jaar bij woningen in de omgeving. Een stilstandregeling op de winturbines 1 en 2 is overbodig. Deze veroorzaken tezamen met windturbine 3 niet meer dan gemiddeld 5 uur slagschaduw per jaar bij woningen, hetgeen aanvaardbaar is. Een stilstandregeling heeft geen toegevoegde waarde. Een strengere norm is niet gewenst omdat het de productie van elektriciteit verder beperkt.

8.4

Ingevolge artikel 3.14 van het Abm worden de in de Arm genoemde maatregelen toegepast ter voorkoming en beperking van slagschaduw. Artikel 3.12 van de Arm luidt als volgt: “Ten behoeve van het voorkomen of beperken van slagschaduw en lichtschittering is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt, indien slagschaduw optreedt ter plaatse van gevoelige objecten voor zover de afstand tussen de windturbine en de gevoelige objecten minder dan 12 maal de rotordiameter bedraagt en gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw kan optreden en voor zover zich in de door de slagschaduw getroffen uitwendige scheidingsconstructie van gevoelige gebouwen of woonwagens ramen bevinden. De afstand geldt van een punt op ashoogte van de windturbine tot de gevel van het gevoelige object.”

8.5

In het Ponderarapport wordt deze regeling aldus geïnterpreteerd, dat slechts woningen van derden bij de beoordeling worden betrokken, dat schaduw bij een zonnestand lager dan vijf graden als niet hinderlijk wordt beoordeeld, dat bij een windpark schaduwuren en -dagen van afzonderlijke turbines bij elkaar worden opgeteld, voor zover de schaduwen elkaar niet overlappen, en dat er geen stilstandsvoorziening nodig is als de gemiddelde duur van hinderlijke schaduw minder is dan zes uur per jaar. Uit het Ponderarapport blijkt dat slechts bij turbine 3 een stilstandsvoorziening moet worden getroffen om de hinderduur bij de woning aan [adres] terug te brengen tot binnen de in het rapport voorgestelde normstelling. Hierbij is uitgegaan van de meteogegevens over de afgelopen twintig jaren.

8.6

Eisers hebben het Ponderarapport niet inhoudelijk bestreden. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat er binnen afzienbare tijd dusdanige klimaatveranderingen zullen optreden dat sprake zal zijn van een substantiële afwijking van de meteogegevens waarop het Ponderarapport is gebaseerd. Evenmin hebben zij aannemelijk gemaakt dat er binnen afzienbare tijd binnen het gebied waar slagschaduw zou kunnen optreden nieuwe woningen worden gerealiseerd. Het Ponderarapport maakt als onderdeel van de aanvraag deel uit van het bestreden besluit. Vergunninghoudster dient zich dan ook aan de in het Ponderarapport beschreven stilstandregeling te houden. Verweerder heeft daarom in redelijkheid kunnen afzien van het stellen van aanvullende maatwerkvoorschriften. Deze beroepsgrond faalt.

9.1

Eisers hebben in het beroepschrift aangevoerd dat de regels van ICAO (International Civil Air Organization), Annex 14, hoofdstuk 6, ruimte biedt voor het afschermen van de verlichting van de windturbines, zodat deze vanaf de grond minder goed zichtbaar zijn. Eisers hebben een toelichting gegeven op de werking van het systeem waarnaar in beroep wordt verwezen en op de nut en noodzaak van het voorgestelde systeem door Vestas, een van de belangrijkste producenten van windturbines. Op basis van dit systeem wordt de signaleringsverlichting alleen aangezet bij naderende vliegtuigen.

9.2

In het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar bijlage 10 van het milieueffectrapport. Hierin heeft de Inspectie verkeer en waterstaat (verder: de Inspectie) desgevraagd aangegeven welke windturbines van obstakellichten moeten zijn voorzien en de type verlichting aangegeven. De lichten dienen volgens de inspectie vanuit de lucht rondom zichtbaar te zijn maar de lichten mogen naar de grond toe worden afgeschermd.

9.3

Vergunninghoudster heeft ter zitting aangegeven de afscherming naar de grond toe te onderzoeken en toe te passen, indien dit mogelijk blijkt.

9.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op het advies van de Inspectie, geen voorschriften heeft hoeven stellen met betrekking tot de toe te passen verlichting. Dit geldt zeker voor de door eisers voorgestane verlichting. Deze wijkt af van het advies van de Inspectie. De rechtbank acht daarom niet aannemelijk dat de door eisers voorgestane verlichting moet worden beschouwd als de beste beschikbare techniek. Daarnaast sluit de rechtbank niet uit dat het dwingend voorschrijven van de door eisers voorgestane verlichting door de Inspectie niet wordt toegelaten, hetgeen zou leiden tot een verkapte weigering van de vergunning. Dat deze verlichting in andere landen wel wordt toegepast, leidt, wat daar verder ook van zij, niet tot een ander oordeel. Indien en voor zover in Nederland dergelijke verlichting wordt toegelaten en in de toekomst moet worden beschouwd als de beste beschikbare techniek, zal verweerder alsdan met toepassing van artikel 2.30, eerste lid van de Wabo, bezien of dit moet leiden tot een actualisatie van het bestreden besluit.

Deze beroepsgrond faalt.

10.1

Eisers hebben aangevoerd dat, bij gebreke van mitigerende maatregelen in het "Inpassingsplan Agro & Food Cluster West-Brabant" voor landschap, natuur en aanvaringsslachtoffers van vleermuizen, de voorschriften van het bestreden besluit moeten worden aangevuld met een mitigatie- en monitoringsplan, ten einde sterfte onder vleermuizen zoveel mogelijk te beperken. Bij vleermuisaanvaringen dienen de turbines op bepaalde uren van de dag te worden stilgezet, aldus eisers. Ten aanzien van de vleermuizen is een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (Ffw) noodzakelijk.

10.2

Vergunninghoudster heeft erop gewezen dat uit vooroverleg met de provincie is gebleken dat geen ontheffing op grond van de Ffw noodzakelijk is. Deze is dan ook niet aangevraagd.

10.3

De dichtstbijzijnde woning van eisers is gelegen op een afstand van 470 meter van de turbines. Het daadwerkelijke belang waarin eisers dreigen te worden geraakt als gevolg van de realisering van het plan is het behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving.

10.4

De ABRS heeft in de uitspraak van 19 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA3666) overwogen dat niet in alle gevallen op voorhand uitgesloten behoeft te worden geacht dat de Ffw met de bescherming van diersoorten tevens bescherming biedt aan het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van de directe leefomgeving van omwonenden. Gelet op de afstand van 700 meter tussen de voorziene windturbines en de percelen van appellanten kon in die zaak niet worden aangenomen dat de gevreesde effecten van de windturbines voor vleermuizen de kwaliteit van de directe leefomgeving van appellanten zouden aantasten. De ABRS concludeerde dat geen duidelijke verwevenheid was komen vast te staan van het individuele belang van appellanten bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving met het algemene belang dat artikel 9 van de Ffw beoogt te beschermen.

10.5

De rechtbank is van oordeel in deze zaak dat, gelet op de afstand van 470 meter, ook in dit geval niet kan worden aangenomen dat de gevreesde effecten van de windturbines voor vleermuizen de kwaliteit van de directe leefomgeving van eisers zullen aantasten. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de ABRS tot op heden nog niet heeft aangegeven waar de directe leefomgeving van mensen in dit soort gevallen eindigt. Deze rechtbank heeft eerder geoordeeld dat het direct aangrenzende perceel in ieder geval wel tot de directe leefomgeving moet worden gerekend (zie de uitspraak van deze rechtbank van 16 juli 2013, ECLI:NL:RBOBR2978 die is bevestigd in de uitspraak van de ABRS van 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:575). Daarvan is in dit geval geen sprake. Nu geen duidelijke verwevenheid is komen vast te staan van het individuele belang van eisers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving met het algemene belang dat de Ffw beoogt te beschermen, moet worden geoordeeld dat de betrokken norm van de Ffw kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van eisers. De rechtbank laat een inhoudelijke bespreking van de beroepsgrond daarom achterwege.

11.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. D.J. de Lange en mr. T. Peters, leden, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.