Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:2121

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
AWB-13_5493
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De zaak betreft het windturbinepark Oud Dintel. Eisers hebben geen zienswijzen ingediend en te laat beroep ingesteld. Daarom wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, geldigheid: 2014-04-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/5493

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 april 2014 in de zaak tussen

[eisers], te [woonplaats], eisers

(gemachtigde: mr. J.E. Dijk),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk, verweerder

(gemachtigde: [naam 1]).

Als derde-partij (hierna: vergunninghoudster) heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghoudster], te [plaatsnaam], (gemachtigden: mr. G.A. Leever en

ing. D.J. Matthijsse).

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van vijf windturbines, op de percelen kadastraal bekend gemeente Fijnaart, sectie U, nummers 27, 30, 31 en 32.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij deze rechtbank.

De rechtbank Zeeland-West Brabant heeft, nadat deze rechtbank het beroep heeft doorgezonden, de zaak ter verdere behandeling verwezen naar deze rechtbank met toepassing van artikel 8:13, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze rechtbank heeft hiermee ingestemd.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2014. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken SHE 13/4880 en SHE 13/5496. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghoudster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Overwegingen

1.1 De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Vergunninghoudster is voornemens om vijf windturbines te bouwen (windpark Oud Dintel) gelegen tussen de Rolleplaatweg en Groeneweg in Heijningen.

1.2 In de directe omgeving worden nog twee windparken opgericht, windpark Zuid-Dintel (Galgendijk te Dinteloord), aangevraagd door [bedrijf] en Nieuw Prinsenland (Noordzeedijk Dinteloord), ook aangevraagd door vergunninghoudster. Bij besluit van 9 juli 2010 hebben provinciale staten van de provincie Noord-Brabant het inpassingsplan "Inpassingsplan Agro & Food Cluster West-Brabant" vastgesteld om de ontwikkeling van het Agro & Foodcluster in West-Brabant mogelijk te maken. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) heeft dit besluit bij uitspraak van 7 december 2011 (ECLI:NL:RVS:2010:BU7101) gedeeltelijk vernietigd. Bij besluit van 27 augustus 2012 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (verder: GS) op basis van het provinciale inpassingsplan "Inpassingsplan Agro & Food Cluster West-Brabant" het wijzigingsplan "Windpark Zuid-Dintel" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen. Bij uitspraak van 24 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:546) heeft de ABRS het besluit van 27 augustus 2012 vernietigd maar de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten.

1.3 GS hebben op 28 augustus 2013 een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van drie windturbines en het maken van een uitweg, op de percelen kadastraal bekend gemeente Dinteloord, sectie B, nummers 138, 492, 499, 543 en 545 (windpark Zuid-Dintel). Het hiertegen ingestelde beroep bij deze rechtbank is geregistreerd onder zaaknummer SHE 13/4880 . Op 28 augustus 2013 hebben GS tevens een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van vier windturbines, op de percelen kadastraal bekend gemeente Dinteloord, sectie B, nummers 155, 156, 157, 159 en 229 (windpark Nieuw Prinsenland). Het hiertegen ingestelde beroep bij deze rechtbank is geregistreerd onder zaaknummer SHE 13/5496.

1.4 Bij besluit van 7 februari 2013 heeft de gemeenteraad van Moerdijk het bestemmingsplan “Windpark Oud Dintel” vastgesteld. Bij uitspraak van 24 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:508) heeft de ABRS twee van de daartegen ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard en de overige beroepen ongegrond verklaard.

1.5 Ten behoeve van de drie windparken tezamen is één milieueffectrapport opgesteld.

1.6 Op 15 april 2013 heeft verweerder een aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘het oprichten van een inrichting’ ontvangen. De ontwerpbeschikking heeft tussen 4 juli 2013 en 15 augustus 2013 ter inzage gelegen. In deze periode zijn geen zienswijzen naar voren gebracht. Het bestreden besluit is gepubliceerd op

9 oktober 2013 en heeft ter inzage gelegen van 10 oktober tot en met 20 november 2013. Het beroepschrift dateert van 27 november 2013 en is op 2 december 2013 door de rechtbank ontvangen.

2.

Het bestreden besluit gaat over de activiteiten bouw en milieu (artikel 2.1, eerste lid, onder a en e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

3.1

Eisers erkennen dat zij geen zienswijzen hebben ingediend en dat zij bovendien te laat beroep hebben ingesteld. Zij zijn van mening dat het beroep toch ontvankelijk is om de volgende redenen. Zij merken op dat sprake is van een buitengewoon ingewikkelde procedure die samenhangt met de procedures rond windpark Zuid-Dintel en windpark Nieuw Prinsenland. De bekendmaking van de ontwerpbeschikking vond bovendien plaats in de vakantieperiode. In deze periode was ook sprake van verwarring door de reorganisatie van de vergunningverlening door gemeenten en provincie en de oprichting van de omgevingsdienst Midden- en West-Brabant. Volgens hen is verweerder niet het bevoegde gezag.

3.2

Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-onvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijze niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest op grond van artikel 6:11 van de Awb. Op grond van artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen kenbaar heeft gemaakt.

3.3

De rechtbank stelt vast dat de bekendmaking van de ontwerpbeschikking en de bekendmaking van het bestreden besluit hebben plaatsgevonden op de voorgeschreven wijze. Dit is ook niet door eisers betwist. Voorts neemt de rechtbank op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting aan dat alle eisers belanghebbende zijn. Desgevraagd hebben eisers aangegeven dat de personen die beroep hebben ingesteld tegen het bestemmingsplan “Windpark Oud Dintel” en in de hierboven genoemde uitspraak van de ABRS van 24 juli 2013 niet-ontvankelijk zijn verklaard, geen beroep hebben ingesteld tegen het bestreden besluit.

3.4

Naar het oordeel van de rechtbank vormt de omstandigheid dat de verwarring die bij eisers zou zijn ontstaan omdat bijna gelijktijdig twee andere procedures rond nabijgelegen windparken spelen, geen reden om het niet-tijdige beroep toch ontvankelijk te achten. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat een deel van de eisers ook beroep heeft ingesteld tegen zowel de vaststelling van het bestemmingsplan “Windpark Oud Dintel” als het inpassingsplan "Inpassingsplan Agro & Food Cluster West-Brabant" en het wijzigingsplan "Windpark Zuid-Dintel". Eisers hebben niet verklaard waarom daar bij hen geen verwarring over is ontstaan. Bovendien hebben de ontwerpbeschikkingen ten behoeve van de windparken Zuid-Dintel en Nieuw Prinsenland apart ter inzage gelegen en heeft een deel van de eisers hier wel zienswijzen ingediend, alsmede apart beroep ingesteld tegen de daarna verleende omgevingsvergunningen. Het is evident dat in deze omgevingsvergunningen het windpark Oud Dintel niet is vergund. Dat het volgens eisers beter was geweest om de behandeling van de drie aanvragen te coördineren, betreft een inhoudelijk argument en kan niet leiden tot het oordeel dat hun niet redelijkerwijze kan worden verweten dat zij geen zienswijzen hebben ingediend of dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

3.5

De omstandigheid dat de terinzagelegging van de ontwerpbeschikking gedeeltelijk heeft plaatsgevonden in de vakantieperiode vormt evenmin een reden om aan te nemen dat eisers redelijkerwijze geen zienswijzen hadden kunnen indienen. Bovendien laat dit onverlet dat eisers daarna te laat beroep hebben ingesteld tegen het bestreden besluit dat bekend is gemaakt buiten de reguliere vakantieperiodes.

4.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder bevoegd was het bestreden besluit te nemen op grond van artikel 2.4 van de Wabo, in samenhang met bijlage I, onderdeel C, categorie 20 van het Besluit omgevingsrecht, mede omdat GS op 19 februari 22013 hebben besloten geen gebruik te maken van hun bevoegdheid ingevolge artikel 9e en 9f van de Elektriciteitswet 1998 met betrekking tot het windpark Oud Dintel.

5.

Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. D.J. de Lange en mr. T. Peters, leden, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.