Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:210

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-01-2014
Datum publicatie
24-01-2014
Zaaknummer
AWB-13_325
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:172, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kindertoeslag. Werkelijk gemaakte kosten

Samenvatting:

Verweerder maakt naar het oordeel van de rechtbank terecht een onderscheid tussen het geval van eiseres die een restitutie krijgt van drie euro per niet afgenomen (tijdig afgemeld) uur en gevallen waarin ouders contracteren op basis van een standaardcontract zonder de mogelijkheid om tegen gedeeltelijke restitutie geen uren af te nemen. Indien door middel van gedeeltelijke restitutie de eigen bijdrage kan worden voldaan, ontstaat strijd met het wettelijke systeem van de Wko.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

Zaaknummer: SHE 13/325

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2014 in de zaak tussen

[eiseres] te [woonplaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. M.J. Hoogendoorn),

en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder,

(gemachtigde: drs. E.J.E. Groothuis).

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2011 met kenmerk 1287.22.939.T.10.0.3601 (het primaire besluit) heeft verweerder het voorschot kinderopvangtoeslag voor eiser over het jaar 2010 herzien vastgesteld op € 4.882,00

Bij besluit van 13 december 2012 (het bestreden besluit) is verweerder deels aan het bezwaar van eiseres tegemoet. Verweerder heeft daarbij het besluit van 8 oktober 2011 herroepen voor zover het betrekking heeft op de uren kinderopvang die zijn genoten bij Korein en ViaViela en beslist dat het voorschot kinderopvangtoeslag voor eiser over het jaar 2010 herzien wordt vastgesteld op € 7.674,00.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2014. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door [persoon 1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.

Eiseres heeft een dochter die vanaf 1 juni 2010 in het kindercentrum Citykids in Oirschot opvang genoot. Zij heeft met het kindercentrum een contract gesloten waarbij zij voor ieder uur dat wel was overeengekomen maar niet tijdig was afgenomen een tegoed krijgt van € 3,00 per uur ‘citycoins’ genaamd. In 2010 had eiseres 540 uren aan kinderopvang gecontracteerd. Zij heeft 580,25 uren ingediend bij verweerder. Zij heeft 412 uur daadwerkelijk afgenomen. Eiseres heeft voor elk niet afgenomen uur € 3,00 tegoed gekregen. In onderhavige zaak was dit een tegoed van € 384,00 (540 minus 412 = 128 maal € 3,00).

3.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres weliswaar aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor kinderopvangtoeslag heeft voldaan maar dat alleen de daadwerkelijk afgenomen uren aan kinderopvang voor vergoeding in aanmerking komen, met inachtneming van de restitutie van de ‘citycoins’.

4.

Desgevraagd heeft verweerder ter zitting aangegeven dat normaliter kindertoeslag wordt verstrekt over de gecontracteerde uren, ook als deze gedeeltelijk niet worden afgenomen.

Desgevraagd heeft eiseres aangegeven dat op basis van het contract de niet afgenomen maar wel gecontracteerde uren wel degelijk moeten worden betaald.

5.

Eiseres voert in de eerste plaats aan dat zij op grond van een brief van de Belastingdienst Oost-Brabant aan Citykids van 25 augustus 2008 er op mocht vertrouwen dat bij gebruik van het contract van Citykids kindertoeslag zou worden verstrekt over de gecontracteerde uren, ook als deze gedeeltelijk niet worden afgenomen.

6.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat aan de brief van de Belastingdienst geen verwachtingen kunnen worden ontleend. De brief is een antwoord op een vage brief van Citykids met betrekking tot de toelaatbaarheid van het contract met het spaarprogramma ‘citycoins’. Niet is gevraagd wat de gevolgen zouden kunnen zijn van uitvoering van het contract voor ouders als het gaat om de kosten kinderopvang. Als deze vraag wel zou zijn gesteld dan had het in de rede gelegen dat verweerder zou hebben geantwoord.

7.

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat sprake is van een duidelijke ondubbelzinnige toezegging door een daartoe bevoegde persoon. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval daarvan geen sprake is. Niet alleen is de Belastingdienst Oost-Brabant niet bevoegd om uitspraken te doen over de kosten kinderopvang, de brief bevat evenmin een duidelijke ondubbelzinnige toezegging.

8.

Eiseres stelt voorts dat wel degelijk sprake is van gemaakte kosten in de zin van de wet. Het is niet terecht dat niet tijdig afgezegde uren wel worden vergoed door verweerder en dat het spaarprogramma ‘citycoins’ niet door de beugel kan.

9.

Verweerder stelt dat het contract met het spaarprogramma ‘citycoins’ geen standaardcontract is maar een afwijkend contract vanwege de restitutie van ‘citycoins’. Als gevolg van deze restitutiemogelijkheid wordt het voor ouders (te) rendabel om een grote hoeveelheid uren te contracteren terwijl zij een kleinere hoeveelheid uren afnemen.

10.

Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) (bijvoorbeeld de uitspraak van 19 december 2012, (ECLI:NL:RVS:2012:BY6772), dat uit artikel 18, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet kinderopvang Wko, volgt dat op degene die kinderopvangtoeslag ontvangt, de last rust aan te tonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en wat de hoogte is van deze kosten. Uit de jurisprudentie volgt dat alleen daadwerkelijk gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking komen.

11.

De rechtbank beschouwt het spaarprogramma ‘citycoins’ als een gedeeltelijke restitutie van niet afgenomen uren. Weliswaar kunnen de ‘citycoins’ kennelijk slechts worden gebruikt ten behoeve van een aantal geselecteerde winkels of producten, dit neemt niet weg dat eiseres hiermee kosten kan besparen die zij anders zou hebben moeten maken en per saldo geld bespaart.

12.

Verweerder maakt naar het oordeel van de rechtbank terecht een onderscheid tussen het geval van eiseres en gevallen waarin ouders contracteren op basis van een standaardcontract zonder de mogelijkheid om tegen gedeeltelijke restitutie geen uren af te nemen. Indien door middel van gedeeltelijke restitutie de eigen bijdrage kan worden voldaan, ontstaat strijd met het wettelijke systeem van de Wko. De eigen bijdrage van de ouders vormt immers een essentieel onderdeel van de wet. De wet voorziet in een systeem van vraagfinanciering. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2001/02, 28 447, nr.3) wordt hierover het volgende opgemerkt: “Omdat de ouders zelf een deel van de kosten van de kinderopvang voor hun rekening moeten nemen, worden zij aangezet tot het kiezen van kinderopvang met de beste prijs/kwaliteitsverhouding. Daarmee worden ouders gestimuleerd een kritische afweging van kosten en baten te maken.” De rechtbank neemt verder in aanmerking dat verweerder onweersproken heeft gesteld dat bij de meer flexibele contracten een hogere uurprijs in rekening wordt gebracht. Daarom kan verweerder in dit geval uitgaan van slechts de werkelijk afgenomen uren. Vanwege dit onderscheid treft de verwijzing van eiseres naar een uitlating van de staatssecretaris dat toeslag wordt verstrekt over de gefactureerde uren evenmin doel. Om dezelfde reden kan de omstandigheid dat eiseres kennelijk meer uren heeft betaald dan zij oorspronkelijk heeft gecontracteerd maar niet heeft afgenomen buiten beschouwing blijven. Deze uren komen op basis van het voorgaande oordeel niet voor een toeslag in aanmerking. Deze beroepsgrond faalt.

13.

Eiseres heeft verder aangevoerd dat er ten onrechte een dubbeltelling plaatsvindt doordat verweerder de restitutie verdisconteerd in de wel afgenomen uren en de uurprijs naar beneden stelt.

14.

Verweerder heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat hij de restitutie over alle gecontracteerde uren verdisconteert.

15.

Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien waarom verweerder de restitutie verdisconteerd in de uurprijs van de wel afgenomen uren als slechts toeslag wordt toegekend over de afgenomen uren en niet over de gecontracteerde uren. Eiseres heeft de wel afgenomen uren immers volledig voldaan. De niet afgenomen uren worden niet vergoed door verweerder en dienen daarom geheel buiten beschouwing te blijven. Dat voor de niet afgenomen uren uiteindelijk per saldo minder wordt betaald, is naar het oordeel van de rechtbank reeds daarom niet relevant. Het bestreden besluit is op dit onderdeel onvoldoende gemotiveerd.

16.

Gelet op het bovenstaande is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien of verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te laten herstellen. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak binnen zes weken. Deze termijn begint pas te lopen nadat de beroepstermijn ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist. In het nieuwe besluit zal verweerder een toeslag moeten toekennen over de daadwerkelijk in 2010 afgenomen uren tegen de oorspronkelijk overeengekomen uurprijs.

17.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt van € 487,00, een wegingsfactor 1). Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit;

 bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak binnen zes weken nadat deze uitspraak gezag van gewijsde heeft gekregen

 veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres in het geding ten bedrage van € 974,00 te betalen door verweerder aan eiseres;

 bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 42,00 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. van der Bruggen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.