Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:1914

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-04-2014
Datum publicatie
13-05-2014
Zaaknummer
AWB-14_1030
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

In beginsel is aannemelijk dat de in de woning aangetroffen drugs bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking vanuit de woning. Deze aanname heeft verzoeker niet kunnen wegnemen door de enkele ontkenning dat geen sprake is van verkoop, aflevering of verstrekking. Aan verzoekers stelling dat niet gebleken is dat zijn woning werd bezocht door personen met het oog op de koop van drugs en dat hij slechts beschikte over een voorraad cocaïne, die hij op straat gebruikte met vrienden onderling, kan evenmin de betekenis worden toegekend die verzoeker daaraan hecht. Verweerder was daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter bevoegd de woning met toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet te sluiten. In dit verband stelt verweerder terecht dat niet als voorwaarde voor toepassing van zijn bevoegdheid geldt dat sprake moet zijn van (een ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde. Verweerders bevoegdheid is bedoeld om strafbare feiten op grond van de Opiumwet te beëindigen en te voorkomen, waarbij geen sprake is van een punitieve sanctie (zie de uitspraak van de ABRvS van 5 januari 2005 ECLI:NL:RVS: AR8730). In zijn uitspraak van 28 november 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY4412) heeft de ABRvS geoordeeld dat het beleid om zonder voorafgaande waarschuwing de sluiting van een pand te gelasten na het aantreffen van harddrugs, anders dan indien softdrugs zijn aangetroffen, niet onredelijk is. De voorzieningenrechter ziet in het onderhavige geval geen reden anders te oordelen. Gelet op de feiten en omstandigheden en de bij het besluit in acht te nemen zorgvuldigheid is het tijdsverloop geen omstandigheid op grond waarvan verweerder van handhavend optreden had behoren af te zien. Verzoekers stelling dat voorzieningen noodzakelijk zijn voor het apparaat dat hij ’s-nachts gebruikt in verband met slaapapneu is niet met objectieve gegevens onderbouwd. Ook overigens heeft verweerder aan die stelling niet het door verzoeker gewenste gevolg hoeven verbinden. Daarbij is nog van belang dat verweerder verzoeker tegemoet is gekomen door een termijn van zes weken te geven om vervangende woonruimte te vinden.

Wetsverwijzingen
Opiumwet, geldigheid: 2014-05-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 14/1030

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 april 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. T. Deckwitz),

en

de Burgemeester van Oss, verweerder

(gemachtigde: mevrouw H. Yildiz).

Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2014 heeft verweerder besloten het pand aan het [adres 1] op grond van artikel 13b van de Opiumwet op 25 april 2014 voor een periode van drie maanden te sluiten.

Verzoeker heeft tegen het besluit van 10 maart 2014 bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De politie Oost-Brabant, basisteam Maasland heeft van de Criminele Inlichtingen Eenheid diverse processen-verbaal gekregen waaruit blijkt dat een niet met naam genoemde verdachte woonachtig in de Ruwaard te Oss samen met verzoeker zou dealen. Nadat er ruim voldoende informatie beschikbaar was voor onderzoek is in overleg met de officier van justitie een actie opgezet gericht op aanhouding van verzoeker en de andere verdachte.

Op 18 oktober 2013 is verzoeker aangehouden in een personenauto samen met de andere verdachte welke in de Ruwaard woonachtig is. Bij zijn aanhouding had verzoeker 14 zogenaamde snowseals op zak, waarin een stof met een netto gewicht van 12,2 gram. Daarop heeft een doorzoeking van verzoekers woning plaatsgevonden op het [adres 1]. In de woning van verzoeker werd aangetroffen:

  • -

    22 snowseals, waarin een stof met netto gewicht van 19,6 gram.

  • -

    49 patronen welke bestemd zijn voor een vuurwapen.

  • -

    4,7 gram hennep.

In een rapport van 5 december 2013 heeft het Nederlands Forensisch Instituut geconcludeerd dat de in de snowseals aangetroffen stof cocaïne betreft. Op 6 december 2013 hebben M.J.A. Kuijs, brigadier van politie wijkagent Ruwaard te Oss en mr. A.E. van der Eijk officier van justitie een bestuurlijke rapportage over het voorgaande opgemaakt en ondertekend.

Op 5 februari 2014 heeft verweerder verzoeker bericht voornemens te zijn de woning van verzoeker voor een periode van drie maanden te sluiten. Dit voornemen is gebaseerd op de bestuurlijke rapportage. Verzoeker heeft bij brief van 13 februari 2014 zijn zienswijze bekend gemaakt.

2.

Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Volgens verweerder volgt uit de bestuurlijke rapportage dat uit de informatie van de politie blijkt dat in de woning aan [adres 1] sprake is geweest van aanwezigheid van harddrugs en softdrugs. Gelet op de hoeveelheid harddrugs zijn deze bestemd voor de handel. Verweerder wijst er tevens op dat blijkens de bestuurlijke rapportage verzoeker heeft verklaard dat hij cocaïne verkocht aan andere personen. De door verweerder gemaakte belangenafweging valt in het nadeel van verzoeker uit.

3.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.

De voorzieningenrechter acht het belang van verzoeker bij het treffen van de gevraagde voorziening onder de gegeven omstandigheden voldoende spoedeisend. Het belang van verzoeker bij het treffen van die voorziening dient in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure te worden afgewogen tegen het belang van verweerder. Dit vereist een meer inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit op basis van een voorlopige rechtmatigheidstoets. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank op geen enkele wijze in een eventuele bodemprocedure.

5.

Verzoeker voert aan dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat vanuit zijn woning harddrugs werd verkocht. De constatering van de politie dat verzoeker harddrugs op zak had, doet vermoeden dat niet vanuit de woning maar juist op straat werd gehandeld, als van handel al sprake zou zijn geweest.

6.

Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang, indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Verweerder heeft ter nadere uitwerking van de op grond van voormeld artikel aan hem toekomende bevoegdheid op 3 juni 2013 het ‘Beleid inzake bestuurlijke handhaving van artikel 13b Opiumwet (Damoclesbeleid) vastgesteld (Handhavingsbeleid). Bij dat Handhavingsbeleid hoort tevens het Handhavingsarrangement ten behoeve van het beleid inzake de bestuurlijke handhaving van artikel 13b Opiumwet, gemeente Oss. De voorzieningenrechter stelt vast dat tot 1 november 2007 de in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet aan de burgemeester gegeven bevoegdheid beperkt was tot voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven, waarbij voor sluiting van een lokaal voorwaarde was dat drugs in het lokaal waren verkocht, afgeleverd of verstrekt, dan wel daartoe aanwezig waren. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) blijkt dat uit het woord “daartoe” volgt dat de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet (oud) al bevoegd maakte tot sluiting. Voor het ontstaan van de bevoegdheid tot sluiting was derhalve niet vereist dat daadwerkelijk drugs waren verhandeld (zie de uitspraken van de ABRvS van 5 januari 2005 (ECLI: NL:RVS:2005: AR8730), 21 december 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AU8447), 18 oktober 2006, (ECLI:NL:RVS:2006:AZ0347) en 17 september 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BF0983).

Met ingang van 1 november 2007 is de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet uitgebreid tot woningen, niet voor het publiek toegankelijke lokalen en de bij die woningen of lokalen behorende erven (Wet van 27 september 2007, Stb. 355, inwerkingtreding Stb. 2007, 392). De zinsnede “wordt verkocht, afgeleverd, verstrekt dan wel daartoe aanwezig is”, is daarbij niet gewijzigd. Blijkens de parlementaire behandeling is de wetgever zich daarbij bewust geweest van de betekenis die in de rechtspraak werd toegekend aan de aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs.

7.

Aangenomen mag worden dat een meer dan geringe hoeveelheid drugs niet, althans niet uitsluitend, voor eigen gebruik van een persoon bestemd is, maar deels of geheel voor verkoop, aflevering of verstrekking aan derden. De hoeveelheid van de in een pand aanwezige drugs kan dan ook indiceren dat deze voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn en daarom dat artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet van toepassing is. Om te beoordelen of de hoeveelheid erop wijst dat de drugs voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn, kan in redelijkheid worden aangesloten bij de door het openbaar ministerie toegepaste criteria, waarbij een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 gram en een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram als hoeveelheden voor eigen gebruik worden aangemerkt. Bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik, is in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbende of de huurder van het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester volgens artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen (zie de uitspraken van de ABRvS van 11 december 2013 ECLI:NL:RVS:2013:2362 en ECLI:NL:RVS:2013:2365).

8.

Niet in geschil is dat in de woning 22 snowseals, met een netto gewicht daarin van 19,6 gram cocaïne, zijn aangetroffen. Cocaïne wordt vermeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, welke lijst harddrugs betreft. Evenmin is in geschil dat de hoeveelheden aangetroffen drugs de door het openbaar ministerie als hoeveelheden voor eigen gebruik aangemerkte bevoegdheden overschrijden. Daarom is in beginsel aannemelijk dat de in de woning aangetroffen drugs bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking vanuit de woning. Deze aanname heeft verzoeker niet kunnen wegnemen door de enkele ontkenning dat geen sprake is van verkoop, aflevering of verstrekking. Aan verzoekers stelling dat niet gebleken is dat zijn woning werd bezocht door personen met het oog op de koop van drugs en dat hij slechts beschikte over een voorraad cocaïne, die hij op straat gebruikte met vrienden onderling, kan evenmin de betekenis worden toegekend die verzoeker daaraan hecht. Verweerder was daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter bevoegd de woning met toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet te sluiten. Verzoekers betoog slaagt niet.

9.

Verzoeker voert verder aan dat verweerder geen gebruik kan maken van zijn bevoegdheid om de woning te sluiten. De ratio achter artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is volgens verzoeker geen sanctionering maar bescherming van de openbare orde, het tegengaan van overlast en adequaat reageren op die overlast. Het gaat volgens verzoeker niet om het aanpakken van een individuele gebruiker maar om het beschermen van de wijk tegen drugsgebruikers. Ook voert verzoeker aan dat een waarschuwing voldoende was geweest omdat geen sprake was van aantasting van de openbare orde.

10.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder bij de uitoefening van de hem op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet toekomende bevoegdheid beschikt over beleidsvrijheid, waardoor de voorzieningenrechter verweerders besluit slechts terughoudend mag toetsen. Met het Handhavingsbeleid heeft verweerder gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid. Ook bij de vaststelling van de sluitingstermijn beschikt verweerder over beleidsvrijheid. Gelet op het doel van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, te weten de preventie en beheersing van de uit het drugsgebruik voortvloeiende risico's voor de volksgezondheid en het voorkomen van nadelige effecten van de handel in en het gebruik van drugs op het openbare leven (Memorie van Toelichting bij artikel 13b van de Opiumwet, Kamerstukken II 1996/97, 25 324 nr. 3, blz. 5) mag verweerder bij de vaststelling van de sluitingstermijn betrekken de noodzaak om de bekendheid van een inrichting als drugsadres teniet te doen, de rust in de directe omgeving te doen wederkeren of herhaling van ernstige verstoring van de openbare orde dan wel een verdere aantasting van het woon- en leefklimaat te voorkomen. In dit verband stelt verweerder terecht dat niet als voorwaarde voor toepassing van zijn bevoegdheid geldt dat sprake moet zijn van (een ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde. Verweerders bevoegdheid is bedoeld om strafbare feiten op grond van de Opiumwet te beëindigen en te voorkomen, waarbij geen sprake is van een punitieve sanctie (zie de uitspraak van de ABRvS van 5 januari 2005 ECLI:NL:RVS: AR8730). Dit betoog slaagt dus niet.

11.

Ook het betoog van verzoeker dat verweerder in redelijkheid niet tot sluiting kon komen zonder voorafgaande waarschuwing faalt. In zijn uitspraak van 28 november 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY4412) heeft de ABRvS overwogen dat bij de totstandkoming van artikel 13b, eerste lid, Opiumwet (Kamerstukken II 2005/06, 30515, nr. 3, blz 8, en Kamerstukken II, 2006/07, 30515, nr. 6, blz 1 en 2) in algemene zin is vermeld dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van een woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel, doch dat dit moet worden beschouwd als een uitgangspunt waarvan in ernstige gevallen mag worden afgeweken. De ABRvS oordeelde het beleid om zonder voorafgaande waarschuwing de sluiting van een pand te gelasten na het aantreffen van harddrugs, anders dan indien softdrugs zijn aangetroffen, niet onredelijk. De voorzieningenrechter ziet in het onderhavige geval geen reden anders te oordelen.

12.

Vervolgens voert verzoeker aan dat de woning niet meer gesloten mag worden omdat het bestreden besluit pas vijf maanden na de bevindingen van de politie tijdens verzoekers aanhouding en de doorzoeking van zijn woning in oktober 2013, is genomen. Omdat tevens moet worden vastgesteld dat ook nadien geen sprake is van overlast of verstoring van de openbare orde, kan hoogstens worden vastgesteld dat er wellicht in het verleden aanleiding was om de woning te sluiten.

13.

Verweerder is eerst na ontvangst van de bestuurlijke rapportage van 6 december 2013 op de hoogte gesteld van de bevindingen van de politie op 18 oktober 2013 en van de conclusies van het NFI met betrekking tot de inhoud van de aangetroffen snowseals. Vervolgens heeft verweerder op 5 februari 2014, derhalve binnen twee maanden na de datering van de bestuurlijke rapportage, verzoeker bericht voornemens te zijn de woning te sluiten. Verweerder heeft verzoeker in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen, waarvan verzoeker gebruik heeft gemaakt. In verband met de door verzoeker aangevoerde gezondheidsklachten heeft verweerder verzoeker een ruimere termijn van zes weken gegeven om een geschikte locatie te vinden voor onderdak. Reeds gelet op deze feiten en omstandigheden en de bij het besluit in acht te nemen zorgvuldigheid is het tijdsverloop geen omstandigheid op grond waarvan verweerder van handhavend optreden had behoren af te zien. Steun voor dit oordeel vindt de voorzieningenrechter in de uitspraken van de ABRvS van 28 november 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY4412), van 19 juni 2013 (ECLI:NL:RVS: 2013:CA3702) en van 9 januari 2013 (ECLI:NL:RVS:BY8013).

14.

Verder voert verzoeker aan dat verweerder in het kader van artikel 4:84 van de Awb rekening dient te houden met zijn persoonlijke belangen, op grond waarvan verweerder dient af te zien van woningsluiting. Gesteld is dat verzoeker lijdt aan een ernstige mate van slaapapneu, in verband waarmee is hij ’s nachts gebruik maakt van een apparaat dat de ademhaling op noodzakelijke momenten overneemt. Tevens heeft verzoeker een uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand (WWB) welke zal komen te vervallen als hij niet meer feitelijk woonachtig is op de plek waar hij staat ingeschreven. Hij kan dan zijn woning en dagelijkse boodschappen niet meer betalen, maar ook geen nieuwe woning betrekken.

15.

Dit betoog faalt. Ingevolge artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomst de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. De door eiser genoemde omstandigheden moeten worden geacht bij het vaststellen van de beleidsregel te zijn verdisconteerd en kunnen niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden. Verzoekers stelling dat voorzieningen noodzakelijk zijn voor het apparaat dat hij ’s-nachts gebruikt in verband met slaapapneu is niet met objectieve gegevens onderbouwd. Ook overigens heeft verweerder aan die stelling niet het door verzoeker gewenste gevolg hoeven verbinden. Daarbij is nog van belang dat verweerder verzoeker tegemoet is gekomen door een termijn van zes weken te geven om vervangende woonruimte te vinden. De stelling dat verzoeker door de woningsluiting zijn WWB-uitkering zal kwijtraken levert evenmin een zodanig zwaarwegend belang op, dat verweerder de belangenafweging in het voordeel verzoeker had moeten laten uitvallen en kan daarom niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb. Verzoeker kan zijn aanspraak op WWB-uitkering immers behouden indien hij tijdig een adreswijziging doorgeeft.

16.

De voorzieningenrechter concludeert dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de woning voor de duur van drie maanden te sluiten.

17.

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt dus afgewezen.

18.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van B.C.T. Rabou-Coort LLB, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.