Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:1910

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
C/01/274370
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Geschil over koop van drie dressuurpaarden. Diverse incidentele vorderingen worden afgewezen. De vordering in de hoofdzaak wordt afgewezen, omdat die vordering niet door de koper is ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/274370 / HA ZA 14-96

Vonnis in incidenten en in hoofdzaak van 9 april 2014

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. S.A. Wensing te Coevorden,

tegen

1 [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EQUESTRIAN INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Veghel,

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. P.M. Wawrzyniak te Tilburg.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Equestrian c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

[eiseres] heeft deze procedure onder zaaknummer 882050 / 249 en rolnummer 13‑2041 aanhangig gemaakt bij de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank.

1.2.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de incidentele conclusie van Equestrian c.s. ex art. tot het stellen van zekerheid voor de betaling van de proceskosten, tevens voorwaardelijke incidentele conclusie tot overlegging van bescheiden ex art. 843a Rv en/of art. 22 Rv

- de incidentele conclusie van antwoord en akte overlegging producties tevens reconventionele incidentele vordering tot overlegging van stukken op de voet van artikel 843a Rv

- de conclusie van antwoord in reconventie in het incident ex art. 843a Rv

- het vonnis van de kantonrechter van 1 augustus 2013, waarbij in de hoofdzaak en in de incidenten een comparitie van partijen werd bevolen

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 22 oktober 2013

- de akte van 22 oktober 2013, waarbij [eiseres] haar eis in de hoofdzaak heeft gewijzigd

- de brief van 5 november 2013, waarbij [eiseres] haar reconventionele incidentele vordering heeft ingetrokken

- de brief van 11 november 2013, waarbij Equestrian c.s. de kantonrechter heeft verzocht om [eiseres] te veroordelen in de kosten van het reconventionele incident

  • -

    het vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 30 januari 2014, waarbij de kantonrechter [eiseres] heeft veroordeeld in de kosten van het reconventionele incident en zich onbevoegd heeft verklaard om van het geschil kennis te nemen, met verwijzing van de hoofdzaak en de door Equestrian c.s. ingestelde incidenten naar het team handelsrecht van deze rechtbank

  • -

    de beslissing van de rolrechter van de handelskamer van deze rechtbank, dat Lynton Corp. Holdings Ltd. geen gelegenheid wordt geboden om een incidentele conclusie tot tussenkomst te nemen.

1.3.

De handelskamer heeft vonnis bepaald in de door Equestrian c.s. ingestelde incidenten en in de hoofdzaak.

2 De verdere beoordeling

2.1.

[eiseres] stelt in de hoofdzaak dat zij drie dressuurpaarden (Quampus Gregor, Stuntmann af Hvarre en Al Martino) heeft gekocht van Equestrian en dat die dressuurpaarden ongeschikt waren voor het overeengekomen gebruik in de hoogste klassen van de wedstrijdsport. Na eiswijziging vordert [eiseres] in de hoofdzaak samengevat - ontbinding althans vernietiging wegens dwaling van de koopovereenkomsten. [eiseres] vordert primair restitutie van de koopsommen van totaal € 1.800.000, met rente en subsidiair wijziging van de koopovereenkomsten met betrekking tot de paarden Quampus Gregor en Al Martino door de koopprijzen voor die paarden te verminderen. Daarnaast vordert [eiseres] vergoeding van schade wegens trainings-, stallings- en onderhoudskosten en kosten van veterinaire onderzoeken. [eiseres] vordert dat Equestrian en [gedaagde] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van genoemde bedragen. Zij stelt dat [gedaagde] als bestuurder van Equestrian een dermate ernstig persoonlijk verwijt treft, dat hij naast Equestrian aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden schade.

2.2.

In het vonnis van 30 januari 2014 heeft de kantonrechter voorlopig geoordeeld dat [eiseres] de paarden niet als natuurlijk persoon / in privé heeft gekocht en dat de zaak daarom geen consumentenkoopovereenkomst betreft, zodat niet de kantonrechter maar de handelskamer van de rechtbank bevoegd is. De kantonrechter heeft de zaak verwezen in de stand waarin deze zich bevond. Het oordeel van de kantonrechter was onder meer gebaseerd op de e-mail van [eiseres] van 13 december 2011 aan Equestrian waarin zij opgaf dat zij een van de paarden op naam van een offshore bedrijf wilde kopen en op het feit dat haar offshore bedrijf Lynton Corp. Holdings Ltd. (hierna Lynton) de koopprijzen voor de drie paarden aan Equestrian heeft betaald.

in het incident tot het stellen van zekerheid (art. 224 Rv)

2.3.

[eiseres] heeft eerder tegen Equestrian c.s. een procedure aanhangig gemaakt bij de kantonrechter met zaaknummer 855130 / 249 en rolnummer 12-9007. In die procedure heeft Equestrian c.s., omdat [eiseres] niet in een EG-land woont, zekerheid gevorderd voor de vergoeding van de proceskosten tot betaling waarvan [eiseres] in de hoofdzaak veroordeeld zou kunnen worden. De kantonrechter heeft bij vonnis van 7 februari 2013 [eiseres] veroordeeld om zekerheid te stellen voor een bedrag van € 6.000, (vijf punten tegen een tarief van € 1.200, per punt). [eiseres] heeft het bedrag van € 6.000, overgemaakt naar de derdenrekening van de raadsman van Equestrian c.s., maar deed dat niet op tijd. Bij vonnis van 7 maart 2013 heeft de kantonrechter [eiseres] daarom niet ontvankelijk verklaard in haar vordering in de hoofdzaak, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten van € 250,. Die proceskosten werden voldaan uit het bedrag van de zekerheid, waarvan daarna nog € 5.750, resteerde.

2.4.

In deze nieuwe procedure vordert Equestrian c.s. in het incident ex art. 224 Rv dat [eiseres] wordt veroordeeld om zekerheid te stellen voor een bedrag van € 8.400, (zeven punten van € 1.200,) door de bestaande zekerheid aan te vullen met een bedrag van € 1.650,, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het incident.

2.5.

[eiseres] heeft gesteld dat zij ter voorkoming van verdere nodeloze vertraging het verzochte bedrag van € 1.650, naar de derdenrekening van de raadsman van Equestrian c.s. heeft overgemaakt. Zij verzoekt de rechtbank om Equestrian c.s. in de kosten van het incident te veroordelen.

2.6.

Bij het vonnis van 1 augustus 2013 heeft de kantonrechter Equestrian c.s. in de gelegenheid gesteld om op de stelling van [eiseres] te reageren. Equestrian c.s. heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt, zodat de rechtbank er vanuit gaat dat [eiseres] inderdaad het gevorderde aanvullende bedrag van € 1.650, heeft overgemaakt en daarmee de door Equestrian c.s. gewenste zekerheid al heeft gesteld. De incidentele vordering zal daarom worden afgewezen.

2.7.

De rechtbank merkt nog op dat Equestrian c.s. kennelijk een rekenfout heeft gemaakt, maar de incidentele vordering op de comparitie niet heeft gecorrigeerd. Bovendien gelden bij de handelskamer hogere tarieven dan bij de kantonrechter. Hoe dan ook heeft Equestrian c.s. geen belang meer bij aanvullende zekerheid, omdat hierna in de hoofdzaak een eindvonnis zal worden gewezen.

2.8.

De rechtbank acht redenen aanwezig om de kosten van dit incident te compenseren als na te melden.

in het incident tot het overleggen van bescheiden (art. 843a Rv)

2.9.

Equestrian c.s. vordert in het incident tot het overleggen van bescheiden dat de rechtbank op grond van art. 843a Rv en/of art. 22 Rv [eiseres] beveelt tot overlegging van de door Equestrian c.s. gewenste bescheiden, zoals gespecificeerd in punt 45 van de incidentele conclusie van Equestrian c.s..

2.10.

[eiseres] heeft de in de dagvaarding aangekondigde zeven producties (de door Equestrian c.s. onder a tot en met h genoemde stukken) in het geding gebracht bij haar conclusie van antwoord in het incident. Daarnaast heeft zij nog andere stukken overgelegd en zij heeft een usb-stick met beeldmateriaal aan de raadsman van Equestrian c.s. toegezonden en aangekondigd dat zij die usb-stick in het geding zou brengen. (De usb-stick bevindt zich echter niet in het dossier dat de handelskamer van de kantonrechter heeft ontvangen.) [eiseres] meent dat Equestrian c.s. ingevolge art. 843a Rv geen aanspraak kan maken op de overige gewenste bescheiden.

2.11.

De incidentele vordering voor zover gebaseerd op art. 22 Rv moet worden afgewezen. Het gaat in dat artikel om een eigen bevoegdheid van de rechter waarvan de rechtbank zo nodig in de hoofdzaak gebruik zal maken. [eiseres] kan daar geen aanspraak op maken en haar incidentele vordering daarom alleen op art. 843a Rv baseren.

2.12.

Een op artikel 843a Rv gebaseerde vordering kan alleen worden toegewezen indien aan alle drie in lid 1 van dit artikel gestelde voorwaarden is voldaan:

1) de wederpartij van degene die bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, moet rechtmatig belang hebben bij inzage, afschrift of uittreksel daarvan,

2) de vordering moet betrekking hebben op bepaalde bescheiden en

3) de bescheiden moeten een rechtsbetrekking betreffen waarin de wederpartij van degene die ze te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, partij is.

Verder moet zich geen van de volgende eveneens in artikel 843a Rv opgenomen uitzonderingen voordoen:

4) hij die uit hoofde van zijn ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht is, is niet gehouden aan de vordering te voldoen, indien de bescheiden uitsluitend uit dien hoofde te zijner beschikking staan of onder zijn berusting zijn,

5) degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, is niet gehouden aan de vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn en

6) degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, is niet gehouden aan de vordering te voldoen, indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

2.13.

De rechtbank is van oordeel dat aan de eisen van art. 843a Rv is voldaan wat betreft de door Equestrian c.s. gewenste bescheiden g onder i t/m v en l. Equestrian c.s. heeft belang bij deze veterinaire gegevens, die relevant zijn voor de door [eiseres] gestelde ongeschiktheid van de drie dressuurpaarden voor het overeengekomen gebruik en daarmee de rechtsbetrekking tussen partijen betreffen. [eiseres] heeft inmiddels een deel van deze gegevens aan Equestrian c.s. ter beschikking gesteld, maar zal ook de resterende gegevens moeten verschaffen. Wat betreft de onder g.i genoemde vragen zoals geformuleerd aan de door [eiseres] geraadpleegde dierenartsen kan [eiseres] niet volstaan met een stelling over de inhoud van die vragen, maar zal [eiseres] de schriftelijke versie van die vragen ter beschikking moeten stellen (voor zover de vragen schriftelijk zijn gesteld, niet bestaande stukken kan [eiseres] niet overleggen). Wat betreft de onder g.v genoemde correspondentie gevoerd tussen [eiseres], haar raadsvrouw en haar dierenartsen inzake alle versies van de rapporten beroept [eiseres] zich op de uitzondering van art. 843a juncto art. 165 lid 2 onder b Rv. Dit beroep wordt door de rechtbank gehonoreerd wat betreft de correspondentie tussen [eiseres] en haar advocaat in verband met het beroepsgeheim van advocaten over contacten met hun cliënten. Het beroep wordt verworpen wat betreft de correspondentie tussen enerzijds [eiseres] of haar advocaat en anderzijds de dierenartsen die [eiseres] heeft ingeschakeld om te rapporteren over de toestand van de drie dressuurpaarden. [eiseres] heeft niet gesteld dat zij een van die dierenartsen alleen heeft ingeschakeld als adviseur ter bepaling van haar standpunt in deze procedure. Indien er meerdere versies bestaan van een rapport van een dierenarts (zoals Equestrian c.s. stelt maar [eiseres] betwist), dient [eiseres] alle versies in het geding te brengen.

2.14.

De overige door Equestrian c.s. gewenste bescheiden betreffen stukken waarbij Equestrian c.s. geen belang heeft of die geen betrekking hebben op de rechtsbetrekking tussen partijen. Art. 843a Rv biedt geen basis om bij wijze van ‘fishing expedition’ het volledige dossier van de wederpartij te bemachtigen.

2.15.

Hierna zal blijken dat de vordering van [eiseres] in de hoofdzaak zal worden afgewezen. Dat betekent dat Equestrian c.s. geen belang meer heeft om in het kader van het voeren van verweer in deze procedure kennis te kunnen nemen van de onder 2.13 besproken bescheiden. De incidentele vordering ex art. 843a Rv zal daarom worden afgewezen.

2.16.

De rechtbank ziet redenen om de kosten van dit incident te compenseren als na te melden.

van het verzoek om tussenkomst

2.17.

Op de comparitie bij de kantonrechter heeft de raadsvrouw van [eiseres] verzocht om te mogen tussenkomen namens Lynton. Dit verzoek moet worden afgewezen, omdat het gaat om een vordering die ingevolge art. 218 Rv (ook bij de kantonrechter) moet worden ingesteld bij incidentele conclusie, die moet worden genomen vóór of op de roldatum waarop de laatste conclusie in het aanhangige geding wordt genomen.

2.18.

Na verwijzing naar de handelskamer heeft Lynton geprobeerd een dergelijke incidentele conclusie te nemen (de zaak is daartoe op verzoek van [eiseres] abusievelijk op de rol gezet voor het opwerpen van een incident ex art. 217 Rv), maar dat is door de rolrechter niet toegestaan omdat de kantonrechter de zaak heeft verwezen in de stand waarin deze zich bevond en de zaak derhalve reeds in staat van wijzen was. Dat betekent dat, indien Lynton een vordering tegen Equestrian c.s. wil instellen, zij zelf een nieuwe procedure aanhangig moet maken.

2.19.

Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende op. Indien Lynton inderdaad een nieuwe procedure tegen Equestrian c.s. aanhangig maakt, zouden partijen er verstandig aan doen nieuwe incidenten te voorkomen. Indien Lynton niet in een EG-land gevestigd is, is zij verplicht zekerheid te stellen voor de kosten van de nieuwe procedure. Bij de begroting van de te verwachten proceskosten moet er rekening mee worden gehouden dat bij de handelskamer griffierecht moet worden betaald door de gedaagde partij en dat een hoger advocatentarief geldt. Naar verwachting zal de handelskamer daarbij de vijf punten toepassen die ook de kantonrechter heeft gehanteerd, er vanuit gaande dat ofwel bewijs door middel van getuigen ofwel een deskundigenbericht zal worden bevolen, en dat, indien zowel een getuigenverhoor als een deskundigenbericht nodig blijkt, Equestrian c.s. om aanvulling van de zekerheid kan vragen. In de nieuwe procedure zullen partijen alle in de eerdere procedures overgelegde stukken opnieuw moeten overleggen. Lynton zal de usb-stick ter griffie moeten deponeren. Zij doet er verstandig aan daarnaast direct de extra stukken over te leggen die [eiseres] naar aanleiding van de beslissing in dit vonnis in het incident ex art. 843a Rv zou moeten overleggen.

in de hoofdzaak

2.20.

Equestrian c.s. betwist in de hoofdzaak onder meer dat de drie koopovereenkomsten door [eiseres] zijn gesloten. Volgens Equestrian c.s. heeft zij niet met [eiseres] maar met Lynton gecontracteerd.

2.21.

De handelskamer van de rechtbank is in de hoofdzaak niet gebonden aan het voorlopig oordeel van de kantonrechter in het kader van de bevoegdheidskwestie. De handelskamer sluit zich echter bij dat oordeel aan. Uit de door Equestrian c.s. overgelegde stukken blijkt dat [eiseres] in een e-mail van 13 december 2011 heeft medegedeeld dat zij een van de paarden wilde kopen op naam van een offshore bedrijf en dat de koopprijzen voor de drie paarden steeds zijn betaald door Lynton en niet door [eiseres] privé. Op de comparitie bij de kantonrechter heeft [eiseres] op dit punt tegenstrijdige verklaringen afgelegd: eerst heeft zij verklaard dat Lynton het geld voor de aankoop van de paarden aan [eiseres] heeft geleend en dat [eiseres] het geld vervolgens aan Equestrian c.s. heeft betaald, maar later heeft zij verklaard dat Lynton het geld rechtstreeks aan Equestrian c.s. heeft betaald. Een deugdelijke verklaring voor haar e-mail van 13 december 2011 heeft [eiseres] niet gegeven. Dat betekent dat de stelling van [eiseres], dat zij de koper van de drie paarden was, als onvoldoende onderbouwd moet worden verworpen. De vorderingen van [eiseres] moeten worden afgewezen, omdat een eventuele rechtsvordering wegens non-conformiteit of dwaling niet aan [eiseres] maar aan Lynton toekomt.

2.22.

[eiseres] zal als de in de hoofdzaak in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Equestrian c.s. worden begroot op:

- dagvaarding € 0,00

- overige explootkosten 0,00

- betaald griffierecht 3.829,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 1.200,00 (1,0 punt × tarief € 1.200,00)

Totaal € 5.029,00

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident ex art. 224 Rv

3.1.

wijst het gevorderde af,

3.2.

compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in het incident ex art. 843a Rv en/of art. 22 Rv

3.3.

wijst het gevorderde af,

3.4.

compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

van het verzoek om tussenkomst

3.5.

wijst het verzoek om tussenkomst af,

in de hoofdzaak

3.6.

wijst de vordering af,

3.7.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van de hoofdzaak, aan de zijde van Equestrian c.s. tot op heden begroot op € 5.029,00,

Dit vonnis is gewezen door mr. M.F.M.T. Franke en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2014.