Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:1906

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
C/01/265180
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Contradictoir. Letselschadezaak. Beroep op rechtsverwerking van verzekeringsmaatschappij gehonoreerd, omdat advocaat van slachtoffer in de dertien jaar na het verkeersongeval en na herhaalde aanmaning bleef schrijven dat hij inhoudelijk op de zaak terug zou komen, maar dat telkens niet deed. In het zeventiende jaar na het ongeval (en vier jaar na de laatste brief van deze advocaat), toen de opvolgend advocaat de verzekeringsmaatschappij aanschreef, had het slachtoffer haar recht daarmee verwerkt. Bovendien was op dat laatste moment de (bewijs)positie van de verzekeringsmaatschappij dusdanig geschaad dat het alsnog te gelde maken van het recht van het slachtoffer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 317
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2014/107 met annotatie van mr. J.J. Valk
RAV 2014/75

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/265180 / HA ZA 13-483

Vonnis van 2 april 2014

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. A.W. Braam te Maren-Kessel, Gemeente Oss,

tegen

de naamloze vennootschap

NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. D. Knottenbelt te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Nationale-Nederlanden genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 16 oktober 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 11 maart 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is op 4 oktober 1990 een verkeersongeval overkomen veroorzaakt door een verzekerde van Nationale-Nederlanden. Op het moment van het ongeval was zij wegens psychische problemen niet werkzaam, maar genoot een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de destijds geldende Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). In 1991 is [eiseres] door een schaderegelaar namens Nationale-Nederlanden bezocht. Ook is [eiseres] in dat jaar in opdracht van Nationale-Nederlanden twee maal medisch onderzocht door een huisarts en heeft Nationale-Nederlanden een voorschot van NLG 2.500,00 aan [eiseres] betaald.

2.2.

Op 11 december 1991 wordt aan de toenmalig raadsman van [eiseres], mr. Van Dijk, de namens Nationale-Nederlanden inmiddels verzamelde medische informatie toegezonden. Nationale-Nederlanden vraagt in diezelfde brief om meer informatie van [eiseres] omtrent haar AAW-uitkering voor het ongeval, alsmede omtrent een spoedconsult bij de oogarts (productie 4 [eiseres]).

2.3.

Op 18 december 1991 antwoordt mr. Van Dijk dat hij op deze onderwerpen na een bespreking met [eiseres] op 3 januari 1992 zal terugkomen (productie 5 [eiseres]).

2.4.

Nationale-Nederlanden rappelleert mr. Van Dijk op 2 maart en 5 juni 1992 omtrent (de uitkomst van) deze bespreking (producties 6 en 7 [eiseres]).

2.5.

Op 11 juni en 31 juli 1992 meldt mr. Van Dijk aan Nationale-Nederlanden dat hij na zijn vakantie, respectievelijk in augustus/september op de zaak zal terugkomen (producties 8 en 9 [eiseres]).

2.6.

Mr. van Dijk schrijft op 26 oktober 1992 dat hij op 17 november een bespreking zal hebben met [eiseres] en na 14 november gedetailleerd op de zaak zal terugkomen. Hij meldt tevens dat de situatie van [eiseres] onveranderd slecht is en vraagt om een nader voorschot van NLG 2.500,00 (productie 10 [eiseres]).

2.7.

Op 5 november 1992 schrijft Nationale-Nederlanden aan mr. Van Dijk pas na ontvangst van een meer inhoudelijke reactie bereid te zijn nadere bevoorschotting te overwegen (productie 11 [eiseres]).

2.8.

Op 1 december 1992 meldt mr. Van Dijk dat een bespreking met [eiseres] heeft plaatsgevonden en hij in afwachting is van enige stukken van [eiseres]. Na ontvangst daarvan zal hij op de zaak terugkomen, zo schrijft mr. Van Dijk (productie 12 [eiseres]).

2.9.

Mr. Van Dijk stuurt op 9 juli 1993 medische stukken naar Nationale-Nederlanden omtrent de situatie van [eiseres]. Hij schrijft daarbij onder meer dat [eiseres] ernstig gebukt gaat onder de klachten als gevolg van het ongeval, gezinsverzorging ontvangt en vraagt om een nader voorschot van NLG 15.000,00. (productie 13 [eiseres])

2.10.

Bij brief van 2 september 1993 vraagt Nationale-Nederlanden namens haar medisch adviseur aan [eiseres] onder meer naar de resultaten van het MRI-onderzoek, alsmede naar de indicatiestelling van de gezinsverzorging. Het verzoek om een voorschot van
NLG 15.000,00 wordt afgewezen omdat Nationale-Nederlanden dit voorbarig voorkomt. Nationale-Nederlanden stelt voor om, na ontvangst van de ontbrekende stukken, in overleg te treden met haar medisch adviseur om afspraken te maken over de medische aanpak van de casus en doet een voorstel om haar schaderegelaar samen met mr. Van Dijk een bezoek te laten brengen aan [eiseres]. In afwachting van nadere gegevens stelt Nationale-Nederlanden een voorschot van NLG 2.500,00 beschikbaar, zo schrijft zij (productie 14 [eiseres]).

2.11.

Op 24 mei en 24 november 1994 rappelleert Nationale-Nederlanden mr. Van Dijk omtrent haar brief van 2 september 1993 (productie 15 en 16 [eiseres]).

2.12.

Op 21 februari 1995 schrijft mr. Van Dijk dat hij al geruime tijd geen contact had met [eiseres], dat hij haar op heeft geroepen voor een bespreking en Nationale-Nederlanden nadien nader zal vernemen (productie 17 [eiseres]).

2.13.

Nationale-Nederlanden schrijft op 8 mei 1995 aan mr. Van Dijk dat zij al anderhalf jaar geen inhoudelijke reactie meer mocht vernemen en dat haar niet in het belang van het slachtoffer lijkt. Zij verzoekt mr. Van Dijk op korte termijn te reageren (productie 18 [eiseres]).

2.14.

Op 10 augustus 1995 bericht Nationale-Nederlanden aan mr. Van Dijk dat zij bijna twee jaar op een inhoudelijke reactie wacht en dat zij zich actief dient op te stellen. Nationale-Nederlanden schrijft dat zij zelf contact op zal nemen met [eiseres] in geval mr. Van Dijk niet binnen 6 weken reageert (productie 19 [eiseres]).

2.15.

Mr. van Dijk schrijft op 31 augustus 1995 terug aan Nationale-Nederlanden dat hij binnenkort met concrete nieuwe gegevens en schadespecificaties op de zaak zal terugkomen, alsmede dat Nationale-Nederlanden niet zelf in contact hoeft te treden met [eiseres], omdat zij dan naar mr. Van Dijk zal verwijzen (productie 20 [eiseres]).

2.16.

Op 12 januari 1996 schrijft Nationale-Nederlanden aan mr. Van Dijk onder meer dat zij nog steeds geen inhoudelijke reactie heeft ontvangen, haar uiterste best heeft gedaan en verder een afwachtende houding zal aannemen (productie 21 [eiseres]).

2.17.

Mr. Van Dijk maakt bij brief van 27 oktober 1998 aan Nationale-Nederlanden aanspraak op de wettelijke rente over de schade als gevolg van het ongeval (productie 22 [eiseres]).

2.18.

Nationale-Nederlanden antwoordt mr. Van Dijk bij brief van 29 oktober 1998, waarin zij schrijft de renteaanzegging niet te accepteren, alsmede dat zij sinds juli 1993 geen enkele inhoudelijke reactie meer heeft ontvangen, ondanks herhaaldelijke uitnodiging daartoe (productie 23 [eiseres]).

2.19.

Op 1 en 6 mei 2003 schrijft mr. Van Dijk aan Nationale-Nederlanden dat zij het dossier nog niet als gesloten kan beschouwen en dat het er naar uitziet dat hij thans inhoudelijk op korte termijn bij haar op de zaak terugkomt (productie 24 [eiseres]).

2.20.

De opvolgend advocaat van [eiseres], mr. Braam, meldt Nationale-Nederlanden bij brief van 11 mei 2007 dat [eiseres] haar vordering onverkort handhaaft en de brief opgevat kan worden als een stuiting van de verjaring (productie 25 [eiseres]).

2.21.

Op 26 maart en 17 april 2009 vraagt mr. Braam een kopie op van het dossier van Nationale-Nederlanden, met inbegrip van de medische informatie (producties 28 en 29 [eiseres]).

2.22.

Op 22 april 2009 stuurt Nationale-Nederlanden het dossier bij brief aan mr. Braam, waarbij zij zich onder meer op het standpunt stelt dat er sprake is van rechtsverwerking en de kwestie als afgedaan beschouwt (productie 30 [eiseres]).

2.23.

Mr. Braam beantwoordt de brief van Nationale-Nederlanden bij brief van 6 april 2010, waarin hij het beroep op rechtsverwerking verwerpt (productie 31 [eiseres]). Deze brief wordt op 14 april 2010 beantwoord door Nationale-Nederlanden die persisteert in haar stellingen en [eiseres] uitnodigt het geschil aan de rechter voor te leggen (productie 32 [eiseres]).

2.24.

Op 5 september 2011 heeft mr. Braam aan Nationale-Nederlanden een kopie van de concept-dagvaarding verstuurd, met een uitnodiging om het schaderegelingstraject te hervatten. Nationale-Nederlanden neemt per brief van 13 oktober 2011 hierover een afwijzend standpunt in (producties 33 en 34 [eiseres]). Vervolgens dagvaardt [eiseres] Nationale-Nederlanden op 2 juli 2013 voor deze rechtbank.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat:

1. voor recht te verklaren dat Nationale-Nederlanden aansprakelijk is voor de schade die zij lijdt als gevolg van het verkeersongeval van 4 oktober 1990,

bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de veroordeling van Nationale-Nederlanden:

2. tot het vergoeden van de schade die [eiseres] lijdt als gevolg van voornoemd verkeersongeval, op te maken bij staat,

3. in de proceskosten.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij als gevolg van het ongeval letsel heeft opgelopen waarvan zij tot op heden klachten en beperkingen ondervindt. Als verzekeraar van de veroorzaker van dit ongeval is Nationale-Nederlanden hiervoor aansprakelijk en dient zij de schade van [eiseres] te vergoeden.

3.3.

Nationale-Nederlanden voert gemotiveerd verweer. Zij beroept zich - sterk samengevat - op rechtsverwerking aan de zijde van [eiseres]. Tevens meent Nationale-Nederlanden dat [eiseres] geen belang meer heeft bij een verklaring voor recht zoals gevorderd onder 1, omdat Nationale-Nederlanden de aansprakelijkheid heeft erkend. Nationale-Nederlanden concludeert dan ook tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres], met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Rechtsverwerking

4.1.

Nationale-Nederlanden heeft zich primair verweerd tegen de vorderingen met haar stelling dat er sprake is van rechtsverwerking. [eiseres] heeft dit gemotiveerd betwist.

4.2.

De door [eiseres] gestelde schade is voor de inwerkingtreding van het huidige Burgerlijk Wetboek ontstaan. In beginsel zijn dan de voor 1 januari 1992 geldende bepalingen omtrent aansprakelijkheid en schade van toepassing. Voor de beoordeling van het verweer van Nationale-Nederlanden maakt dit echter geen verschil, nu ook onder het oude recht de verbintenis tot schadevergoeding onderworpen was aan de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid, de grondslag van het beroep op rechtsverwerking.

4.3.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan er sprake zijn van rechtsverwerking in het geval de schuldeiser zich heeft gedragen op een manier die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van dit recht. Hiervoor is alleen stilzitten van de schuldeiser niet genoeg, maar moet er sprake zijn van bijkomende omstandigheden. Deze omstandigheden kunnen er toe leiden dat de schuldenaar er gerechtvaardigd op kon vertrouwen dat de schuldenaar de vordering niet langer geldend zou maken, maar ook leiden tot een geval waarin de positie van de schuldenaar onredelijk wordt benadeeld of verzwaard als de schuldeiser zijn vordering nog geldend zou maken.

4.4.

De rechtbank is binnen dit kader van oordeel dat Nationale-Nederlanden uit de bij de feiten onder 2.2 t/m 2.19 geschetste omstandigheden in de jaren vanaf 2003 tot 2007 heeft mogen afleiden dat [eiseres] haar vorderingsrecht niet langer te gelde zou maken. Immers, in de dertien jaar tussen het moment van het ongeval en mei 2003 heeft de toenmalig raadsman, laatstelijk bij brieven van 1 en 6 mei 2003, tot acht maal toe aan Nationale-Nederlanden toegezegd - al dan niet spoedig - inhoudelijk op de zaak terug te komen, dit nadat Nationale-Nederlanden hem daartoe herhaaldelijk heeft aangemaand. Telkenmale kwam mr. Van Dijk echter niet inhoudelijk op de zaak terug. Dit betekent dat bij Nationale-Nederlanden in de loop van 2003, maar zeker in 2007, ruim vier jaar na de laatste toezegging van mr. Van Dijk en bijna zeventien jaar na het ongeval, ook gerechtvaardigd het vertrouwen post mocht vatten dat [eiseres] haar vordering niet langer te gelde zou maken. De rechtbank heeft daarbij ook meegewogen dat [eiseres] in deze lange periode, voor zover uit het procesdossier blijkt, slechts één maal concreet informatie aan Nationale-Nederlanden over haar situatie heeft verstrekt, te weten bij brief van 9 juli 1993. Dit leidde overigens tot meer vragen van de zijde van Nationale-Nederlanden zoals aan [eiseres] gesteld bij brief van 3 september 1993. Niet gebleken is dat namens [eiseres] op deze en andere concrete vragen van de zijde van Nationale-Nederlanden (onder andere gesteld in de brief van 11 september 1991) ondanks aanmaning(en) een inhoudelijke reactie is gegeven. Dit heeft de indruk van Nationale-Nederlanden dat een dergelijke reactie nooit meer zou komen, alleen maar versterkt.

4.5.

Het standpunt dat Nationale-Nederlanden in deze periode in plaats van mr. Van Dijk [eiseres] zelf (meer) had moeten benaderen en Nationale-Nederlanden om die reden geen beroep zou kunnen doen op rechtsverwerking, zoals [eiseres] heeft gesteld, deelt de rechtbank niet. Nationale-Nederlanden heeft mr. Van Dijk in 1995 geschreven voornemens zijn [eiseres] zelf te gaan benaderen, maar hij heeft dit afgehouden. Als mr. Van Dijk dat al ten onrechte zou hebben gedaan, dan is dat een omstandigheid die naar het oordeel van de rechtbank in de relatie tot Nationale-Nederlanden voor rekening en risico van [eiseres] komt. [eiseres] heeft op dit punt verder gesteld dat zij in die periode als gevolg van het ongevalsletsel nauwelijks tot iets in staat was (een standpunt waarvan de rechtbank overigens opmerkt dat dit niet concreet is onderbouwd met daarop ziende medische stukken). Zij heeft echter niet gesteld, noch is anderszins gebleken, dat Nationale-Nederlanden hiervan kennis zou hebben gehad waardoor Nationale-Nederlanden aanleiding had moeten zien [eiseres] zelf meer actief te benaderen, noch gesteld dat Nationale-Nederlanden op grond van haar kennis omtrent de medische situatie van [eiseres] niet gerechtvaardigd heeft mogen verwachten dat namens [eiseres] adequater zou zijn gereageerd.

4.6.

Het voorgaande betekent dat [eiseres] haar vorderingsrecht op 11 mei 2007, toen mr. mr. Braam alsnog duidelijk maakte dat zij haar vorderingsrecht nog wilde uitoefenen, al had verwerkt. De rechtbank merkt daarover ten overvloede nog op dat ook vanaf dat moment de verstrekking van feitelijke informatie door [eiseres] aan Nationale-Nederlanden, waar Nationale-Nederlanden al in 1991 en 1993 om heeft gevraagd, niet bepaald voortvarend verliep: de eerstvolgende brief van mr. Braam dateert van twee jaar later en ook daarin wordt geen informatie verstrekt maar juist gevraagd van Nationale-Nederlanden. Wat hiervan ook zij, in 2007 waren er sinds het ongeval bijna zeventien jaar verstreken en Nationale-Nederlanden beschikte ondanks haar vragen nog over weinig feitelijke informatie van [eiseres]. Mede gelet daarop was door het tijdsverloop de bewijs- en procespositie Nationale-Nederlanden in mei 2007 (en later) dusdanig geschaad dat het naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiseres] haar recht alsnog geldend maakte.

4.7.

Immers, een zinvol medisch onderzoek naar letsel, beperkingen (en schade) als gevolg van het ongeval is na zulke lange tijd (en op het moment van dagvaarding - drieëntwintig jaar na het ongeval - geldt dit a fortiori) niet meer goed voorstelbaar. Dit wordt nog versterkt door het feit dat [eiseres] op het moment van het ongeval kennelijk leed aan psychische klachten waardoor zij (op dat moment) niet kon werken. Het vaststellen van causaliteit tussen het gestelde letsel na het ongeval (waarvan de rechtbank begrijpt uit de stukken: een post-whiplash syndroom) wordt door een pre-existente conditie naar het zich laat aanzien nog eens bemoeilijkt. Hetzelfde geldt voor het eventueel leveren van (tegen)bewijs door Nationale-Nederlanden middels getuigen of bescheiden, die door dit tijdsverloop mogelijk uit beeld, zoek of in het ongerede zijn geraakt. Dat [eiseres] op alle hierboven genoemde punten de bewijslast draagt, doet hieraan niet af1. Voor Nationale-Nederlanden komt daar nog bij dat zij, zoals ze onbetwist heeft gesteld, de financiële reservering die zij ten behoeve dit ongeval had gemaakt na verloop van tijd heeft vrijgegeven en dus ook in haar bedrijfsvoering met de financiële gevolgen van een eventuele schadeclaim van [eiseres] niet langer rekening heeft gehouden. Ten slotte speelt hier voor Nationale-Nederlanden het belang dat zij [eiseres] niet heeft kunnen begeleiden bij eventuele re-integratie en zodoende de schade mede had kunnen (helpen) beperken. Tekenend voor de situatie dat Nationale-Nederlanden in haar bewijspositie is geschaad, is de omstandigheid dat er ter comparitie bij partijen onduidelijkheid bleef bestaan over welke (medische) documenten in de loop van de jaren al dan niet door [eiseres] aan Nationale-Nederlanden zijn verstrekt en welke documenten zich (nog) in het dossier van Nationale-Nederlanden bevonden of nog hadden moeten bevinden.

4.8.

De rechtbank komt op grond van het voorafgaande tot de conclusie dat het beroep op rechtsverwerking van Nationale-Nederlanden slaagt. Om die reden zal de rechtbank de vordering onder 2 afwijzen.

Het belang van [eiseres] bij de vordering onder 1.

4.9.

Nu de rechtbank heeft beslist dat [eiseres] haar vorderingsrecht strekkende tot schadevergoeding voortvloeiende uit het ongeval niet langer geldend kan maken, tussen partijen voorts niet in geschil is dat Nationale-Nederlanden de aansprakelijkheid voor het ongeval heeft erkend en daarbij gesteld noch gebleken is dat [eiseres] nog een belang heeft bij de overblijvende verklaring voor recht zoals gevorderd onder 1, zal de rechtbank deze vordering bij gebrek aan belang afwijzen.

4.10.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Nationale-Nederlanden worden begroot op:

- griffierecht 589,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.493,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Nationale-Nederlanden tot op heden begroot op € 1.493,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Rietveld en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 2 april 2014.

1 Vergelijk Hoge Raad 29 november 1996, ECLI :NL:HR:1996:ZC2212, in het bijzonder de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 11.