Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:1904

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
C/01/275216
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De uitlatingen van het ziekenhuis over de medisch specialisten op de persconferentie konden door de media worden opgevat als beschuldigingen van strafbare feiten. Het ziekenhuis heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter beschuldigingen aan het adres van de medisch specialisten gedaan die niet overeenstemmen met het oordeel van het Scheidsgerecht. De voorzieningenrechter acht dat onrechtmatig en geeft daarom aan het ziekenhuis de opdracht om in een aantal dagbladen een advertentie met een rectificatie te plaatsen. Het ziekenhuis krijgt ook een verbod om zich opnieuw in beschuldigende zin over de medisch specialisten uit te laten.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 321
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2014/106
GZR-Updates.nl 2014-0105

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/275216 / KG ZA 14-130

Vonnis in kort geding van 16 april 2014

in de zaak van

1 [eiser],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres],

wonende te Bladel,

3. [eiseres],

wonende te [woonplaats],

4. [eiser],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. H.A.J. Stollenwerck te Maastricht,

tegen

de stichting

STICHTING CATHARINA ZIEKENHUIS,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagde,

advocaten mr. drs. P. Bergkamp en mr. T. van Malssen te Nijmegen.

Partijen worden de dermatologen en het Catharina Ziekenhuis genoemd.

1 De procedure

1.1.

De procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 februari 2014, met 15 producties,

  • -

    de brief van mr. Bergkamp van 25 maart 2014, met de conclusie van antwoord,

  • -

    de producties 1 t/m 105 van de zijde van het Catharina Ziekenhuis, ingekomen ter griffie op 26 maart 2014,

  • -

    de mondelinge behandeling op 27 maart 2014,
    - de pleitnota van de dermatologen,

  • -

    de pleitnota van het Catharina Ziekenhuis.


1.2. Aan het slot van de mondelinge behandeling is de zaak aangehouden tot 2 april 2014 om partijen de gelegenheid te geven een minnelijke regeling te onderzoeken. Bij faxbericht van 2 april 2014 heeft mr. Stollenwerck doen weten dat partijen geen minnelijke regeling hebben getroffen en heeft hij namens de dermatologen om vonnis gevraagd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald op 16 april 2014.

2 De feiten

2.1.

Tussen de dermatologen enerzijds en het Catharina Ziekenhuis (en inmiddels ook de voorzitter van de Raad van Bestuur van het Catharinaziekenhuis in privé) anderzijds speelt een langdurig en gecompliceerd conflict. Dit conflict is ter zitting, mede voor het begrip van de voorzieningenrechter van de achtergronden van het geval, breder aan de orde geweest. Dit vonnis beperkt zich waar mogelijk tot punten die relevant zijn voor de vorderingen die de dermatologen in dit kort geding aan de orde hebben gesteld.

2.2.

De dermatologen zijn allen op basis van een toelatingsovereenkomst werkzaam geweest in het Catharina Ziekenhuis te Eindhoven. Tezamen vormden de dermatologen een maatschap en maakten zij deel uit van de vakgroep (afdeling) dermatologie van het Catharina Ziekenhuis.

2.3.

De toelatingsovereenkomsten kennen een geschillenregeling, waarin het Scheidsgerecht Gezondheidszorg (verder: het Scheidsgerecht) is aangewezen om geschillen tussen het Catharina Ziekenhuis en toegelaten medisch specialisten te beslechten.

2.4.

Bij brief van 15 november 2012 heeft de Raad van Bestuur (RvB) van het Catharina Ziekenhuis de toelatingsovereenkomsten met elk van de dermatologen opgezegd tegen 17 mei 2013. Aan na te melden arbitraal vonnis van 6 mei 2013 ontleent de voorzieningenrechter dat in de opzeggingsbrief aan de dermatologen diverse verwijten zijn gemaakt. In de opzeggingsbrief is (blijkens het vonnis) opgenomen dat de dermatologen zonder toestemming een praktijk op het gebied van de cosmetische dermatologie in het ziekenhuis zijn begonnen, daarbij gebruik hebben gemaakt van personeel en middelen van het ziekenhuis, contante betalingen door patiënten hebben laten verrichten, een gebrekkige administratie hebben gevoerd en hun positie in het ziekenhuis hebben misbruikt. De dermatologen hebben, nog steeds volgens de weergave van de opzeggingsbrief in het arbitraal vonnis van 6 mei 2013, nagelaten hierover overleg te voeren met het stafbestuur en zich schuldig gemaakt aan strafbare feiten zoals verduistering en valsheid in geschrift.

2.5.

De dermatologen hebben tegen de opzegging van de toelatingsovereenkomsten een procedure aanhangig gemaakt bij het Scheidsgerecht. Deze procedure (met nummer 12/38) heeft geleid tot de volgende arbitrale (tussen)vonnissen:

  1. het kort geding vonnis van 15 april 2013,

  2. het tussenvonnis van 6 mei 2013,

  3. het tussenvonnis van 11 september 2013,

  4. het eindvonnis van 31 december 2013.

2.6.

Het Scheidsgerecht heeft, kort gezegd, geoordeeld dat het Catharina Ziekenhuis de toelatingsovereenkomsten met de dermatologen terecht heeft opgezegd, omdat de samenwerking van de dermatologen met de ziekenhuisorganisatie onherstelbaar was verstoord. In de arbitrale vonnissen van 6 mei 2013 en 11 september 2013 heeft het Scheidsgerecht geoordeeld dat de opzegging van de toelatingsovereenkomsten aan de dermatologen rechtsgeldig is en dat er geen plaats is voor een schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen door het Catharina Ziekenhuis. Wel vond het Scheidsgerecht dat er gronden waren voor toekenning van een vergoeding naar billijkheid.

2.7.

Bij eindvonnis van 31 december 2013 heeft het Scheidsgerecht aan ieder van de vier dermatologen een bedrag van € 250.000,-- als vergoeding naar billijkheid toegewezen. Begin januari 2014 heeft het Catharina Ziekenhuis een totaalbedrag van € 1.000.000,-- aan de dermatologen overgemaakt. De vonnissen van het Scheidsgerecht zijn niet vatbaar voor hoger beroep en daarmee definitief.

2.8.

Het Scheidsgerecht heeft onder meer het volgende overwogen:

Arbitraal tussenvonnis van 6 mei 2013


4.2. In de eerste plaats moet worden vastgesteld wat onder een zelfstandige praktijk wordt verstaan. Kennelijk heeft de stichting hierbij het oog op een eigen praktijk die door eisers (de dermatologen, vzr.) buiten het toezicht van de raad van bestuur naast hun reguliere praktijk in het ziekenhuis is gevoerd. Die zienswijze acht het Scheidsgerecht niet houdbaar. Eisers hebben alleen patiënten behandeld die zich voor een medische behandeling in het ziekenhuis hebben aangemeld. In een aantal gevallen hebben eisers op verzoek van deze patiënten verrichtingen uitgevoerd die, althans naar de mening van eisers, niet (meer) tot de verzekerde zorg behoorden. Met deze patiënten is daarover overleg gepleegd. Eisers hebben de patiënten voor deze verrichtingen laten betalen en facturen verstrekt met daarop de naam van het ziekenhuis.

4.3.

Dat eisers hiertoe geen schriftelijke toestemming van de raad van bestuur hebben verkregen staat vast. In zoverre hebben zij dus in strijd met de toelatingsovereenkomst gehandeld. Zij meenden ervan te mogen uitgaan dat zij deze toestemming mondeling hadden verkregen, maar dat standpunt acht het Scheidsgerecht niet voldoende feitelijk ondersteund. Er heeft eenmaal overleg plaatsgevonden over deze vorm van behandeling met de voorzitter van de raad van bestuur. Deze stond daar niet afwijzend tegenover, maar toen ging het alleen om een vast spreekuur op de maandagavond, zoals eisers hadden voorgesteld. Dit voorstel had nader moeten worden uitgewerkt, doch daarvan is het niet gekomen. De handelwijze van eisers is dus niet correct, maar het is onnodig escalerend om hen telkens opnieuw van “leugens” te beschuldigen, zoals van de zijde van verweerster (het Catharina Ziekenhuis, vzr.) is gebeurd.

4.4.

Voorts moest ook als vaststaand worden aangenomen dat eisers hebben verzuimd de financiële afwikkeling via de desbetreffende afdeling van het ziekenhuis te laten lopen. Daarmee hebben zij aan de raad van bestuur een deugdelijk inzicht in hun handelwijze onthouden. Zij hebben ook de indruk gewekt dat zij zich niets van de procedures binnen het ziekenhuis aantrokken. Van alle facturen en alle verrichtingen is echter normaal aantekening gehouden, zodat niet in te zien valt dat een “administratieve organisatie” ontbrak, zoals verweerster heeft aangevoerd.

4.5.

Aan eisers wordt voorts terecht verweten dat zij voor patiënten een onduidelijke en verwarrende situatie hebben laten ontstaan door voor een medische behandeling in een ziekenhuis contante betaling te verlangen. Verweerster maakt hier echter wel een erg groot punt van. Voor de reputatie van het ziekenhuis kan een dergelijke handelswijze nauwelijks gevolgen hebben. Hetgeen verweerster op dit punt heeft aangevoerd, is niet overtuigend. Wel juist is dat eisers wat de prijzen betreft een ondoorzichtige situatie in het leven hebben geroepen, die bij patiënten verwarring teweeg kan hebben gebracht, maar eisers hebben wél aan de patiënten uitgelegd waarom zij handelden als zij hebben gedaan. Van een veelheid aan klachten is niet gebleken.

4.6.

Eisers hebben de aan hen verweten gedragingen niet verborgen gehouden. De bescheiden werden ingevuld en bewaard op de afdeling en waren voor medewerkers van het ziekenhuis zichtbaar. Het is niet aannemelijk dat eisers zich met de opbrengst van deze praktijk hebben willen verrijken. Integendeel, naar het oordeel van het Scheidsgerecht hebben zij het belang van hun patiënten willen dienen door deze zorg te blijven aanbieden. Het standpunt van verweerster dat deze praktijk (in strafrechtelijke zin) frauduleus is, acht het Scheidsgerecht misplaatst. Dat eisers zich uit een oogpunt van integriteit hebben misdragen, zoals verweerster meent, is slechts gedeeltelijk juist. Niet weersproken is dat alle betalingen op dezelfde rekening zijn gestort en dat het bedrag van die rekening niet aan eisers is overgemaakt. Eisers hebben de bedoeling gehad tot een afrekening te komen. Aan hen valt te verwijten dat zij over de bedoeling niet hebben gecommuniceerd en dat zij zich niets hebben aangetrokken van de in het ziekenhuis geldende regels en procedures.

4.7.

De omvang van de werkzaamheden is beperkt. Het gaat om 168 patiënten en een bedrag van € 23.947, dat op een aparte rekening is gestort en waarvan eisers verantwoording wilden afleggen. Er zijn hulpmiddelen van het ziekenhuis gebruikt (volgens verweerster voor € 20.799,--) en volgens eisers € 1.400,) en er is voor een bedrag van € 628, aan onderzoek bij het PAMM gevraagd, maar ook hiervan staat niet vast dat eisers deze kosten voor rekening van het ziekenhuis wilden laten. Dat eisers slordig hebben gehandeld moge juist zijn, maar niet staat vast dat zij verweerster hebben willen benadelen.

4.8.

De aan eisers verweten gedragingen zijn niet zo ernstig dat zij de opzegging van de toelatingsovereenkomst kunnen rechtvaardigen. Partijen waren over deze kwestie al vanaf mei 2012 in gesprek en eisers hebben toen volledige openheid willen betrachten. Uit de overgelegde correspondentie blijkt dat hier een uit de hand gelopen conflict betreft waarbij beide partijen voortdurend olie op het vuur hebben gegooid in plaats van naar een oplossing hebben gezocht voor een afdeling die in medisch-technisch opzicht als zeer goed werd beschouwd. Aan eiseres kan worden toegegeven dat zij ook pogingen hebben gedaan met de raad van bestuur in gesprek te komen, maar dat die pogingen niet zijn gelukt valt zonder enige twijfel ook toe te schrijven aan hun eigen opstelling, die geen blijk geeft van goed begrip voor de normale verhoudingen binnen een ziekenhuis. De conclusie van verweerster dat het bij eisers “in ernstige mate ontbreekt aan integriteit” is niet door de feiten gerechtvaardigd en daarmee ontvalt aan de opzegging in de brief van 5 november 2012 de belangrijkste grond. Voor dit oordeel acht het Scheidsgerecht het navolgende bepalend. Eisers hebben naar zij stellen en aannemelijk is, gehandeld in het belang van hun patiënten. Anders dan verweerster meent is niet geldzucht hun drijfveer geweest. Daarvoor gaat het ook nog eens om een veel te gering bedrag. Het conflict tussen eisers en verweerster gaat in de kern ook niet over integriteit, maar om de weigering van eisers zich te gedragen naar de in het ziekenhuis geldende regels. Dat eisers daartoe gehouden zijn, is geen punt van discussie. Dat zij kennelijk voortdurend de grenzen hebben opgezocht, is ook aannemelijk. Toen daarover conflicten ontstonden hebben beide partijen dat conflict nodeloos doen escaleren.


4.9. De opzegging zou mogelijkerwijs toch in stand moeten worden gelaten als juist is dat eisers welbewust en te kwader trouw een gedeelte van hun praktijk hebben overgeheveld naar het ZBC in Venray. Het Scheidsgerecht ziet echter ook voor dit verwijt niet voldoende aanknopingspunten. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.10.

In de eerste plaats stelt het Scheidsgerecht vast dat verweerster een onderzoek heeft doen uitvoeren dat niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. De onderzoeker gaat uit van de door hem niet geverifieerde veronderstelling dat eisers niet aan dit onderzoek willen meewerken. Hij heeft geen gebruik gemaakt van hun dossiers en hij heeft hen niet gehoord waarmee hij twee elementaire fouten heeft gemaakt die twijfel kunnen doen rijzen over de onafhankelijkheid die bij een dergelijk onderzoek vereist is. Door melding te maken van het beluisteren van een telefoongesprek met een patiënt op de kamer van de voorzitter van de raad van bestuur heeft de onderzoeker kennelijk onbedoeld onthuld dat hij bij zijn onderzoek nauw met deze voorzitter heeft samengewerkt.

4.11.

Vervolgens moet worden geconstateerd dat eisers in de periode waarom het hier gaat hun werkzaamheden in het ziekenhuis normaal hebben uitgevoerd. Het kan alleen schadelijk voor het ziekenhuis zijn geweest als zij meer in het ZBC zijn gaan werken dan afgesproken was. Dat is niet de stelling van verweerster.

(…)

4.13.

Zelfs als aangenomen wordt dat de stellingen van eisers niet op alle punten juist zijn, kan naar het oordeel van het Scheidsgerecht niet worden geconcludeerd dat van een ongeoorloofde en stelselmatige overheveling van patiënten naar de DBC sprake is geweest. (…).

(…)

4.17.

Naar het oordeel van het Scheidsgerecht hebben eisers wat de cosmetische dermatologie betreft in een aantal opzichten verwijtbaar onjuist gehandeld, maar is er geen sprake geweest van frauduleus handelen. Ook is vooralsnog niet aangetoond dat eisers stelselmatig en bewust patiënten die in het ziekenhuis van verweerster hadden kunnen worden behandeld naar hun kliniek in Venray hebben verwezen met de bedoeling die praktijk te bevoordelen boven die in het ziekenhuis. In zoverre zijn de opzeggingsgronden die verweerster heeft gehanteerd, ontoereikend. (...)”.

Arbitraal tussenvonnis van 11 september 2013

“3.3. (..) Aan de Raad van bestuur valt zonder meer te verwijten dat aan eisers frauduleus en zelfs strafrechtelijk verwijtbaar gedrag is verweten. Mede daardoor is het conflict tussen raad van bestuur en eisers geheel uit de hand gelopen. Het stafbestuur heeft zich in november 2012 door deze inkleuring klaarblijkelijk negatief laten beïnvloeden. Eisers hebben aan deze onnodige diskwalificatie terecht aanstoot genomen. Het Scheidsgerecht ziet hierin een belangrijke factor die tot deze escalatie heeft geleid.”

Het arbitraal eindvonnis van 31 december 2013

2.1. (…) Het Scheidsgerecht blijft bij zijn oordeel dat het door de stichting aan eisers gemaakte verwijt dat hun privépraktijk in het ziekenhuis “in strafrechtelijke zin frauduleus is”, misplaatst is. De stichting heeft verzocht om een nadere motivering van dit oordeel. Die motivering komt erop neer dat niet valt in te zien onder welke strafrechtelijke delictsomschrijving het aan eisers verweten handelen of nalaten zou moeten vallen. Nu de stichting met betrekking tot eisers nimmer aangifte heeft gedaan van het plegen van een strafbaar feit, is haar zienswijze ook nooit door de bevoegde strafrechter getoetst. Reeds daarom past het de stichting niet in deze procedure vol te houden dat er wel van strafrechtelijk verwijtbaar handelen sprake is geweest. De verwijzing naar de opinie van een hoogleraar, die vervolgens gemotiveerd is bestreden door een andere hoogleraar, brengt niet mee dat over een en ander anders moet worden geoordeeld. Het Scheidsgerecht acht het strafrechtelijk verwijt aan eisers ook misplaatst omdat de raad van bestuur zich hierover geen prematuur oordeel had mogen aanmatigen. Door dat wel te doen heeft de stichting het conflict in aanzienlijke mate nodeloos doen escaleren.”

2.9.

Naar aanleiding van het eindvonnis van het Scheidsgerecht hebben de RvB van het Catharina Ziekenhuis, de voorzitter van de medische staf en de voorzitter van de Raad van Toezicht op vrijdag 3 januari 2014 een persbericht doen uitgaan met als titel “Handhaven integriteit kost Catharina ziekenhuis één miljoen euro”. In het persbericht werd tevens een persconferentie aangekondigd, welke op die dag om 13.00 uur in het Catharina Ziekenhuis zou plaatsvinden. Tijdens die persconferentie zou een uitgebreide toelichting worden gegeven op het arbitraal vonnis van het Scheidsgerecht in de zaak rond de maatschap dermatologie.

2.10.

Op 3 januari 2014 heeft de persconferentie plaatsgevonden. Van hetgeen tijdens de persconferentie is verklaard hebben de dermatologen een transcriptie overgelegd. Het Catharina Ziekenhuis heeft een nagenoeg gelijkluidende transcriptie in het geding gebracht. De voorzieningenrechter heeft tevens kennis genomen van de beeldopname van de persconferentie die het Catharina Ziekenhuis op DVD als productie heeft overgelegd. Het Catharina Ziekenhuis heeft tevens een transcriptie van de vragenronde aan het slot van de persconferentie in het geding gebracht.

2.11.

Aan het persbericht en de persconferentie zijn de volgende citaten te ontlenen die de dermatologen in de dagvaarding uitdrukkelijk aan hun vordering ten grondslag leggen.

In het persbericht zegt Bestuursvoorzitter [naam]:

Met dit oordeel geeft het Scheidsgerecht een opvallend maatschappelijk signaal: als het om integriteitskwesties gaat hebben medisch specialisten in Nederland anno 2014 een grotere scharrelruimte en een hogere rechtsbescherming tegen ontslag dan iedere andere medewerker.

(A)

Bestuurslid [naam] zegt:

Volgens het Scheidsgerecht Gezondheidszorg hebben we daar dus te zwaar op ingezet. Maar wij vinden als Raad van Bestuur dat je op integriteit niet kan beknibbelen.

(B)

Tijdens de persconferentie:

Bestuursvoorzitter [naam] zegt tijdens een interview:

Het gaat om integriteit. De dermatologen hebben in strijd met de binnen onze organisatie geldende regels gehandeld. Het Scheidsgerecht heeft gezegd: Catharina-Ziekenhuis, daarin heb je gedeeltelijk gelijk. Als bestuurder van het Catharina-Ziekenhuis kunnen wij met halve integriteit niet verder. Mensen bij ons zijn integer of ze zijn niet integer.

(C)

Bestuurslid [naam] zegt:

“(..) patiënten werden in de zelf opgezette praktijk niet-verzekerde zorg van de dermatologen geconfronteerd met een soort koehandel, behandelprijzen waren niet duidelijk, waren arbitrair, en werden op onderdelen zelfs ingezet als actietarief. Zoiets als 3 halen, 2 betalen bij de dermatologie. 10 pukkels weghalen, voor honderd euro. Het lijkt de Albert Cuypmarkt wel. Met directe contante betaling graag. In mijn ogen een bizarre en verwerpelijke invulling van het begrip marktwerking in de zorg.

(…) Catharina Patiënten werden, soms op de zeer hoge leeftijd van 85 of 90 jaar, naar het eigen zelfstandig behandelcentrum MohsA, een soort privékliniek van de dermatologen in Venray gestuurd op ongeveer een uur reisafstand van het Catharinaziekenhuis. Deze routering van patiënten geschiedde buiten het ziekenhuis om. Deze handelswijze getuigd van bijzonder weinig respect, noch naar patiënt, noch naar het ziekenhuis. In mijn ogen wederom een bizarre en verwerpelijke invulling van het begrip marktwerking in de zorg.

(D)

En

“Als een medewerker van het ziekenhuis vanmiddag een printer mee naar huis neemt, die printer vanavond voor 50 euro op marktplaats zet en wij dat morgen ontdekken, staat diezelfde medewerker morgen met 0 euro op straat. Als raad van bestuur bewaken wij de integriteit van onze organisatie. Wij zien geen enkele reden waarom een medisch specialist een grotere speelruimte zou hebben dan een willekeurige andere medewerker”.

(E)

De voorzitter van de Raad van Toezicht zegt:

“Moge een ieder dan ook duidelijk zijn dat de dermatologen in hun aanpak van deze activiteit de integriteitscode van het ziekenhuis, die ook zij hebben onderschreven, met voeten hebben getreden. Mede door dit gedrag en hun opstelling in de loop van dit proces hebben deze dermatologen niet alleen het Catharina-ziekenhuis aanzienlijke imagoschade toegebracht maar hebben zij ook hun collega specialisten geheel ten onrechte in een kwaad daglicht gesteld.”

(F)

En

Dat het hier om medisch inhoudelijk gezien alom gewaardeerde specialisten gaat en het maar het foutje van zo’n 20.000 euro betreft, doet mijns inziens niets af aan de ernst van dit soort wangedrag en de daarbij getoonde mentaliteit van deze dermatologen.

(G)

En

Apert fout gedrag wordt niet getolereerd. Met integriteit binnen het Catharina-

ziekenhuis valt niet te marchanderen. De Raad van Toezicht zal de Raad van Bestuur in dit soort kwesties dan ook te allen tijde steunen, ongeacht de personen in deze organisatie die menen inbreuk te mogen maken op wat ik zou willen duiden als een van de meest fundamentele kernwaarden van dit huis.”.

(H)

2.12.

Tijdens de vragenronde is onder meer het volgende aan de orde geweest:
“(…)

[naam], Volkskrant

U krijgt geen gelijk van het Scheidsgerecht, want die stellen dat er geen sprake is van fraude.


[naam]
Wij krijgen wel gelijk van het Scheidsgerecht want het Scheidsgerecht zegt dat wij volkomen terecht de toelatingsovereenkomst hebben opgezegd.

(…)

[naam], Volkskrant

U heeft het steeds over integriteit maar juist op dat punt, zo kunnen we in de uitspraak lezen, krijgt u geen gelijk. Er is niet aangetoond dat ze niet in het belang van de patiënt hebben gehandeld, integendeel.



[naam]
Ik adviseer u dan toch het vonnis goed te citeren. Het Scheidsgerecht zegt het standpunt van het Catharina Ziekenhuis dat de dermatologen integriteitsregels hebben geschonden is gedeeltelijk juist. Ik herhaal: dat standpunt is gedeeltelijk juist.
Maar, zegt het Scheidsgerecht vervolgens, het ging maar over 20.000 euro, het zijn goede dokters en het had niet zo hoeven escaleren.
Ik herhaal wat mijn collega [naam] heeft gezegd: op het moment dat een medewerker vandaag een printer meeneemt en op Marktplaats zet voor 50 euro; dan staat die ziekenhuismedewerker morgen buiten. Het Scheidgerecht ziet blijkbaar wel verschil tussen het handelen van medisch specialisten en medewerkers. Dat is een verschil, dat kunnen wij niet uitleggen. Daar doen wij geen pogingen toe.

[naam], Volkskrant

U vergelijkt dus het stelen van een printer met het handelen van de dermatologen in dit ziekenhuis. Zij hebben een strafbaar feit gepleegd.

[naam]
Wij zijn van mening dat daar waar je botox uit de kast haalt, a raison van 232 euro per ampul, zonder toestemming van de Raad van Bestuur, daar waar vervolgens facturen worden gestuurd van 600 euro naar een patiënt, op papier van het Catharina Ziekenhuis met een bankrekeningnummer suggererend dat het van het Catharina Ziekenhuis komt, dat je daar je nadrukkelijk vraagtekens achter kunt zetten.
Daarin hebben wij de route gelopen die contractueel vereist is, namelijk dat je dat voorlegt aan het Scheidsgerecht. Dat hebben wij gedaan. In het laatste vonnis, dat heeft u kunnen lezen, heeft het Scheidsgerecht als een van de overwegingen om het niet als fraude te betitelen, het feit dat het Catharina Ziekenhuis de zaak niet heeft voorgelegd aan de strafrechter.

Volkskrant

Dat is toch logisch want als er een strafbaar feit is gepleegd dan ga je naar de politie en niet naar het Scheidsgerecht.

[naam]
En dat is voor ons een verrassende interpretatie van het Scheidsgerecht, want in de contractuele relatie tussen het ziekenhuis en de specialist staat, dat alle geschillen dienen te worden voorgelegd aan het Scheidsgerecht en daarom hebben wij die route bewandeld.

(…)”


2.13. Het persbericht en de persconferentie hebben mediabelangstelling getrokken en tot publicaties in onder meer De Telegraaf, NRC Handelsblad, het Eindhovens dagblad en Medisch Contact geleid. Ook Omroep Brabant heeft er aandacht aan besteed. Na de persconferentie zijn de tekst van het persbericht en de beelden van de persconferentie op de website van het Catharina Ziekenhuis geplaatst. Tevens zijn op de website geplaatst een bepaling uit de toelatingsovereenkomsten met de dermatologen en een afbeelding van een factuur, welke stukken ook tijdens de persconferentie zijn getoond. Ten tijde van de mondelinge behandeling van het kort geding was de publicatie van de website verwijderd, hetgeen heeft geleid tot een vermindering van eis.

2.14.

Naar aanleiding van het persbericht zijn Kamervragen gesteld (nr. 2014Z00167). Op 14 februari 2014 heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport geantwoord “op Kamervragen van het Kamerlid [naam] (PVV) over het bericht dat het Catharinaziekenhuis in Eindhoven één miljoen euro moet betalen aan vier frauderende dermatologen.”

2.15.

De dermatologen werken thans in zelfstandige behandelcentra voor dermatologie. Eisers sub 1 en sub 2 in [vestigingsplaats] en eisers sub 3 en sub 4 in [vestigingsplaats].

2.16.

De dermatologen hebben de vordering eerst als kort geding ingesteld bij het Scheidsgerecht bij memorie van eis van 16 januari 2014. De voorzitter van het Scheidsgerecht heeft zich bij arbitraal kort geding vonnis van 17 februari 2014 onbevoegd verklaard. Vervolgens hebben de dermatologen dit kort geding bij de burgerlijke rechter aanhangig gemaakt.

3 Het geschil

3.1.

De dermatologen vorderen, na vermindering van eis, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, het Catharina Ziekenhuis:

I. zal verbieden om zich met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis in negatieve zin uit te laten over de dermatologen, voor zover die uitlatingen in strijd zijn met het door het Scheidsgerecht in de bodemprocedure onder nummer 12/38 gehanteerde overwegingen, die in het lichaam van deze dagvaarding zijn geciteerd, op straffe van verbeurte van een boete van € 50.000, per overtreding,

II. primair: zal veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis in de landelijke dagbladen De Telegraaf, de Volkskrant, het Algemeen Dagblad, NRC Handelsblad en de Regionale bladen Eindhovens Dagblad en De Limburger een advertentie te doen plaatsen in een door de voorzieningenrechter te bepalen formaat met een in goede justitie te bepalen tekst tot rectificatie, op verbeurte van een boete van € 10.000, per krant en € 1.000, per dag zolang aan de veroordeling geen gevolg wordt gegeven,

subsidiair: zal veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis een persbericht aan genoemde media te geven waarin zij verklaart de dermatologen niet van strafbare feiten te hebben beschuldigd en ook geen strafbare feiten van de dermatologen heeft willen suggereren, alsmede om dat persbericht gedurende 60 dagen op de startpagina van haar website duidelijk voor iedere bezoeker te publiceren, alles op verbeurte van een eenmalige boete van € 100.000, bij het nalaten aan die veroordelingen te voldoen,

III. zal veroordelen in de kosten van dit geding, onder bepaling dat het Catharina Ziekenhuis de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd wordt indien deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, althans na de dag van betekening van het vonnis zijn betaald.

3.2.

De dermatologen leggen aan hun vordering, kort weergegeven, het volgende ten grondslag.


3.2.1. Het Catharina Ziekenhuis heeft in het persbericht en op de persconferentie van 3 januari 2014 uitlatingen gedaan en/of door het gebruik van metaforen de suggestie gewekt dat de dermatologen zich aan strafbare feiten schuldig hebben gemaakt, terwijl het Scheidsgerecht heeft geoordeeld dat elke beschuldiging daarvan door het ziekenhuis misplaatst is. De inhoud van het persbericht en de mededelingen van de zijde van het Catharina Ziekenhuis op de personferentie zijn een klap in het gezicht van de dermatologen. De uitlatingen van het Catharina Ziekenhuis en de daarop volgende publicaties in de pers doen het voorkomen alsof het Scheidsgerecht geoordeeld heeft dat de dermatologen volstrekt niet integer zijn, gefraudeerd hebben en middelen van het Catharina Ziekenhuis hebben verduisterd.

3.2.2.

De dermatologen zijn van mening dat de postcontractuele goede trouw dan wel de zorgvuldigheidsnormen het Catharina Ziekenhuis gebieden om hen niet langer publiekelijk van strafbare feiten te beschuldigen, dan wel te insinueren dat zij strafbaar hebben gehandeld, te meer nu het Scheidsgerecht daarover heeft geoordeeld dat de beschuldiging van het Catharina Ziekenhuis van door de dermatologen gepleegde strafbare feiten misplaatst is. Het Catharina Ziekenhuis had de taak om aan de media kenbaar te maken dat er geen sprake was van beschuldigingen van strafbare feiten en dat het Catharina Ziekenhuis ook die suggestie niet heeft willen wekken. Het Catharina Ziekenhuis had minst genomen moeten beseffen dat de pers - die zulke berichten graag in de media vermeldt - de uitlatingen konden en ook zouden opvatten als daadwerkelijk is gebeurd, zo schreef De Telegraaf bijvoorbeeld: “Dermatologen pleegden fraude”. De handelswijze van het Catharina Ziekenhuis is te kwalificeren als een ernstig toerekenbaar tekortschieten jegens de dermatologen, althans als een onrechtmatige daad jegens de dermatologen. De eer en goede naam van de dermatologen wordt hierdoor aangetast. Als gevolg daarvan lijden de dermatologen (reputatie)schade. De dermatologen hebben er dagelijks last van doordat patiënten bestaande afspraken afzeggen en geen zorgverzekeraar nog zaken met hen wil doen. De dermatologen [eiser] en [eiser] hebben aanstonds na de perspublicaties een sterk verminderde aandacht van mogelijke patiënten voor hun dermatologiekliniek opgemerkt en ervaren dat gemaakte afspraken worden geannuleerd.

3.2.3.

De dermatologen hebben recht en spoedeisend belang bij toewijzing van de gevraagde voorzieningen. Het Catharina Ziekenhuis laat zich weinig gelegen liggen aan de visie van het Scheidsgerecht in zijn vonnissen, hetgeen nog eens te meer mag blijken uit een artikel in het Financieele Dagblad van 8 januari 2014.

3.3.

Het verweer van Het Catharina Ziekenhuis komt, kort weergegeven, op het navolgende neer.


3.3.1. De bedoeling van de dermatologen met dit kort geding is niet meer of minder dan het Catharina Ziekenhuis de mond te snoeren. Het Catharina Ziekenhuis is met de uitlatingen tijdens de persconferentie van 3 januari 2014 ruimschoots binnen de zeer ruime grenzen van de vrijheid van meningsuiting gebleven die de Hoge Raad en het EHRM hebben getrokken.


3.3.2. Het Catharina Ziekenhuis heeft de dermatologen nooit in enige externe (publieke) uiting van het plegen van strafbare feiten beschuldigd. De woorden “fraude ” en “strafbare feiten” heeft het Catharina Ziekenhuis alleen gebruikt binnen de beslotenheid van de procedure bij het Scheidsgerecht. De dermatologen hebben steeds zelf actief de publiciteit gezocht en zij hebben zelf in de publiciteit gebracht dat het een grote schande was dat zij door het Catharina Ziekenhuis in de procedure bij het Scheidsgerecht van fraude zijn beschuldigd.

3.3.3.

Het belangrijkste doel van het persbericht en de persconferentie van 3 januari 2014 was voor het Catharina Ziekenhuis om eenmalig tekst en uitleg aan het publiek te geven over de beslissingen die het Catharina Ziekenhuis ten aanzien van de dermatologen heeft genomen en om aan het publiek verantwoording af te leggen over de besteding van gemeenschapsgelden. Het gaat hier om een aangelegenheid waarin juist de dermatologen zélf vanaf november 2012 actief de publiciteit hebben gezocht en daarbij hun eigen, verdraaide werkelijkheid hebben gepresenteerd. Het Catharina Ziekenhuis heeft zich wat de publiciteit betreft steeds zeer terughoudend opgesteld en zich beperkt tot het infomeren van de pers naar aanleiding van de tussenvonnissen van het Scheidsgerecht. Zowel in het persbericht als tijdens de persconferentie heeft het Catharina Ziekenhuis zich slechts van haar publieke taak gekweten. Er zijn geen onjuistheden als feiten gepresenteerd en er zijn geen feiten op onjuiste wijze naar voren gebracht. Ook het oordeel van het Scheidsgerecht is juist weergegeven. Uiteraard kan het Catharina Ziekenhuis niet het recht worden ontzegd om er op basis van de feiten een eigen mening op na te houden over het geschil met de dermatologen.

3.3.4.

De essentie van het geschil van het Catharina Ziekenhuis met de dermatologen is hun grote gedragsprobleem. Het gevolg van dit gedragsprobleem is dat de dermatologen de in het Catharina Ziekenhuis geldende normale integriteitsgrenzen ver hebben overschreden. Het Catharina Ziekenhuis heeft de toelatingsovereenkomst aan de dermatologen opgezegd omdat het hen - heel kort samengevat - in ernstige mate ontbreekt aan integriteit. Het Scheidsgerecht heeft geoordeeld dat het Catharina Ziekenhuis de toelatingsovereenkomsten terecht heeft opgezegd omdat de samenwerking met de ziekenhuisorganisatie onherstelbaar was verstoord.

3.3.5.

De nakoming van een verbintenis uit de toelatingsovereenkomst op basis van de postcontractuele goede trouw kan niet de rechtsgrond zijn voor de vorderingen van de dermatologen, maar slechts een beweerdelijk door het Catharina Ziekenhuis gepleegde onrechtmatige daad.

3.3.6.

In een kort geding kunnen vergaande vorderingen zoals de onderhavige alleen worden toegewezen als boven iedere redelijke twijfel verheven is dat het Catharina Ziekenhuis onrechtmatig jegens de dermatologen heeft gehandeld. Aan dat vereiste is niet voldaan. Een belangenafweging dient ook in het voordeel van de het Catharina Ziekenhuis uit te vallen.

3.3.7.

Het Catharina Ziekenhuis is niet verantwoordelijk voor de onjuiste citaten die in diverse media zijn verschenen. Het Catharina Ziekenhuis heeft gedaan wat mogelijk was om verkeerd citeren te voorkomen. Alle journalisten hebben dus precies kunnen verifiëren wat er is gezegd.

3.3.8.

Het in het petitum onder I gevorderde is te ruim geformuleerde en komt de facto neer op een ontoelaatbare vorm van censuur.


3.3.9. De in het petitum onder II gevorderde rectificatie kan de toetsing aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit niet doorstaan.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang van de dermatologen om voorlopige voorzieningen te krijgen als gevorderd is niet in geschil. Dat belang is ook evident. Ter zitting hebben de dermatologen aanvullend uiteengezet dat zij nog steeds last hebben van de op en na 3 januari 2014 gegenereerde publiciteit. De dermatologen worden door potentiële werkgevers/contractspartners en patiënten met wantrouwen bejegend. Dat de zaak pas enige maanden na 3 januari 2014 bij de voorzieningenrechter is behandeld, doet niet af aan het spoedeisend belang. Het tijdsverloop is tevens afdoende verklaard door de spoedprocedure bij de voorzitter van het Scheidsgerecht.

4.2.

De voorzieningenrechter ziet, met het Catharina Ziekenhuis en in navolging van de motivering van de waarnemend voorzitter van het Scheidsgerecht in zijn arbitraal kort geding vonnis van 17 februari 2014, als grondslag van de vordering van de dermatologen de door de dermatologen subsidiair gestelde onrechtmatige daad. De primair gestelde grondslag postcontractuele werking van redelijkheid en billijkheid is niet aan de orde. Na het eindvonnis van het Scheidsgerecht staat vast dat de toelatingsovereenkomsten per 17 mei 2013 rechtsgeldig zijn geëindigd. Hetgeen op 3 januari 2014 is geschied moet niet worden getoetst aan de contractuele criteria of de postcontractuele variant daarvan. Het bijzondere in deze zaak is wel dat het beweerdelijke onrechtmatige gedrag in verband staat met de nasleep van een rechtsverhouding die partijen eerder met elkaar hebben gehad en waaromtrent in arbitrale vonnissen vaststellingen zijn gedaan. Die vaststellingen zijn als feiten relevant voor de bepaling van hetgeen in dit geval volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt in de zin van artikel 6:162 BW. Materieel maakt het zodoende betrekkelijk weinig uit of de zaak wordt beoordeeld op basis van de primaire of de subsidiaire grondslag.

4.3.

Het onder I gevorderde verbod en ook de onder II gevraagde veroordeling tot rectificatie leveren inperkingen op van de grondwettelijk en verdragsrechtelijk gewaarborgde vrijheid van meningsuiting van het Catharina Ziekenhuis om gedachten en gevoelens van welke inhoud dan ook te uiten. Dat recht om vrijelijk zijn mening te uiten vindt zijn begrenzing in het geval daarmee iemands eer en goede naam op onrechtmatige wijze wordt aangetast.

4.4.

De beantwoording van de vraag of deze uitlatingen onrechtmatig zijn, ligt in het spanningsveld tussen het fundamentele recht op vrijheid van meningsuiting enerzijds en het recht op bescherming van de eer en goede naam en de persoonlijke levenssfeer anderzijds. Hier staan twee hoogwaardige maatschappelijke belangen tegenover elkaar, aan de ene kant het belang van de dermatologen om niet te worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen en aan de andere kant het belang van het Catharina Ziekenhuis om gedachten en gevoelens van welke inhoud dan ook te uiten. Welke van deze belangen de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden.

4.5.

Als (niet limitatieve) omstandigheden die van belang worden geacht bij het maken van deze belangenafweging heeft de Hoge Raad (onder meer) bij arrest van 24 juni 1983 (NJ 1984, 801) onder meer genoemd:

  1. de aard van de gepubliceerde verdenking en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie de verdenkingen betrekking hebben,

  2. de ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand welke de publicatie aan de kaak beoogt te stellen,

  3. de mate waarin ten tijde van de publicatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal,

  4. e inkleding van de verdenkingen, gezien in de verhouding tot de onder a tot en met c bedoelde factoren,

  5. de mate van waarschijnlijkheid dat, ook zonder de verweten publicatie via de pers, het nagestreefde doel langs andere, minder schadelijke wegen met een kans op spoedig succes bereikt had kunnen worden.

4.6.

De dermatologen hebben veel aandacht besteed aan het punt onder a. Zij achten de publiek gemaakte verwijten aan hun adres onterecht en de gevolgen daarvan voor hen zeer ernstig. Het Catharina Ziekenhuis heeft van haar kant het algemeen belang en de wens tot het afleggen van publiekelijke verantwoording benadrukt, omstandigheid b. Op een en ander wordt hieronder nader ingegaan.

4.7.

Voor wat betreft het feitenmateriaal dat ten tijde van de publicatie ter beschikking stond als bedoeld onder c. zijn de vonnissen van het Scheidsgerecht naar het oordeel van de voorzieningenrechter essentieel. In die vonnissen heeft een scheidsrechter tussen deze partijen het feitenmateriaal geordend, geanalyseerd en op een voor partijen bindende wijze beoordeeld. De directe aanleiding voor het houden van de persconferentie was vervolgens onmiskenbaar het eindvonnis van het Scheidsgerecht. Het Catharina Ziekenhuis heeft in het persbericht met zoveel woorden tot uitdrukking gebracht dat tijdens de persconferentie een toelichting op het vonnis van het Scheidsgerecht zou worden gegeven. Dat alles maakt dat de voorzieningenrechter weinig aandacht behoeft te besteden aan het vele dat naar voren is gebracht omtrent hetgeen aan de arbitrale vonnissen is voorafgegaan.

4.8.

De inkleding van de geuite verdenkingen, omstandigheid d, is in dit geval goed te reconstrueren omdat het persbericht en het gesprokene op de persconferentie op schrift beschikbaar zijn en de voorzieningenrechter de persconferentie ook op DVD gezien en beluisterd heeft. De door de Hoge Raad onder e genoemde omstandigheid is in dit geval minder van belang.

4.9.

In het midden kan blijven het - door het Catharina Ziekenhuis ook ter zitting ferm opgespeelde - argument dat het de dermatologen zijn geweest die in deze kwestie vanaf november 2012 zijn begonnen de media in te schakelen en dat zij dat op een volgens het Catharina Ziekenhuis hoogst onzorgvuldige manier hebben gedaan. Aan de voorzieningenrechter is niet (wan)gedrag van de dermatologen in de media ter beoordeling voorgelegd, maar slechts de vraag of het Catharina Ziekenhuis zich op 3 januari 2014 onrechtmatig heeft geuit.

4.10.

Uitgangspunt is dat het een ieder, ook het Catharina Ziekenhuis, vrij staat zijn mening te uiten over vonnissen. Het stond aan het Catharina Ziekenhuis vrij om de pers te benaderen naar aanleiding van de arbitrale vonnissen van het Scheidsgerecht. Het staat een ieder, dus ook het Catharina Ziekenhuis, in beginsel ook vrij om publiekelijk tot uitdrukking te brengen dat men het niet eens is met een (scheids)rechterlijke uitspraak.

4.11.

De voorzieningenrechter heeft er ook begrip voor dat het Catharina Ziekenhuis begin januari 2014 zelf de pers heeft benaderd. Het lag, mede gezien het belang van de kwestie en de eerdere mediabelangstelling, in de rede dat de pers over dit onderwerp zou gaan berichten. Het is uiteraard geoorloofd om de pers actief van informatie te voorzien. Het Catharina Ziekenhuis heeft gekozen voor het uitbrengen van een persbericht in combinatie met het houden van een persconferentie in het Catharina Ziekenhuis, waar onder meer de voorzitter van de RvB, de heer [naam], het lid van de RvB, [naam], en de voorzitter van de Raad van Toezicht, [naam], het woord hebben gevoerd.

4.12.

Het bijzondere in dit geval was dat de door het Catharina Ziekenhuis te verstrekken informatie betrekking had op de uitkomst van de procedure tussen de dermatologen en het Catharina Ziekenhuis bij het Scheidsgerecht. In zijn vonnissen heeft het Scheidsgerecht, na hoor en wederhoor en in enige en hoogste instantie, feiten vastgesteld die tussen deze partijen gelden en daarover een partijen bindend oordeel gegeven. Indien het Catharina Ziekenhuis informatie publiek wenst te maken over de vaststellingen die het Scheidsgerecht in het geschil met de dermatologen heeft gedaan, dan behoort die informatie te stroken met de inhoud van de vonnissen. Indien de weergave van het oordeel van het Scheidsgerecht in voor de dermatologen negatieve zin afwijkt van hetgeen het Scheidsgerecht in werkelijkheid heeft overwogen en beslist, kan dat onrechtmatig zijn jegens de dermatologen. Zou het anders zijn, dan zou de rechtsbescherming die de dermatologen mogen ontlenen aan een verkregen (scheids)rechterlijk oordeel over hun doen en laten door hun gewezen wederpartij te zeer worden ontkracht.

4.13.

Het Catharina Ziekenhuis meet zichzelf, zoveel wordt bij kennisneming van de uitingen op 3 januari 2014 duidelijk, vrijheid toe om in het door haar veronderstelde publieke belang na te kaarten over de arbitrale vonnissen in de zaak van de dermatologen. Er is echter ook een publiek belang dat verder strekt dan enkel deze zaak, namelijk dat een partij jegens wie in een(scheids)rechterlijk vonnis is vastgesteld hoe de zaken liggen nadien niet zonder goede redenen moet worden genoopt zich opnieuw te verdedigen in een door de gewezen wederpartij heropend debat.

4.14.

Het Catharina Ziekenhuis mag mededelingen doen over de vonnissen van het Scheidsgerecht. Het mag het ook met de vonnissen van het Scheidsgerecht oneens zijn en dat in het openbaar zeggen, maar het Catharina Ziekenhuis heeft zich tegenover de dermatologen wel naar de vonnissen te gedragen, met inbegrip van het zuiver weergeven van de inhoud ervan.

4.15.

Tegen dat laatste lijkt zich de kritiek van de dermatologen vooral te richten. Dat voert naar de vraag in hoeverre de uitlatingen zijdens het Catharina Ziekenhuis verenigbaar zijn met de vonnissen van het Scheidsgerecht. De beantwoording van die vraag raakt vooral de hiervoor onder 4.5. genoemde elementen onder a., c. en d. in hun onderlinge samenhang.

4.16.

Ten aanzien van de inkleding geldt dat het Catharina Ziekenhuis een persbericht heeft doen uitgaan en een persconferentie heeft gehouden naar aanleiding van uitvoerige vonnissen die gewezen waren in een onmiskenbaar gecompliceerde en voor alle betrokkenen pijnlijke kwestie. Gezien het, algemeen bekende en uit de aard van hun activiteiten te rechtvaardigen, gegeven dat media zoals de dagbladpers en de regionale zender Omroep Brabant hun publiek beknopt en op hoofdlijnen plegen te informeren stelt dat hoge eisen aan het helder en ondubbelzinnig verstrekken van informatie. Er moest door het Catharina Ziekenhuis als initiatiefnemer tot de persconferentie rekening mee worden gehouden dat de media niet alle subtiliteiten van het geval zouden kúnnen oppikken en weergeven. Aan de publicaties uit diverse kranten en van Omroep Brabant die de voorzieningenrechter in het dossier heeft aangetroffen ontleent hij de indruk dat er over het algemeen serieus werk van is gemaakt om hetgeen in het persbericht en tijdens de persconferentie is medegedeeld goed aan het publiek door te geven, mede in aanmerking genomen de - deels voorspelbare - accentverschillen die een pluriforme pers kenmerken. Er is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval geen reden om negatieve gevolgen van publiciteit over de dermatologen in dit geval op het conto van “de media” te schrijven.

4.17.

Beoordeeld moet worden of de dermatologen door de uitlatingen van het Catharina ziekenhuis in hun eer en goede naam zijn aangetast. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit is gebeurd op de op 3 januari 2014 door het Catharina Ziekenhuis gehouden persconferentie, waar het Catharina Ziekenhuis, bij monde van de voorzitter en een lid van de RvB en gesteund door de voorzitter van de Raad van Toezicht in nauwelijks bedekte termen heeft geïnsinueerd dat de dermatologen zich schuldig hebben gemaakt aan het plegen van vermogensdelicten en niet integer handelen.

4.18.

De voorzieningenrechter heeft - net als het Scheidsgerecht in zijn vonnissen tot uitdrukking heeft gebracht - tijdens de mondelinge behandeling moeten constateren dat partijen elkaar nog steeds harde verwijten maken. In de kern spaken zij ook in dit kort geding weer over twee verschillende zaken.
Aan de ene kant verwijten de dermatologen het Catharina Ziekenhuis dat zij op de persconferentie ten onrechte van strafbare feiten zijn beschuldigd. De dermatologen hebben het door het Catharina Ziekenhuis tijdens de persconferentie gestelde gebrek aan integriteit opgevat in de - in het algemeen spraakgebruik niet ongebruikelijke en dus op een persconferentie relevante - zin van oneerlijkheid die tendeert naar een verwijt van strafbaar gedrag. Bij die door de dermatologen gehanteerde uitleg van het begrip integriteit komt met de uitlatingen op de persconferentie de op 15 november 2012 bij de opzegging van de toelatingsovereenkomst gebezigde grond strafbaar gedrag weer in beeld, hoewel het Scheidsgerecht die beëindigingsgrond nu juist expliciet niet heeft aanvaard.
Het Catharina Ziekenhuis betwist daarentegen dat zij de dermatologen op de persconferentie weer heeft beschuldigd van strafbare feiten en betoogt dat het op 3 januari 2014 heeft uitgelegd dat het de dermatologen heeft ontbroken aan integriteit, in de zin dat zij zijn blijven weigeren zich aan de normale voor alle medisch specialisten in het Catharina Ziekenhuis geldende regels te houden. De voorzitter van de RvB [naam] heeft integriteit tijdens de persconferentie inderdaad omschreven als: “je functie adequaat en zorgvuldig uitoefenen en daarbij de verantwoordelijkheden en regels in acht nemen die daarbij behoren.”

4.19.

Het in deze zaak gebruikte begrip integriteit is veelomvattend. Het wordt niet alleen in het dagelijks verkeer maar ook in deze kwestie in verschillende betekenissen gebruikt, waarbij het veelal ook een morele lading heeft. In sterk gejuridiseerde kwesties die feitelijk ingewikkeld liggen leidt een begrip als integriteit gemakkelijk tot problemen. Bij juridische geschillenbeslechting houdt een rechter het bij voorkeur bij vaststelling van feiten en geeft daaraan zo mogelijk de in de wet vastgelegde en van gevolgen voorziene kwalificatie. Als kwalificatie is integriteit in de rechtspraktijk moeilijk hanteerbaar, hetgeen in deze kwestie volop is gebleken.

4.20.

Illustratief is de kritische opmerking van de voorzitter van de RvB [naam] tijdens de persconferentie naar aanleiding van het oordeel van het Scheidsgerecht, dat het slechts gedeeltelijk juist is dat de dermatologen zich uit een oogpunt van integriteit hebben misdragen. Bij de door het Catharina Ziekenhuis in dit kort geding gehanteerde institutionele variant van het begrip integriteit komt zo’n oordeel de voorzieningenrechter op zichzelf niet onmogelijk voor. Ook adequaat functionerende en zorgvuldige medewerkers die zich verantwoordelijk gedragen en de regels in acht plegen te nemen, kunnen in een zeer complexe organisatie als een ziekenhuis die moet voldoen aan een veelheid van regels, voorschriften en die belangen van velerlei aard moet dienen, wel eens discutabel handelen. Het Catharina Ziekenhuis lijkt tijdens de persconferentie ook niet consequent in het gebruik van de institutionele betekenis. Met de daarop volgende zin tijdens de persconferentie: “je bent integer of je bent niet integer en je zit er niet tussenin. Je kunt niet een klein beetje integer zijn” lijkt de voorzitter van de RvB immers in werkelijkheid wel degelijk mede te doelen op het morele, persoonlijke aspect van het begrip integriteit. Dat moreel geladen verwijt maakt de huiver bij de dermatologen bij het kennisnemen van de boodschap van de persconferentie invoelbaar.


4.21. De voorzieningenrechter veroorlooft zich op te merken dat hij als vanzelfsprekend aanneemt dat procedurele rechtvaardigheid en respect voor degenen die in het ziekenhuis werken, ook medisch specialisten, tot de basisregels behoren die in de organisatie van het Catharina Ziekenhuis gelden en waarvan de naleving door de RvB wordt bevorderd. Het lid van de RvB [naam] heeft tijdens de persconferentie dan ook expliciet melding gemaakt van de gevoelde plicht tot respectvol omgaan met alle stakeholders van het Catharina Ziekenhuis, waaronder de medisch specialisten. Indien wordt uitgegaan van de door het Catharina Ziekenhuis gehanteerde, institutioneel getinte, betekenis van het begrip integriteit (“compliance”), verdient vervolgens vermelding dat de vonnissen van het Scheidsgerecht passages bevatten die voor het handelen van het Catharina Ziekenhuis stof tot reflectie geven.

4.22.

Zo wordt in rechtsoverweging 4.3. van het arbitraal tussenvonnis van 6 mei 2013 overwogen dat de handelwijze van de dermatologen niet correct is, “maar het is onnodig escalerend om hen telkens opnieuw van “leugens” te beschuldigen zoals van de zijde van verweerster is gebeurd”.
In rechtsoverweging 4.10. van het tussenvonnis van 6 mei 2013 “stelt het Scheidsgerecht vast dat verweerster een onderzoek heeft doen uitvoeren dat niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. De onderzoeker gaat uit van de door hem niet geverifieerde veronderstelling dat eisers niet aan het onderzoek willen meewerken. Hij heeft geen gebruik gemaakt van hun dossiers en hij heeft hen niet gehoord waarmee hij twee elementaire fouten heeft gemaakt die twijfel kunnen doen rijzen over de onafhankelijkheid die bij een dergelijk onderzoek is vereist. Door melding te maken van het beluisteren van een telefoongesprek met een patiënt op de kamer van de voorzitter van de raad van bestuur heeft de onderzoeker kennelijk onbedoeld onthuld dat hij bij zijn onderzoek nauw met deze voorzitter heeft samengewerkt.”
In rechtsoverweging 3.5. van het vonnis van 11 september 2013 overweegt het Scheidsgerecht dat het van oordeel is “dat beide partijen in gelijke mate hebben bijgedragen aan het uit de hand lopen van hun conflicten, die bij meer zelfbeheersing en bij meer respect over en weer waarschijnlijk niet tot gevolg hadden behoeven te hebben dat toelating van eisers tot het ziekenhuis beëindigd werd.”

In rechtsoverweging 3.6. van laatstgenoemd vonnis overweegt het Scheidsgerecht “Bij de toekenning van een vergoeding wordt in aanmerking genomen dat eisers in gelijke mate als de Stichting een verwijt kan worden gemaakt van het onnodig escaleren van het conflict.
Dergelijke nogal heftige passages zouden het Catharina Ziekenhuis, indachtig de zelf bepleite institutionele betekenis van de nagestreefde integriteit, tot enige terughoudendheid hebben kunnen brengen bij het publiekelijk nemen van de maat bij anderen, meer bepaald de dermatologen. Wie beseft hoe moeilijk het is om alles goed te doen, wil zijn toon over anderen nog wel eens matigen.

4.23.

Uit de arbitrale vonnissen van het Scheidsgerecht kan worden afgeleid dat het de dermatologen kan worden verweten dat zij zich niets hebben aangetrokken van de in het Catharina Ziekenhuis geldende regels en procedures. Enkel op dat punt hebben de dermatologen zich naar het oordeel van het Scheidsgerecht uit een oogpunt van integriteit misdragen. Dan gaat het vooral om de institutionele variant ervan. Het Scheidsgerecht neemt nadrukkelijk afstand van de meer moreel getinte beschuldiging aan het adres van de dermatologen, zeker waar het gaat om (gedragingen die tenderen naar) strafbare feiten. Het Scheidsgerecht acht het strafrechtelijk verwijt aan de dermatologen met zoveel woorden misplaatst. Dat kan het Catharina Ziekenhuis een foute vaststelling vinden, maar tussen partijen is dit sinds 31 december 2013 de juridische werkelijkheid en het Catharina Ziekenhuis heeft het er mee te doen.

4.24.

Het bestek van dit kort geding laat niet toe om (uitvoerig) op alle punten in te gaan. De voorzieningenrechter zal zich beperken tot de meest in het oog springende elementen in de door de dermatologen aan de orde gestelde uitlatingen tijdens de persconferentie. In dat kader is met name de uitlating van bestuurslid [naam] van belang, waar hij zegt:

“Als een medewerker van het ziekenhuis vanmiddag een printer mee naar huis neemt, die printer vanavond voor 50 euro op marktplaats zet en wij dat morgen ontdekken, staat diezelfde medewerker morgen met 0 euro op straat. Als raad van bestuur bewaken wij de integriteit van onze organisatie. Wij zien geen enkele reden waarom een medisch specialist een grotere speelruimte zou hebben dan een willekeurige andere medewerker”.

Het gaat hier om een op een persconferentie voorgedragen tekst die kennelijk is voorbereid. De uitlating mag geacht worden welbewust te zijn gedaan. Tijdens de vragenronde heeft bestuursvoorzitter [naam] nogmaals aan dit voorbeeld gerefereerd. De uitlating genoot op het hoogste niveau binnen het Catharina Ziekenhuis instemming.

4.25.

Met deze uitlating laat het Catharina Ziekenhuis zich in de kaart kijken. Weliswaar wordt tijdens de persconferentie nergens met zoveel woorden gezegd dat de dermatologen fraude hebben gepleegd, maar de uitlatingen in onderlinge samenhang bezien wekken sterk de indruk dat er volgens het Catharina Ziekenhuis bij de dermatologen sprake was van fraude, althans van een vermogensdelict.

4.26.

Een en ander wordt versterkt doordat het Catharina Ziekenhuis zich vele malen bedient van termen in de sfeer van ‘integriteit/integer handelen en ook woorden heeft gebruikt als “apert fout gedrag” en “wangedrag” van de dermatologen. De term integriteit wordt hier zoals hiervoor al gesignaleerd niet uitsluitend in de gestelde institutionele betekenis gebruikt, maar krijgt tevens de in het dagelijks spraakgebruik niet ongewone connotatie van oneerlijk. Dat de media dat ook zo hebben opgevat, blijkt overigens ook uit de als producties 10 (De Telegraaf), 11 en 14 (Omroep Brabant) bij dagvaarding overgelegde krantenartikelen/nieuwsberichten, waarin termen als “fraude” en “illegale praktijk” worden gebezigd. Uit de bij dagvaarding overgelegde beantwoording van Kamervragen blijkt dat het bericht over “frauderende dermatologen” zijn weg vervolgens in de samenleving tot op het niveau van de Staten-Generaal en de Minister heeft gevonden. Tijdens de vragenronde aan het slot van de persconferentie tekende deze uitleg zich reeds bij enkele van de vragen stellende journalisten af. Ook zichtbaar is dat het Catharinaziekenhuis toen niet uitdrukkelijk afstand heeft genomen van de bij toehoorders opkomende suggestie dat de dermatologen zich aan vermogenscriminaliteit bezondigd hadden. Integendeel, het eerder gegeven voorbeeld van de printer is toen door de voorzitter van de RvB nogmaals aangehaald.


4.27. Het tijdens de persconferentie gegeven voorbeeld van de printer voldoet in essentie aan de delictsomschrijving van artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht (diefstal) of artikel 321 van dat Wetboek (verduistering), afhankelijk van de vraag of de medewerker de printer op zijn werk onder zich had of niet. Waar de vergelijking met het gedrag van de dermatologen echter mank gaat is dat het Scheidsgerecht met rechtsoverwegingen 3.6. en 3.7. van het vonnis van 6 mei 2013 overwegingen heeft gegeven die er op neerkomen dat het tot de delictsomschrijvingen behorende oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in het geval van de dermatologen volgens het Scheidsgerecht niet is komen vast te staan.

4.28.

De uitlatingen van het Catharina Ziekenhuis in het persbericht en tijdens de persconferentie, zoals daarvan enkele onder 2.11. zijn weergegeven, bevatten deels ernstige beschuldigingen aan het adres van de dermatologen en kunnen, in onderlinge samenhang bezien, in redelijkheid worden uitgelegd als nauwelijks verhulde beschuldigingen van strafbare feiten aan het adres van de dermatologen. Deze beschuldigingen vinden echter geen grondslag in de vonnissen van het Scheidsgerecht, zijn diffamerend en voor de dermatologen schadelijk voor onder meer de uitoefening van hun beroep alsook in de privésfeer.


4.29. Ook indien in aanmerking wordt genomen dat de uitlatingen niet bedoeld zijn als een feitelijk oordeel maar als een door het Catharina Ziekenhuis aan de feiten verbonden waardeoordeel, moet geoordeeld worden dat het Catharina Ziekenhuis hier de grenzen van het rechtens betamelijke heeft overschreden en zich onnodig grievend heeft uitgelaten, zonder zich in de vereiste mate rekenschap te geven van de te verwachten gevolgen ervan voor de dermatologen. De strijdigheid met conclusies waartoe het Scheidsgerecht was gekomen en het suggestieve karakter van de gebezigde uitlatingen en de negatieve waardeoordelen, maken dat het Catharina Ziekenhuis met de gebezigde uitlatingen de grens van de onrechtmatigheid is overgegaan.


4.30. Ook ten aanzien van andere beschuldigingen in de sfeer van de “koehandel” en de doorverwijzing van patiënten naar het eigen ZBC geeft het oordeel van het Scheidsgerecht onvoldoende grond voor de scherpe uitlatingen die met name het lid van de RvB Boomkamp terzake aan het adres van de dermatologen heeft gedaan. Uit de onder de feiten geciteerde overwegingen 4.2. en 4.4. en volgende uit het Scheidsrechterlijk vonnis van 6 mei 2013 blijkt dat het naar het oordeel van het Scheidsgerecht met de schadelijke gevolgen van het handelen van de dermatologen voor het Catharina Ziekenhuis uiteindelijk wel meevalt.

4.31. Het algemeen belang pleegt niet te worden gediend met het uiten van beschuldigingen waarvoor geen of onvoldoende onderbouwing is gebleken. Het Catharina Ziekenhuis heeft aangevoerd dat het zich geroepen voelde om te reageren op het eindvonnis van het Scheidsgerecht, waarin is bepaald dat het Catharina Ziekenhuis in totaal een bedrag van € 1.000.000,-- aan de dermatologen diende te betalen als billijke vergoeding. Gelet op het feit dat dit gemeenschapsgeld betreft, wenste het Catharina Ziekenhuis naar buiten toe verantwoording af te leggen over deze kwestie. De door het Catharina Ziekenhuis gestelde noodzaak om voor het publiek rekening en verantwoording af te leggen, rechtvaardigt de genoemde onterecht beschuldigende uitlatingen echter niet. De voorzieningenrechter merkt nog op dat tijdens de persconferentie onvermeld is gebleven dat bij de vaststelling van de vergoeding naar billijkheid het Scheidsgerecht uitdrukkelijk in aanmerking heeft genomen het mede falen van het Catharina Ziekenhuis bij het in de hand houden van dit conflict. Het afleggen van verantwoording pleegt aan overtuigingskracht te winnen naar mate het vollediger geschiedt en minder bestaat uit het achteraf het niet gekregen eigen gelijk bepleiten.

4.32.

Gelet op alle ter zake dienende omstandigheden dient het recht op bescherming van de eer en goede naam van de dermatologen, en het daarmee nauw verbonden belang van hun toekomst als beroepsbeoefenaar, hier te prevaleren boven het recht van het Catharina ziekenhuis op vrijheid van meningsuiting.


4.33. Op grond van het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat, alle omstandigheden in aanmerking genomen, nagenoeg alle uitlatingen van het Catharina Ziekenhuis, zoals hiervoor onder 2.11. weergegeven, als onrechtmatig jegens de dermatologen moeten worden aangemerkt. Dat geldt echter niet voor de daar met B en H aangeduide citaten. Het bestuurslid [naam] mag natuurlijk zeggen dat de Raad van Bestuur niet op integriteit kan beknibbelen en de voorzitter van de Raad van Toezicht kan ook niet belet worden te betogen dat met integriteit binnen het Catharina Ziekenhuis niet valt te marchanderen en dat de Raad van Toezicht de RvB zal steunen.

4.34.

De voorzieningenrechter is met het Catharina Ziekenhuis van oordeel dat de primaire vordering te ruim is geformuleerd. Volledige toewijzing zou het Catharina Ziekenhuis het recht ontnemen om zich publiekelijk uit te laten over de dermatologen op een wijze die blijft binnen de daarvoor geldende grenzen. Wel is er grond voor toewijzing van een verbod zoals hierna onder de beslissing is weergegeven. Het verbod zal in die zin worden beperkt dat buiten twijfel wordt gesteld dat de voorzitter van de RvB in de tegen hem persoonlijk aanhangige procedure vrij moet zijn om bij de rechter al hetgeen naar voren te brengen dat hij in die procedure dienstig acht en daar zo nodig ook (medewerkers van) het Catharina Ziekenhuis te doen horen die dan vrijelijk moeten kunnen verklaren. Het Catharina Ziekenhuis zal ook niet worden beperkt in de mogelijkheden om te voldoen aan wettelijke verplichtingen tot het verschaffen van inlichtingen.


4.35. De onvoldoende onderbouwd gebleken beschuldigingen aan het adres van de dermatologen zijn zo ernstig en de schadelijke gevolgen daarvan voor hen zijn zo voor de hand liggend, dat een rectificatie op haar plaats is in media tegenover welke of die vergelijkbaar zijn met media tegenover welke de uitingen zijn gedaan en/of waarin eerder over het geschil is gepubliceerd. Het is in dit kort geding niet mogelijk gebleken om een andere oplossing te bereiken die aan het herstel van het nadeel van de dermatologen zou kunnen bijdragen, zonder dat er wederom voor alle betrokkenen nadelige publiciteit zou worden gegenereerd. Het conflict, dat het Scheidsgerecht uit de hand heeft zien lopen, is tijdens dit kort geding echter niet kleiner geworden. De voorzieningenrechter rest niet anders dan op te treden door een rectificatie te gelasten. Hij zal dat doen. De onder II primair gevorderde rectificatie zal in na te melden vorm worden toegewezen. Die beslissing is proportioneel. De noodzaak komt voort uit uitlatingen die het Catharina Ziekenhuis bewust tegenover zelf uitgenodigde media heeft gedaan, die daar vervolgens over hebben bericht waardoor de goede naam van de dermatologen in brede kring beschadigd is geraakt. Dat bij het corrigeren van hetgeen is misdaan het Catharina Ziekenhuis dezelfde media weer moet inschakelen ligt dan voor de hand.

4.36.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt. Tevens zal hieraan een maximum worden verbonden.

4.37.

Het Catharina ziekenhuis zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de dermatologen worden begroot op:

- dagvaarding € 99,25

- griffierecht € 282,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.197,25.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt het Catharina Ziekenhuis om zich met onmiddellijke ingang na de betekening van dit vonnis tegenover derden uit te laten in die zin dat de dermatologen zich ten nadele van het Catharina Ziekenhuis en/of patiënten hebben schuldig gemaakt aan strafbare feiten, met dien verstande dat dit verbod niet geldt voor zover de uitlatingen voor het Catharina Ziekenhuis nodig zijn om zich in rechte tegen vorderingen van de dermatologen te verweren, met inbegrip van het verweer in de door de dermatologen tegen de voorzitter van de RvB, de heer [naam], persoonlijk aanhangig gemaakte civiele procedure, en dat dit verbod evenmin geldt voor zover het Catharina Ziekenhuis op grond van wettelijke voorschriften verplicht is inlichtingen aan derden te verschaffen;


5.2. veroordeelt het Catharina Ziekenhuis om aan de dermatologen een dwangsom te betalen van € 25.000,-- voor iedere keer dat het niet aan de hoofdveroordeling onder 5.1. voldoet tot een maximum van € 250.000,-- is bereikt;

5.3.

veroordeelt het Catharina Ziekenhuis om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis in de landelijke dagbladen De Telegraaf, Volkskrant, Algemeen Dagblad, NRC Handelsblad en de Regionale bladen Eindhovens Dagblad en De Limburger een advertentie te doen plaatsen in goed leesbaar lettertype, corpsgrootte en opmaak, met de volgende tekst:

“RECTIFICATIE

De voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant heeft bij vonnis van 16 april 2014 geoordeeld dat het Catharina Ziekenhuis te Eindhoven tijdens een persconferentie op 3 januari 2014 ten onrechte uitlatingen heeft gedaan waaruit de indruk is ontstaan dat vier dermatologen zich hebben schuldig gemaakt aan fraude dan wel vermogensmisdrijven. Het betreft de dermatologen [eisers].
De persconferentie heeft geleid tot publicaties in diverse media. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het vonnis van het Scheidsgerecht Gezondheidszorg van 31 december 2013, gewezen tussen de genoemde dermatologen en het Catharina Ziekenhuis, geen basis biedt voor de stelling of de suggestie dat de dermatologen zich aan strafbare feiten dan wel fraude hebben schuldig gemaakt.
Het Catharina Ziekenhuis is veroordeeld tot het plaatsen van deze rectificatie.”


5.4. veroordeelt het Catharina Ziekenhuis om aan de dermatologen een dwangsom te betalen van € 2.500,-- per krant per dag dat het niet aan de in 5.3. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 250.000,-- is bereikt;

5.5.

veroordeelt het Catharina ziekenhuis in de proceskosten, aan de zijde van de dermatologen tot op heden begroot op € 1.197,25 , te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.L. Roosmale Nepveu en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2014.