Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:190

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
20-01-2014
Datum publicatie
20-01-2014
Zaaknummer
01/889000-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte trok een mes in een vechtpartij van man tot man en heeft het slachtoffer gestoken als gevolg waarvan het slachtoffer is komen te overlijden.

Doodslag. Opzet. Verweer noodweer verworpen. Verweer noodweerexces verworpen.

Onderzoek geestvermogens PBC, geen conclusie in verband met weigering door verdachte.

Opgelegd is een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren. Eis was 11 jaar.

Verdachte dient tevens schade te vergoeden aan de nabestaanden in verband met de kosten van de uitvaart.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: 01/889000-[verdachte]

Strafrecht

Parketnummer: 01/889000-12

Datum uitspraak: 20 januari 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1962],

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Procesverloop

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 januari 2014.

De rechtbank, in gewijzigde samenstelling, heeft de zaak eerder behandeld op 30 maart, 19 juni, 7 augustus, 25 oktober 2012, 9 januari, 3 april, 23 april, 19 juli, 30 september en 17 december 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 6 maart 2012.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 3 april 2013 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 01 januari 2012 te Sint Oedenrode opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans éénmaal, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de borstkas van die [slachtoffer] gestoken,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

(Artikel 289/287 Wetboek van Strafrecht)

De formele voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijsoverwegingen 1

Inleiding

De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van het navolgende.

Op het adres [adres] in Sint-Oedenrode woonden rond de jaarwisseling 2011/2012 vijf Poolse mannen en een Litouwse man in een woning die zij huurden van hoofdhuurder [getuige 1]. De Poolse mannen betroffen [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] (p. 686 ev), [slachtoffer] en [betrokkene 4]; de Litouwse man betrof verdachte.2

In de periode voorafgaand aan de jaarwisseling was sprake van een gespannen verhouding tussen verdachte en [slachtoffer], het latere slachtoffer. De rechtbank wijst in dit verband onder meer op de verklaring van verdachte, dat het gedrag van [slachtoffer] steeds erger werd naar hem toe. Zo kwam [slachtoffer] bijvoorbeeld vaak dicht tegen verdachte aan staan en riep dan beledigingen.3 Medebewoner [betrokkene 1] heeft verklaard dat verdachte en [slachtoffer] niet zo met elkaar overweg konden.4 Hij heeft ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat [slachtoffer] verdachte plaagde, dat hij hem uitlachte en een grapje om hem maakte.5

[getuige 1] heeft ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat het slachtoffer verdachte pestte en uitlachte, reden waarom verdachte naar zijn kamer ging.6

Uit voorgaande diverse getuigenverklaringen, waaronder uit de hiervoor aangehaalde verklaring van [betrokkene 1] (verdachte zat altijd op zijn kamer) evenals uit de aangehaalde verklaring van verdachte (mijn leven ziet als volgt in elkaar: ik zit op mijn kamer met mijn computer, maak in de keuken grote hoeveelheden thee en koffie en loop meestal in de ochtend naar de wc), en uit de bevindingen van de politie die op 2 januari 2012 in de woning kwam, maakt de rechtbank daarnaast op dat verdachte in de woning in Sint-Oedenrode afgezonderd leefde van zijn medebewoners.7

Op 1 januari 2012 te 03.12 uur werd de politie verzocht naar voornoemd adres te gaan, alwaar een vechtpartij zou hebben plaatsgevonden waarbij een van de betrokken personen met een mes zou zijn gestoken. Op het opgegeven adres troffen politiemensen buiten op de oprit van de woning, liggend op zijn rug op de grond, een man aan, die gewond was aan zijn borst en buiten bewustzijn was. Deze man, die bij confrontatie nadien werd herkend als [slachtoffer], overleed korte tijd later ondanks diverse reanimatiepogingen.8

Verdachte is die nacht omstreeks 03:43 uur op zijn kamer aangehouden. De politiemensen beschrijven verdachte op dat moment als een bezwete man die een angstige, nerveuze indruk maakte. Verdachte hield een dolk in zijn rechterhand voor zich uit en hield deze bij de punt met het heft omlaag vast. Hij gaf zich over en liet ook het mes vallen.9

Het mes heeft een blauw handvat en is in totaal 20,5 centimeter lang. Het eenzijdig geslepen lemmet is omstreeks 8,5 centimeter.10

Op de plaats delict, buiten de woning, is later een zwart foedraal gevonden.11

Bij de sectie op het lichaam van het slachtoffer werd aan de voorzijde van de borstkas links een scherprandige huidperforatie met een lengte van 2,5cm met één scherp uiteinde en een stomp uiteinde met een visstaartaspect, genoemd letsel A, vastgesteld. Dit letsel ging gepaard met een onderhuidse bloeduitstorting en was bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig perforerend/klievend geweld, zoals opgeleverd kan worden door een mes. Gezien het aspect van het letsel (een puntig uiteinde en een stomp uiteinde met een visstaart aspect), kan dit letsel volgens de patholoog goed zijn veroorzaakt door een 1-zijdig scherprandig voorwerp.

Dit letsel ging gepaard met onder andere perforatie van de rechterhartkamer, het

kamertussenschot van het hart en de linkerhartkamer (sub B1), waardoor bloedophoping in het hartzakje (harttamponade) en fors bloedverlies (sub B1) was ontstaan, waarmee het intreden van de dood zondermeer wordt verklaard door functiestoornissen van het hart al dan niet in combinatie met algehele weefselschade door doorgemaakt fors bloedverlies en functieverlies van de linkerlong door het samenvallen daarvan. De bevindingen sub A8 (geringe tot matige hoeveelheid lijkvlekken en bleke slijmvliezen) passen goed in het kader van doorgemaakt bloedverlies.

Er was aan de borstkas link hoog voorzijde (iets boven letsel A gelegen) een gekronkeld scherprandig oppervlakkig snijletsel waarbij de uitloper (richting voetwaarts) het aspect had van een oppervlakkige huidbeschadiging met krasachtig aspect (letsel B). De lengte van dit letsel was circa 16 cm. Er was aan de borstkas links zijwaarts tot aan de rug een krasvormige oppervlakkige huidbeschadiging, schuin verlopend ter lengte van circa 10 cm (letsel C). In het verlengde hiervan hoofdwaarts op een afstand van circa 2,5 cm was een soortgelijk letsel met een lengte van circa 1 cm. De letsels B en C waren bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig snijdend geweld (letsel B) en krassend, al dan niet gecombineerd met oppervlakkig snijdend/krassend/botsend geweld (letsel C), zoals opgeleverd kan worden door snijden, stoten met/tegen een scherprandig voorwerp. Er dient te worden opgemerkt dat, aangezien letsels B en C in elkaars verlengde gelegen waren, deze letsels mogelijk in 1 tempo (haal) kunnen zijn ontstaan. Gezien de aard van deze letsels, hebben deze geen substantiële bijdrage geleverd aan het overlijden.

De patholoog concludeert dat het intreden van de dood zonder meer wordt verklaard door verwikkelingen van de inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig perforerend/ klievend geweld.12

In het lichaamsmateriaal van het slachtoffer zijn ethanol (alcohol) en amfetamine aangetoond. Op grond van de resultaten van het uitgevoerde toxicologische onderzoek kan volgens de onderzoeker beïnvloeding van het gedrag/bewustzijn door ethanol (alcohol) en amfetamine worden geconcludeerd ten tijde van het overlijden.13

Op foto’s van de woonkamer die zich in het FTO-dossier bevinden staan flessen (met) alcoholische drank afgebeeld.14

Op het heft van het mes dat verdachte heeft overgedragen aan de politie is een bloedspoor aangetroffen, waarvan het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van verdachte. Op het lemmet van het mes zijn bloedsporen aangetroffen waarvan het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer. In alle gevallen geldt een berekende frequentie of matchkans kleiner dan één op één miljard.15

De rechtbank stelt verder op grond van het dossier vast dat die betreffende avond en nacht naast het slachtoffer [slachtoffer] en verdachte in de betreffende woning aanwezig waren [betrokkene 1], [betrokkene 5], [betrokkene 2], [betrokkene 4] en [betrokkene 6].16

Verdachte zat op zijn kamer, terwijl de rest feest vierde.17

De rechtbank gaat er op grond van de verklaring van verdachte en van [betrokkene 5] vanuit dat [slachtoffer] verdachte die avond tenminste één keer heeft opgezocht in zijn kamer. Er heeft toen een forse woordenwisseling plaatsgevonden, waarbij ook de deur van verdachtes kamer is opengebroken. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat dit incident na middernacht is geweest en overweegt in dit verband het volgende.

[betrokkene 5] heeft verklaard dat zij op een gegeven moment [slachtoffer] bij de deur van verdachte zag staan. Zij denkt dat [betrokkene 4] daarbij stond. Zij hoorde [slachtoffer]en die andere jongen tegen verdachte schreeuwen en verdachte schreeuwde ook naar hen. [slachtoffer] is volgens haar ook in de kamer van verdachte geweest.18 [betrokkene 5] heeft verklaard dat zij zelf om 01:15 uur nog aan de deur van verdachte is geweest om te zeggen dat zij geen ruzie wilden.19

Verdachte heeft verklaard dat de muziek van de anderen zo hard stond dat alles trilde. Ongeveer om 0:55 uur werd op zijn deur gebonkt. [slachtoffer] schreeuwde dat hij de deur moest open doen. [slachtoffer] heeft de deur opengebroken. Ook [betrokkene 4] stond in het halletje.[slachtoffer] zei dat verdachte hen niet geluk had gewenst, dat verdachte zijn hand niet had geschud. Daarna gingen de mannen terug naar de woonkamer. Verdachte kon zijn deur niet meer op slot doen omdat deze was opengebroken. Om ongeveer 01:15 uur klopte [betrokkene 5] zachtjes op zijn deur en zij zei dat zij met hem wilde praten, aldus verdachte, hetgeen hij niet wilde, waarna zij weer terugging de woonkamer in.20

De politie heeft verder vastgesteld dat van de toegangsdeur tot verdachtes slaapkamer het hout en plaatwerk aan de halzijde ter hoogte van het slot was gescheurd en aan beide zijden van de deur de klinken ontbraken.21

De rechtbank gaat er voorts op grond van de verklaring van verdachte, zoals hij die reeds in zijn eerste verhoor heeft afgelegd, vanuit dat ook nadien nog een contactmoment is geweest tussen [slachtoffer] en verdachte. Daarbij heeft [slachtoffer] een bedreiging geuit waarbij de woorden “uitgaan, doodmaken” zijn geuit.22 Verdachte heeft later verklaard dat het daarbij ging om de Poolse woorden “vides obija”.23

De rechtbank maakt uit het voorgaande op dat die bewuste nacht sprake was van een oplopende spanning bij verdachte en van een escalatie in de toch al gespannen verhouding tussen verdachte enerzijds en [slachtoffer] anderzijds.

Wat betreft het tijdstip van de fatale vechtpartij overweegt de rechtbank het volgende.

In de woning werd een fotocamera aangetroffen. Aan de hand van de daarmee gemaakte digitale foto’s (p. 261-264), waaruit is af te leiden dat er inderdaad een feest gaande was en waarvan de politie heeft gerelateerd dat de tijdsaanduiding van de opnames klopt met de werkelijke tijd24, stelt de rechtbank vast dat er die nacht nog gedanst werd in de woonkamer door de hiervoor vermelde personen rond 02:58 uur en dat de laatste foto in dat verband gemaakt is om 02:59:41 uur (p. 264). Zowel het slachtoffer als beide dames ([betrokkene 5] en [betrokkene 6]) zijn nog op de foto’s te zien die kort daarvoor zijn gemaakt (02:46:22 uur, p. 262).

De eerste melding bij de politie komt binnen om 03:04:35 uur.25

De rechtbank stelt dan ook op grond van het voorgaande vast dat de fatale vechtpartij zich tussen 02:59:41 uur en 03:04:35 uur moet hebben afgespeeld.

Met betrekking tot het fatale incident overweegt de rechtbank het volgende.

Er is op enig moment in genoemd tijdsbestek een vechtpartij ontstaan tussen verdachte en [slachtoffer], binnen in de woning dan wel daarbuiten. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat het initiatief daartoe bij [slachtoffer] heeft gelegen. De verklaring van verdachte op dit punt stemt immers overeen met de voorvallen tot dan toe, waarover ook getuige [betrokkene 5] deels heeft verklaard en met het verloop van het gevecht zoals hierna zal worden overwogen.

Verdachte heeft over de vechtpartij onder meer verklaard dat [slachtoffer] agressief tegen hem zei dat hij verdachte ging doodmaken en een houding aannam alsof hij verdachte wilde gaan slaan, waarbij [slachtoffer] volgens verdachte niets in zijn handen had. Verdachte heeft [slachtoffer] met zijn linkerhand geduwd en met zijn rechterhand een mes uit zijn slof/laars gehaald.26 Verdachte en [slachtoffer] bevonden zich op dat moment buiten voor de woning. Ter terechtzitting heeft verdachte op de overzichtsfoto op pagina 224 van het FTO-dossier de betreffende plek aangewezen (gezien vanaf de woning wees verdachte de plek rechts om de hoek aan het einde van het pad naar de voordeur aan). Hij verklaarde verder dat hij met een duwbeweging met zijn duim het mes uit het foedraal liet springen en dat hij het mes met zijn rechterhand vast had tijdens het gevecht.27 Zijn verklaring over het foedraal stemt overeen met de vindplaats van het foedraal zoals hiervoor vermeld.

De echtgenote van verdachte heeft het mes als scherp beschreven en verklaarde dat zij zo’n mes gebruikt om in botten te snijden.28

[betrokkene 2] heeft van meet af aan verklaard dat hij verdachte tijdens die vechtpartij met [slachtoffer] met zijn rechterarm een slaande/stekende beweging heeft zien maken richting het bovenlichaam van[slachtoffer] en dat laatstgenoemde direct daarop neerviel.29 [betrokkene 2] heeft hierover specifiek verklaard dat hij [slachtoffer] en verdachte van de zijkant heeft gezien. Verdachte stond met zijn rug en [slachtoffer] met zijn gezicht naar [betrokkene 2] gericht. [slachtoffer] stond rechts en verdachte stond links. [betrokkene 2] keek tegen de rechterzijkant van verdachte en de linkerzijkant van [slachtoffer] en zag dat de rechterarm van verdachte naar voren in de richting van [slachtoffer] gebracht werd.30

De plaats waar verdachte zich op dat moment bevond volgens [betrokkene 2], is de plaats waar de politie het slachtoffer (voorafgaand aan de verplaatsing) heeft aangetroffen, te weten (kijkend in de richting van de woning) bij de heg links van het voetpad naar de woning. Ook het foedraal van het door verdachte gehanteerde mes is daar aangetroffen.31

Verdachte heeft verder verklaard dat hij, toen hij terugliep naar de woning, zag dat er een “fonteintje bloed” uit het lichaam van [slachtoffer] kwam. Dit was direct nadat [slachtoffer] op de grond was gevallen en bleef liggen.32 Verdachte is direct daarop naar zijn kamer gegaan, hetgeen wordt bevestigd door [betrokkene 2].33

De rechtbank heeft geen enkele reden tot twijfel aan de waarnemingen en de consistente verklaringen van getuige [betrokkene 2] omtrent de beweging die hij verdachte heeft zien maken, nu deze passen in de tijd (daarna viel het slachtoffer neer en ging verdachte naar binnen), de plaats (de politie heeft het slachtoffer op die plaats aangetroffen) en de locatie op het lichaam waar de fatale verwonding volgens het NFI is toegebracht (aan de voorzijde van de borstkas links).

Op grond van al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de beweging die [betrokkene 2] heeft waargenomen het moment is geweest waarop verdachte aan [slachtoffer]de fatale steekwond (letsel A) heeft toegebracht. De verklaringen van verdachte ter zake stelt de rechtbank terzijde.

Verdachte heeft immers uitsluitend verklaard in hypothetische scenario’s die verder geen steun vinden in de bewijsmiddelen. De omstandigheid dat de bevindingen van het NFI omtrent het geconstateerde letsel op zichzelf verenigbaar zijn met het scenario waarin volgens verdachte het dodelijk steekletsel is ontstaan (bij een door geen van de getuigen waargenomen contactmoment bij een zich ter plaatse bevindende bestelbus, aangeduid als contactmoment III), maakt dat niet anders. De rechtbank neemt op dit punt de conclusie van het NFI over, inhoudende: “Het ontstaan van letsel A is even waarschijnlijk onder de hypothese van het OM als onder de hypothese van ontstaan bij contactmoment III. Dat betekent niet dat beide hypothesen even waarschijnlijk zijn, maar dat de bevinding van letsel A geen aanwijzing vormt voor één van beide hypothesen.” Hierbij zij opgemerkt dat de hypothese van het Openbaar Ministerie luidt: verdachte heeft het mes in de rechterhand en heeft hiermee het slachtoffer in de borstkas gestoken.34

Tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden, op grond waarvan de rechtbank concludeert dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] met het betreffende mes heeft gestoken, zal de rechtbank bespreken of in casu sprake is van:

- opzettelijk handelen;

- voorbedachte raad.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht op grond van de in het schriftelijk requisitoir vermelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat het slachtoffer met een mes dodelijk is geraakt in de borst. Hantering van een dergelijk groot mes door verdachte, hetgeen verdachte heeft erkend, brengt volgens de officier van justitie al naar uiterlijke verschijningsvorm mee dat sprake is van “vol” opzet aan de zijde van verdachte. Volgens de officier van justitie bestond er geen aanleiding tot medeneming van het mes, laat staan het even later ter hand nemen ervan. Er zijn keuzemomenten geweest (meenemen van het mes en kort gezegd het trekken van het mes) en verdachte heeft willens en wetens keuzes gemaakt tot gebruik van het mes jegens het slachtoffer. Subsidiair merkt de officier van justitie de handelingen van verdachte in ieder geval aan als handelingen met voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer].

De officier van justitie heeft tot vrijspraak geconcludeerd van de voorbedachte raad nu hiervan uit de resultaten van zowel het tactisch als het technisch onderzoek naar haar mening niet is gebleken.

Het standpunt van de verdediging.

Namens verdachte is aangevoerd dat zijn handelen tijdens het incident en het handelen daarna niet verenigbaar zijn met boos opzet. Zo is verdachte naar eigen zeggen in het gevecht steeds achteruit gelopen, heeft hij telkens een verdedigende houding aangenomen en nooit een aanvallende. Na het incident heeft verdachte zelf 112 gebeld. Ook heeft hij nadien uitlatingen gedaan ten overstaan van zijn vrouw waaruit geen boos opzet kan worden gedistilleerd.

Evenmin acht de verdediging wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van voorwaardelijk opzet. Zwaaiende bewegingen met een mes kunnen in een gevechtssituatie weliswaar gevaarzettend zijn, maar in de onderhavige omstandigheden, zo stelt de verdediging, kan niet worden aangenomen dat de kans op de dood naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is. Het maken van zwaaiende bewegingen levert geen aanmerkelijke kans op; er is enige kracht nodig om de borstregio dan wel enige andere vitale delen van het lichaam dusdanig te doorklieven dat de dood optreedt. Tot slot heeft de raadsvrouwe geconcludeerd dat geen sprake is geweest van welbewuste aanvaarding van de kans. Daartoe is aangevoerd dat verdachte steeds achteruit bleef lopen en waarschuwde dat hij een mes had. Voorts dat hij door te dreigen met het mes niet kon voorzien dat de tegenpartij steeds fysiek bleef aanvallen, waarbij komt dat in het korte tijdsbestek voor een bewuste aanvaarding niet of nauwelijks tijd was.

De raadsvrouwe heeft primair integrale vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde, bij gebreke aan enig opzet aan de zijde van verdachte. Voor het geval de rechtbank concludeert tot aanwezigheid van opzet, heeft de raadsvrouwe subsidiair, evenals de officier van justitie, vrijspraak bepleit van de voorbedachte raad.

De rechtbank overweegt als volgt.

a. Opzettelijk handelen

Nu op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, waaronder de resultaten van het pathologisch onderzoek, moet worden geconcludeerd dat verdachte [slachtoffer] met een scherp mes heeft gestoken in een deel van het lichaam waar zich vitale lichaamsdelen bevinden, te weten in de borstkas, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden geoordeeld dan dat verdachte, aldus handelende, opzet had op de dood van het slachtoffer [slachtoffer] en hem willens en wetens heeft doodgestoken.

Voorbedachte raad; vrijspraak

Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit de stukken die zich in het dossier bevinden, noch uit het onderzoek ter terechtzitting kan worden afgeleid dat verdachte een vooropgezet plan had om het slachtoffer van het leven te beroven. Evenmin kan de rechtbank concluderen dat er enig moment van kalm overleg of bedaard nadenken aan het steken met het mes is voorafgegaan. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van moord.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 01 januari 2012 te Sint Oedenrode opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet éénmaal met een mes in de borstkas van die [slachtoffer] gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Noodweer

Namens verdachte is aangevoerd dat sprake is geweest van noodweer: het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Volgens de verdediging is aan de proportionaliteitseis voldaan omdat het pakken van een mes tegen dergelijke bedreigingen en geweld niet disproportioneel is te noemen. De raadsvrouwe heeft daarbij gewezen op de omstandigheid, dat het slachtoffer telkens voorwaarts bleef gaan in de richting van verdachte. Gesteld is daarnaast dat aan de subsidiariteitseis is voldaan omdat er voor verdachte in redelijkheid geen alternatieven waren.

De officier van justitie gaat ervan uit dat verdachte werd aangevallen door[slachtoffer] en dat sprake is geweest van een noodweersituatie. De officier van justitie heeft zich echter op het standpunt gesteld dat aan het subsidiariteitsvereiste niet is voldaan: het was niet strikt noodzakelijk dat verdachte naar buiten ging en op het terrein buiten waren ook voldoende alternatieven om weg te komen. Aan het proportionaliteitsvereiste is evenmin voldaan, aldus de officier van justitie: er was sprake van een gevecht met de blote vuisten waarna verdachte het gevecht heeft “opgetuigd” door het mes ter hand te nemen dat hij mee naar buiten had genomen. Daarbij komt dat de patholoog meer verwondingen heeft vastgesteld zodat geconcludeerd kan worden dat er meer contactmomenten tussen verdachte en het slachtoffer zijn geweest. De officier van justitie heeft verder gesteld dat verdachte door een mes mee te nemen het risico heeft genomen dat hij het mes ook daadwerkelijk zou gebruiken. Verdachte was zich zeer bewust van de aanwezigheid van het mes, zo is uit zijn verklaringen af te leiden. Toen verdachte het mes trok was geen sprake van een hevige gemoedsbeweging. Bovendien had hij de steekrichting en –locatie anders kunnen laten verlopen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Een verdachte is niet strafbaar indien hij een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van zichzelf of van een ander tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat ervan wordt uitgegaan dat het initiatief tot de vechtpartij niet bij verdachte lag, maar bij [slachtoffer], van wie vast staat dat hij alcohol en harddrugs had genuttigd waardoor zijn gedrag/bewustzijn werd beïnvloed. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat [slachtoffer] in het gevecht steeds op hem af kwam. De rechtbank acht dit aannemelijk, gelet ook op de verklaring van [betrokkene 5], afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris, dat [slachtoffer] op de grond lag, dat verdachte terugliep en zich had omgedraaid, dat [slachtoffer] opstond en dat het toen weer begon.35 [betrokkene 2] heeft in dit verband in een telefoongesprek met ‘[persoon 1]’ verteld dat hij ze uit elkaar heeft gehaald maar dat [slachtoffer] weer tegen hem inliep.36

Ook heeft [betrokkene 2] bij de politie verklaard dat hij heeft geprobeerd om verdachte en [slachtoffer] uit elkaar te halen, maar dat het niet lukte, omdat ze elkaar heel erg vast hielden en dat hij het dan zo heeft gelaten.37

De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat weliswaar aannemelijk is dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding doordat verdachte steeds door [slachtoffer] werd aangevallen, maar dat de wijze waarop verdachte heeft ingegrepen, te weten door in een (vuist)gevecht zijn tegenstander met een scherp mes te steken in dat deel van het lichaam waar zich vitale lichaamsdelen bevinden, niet geboden was door de noodzakelijk verdediging. Zo heeft de rechtbank uit de verklaringen van verdachte afgeleid dat verdachte in staat is gebleken de klappen van [slachtoffer] steeds af te weren en is niet aannemelijk geworden dat het gevecht er dermate heftig aan toe ging dat verdachte op enig moment moest vrezen voor zijn leven. In dat verband acht de rechtbank tevens van belang dat volgens verdachtes eigen verklaring steeds sprake was van een één-op-een gevecht tussen hem en [slachtoffer].

De rechtbank verwerpt derhalve het noodweerverweer omdat aan het vereiste van proportionaliteit niet is voldaan.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Noodweerexces

Namens verdachte is tevens een beroep gedaan op noodweerexces. Aangevoerd is dat het niet anders kan dan dat de noodweersituatie waarin verdachte is komen te verkeren, een hevige gemoedsbeweging heeft veroorzaakt gelet op hetgeen is voorgevallen. Indien er grenzen zijn overschreden dan is die overschrijding, zo stelt de verdediging, het onmiddellijke gevolg geweest van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de noodweersituatie.

De officier van justitie acht noodweerexces niet aan de orde. De officier van justitie zoekt bij de beoordeling of aan de vereisten van noodweerexces is voldaan, aansluiting bij de verklaring van verdachte en komt tot de conclusie dat zijn verklaringen op dat punt tekortschieten. De officier van justitie heeft daarbij ook gekeken naar het gedrag van verdachte na het steekincident en heeft vastgesteld dat zijn handelen van rationeel overkomend gedrag getuigde.

De officier van justitie heeft verder aangevoerd dat de weigering van verdachte om medewerking te verlenen aan een persoonlijkheidsonderzoek reden is dat niet geconcludeerd kan worden dat een eventuele persoonlijkheidsstoornis een bijkomende oorzaak is geweest van een gemoedsbeweging.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bovengenoemd disproportioneel handelen van verdachte ter verdediging zou te rechtvaardigen zijn, indien dit handelen het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte, veroorzaakt door de aanval door het latere slachtoffer.

De rechtbank is evenwel, anders dan de verdediging, van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een dergelijke hevige gemoedsbeweging. De rationele lezing door verdachte van de gebeurtenissen tijdens de vechtpartij en van hetgeen hem tijdens het gevecht bewoog is onverenigbaar met de door de verdediging gestelde hevige gemoedsbeweging die zijn gedraging zou hebben bepaald. De voorliggende Pro Justitia rapporten van de psycholoog Van Toorn en de psychiater Dinjens en het rapport van het Pieter Baan Centrum bieden geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel. Het beroep op noodweerexces dient derhalve te worden verworpen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat voor de doodslag aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) jaren wordt opgelegd, met aftrek van voorarrest.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

De officier van justitie heeft in haar eis de ernst van het feit en de algemene en speciale preventie betrokken. Daarnaast heeft de officier van justitie de proceshouding van verdachte meegewogen als gevolg waarvan de nabestaanden in onwetendheid blijven verkeren over hetgeen is gebeurd en acht de officier van justitie het strafverzwarend dat verdachte zich een slachtofferrol aanmeet en geen spijt betuigt.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe van verdachte heeft bepleit rekening te houden met de omstandigheden waarin verdachte ongewild is komen te verkeren. Gewezen is verder op het niet relevante strafblad en op de omstandigheid dat van een agressieve persoonlijkheid bij verdachte niet is gebleken.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in een gevecht van man tot man een mes getrokken en heeft het slachtoffer, [slachtoffer], dodelijk geraakt. Verdachte heeft van het slachtoffer het meest kostbare bezit, zijn leven, afgenomen. Het slachtoffer is slechts 23 jaar oud geworden en had nog een lang leven voor zich. Het slachtoffer laat een vriendin en kinderen achter die zonder vader zullen moeten opgroeien. Ook verdachtes ouders moeten het sinds deze noodlottige vechtpartij zonder hun zoon stellen. In de schriftelijke slachtofferverklaring heeft de vader van het slachtoffer weergegeven welk onherstelbaar leed verdachte heeft teweeggebracht. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij op geen enkel moment, ook niet ter terechtzitting, er blijk van heeft gegeven besef te hebben van de onomkeerbare gevolgen die zijn handelen heeft veroorzaakt. De omstandigheid dat verdachte meende niet anders te kunnen handelen staat naar het oordeel van de rechtbank aan dat besef niet in de weg.

Doodslag is één van de meest ernstige delicten die ons strafrecht kent.

De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming van lange duur op zijn plaats. Het moet voor een ieder duidelijk zijn dat aan het gebruik van een mes in een gevecht als gevolg waarvan een ander het leven laat, zwaar wordt getild.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank kent in het voordeel van verdachte bijzondere betekenis toe aan de omstandigheid dat verdachte niet heeft gewild in een dergelijke geweldssituatie te belanden en dat hij zelf in de aanloop naar de fatale steekpartij niet heeft bijgedragen aan escalatie van het conflict

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het blanco strafblad ter zake van verdachte.

De rechtbank is, alles afwegend, van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar.

De vordering van de benadeelde partij[slachtoffer].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij geheel toewijsbaar.

Het standpunt van de verdediging.

Gelet op de bepleite vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging is geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de vordering van benadeelde partij.

Beoordeling door de rechtbank.

De rechtbank acht de vordering (kosten lijkbezorging) als niet weersproken in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de vordering, zijnde 26 juni 2012 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan de benadeelde bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de vordering, zijnde 26 juni 2012 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Beslag.

De rechtbank acht het van belang, zoals ook door de officier van justitie is gevorderd en op welk punt de verdediging geen verweer heeft gevoerd noch verzoeken heeft gedaan, dat de bewaring ten behoeve van de rechthebbenden wordt gelast van de in beslag genomen kleding van het slachtoffer (voor zover de nabestaanden daarop prijs stellen) en van de in beslag genomen kleding van verdachte, zolang op de zaak niet onherroepelijk is beslist.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 287.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

doodslag

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

Een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

Maatregel van schadevergoeding van EUR 1847,80 subsidiair 28 dagen hechtenis.

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde [slachtoffer] van een bedrag van EUR 1847,80 (zegge: eenduizendachthonderdzevenenveertig euro en tachtig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 28 dagen hechtenis. Het bedrag betreft materiële schadevergoeding ( kosten lijkbezorging).

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van

indiening van de vordering, zijnde 26 juni 2012, tot aan de dag der algehele

voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van

EUR 1847,80 (zegge: eenduizendachthonderdzevenenveertig euro en tachtig

eurocent), te weten materiële schadevergoeding (kosten lijkbezorging).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de

datum van indiening van de vordering, zijnde 26 juni 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor

zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot

vergoeding van deze schade.

De rechtbank gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbenden van de in beslag genomen kleding van het slachtoffer (voor zover de nabestaanden daarop prijs stellen) en van de in beslag genomen kleding van verdachte, zolang op de zaak niet onherroepelijk is beslist.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W. Schoorlemmer, voorzitter,

mr. M. Senden en mr. N.I.B.M. Buljevic, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. de Bruijn-van der Sluijs, griffier,

en is uitgesproken op 20 januari 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar paginanummers betreffen dit paginanummers van het proces-verbaal van de politieregio Brabant-Noord d.d. 22 mei 2012, genummerd 29-714245, aantal doorgenummerde pagina’s 847.

2 De verklaring van getuige [getuige 1], p. 701-702 en de verklaring van [betrokkene 4], p. 569 en 571.

3 De verklaring van verdachte, p. 815 .

4 De verklaring van [betrokkene 1], p. 430.

5 De verklaring van [betrokkene 1], afgelegd bij de rechter-commissaris op 10 januari 2012, p. 2.

6 De verklaring van [getuige 1], afgelegd bij de rechter-commissaris op 10 januari 2013, p. 2.

7 Proces-verbaal sporenonderzoek in woning, proces-verbaal technisch onderzoek TGO Castor (hierna te noemen het FTO-dossier, p. 2861, foto’s op p. 297 tm 302.

8 Een drietal processen-verbaal van bevindingen, p. 83-85, p. 101 en p.122-123.

9 Een proces-verbaal van bevindingen, p. 99.

10 Foto op p. 262 van het FTO-dossier.

11 Een proces-verbaal sporenonderzoek buiten PD (FTO-dossier, p. 229) en het proces-verbaal van 21 februari 2012 (FTO-dossier p. 225)

12 Een NFI-rapport pathologie met bijlagen d.d. 3 januari 2012, opgemaakt door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en forensisch patholoog, p. 414 tm 416 en 418 van het FTO-dossier.

13 Een NFI-rapport toxicologie d.d. 16 januari 2012, opgemaakt door drs. R Oosting, apotheker, p. 430 van het FTO-dossier.

14 Foto’s op p. 273 en p. 303 t/m 306 van het FTO-dossier.

15 NFI-rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek d.d. 9 januari 2012, opgemaakt door dr. Y. van de Wal, p. 408-409 van het FTO-dossier.

16 Proces-verbaal bevindingen, p. 85.

17 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 6 januari 2014.

18 De verklaring van [betrokkene 5], p. 472, 480 en 481.

19 De verklaring van [betrokkene 5], p. 497.

20 De verklaring van verdachte, p. 817 en 818.

21 Een proces-verbaal sporenonderzoek in woning, p. 281 en 286 van het FTO-dossier, foto 17, p 303 van het FTO dossier.

22 De verklaring van verdachte, p. 818.

23 De verklaring van verdachte, p. 856, 6e alinea.

24 Een proces-verbaal op p. 226-227.

25 Een proces-verbaal van bevindingen, p. 78.

26 De verklaring van verdachte, p. 820 onderaan.

27 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 6 januari 2014.

28 De verklaring van[getuige 2], p. 677 onderaan en 678 bovenaan.

29 De verklaring van [betrokkene 2], p. 533, halverwege.

30 De verklaring van [betrokkene 2], p. 534.

31 De verklaring van [betrokkene 2], p. 533 bovenaan, het proces-verbaal op p. 22 van het FTO-dossier, foto nummer 6, 9 en 10 op p. 28 van het FTO-dossier en het proces-verbaal van 21 februari 2012 (FTO-dossier p. 225) .

32 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 6 januari 2014.

33 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting op 6 januari 2014, de verklaring van [betrokkene 2], p. 533.

34 Het rapport van het NFI d.d. 29 november 2013, opgemaakt door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en forensisch patholoog, H. van Venrooij, forensisch arts KNMG en prof. dr. ir. C. Berger, criminalist.

35 De verklaring van getuige[betrokkene 5], afgelegd bij de rechter-commissaris op 10 januari 2013, p. 1 onderaan en 2 bovenaan.

36 Een geschrift, zijnde een weergave van een afgetapt telefoongesprek, p. 869.

37 De verklaring van [betrokkene 2], p. 560