Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:1875

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
15-04-2014
Zaaknummer
SHE 13/3745
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet tegemoetkoming schade bij rampen, (weigering) concretiserend besluit van algemene strekking, bekendmaking, 6:13 Awb.

Samenvatting: De afwijzing van het verzoek om de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts) van toepassing te verklaren op de overstroming van de Gulp (het primaire besluit), moet worden aangemerkt als een weigering een concretiserend besluit van algemene strekking te nemen. In artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt een dergelijke weigering voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld. Tegen de weigering om de Wts van toepassing te verklaren staat bezwaar en beroep open voor belanghebbenden. Aangezien het primaire besluit niet is gericht tot eisers, kunnen zij, hoewel zij vanwege het feit dat zij – kort gezegd – wonen in het getroffen gebied en ten gevolge van de overstroming schade hebben geleden wel beroepsgerechtigde belanghebbenden zijn, niet als geadresseerden van het primaire besluit worden aangemerkt en zijn zij geen belanghebbenden in de zin van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb. Eisers hebben zelf geen bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. De rechtbank deelt niet het standpunt van eisers dat het bezwaar van het College van B&W mede namens hen is ingediend. Er bestaat voorts geen grond voor conclusie dat eisers redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt tegen het primaire besluit. De conclusie is dat eisers, gelet op artikel 6:13 van de Awb, geen beroep kunnen instellen.

Wetsverwijzingen
Wet tegemoetkoming schade bij rampen, geldigheid: 2014-04-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/3745

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 april 2014 in de zaak tussen

[eiser 1], te [woonplaats] (gemachtigde mr. drs. E. ter Bals),

[eiser 2], te [woonplaats] (gemachtigde mr. J.H.M. Verjans),

[eiser 3], te [woonplaats] (gemachtigde mr. J. Schoneveld),

[eiser 4], te [woonplaats] (gemachtigde mr. J. Schoneveld),

eisers,

en

de minister van Veiligheid en Justitie, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. D.W.M. Wenders, mr. A.F. van der Putten, G.W. Knops).

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gulpen-Wittem (college van B&W) om toepassing van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts) afgewezen.

Bij besluit van 8 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van het college van B&W ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij brief van 23 mei 2013 hebben zij de gronden van het beroep ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 7 januari 2014 heeft de gemachtigde van [eiser 2] een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2014. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

In de nacht van 28 juli 2012 op 29 juli 2012 heeft zware regenval in de Belgische regio Hombourg geleid tot een overstroming van de rivier de Gulp bij het dorp Slenaken. Daardoor hebben verschillende personen woonachtig in dat gebied, waaronder eisers, materiële schade geleden.

Bij brief van 18 september 2012, aangevuld bij brief van 25 september 2012 en bij e‑mailbericht van 13 november 2012, heeft het college van B&W verzocht om toepassing van de Wts en aanwijzing van het getroffen gebied als schadegebied.

In de brief van 18 september 2012 is onder meer het volgende vermeld:

“(…) De aard en omvang alsmede de uitzonderlijkheid van deze natuurramp geven ons aanleiding u te verzoeken de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen (hierna Wts) van toepassing te verklaren (…)

Met vriendelijke groet,

Burgemeester en Wethouders van Gulpen-Wittem (…)”

In de brief van 25 september 2013 staat onder meer het volgende:

“(…) Op 20 september 2012 werd de aanvraag van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gulpen-Wittem tot toepassing van de Wts aan de Minister verzonden. (…)”

Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek afgewezen op de grond dat geen sprake is van een ramp als bedoeld in de Wet veiligheidsregio’s. Verweerder heeft dit besluit verzonden aan het college van B&W.

Bij brief van 20 december 2012 heeft het college van B&W bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. In deze brief is onder meer het volgende vermeld:

“(…) Wij zijn daarom van mening dat de specifieke omstandigheden van deze concrete gebeurtenis en de waardering die daaraan wordt gegeven, maakt dat er wel sprake is van een ramp.

(…)

Met vriendelijke groet,

Burgemeester en Wethouders van Gulpen-Wittem (…)”

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van het college van B&W ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek gehandhaafd.

Omdat het college van B&W heeft besloten om geen beroep in te stellen tegen het bestreden besluit, hebben eisers hiertegen zelf beroep ingesteld.

2.

Ambtshalve overweegt de rechtbank als volgt.

3.

De afwijzing van het verzoek om de Wts van toepassing te verklaren op de overstroming van de Gulp (het primaire besluit), moet worden aangemerkt als een weigering een concretiserend besluit van algemene strekking te nemen. Op grond van het bepaalde in artikel 6:2, aanhef en onder a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt een dergelijke weigering voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld. Hieruit volgt dat tegen de weigering om de Wts van toepassing te verklaren bezwaar en beroep open staat voor belanghebbenden.

4.

Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. Verweerder heeft het primaire besluit bekendgemaakt door toezending ervan aan het college van B&W, de aanvrager. Aangezien het primaire besluit niet is gericht tot eisers, kunnen zij, hoewel zij vanwege het feit dat zij – kort gezegd – wonen in het getroffen gebied en ten gevolge van de overstroming schade hebben geleden wel beroepsgerechtigde belanghebbenden zijn, niet als geadresseerden van het primaire besluit worden aangemerkt en zijn zij geen belanghebbenden in de zin van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 april 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF7343).

5.

Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan – kort gezegd – geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. Niet in geschil is dat eisers zelf geen bezwaar hebben gemaakt tegen het primaire besluit. De rechtbank deelt niet het standpunt van eisers dat het bezwaar van het college van B&W mede namens hen is ingediend. Artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb bepaalt dat het bezwaarschrift de naam en het adres van de indiener bevat. Het door het college van B&W ingediende bezwaarschrift bevat niet de namen van eisers, noch hun adressen. De bewoordingen van het bezwaarschrift, zoals hiervoor ook weergegeven, bieden evenmin aanknopingspunten voor het standpunt dat het bezwaarschrift mede namens hen is ingediend. Er bestaat voorts geen grond voor de conclusie dat eisers redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt tegen het primaire besluit. Het college van B&W heeft kort na de bekendmaking van het primaire besluit over het primaire besluit contact gehad met eisers en besloten is dat het college van B&W hiertegen bezwaar zou maken. Dat eisers er voor hebben gekozen zelf geen bezwaar te maken tegen het primaire besluit maar dit over te laten aan het college van B&W, komt voor hun eigen rekening en risico.

6.

De conclusie is dat eisers, gelet op artikel 6:13 van de Awb, geen beroep kunnen instellen.

7.

Het beroep is dus niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep van eisers.

8.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski-Kelders, voorzitter, en
mr. H.M.H. de Koning en mr. A. Venekamp, leden, in aanwezigheid van
mr. C.G.M. Kosman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.