Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:187

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-01-2014
Datum publicatie
17-01-2014
Zaaknummer
0/038350-93
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Handhaving van de verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, zoals beslist bij uitspraak van 25 november 2013.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/038350-93

Uitspraakdatum: 03 januari 2014

Beslissing voorwaardelijk einde verpleging van overheidswege

Beslissing in de zaak van:

[terbeschikkinggestelde],

geboren te[geboorteplaats] op [1938][geboorteplaats]

verblijvende in de Pompestichting te Zeeland.

Het onderzoek van de zaak.

Bij vonnis van de rechtbank van 3 mei 1994 is betrokkene ter beschikking gesteld. Deze terbeschikkingstelling is voor het laatst, bij beslissing van deze rechtbank van 25 november 2013 met één jaar verlengd.

In haar uitspraak van 25 november 2013 heeft de rechtbank bovendien een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging overwogen. De rechtbank achtte het in dat kader nood-zakelijk voor de vorming van haar eindoordeel zich nader te doen voorlichten omtrent de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de verpleging van overheidswege zou kunnen worden beëindigd. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 509t, vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering heeft de rechtbank de beslissing omtrent een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging aangehouden.

Ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 januari 2014 is, in aanwezigheid van de officier van justitie, de terbeschikkinggestelde, diens raadsman mr. B. Kurvers en de deskundigen P.C. Braun (psycholoog Pompestichting), E.A.M. Konings (GZ-psycholoog/ behandelcoördinator Pompestichting) en J. Frouws (reclasseringswerker), de vraag behandeld of de verpleging al dan niet voorwaardelijk dient te worden beëindigd.

In het dossier bevinden zich onder andere:

  • -

    processen-verbaal van de openbare terechtzittingen van deze rechtbank in deze zaak d.d. 15 oktober 2013 en 25 november 2013;

  • -

    de beslissing tot verlenging van de terbeschikkingstelling van deze rechtbank in deze zaak d.d. 25 november 2013;

  • -

    een advies van de reclassering ‘voorbereiding voorwaardelijke beëindiging dwangverpleging’ d.d. 24 december 2013.

De beoordeling.

In voornoemd advies van de reclassering d.d. 24 december 2013 is onder meer het navolgende gesteld:

(..) Rapporteur bezocht op 18 oktober 2013[terbeschikkinggestelde]. Duidelijk was waar te nemen dat betrokkene – in vergelijking met ons contact in 2011 – behoorlijk in fysieke kracht had ingeboet. Zijn wens om in de buurt van zijn echtgenote en kinderen zijn laatste levensfase door te brengen was onverminderd aanwezig.

(..)

Onderzoek leerde dat de mogelijkheid een tbs-gestelde te plaatsen in een reguliere setting gering, zo niet onmogelijk is. Het CIZ kantoor deelde mee dat er geen indicatie voor plaatsing in een verpleeg/verzorgingstehuis wordt afgegeven voor personen met een justitiële titel. Een verpleeghuis/verzorgingshuis voor justitiabelen is niet aanwezig.

De mogelijkheid van ‘onderaannemerschap’ (plaatsing in een door justitie ingekochte instelling, zoals [kliniek 1] waarop deze de opgenomen persoon doorplaatst naar een reguliere plek) werd kort onderzocht, maar vooralsnog werd dit afgewezen.

Indien[terbeschikkinggestelde] bij voorwaardelijke beëindiging buiten een tbs-kliniek geplaatst moet worden, is een indicatie van het IFZ nodig. Het IFZ te ’s-Hertogenbosch werd gevraagd een indicatie af te geven voor plaatsing in een instelling waar betrokkene (met

een tbs-titel) de laatste periode van zijn leven verzorgd kan worden.

(..)

Uit de indicatiebrief van het IFZ, november 2013:

“Betrokkene verblijft reeds 16 jaar in een TBS instelling, waarvan de laatste 8 jaar op een longstayafdeling. Gezien de lichamelijk achteruitgang als gevolg van de eerder genoemde ziekte, is het risico op recidive afgenomen evenals de ernst van de forse persoonlijkheids-problematiek. Daar betrokkene momenteel nog niet in een terminale fase verkeert, voldoet hij nog niet aan de door de zorgaanbieder gestelde voorwaarden. Een overplaatsing naar

een verpleegafdeling binnen de regio van herkomst is op dit moment daardoor nog niet mogelijk. De rechtbank heeft de intentie uitgesproken om de TBS met dwangverpleging voorwaardelijk te beëindigen zodra er door de huisarts aangekondigd is dat betrokkene zich in de terminale fase bevindt en nog minder dan 3 maanden te leven heeft. Op grond van bovenstaande wordt betrokkene geïndiceerd voor een forensische klinische verpleegafdeling in een klinische instelling met een gemiddelde zorgintensiteit en een gemiddeld

beveiligingsniveau.”

(..)

De heer Kleppe van GGZ Eindhoven schreef op 28 november aan het IFZ:

“Zoals wij op maandag 25 november jl. telefonisch besproken hebben zullen wij bovengenoemde cliënt nu niet overnemen. Gezien het feit dat er nog geen sprake is van terminale zorg is een overplaatsing nu geen realistische optie. Zodra er wel sprake is van terminale zorg zullen wij het verzoek tot overname opnieuw beoordelen. Hierbij wil ik wel opmerken dat onze twijfel of overname wel in belang van cliënt is toeneemt. Immers juist in de laatste fase van zijn leven wordt hij overgeplaatst naar een nieuwe afdeling met een geheel nieuw team dat zijn specifieke wensen nog moet leren kennen. Daarbij heeft het team geen kennis van zijn nog steeds aanwezige psychiatrische problemen. Het is dus de vraag in hoeverre zijn kwaliteit van leven dan uiteindelijk toeneemt. Is het niet beter om de terminale zorg in Zeeland te organiseren? Mocht het desondanks tot overplaatsing komen dan is het voor ons van belang om ruim tijd te nemen om het team voor te bereiden op de specifieke bejegening van cliënt.”

(..)

Rapporteur nam begin december 2013 telefonisch contact op met de heer Kleppe. Hij vertelde dat zodra de terminaalverklaring afgegeven is, contact met GGzE opgenomen kan worden en dat daarna op korte termijn[terbeschikkinggestelde] bezocht wordt om te bezien op welke afdeling hij kan worden opgenomen. Er zijn in principe twee afdelingen beschikbaar, de keus is afhankelijk van de psychische en fysieke conditie van[terbeschikkinggestelde].

(..)

Voorbereiding voorwaardelijke beëindiging TBS.

Geadviseerd wordt om betrokkene in aanmerking te laten komen voor voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging. Omdat er nu nog geen sprake is van een terminale fase, kan een overplaatsing naar de GGZ Eindhoven nog niet plaatsvinden. Om niet gebonden te zijn aan de beslismomenten bij verlengingszittingen én de mogelijkheid voorhanden te hebben op korte termijn op de actualiteit van de ziekte in te spelen, wil Reclassering Arnhem de rechtbank in overweging geven de dwangverpleging voor-waardelijk te beëindigen, met dien verstande dat de voorwaardelijke beëindiging pas

ingaat op de dag dat[terbeschikkinggestelde] opgenomen kan worden bij GGZ Eindhoven, zulks

na overleg en overeenstemming tussen Reclassering Nederland, [kliniek 2], GGZ Eindhoven én na toestemming van de Officier van Justitie. (..)

In dit kader is vervolgens onder meer als bijzondere voorwaarde geformuleerd:

‘Opname in zorginstelling-klinische behandeling.[terbeschikkinggestelde] wordt verplicht om op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling zich te laten opnemen in GGZ Eindhoven, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem/haar in het kader van die behandeling door of namens de

(geneesheer-) directeur van die instelling zullen worden gegeven.’

De officier van justitie deelt mede dat zij op 2 januari 2014 van deskundige Frouws (reclasseringswerker) heeft vernomen dat het bij de GGzE ingezette traject wordt afgeblazen.

De deskundige J. Frouws heeft verklaard, verkort en zakelijk weergegeven.

Ik heb kort voor deze zitting van de GGzE vernomen dat de opname van betrokkene niet doorgaat. Betrokkene kwam voor twee afdelingen in aanmerking, maar nu schijnt dat de ene afdeling niet van de grond is gekomen en dat de andere afdeling door bezuinigingen wordt gesloten. Ik ben door dit bericht compleet verrast. Ik verkeerde in de vaste overtuiging dat alles was geregeld. Ik had van de heer Kleppe van de GGzE ook een toezegging gekregen. Ik voel mij in mijn hemd gezet. Ik betreur de gang van zaken. Ik sta nog steeds achter de inhoud van mijn advies.

De deskundige E.A.M. Konings heeft verklaard, verkort en zakelijk weergegeven.

De combinatie van de onderhavige somatische- en psychiatrische problematiek bemoeilijkt een plaatsing in een andere instelling.

De deskundige P.C. Braun heeft verklaard, verkort en zakelijk weergegeven.

Het is de wens van betrokkene om zijn laatste levensfase in de buurt van zijn echtgenote

en kinderen door te brengen. Wij hebben echt alles uit de kast gehaald om hieraan in enige mate te voldoen. Het Ministerie van Veiligheid en Justitie wijst echter telkens alle verlofaanvragen van betrokkene af. Wij bekijken de mogelijkheid om de echtgenote van betrokkene onder meer financiële steun te geven om vaker op bezoek te kunnen komen, maar haar fysieke gesteldheid speelt inmiddels ook parten. Wij kunnen enkel nog zo goed mogelijk voor betrokkene blijven zorgen en het contact met zijn echtgenote en de kinderen zoveel mogelijk trachten te bewerkstelligen.

De terbeschikkinggestelde heeft verklaard, verkort en zakelijk weergegeven.

Ik ga behoorlijk achteruit. Ik heb de hele dag pijn en lig nagenoeg de hele tijd op bed.

Ik kan al bijna niet meer lopen. Ik kan al niet eens meer zelfstandig naar de wc. Ik slik

steeds meer morfine tegen de pijn. Ik kan niet lang zitten.

Mijn vrouw is niet meer mobiel. Ik wil dichter naar haar toe. Ik zou wel eens in [plaats]

bij mijn vrouw en kinderen willen zijn.

Ik voel mij gefopt en voor de gek gehouden. Het ene moment is er een plek voor mij beschikbaar en het andere moment komt men daarop terug. Ik weet niet meer waar ik aan toe ben. Ik wil zo snel mogelijk dood. Ik heb daar ook al gesprekken over.

De officier van justitie heeft aangevoerd, verkort en zakelijk weergegeven.

Er is een heel vervelende situatie ontstaan. Het komt er thans op neer dat er geen plek voor terbeschikkinggestelde is gevonden buiten de bestaande TBS-voorziening. Daarmee is een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging niet realiseerbaar en dus niet aan de orde.

De raadsman van de terbeschikkinggestelde heeft aangevoerd, verkort en zakelijk weergegeven.

Ik kan er ook niet meer van maken. De GGzE heeft de deur dichtgegooid. Dit terwijl alle andere betrokkenen hun uiterste best hebben gedaan. Door het wegvallen van de toegezegde plaats is een voorwaardelijk einde van de dwangverpleging in formeel juridische zin niet mogelijk. Ik refereer mij wat dat betreft dan ook aan uw oordeel. Hoewel mijn cliënt het

niet wil horen, is de huidige locatie niet de slechtste plek voor hem. Hij wil gewoon niet tussen de huidige vier muren sterven. Ik zal met de kliniek bespreken wat wij nog voor

mijn cliënt kunnen betekenen in zijn laatste levensfase.

De rechtbank overweegt het volgende.

Uit het verhandelde ter terechtzitting van 3 januari 2014 is gebleken dat de door de GGzE toegezegde plek is weggevallen. Deze plaatsing was een uitdrukkelijke voorwaarde voor

een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging. Door het wegvallen van deze plek is een voorwaardelijk einde van de verpleging niet realiseerbaar gebleken.

De rechtbank beslist dan ook als na te melden.

DE BESLISSING.

De rechtbank.

- Verstaat dat er geen termen aanwezig zijn om de bij uitspraak van 25 november 2013

verlengde verpleging van overheidswege voorwaardelijk te beëindigen.

- Handhaaft de verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege voor de duur zoals beslist bij de uitspraak van 25 november 2013.

Deze beslissing is gegeven door

mr. P.A. Buijs, voorzitter,

mr. drs. W.A.F. Damen en mr. W.T.A.M. Verheggen, leden,

in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,

en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 januari 2014.

De jongste rechter is buiten staat om deze beslissing mede te ondertekenen.