Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:1599

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-04-2014
Datum publicatie
04-04-2014
Zaaknummer
01/849771-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2014:5199, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor verduistering in dienstbetrekking en medeplegen van gewoontewitwassen. Verdachte, de boekhouder van een bedrijf, heeft ruim 2,5 miljoen euro verduisterd.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest. Tevens moet schade worden vergoed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/849771-11

Datum uitspraak: 04 april 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1954],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van de onderzoeken ter terechtzitting van 4 mei 2012, 24 juli 2012 en 21 maart 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 april 2012.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 21 maart 2014 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2005 tot en met 14 oktober 2011 te Veghel en/of 's-Hertogenbosch en/of Schijndel, althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) geldbedrag(en) (in totaal 3.097.489 euro), in elk geval enig geldbedrag, dat (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan het bedrijf [bedrijf 1] en/of[slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk(e) geldbedrag(en) verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) uit hoofde van zijn/hun persoonlijke dienstbetrekking en/of zijn/hun beroep van/als financieel manager/administrateur en/of administratief medewerkster, in elk geval als medewerker van het bedrijf [bedrijf 1], in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 322 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2005 tot en met 14 oktober 2011, te Veghel en/of 's-Hertogenbosch en/of Schijndel, althans in Nederland en/of in Suriname,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt en/of zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) op één of meer

tijdstippen in genoemde periode van

één of meer geldbedrag(en), te weten in totaal 3.097.489 euro, althans enig geldbedrag en/of één of meer hoeveelhe(i)d(en) geld ten behoeve van -onder meer- de aanschaf en betaling van:

één of meer voorwerp(en), te weten -onder meer- kleding en/of een Suzuki Vitara en/of benzine en/of tickets naar Suriname en/of het verblijf in Suriname en/of percelen in Suriname en/of twee LCD-TV's en/of laptops de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing te verbergen en/of te verhullen, dan wel te verbergen of te verhullen wie de rechthebbende(n) op die/dat voorwerp(en) was/waren en/of een of meer van deze voorwerp(en) voorhanden te hebben

en/of

door een of meer voorwerp(en),

te weten -onder meer- kleding en/of een Suzuki Vitara en/of benzine en/of tickets naar Suriname en/of het verblijf in Suriname en/of percelen in Suriname en/of twee LCD-TV's en/of laptops en/of enig geldbedrag, te weten in totaal 3.097.489 euro, althans enig geldbedrag te verwerven, voorhanden te hebben en/of over te dragen en/of om te zetten en/of van dat/die voorwerpen gebruik te maken

zulks terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven;

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie baseert zich daarbij op de stukken in het dossier en het rapport “Rapport inzake de onttrekking van gelden”, opgemaakt ten behoeve van de directie van [bedrijf 1] en de directie en het bestuur van [naamloze vennootschap], door Deloitte Forensic & Dispute Services d.d. 5 juli 2012 (hierna door de rechtbank verder te noemen: “het rapport van Deloitte”). Voor het gebruik van het rapport van Deloitte in de onderhavige strafzaak is toestemming gegeven, aldus de officier van justitie ter terechtzitting. Verdachte bekent de feiten ook.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging refereert zich ten aanzien van een bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte bekent. De raadsman plaatst wel kanttekeningen bij de hoogte van het in de tenlastelegging genoemde bedrag.

Het oordeel van de rechtbank.1

Feit 1

De heer [slachtoffer 1] van [bedrijf 1] in Veghel doet aangifte van verduistering van geld door hun boekhouder [verdachte], verdachte. Op 12 oktober 2011 is de fraude binnen het bedrijf ontdekt.2 Verdachte is in februari 2005 bij het bedrijf in dienst gekomen. Mevrouw [medeverdachte], medeverdachte in de onderhavige strafzaak, was zijn assistente. Verdachte en [medeverdachte] waren verantwoordelijk voor de administratie van het bedrijf tot oktober 2011. [verdachte] was de enige die de betalingen deed. Het bedrijf heeft accountantskantoor Deloitte de omvang van de verduistering en de dientengevolge ontstane schade voor het bedrijf laten onderzoeken.3 Het rapport van Deloitte maakt onderdeel uit van het dossier.4

De rechtbank merkt op evenals de officier van justitie het rapport van Deloitte als uitgangspunt te nemen bij de beoordeling van feit 1. Het betreft een rapport van een gerenommeerd accountantskantoor en de rechtbank verstaat dat onafhankelijk onderzoek door dit kantoor is verricht zoals ook is verwoord op pagina 6 van het rapport van Deloitte, zodat de rechtbank geen reden heeft om aan de bevindingen en onderzoeksresultaten van Deloitte als neergelegd in het rapport te twijfelen.

Verdachte bekent het feit te hebben gepleegd. Hij heeft jarenlang in zijn functie als boekhouder wederrechtelijk geldbedragen onttrokken en zich deze gelden van zijn werkgever toegeëigend.

Geconfronteerd met de inhoud van tabel 5, weergevende onder meer een overzicht van de onttrekkingen per jaar, waarbij de bedragen zijn onderverdeeld in bedragen welke rechtstreeks naar bankrekeningen van “[verdachte] en/of [medeverdachte]” zijn overgemaakt, als vermeld op pagina 31 van het rapport van Deloitte, heeft verdachte erkend gelden te hebben overgemaakt van de rekening van zijn werkgever naar zijn eigen bankrekeningen, naar die van zijn broer en diens echtgenote, naar zijn eigen en/of rekening met zijn (inmiddels ex-) echtgenote, naar bankrekeningen van medeverdachte [medeverdachte] en naar een en/of rekening van verdachte met medeverdachte [medeverdachte]. Hoewel de exacte hoogte van de onttrokken bedragen verdachte niet meer bijstaat, heeft verdachte verklaard dat het totaalbedrag van de onttrekkingen loopt in de miljoenen. Ook heeft verdachte erkend dat hij heeft gehandeld bij bovenomschreven onttrekkingen zoals in het rapport van Deloitte is gerelateerd, met dien verstande dat hij kort gezegd de betalingen/overschrijvingen codeerde, zogenoemde code-betalingen, en op diverse wijzen wegwerkte in de financiële administratie zonder een deugdelijk controlespoor, zodat deze niet direct tot verdachte te herleiden waren. Geconfronteerd met de overigens in eerder genoemde tabel 5 vermelde discutabele betalingen, als zodanig benoemd om reden dat hier mogelijk sprake was van onterechte betalingen aan derden, heeft verdachte eveneens erkend dat hij betalingen/overschrijvingen heeft verricht aan derden, niet zijnde personen of bedrijven die een (zakelijke) relatie onderhielden met verdachtes werkgever [bedrijf 1]. Ook ten aanzien hiervan staat verdachte de hoogte van de bedragen niet meer bij. Hij heeft dit alles alleen gedaan.5

Voor wat betreft de onttrekkingen door overschrijvingen op voornoemde bankrekeningen ten gunste en op naam van verdachte en/of zijn familieleden en/of zijn medeverdachte gaat de rechtbank uit van de juistheid van de in genoemde tabel 5 op pagina 31 in het rapport van Deloitte vermelde bedragen, met een totaalomvang van € 1.405.418,-. Gelet op verdachtes erkenning omtrent de handelswijze bij de onttrekkingen door gebruikmaking van codebetalingen, rekent de rechtbank ook de bedragen als in tabel 5 genoemd bij “bankspecificatie ontbreekt” tot genoemd bedrag aan onttrekkingen.

De totale omvang van de onttrekkingen door betalingen aan derden ten gunste van verdachte of medeverdachte [medeverdachte] als berekend in het rapport van Deloitte, betwist verdachte.

In het dossier van de politie bevindt zich een Excel-overzicht waarop diverse begunstigden en bedragen staan vermeld onder de kopjes “betalingen aan derden ten gunste van [verdachte]”, “betalingen aan derden ten gunste van [medeverdachte]” en “nader onderzoek”.6 Dit overzicht vindt zijn oorsprong in het rapport van Deloitte, maar een nadere onderbouwing van het hoe en waarom verdachte en/of [medeverdachte] met betalingen aan deze derden ten nadele van verdachtes werkgever [bedrijf 1] zouden zijn begunstigd, ontbreekt met uitzondering van de drie grootste begunstigden. Immers, naar die begunstigden is blijkens het rapport van Deloitte nader onderzoek ingesteld; het ging bij deze drie begunstigden steeds om bedragen van meer dan € 100.000,-. Verdachte heeft ten aanzien van deze drie begunstigden bevestigd dat voor zover sprake is van betalingen aan deze derden, dit inderdaad bedrijfsvreemde betalingen betreffen aan derden, niet zijnde relaties van verdachtes werkgever [bedrijf 1].7 Ter zitting heeft verdachte daarop nog aangevuld dat de post/begunstigde “[bedrijf 2]” in tegenstelling tot zijn eerdere verklaring, wel een post betreft waarbij geld is overgemaakt ten gunste van hem, aan [bedrijf 2], samenhangend met [naam 1], en ten nadele van zijn werkgever.8 De rechtbank stelt op basis van de onderzoeksresultaten als neergelegd in de balken 1, 2 en 3 in tabel 7 op pagina 35 in het rapport van Deloitte vast dat het daarbij gaat om de volgende bedragen:

  • -

    in totaal aan [bedrijf 3] een bedrag van € 527.482,-,

  • -

    in totaal aan [naam 1] /[bedrijf 2] een bedrag van € 489.472,-, en

  • -

    in totaal aan [naam 2] een bedrag van € 162.096,-.

De rechtbank gaat uit van de juistheid van deze bedragen, hetgeen voor wat betreft betalingen aan deze derden uitkomt op een totaalbedrag van € 1.179.050,-.

Met de overige derden die betalingen zouden hebben ontvangen ten gunste van verdachte of medeverdachte [medeverdachte] als vermeld in het Exel-overzicht, is verdachte geconfronteerd door de politie met de vraag of hij kon aangeven welke personen als vermeld in het overzicht onterechte betalingen hebben ontvangen en welke niet. Verdachte heeft ten aanzien van een aantal van de in het Exel-overzicht genoemde derden verklaard dat er al dan niet sprake is geweest van onterechte betalingen aan deze derden, met als gevolg dat bij onterechte betalingen zijn werkgever [bedrijf 1] werd benadeeld. Verdachte stelt evenwel dat een groot aantal derden als vermeld op het overzicht geen onterechte door hem gedane betalingen betreffen.9 Gelet op het gegeven dat een nadere onderbouwing van de in het Exel-overzicht genoemde derden en bedragen (anders dan ten aanzien van de drie grootste begunstigden als vorenoverwogen) ontbreekt, kan de rechtbank in deze strafzaak niet buiten enige gerede twijfel vaststellen of deze juist of onjuist zijn en of deze al dan niet voor rekening van verdachte dienen te komen.

Dit betekent dat in het voordeel van verdachte niet het genoemde bedrag in de tenlastelegging zal worden bewezen, maar dat de rechtbank zal bewijzen - gelet op al het vorenstaande - dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het zich wederrechtelijk toe-eigenen, het verduisteren, van enig geldbedrag in dienstbetrekking.

Feit 2

Verdachte heeft met het onder feit 1 verduisterde geld van zijn werkgever en in die genoemde periode jarenlang diverse giften gedaan, spullen gekocht,10 en zichzelf en zijn medeverdachte [medeverdachte] (verder te noemen: [medeverdachte]) onderhouden.11 Verdachte bekent dat ook ter terechtzitting, maar zegt daarbij dat het ook voor een deel zijn eigen geld is geweest. Het onterechte geld was gemengd met zijn eigen geld.12 Dit laatste doet naar het oordeel van de rechtbank echter niets af aan het gegeven dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen. Verdachte heeft jarenlang geldbedragen waarvan hij wist dat deze hem niet toebehoorden gebruikt voor zijn eigen doeleinden.

De rechtbank overweegt dat ook [medeverdachte] daarbij een rol heeft gespeeld. Verdachte liet haar op haar naam percelen kopen in Suriname13, gaf haar dure cadeaus (waaronder een nieuwe auto), boekte reizen14, en voorzag in haar levensonderhoud.15 [medeverdachte] verklaart dat zij onder meer geld, een nieuwe auto, te weten een Suzuki Vitara, benzine, reizen naar Suriname, een tv, laptops en kleding van verdachte heeft gekregen. Ook verklaart zij percelen in Suriname te hebben gekocht en op haar naam bankrekeningen te hebben geopend voor verdachte.16 [medeverdachte] geeft aan dat zij jarenlang heeft geprofiteerd.17

[medeverdachte] verklaart echter dat zij niet wist dat verdachte dit alles heeft gefinancierd met ontvreemd geld van hun toenmalige gezamenlijke werkgever. Zij heeft nooit ergens naar gevraagd en vertrouwde verdachte volledig. De rechtbank is evenwel van oordeel dat deze verklaring – wat er van de geloofwaardigheid daarvan verder ook zij – [medeverdachte] niet disculpeert. Jarenlang heeft [medeverdachte] geschenken, waaronder dure cadeaus zoals een gloednieuwe auto, geld en reizen, van verdachte ontvangen. Ook heeft zij blindelings stukken voor hem ondertekend met betrekking tot de aankoop van verschillende percelen in Suriname en bankrekeningen geopend. Onder deze omstandigheden had het op haar weg gelegen om nadere vragen aan verdachte te stellen met betrekking tot de wijze waarop dergelijke uitgaven konden worden gefinancierd. Het volstaan met het antwoord van verdachte dat hij alles kon financieren als gevolg van het winnen van de loterij en het ontvangen van een erfenis, moet onder de gegeven omstandigheden als volstrekt onvoldoende worden beschouwd. Ieder redelijk gemiddeld weldenkend mens had immers kunnen en moeten vermoeden dat een en ander een niet legale achtergrond heeft gehad. Door geen nader onderzoek te doen, maar welbewust jarenlang haar ogen te sluiten, moet zij naar het oordeel van de rechtbank geacht worden willens en wetens de aanmerkelijke kans te hebben aanvaard dat zij zich mede schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Contra-indicaties die tot een ander oordeel zouden moeten leiden zijn er naar het oordeel van de rechtbank niet. Gelet daarop, alsmede gelet op het aantal van de bewezen verklaarde handelingen en de tijdsduur waarover het ten laste gelegde zich heeft afgespeeld, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich tezamen en in vereniging met [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1.

op tijdstippen in de periode van 1 februari 2005 tot en met 14 oktober 2011 in Nederland

telkens opzettelijk geldbedragen, toebehorende aan het bedrijf [bedrijf 1], en welke geldbedragen verdachte telkens uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

2.

in de periode van 1 februari 2005 tot en met 14 oktober 2011 in Nederland en/of in

Suriname, tezamen en in vereniging met een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededader op tijdstippen in genoemde periode voorwerpen, te weten enig geldbedrag, verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, zulks terwijl hij en zijn mededader wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist ten aanzien van de feiten 1 en 2 een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, met aftrek, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, met als bijzondere voorwaarde een verplicht reclasseringscontact.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging verzoekt de rechtbank om aan verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 2 een taakstraf op te leggen, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Een dergelijke straf doet naar het oordeel van de verdediging voldoende recht aan de situatie. Verdachte heeft van meet af aan openheid van zaken gegeven. De verdediging verzoekt de rechtbank om geen reclasseringstoezicht op te leggen, hoewel daartegen op zich geen bezwaar is.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking en aan medeplegen van gewoontewitwassen. De rechtbank acht het uiterst kwalijk dat verdachte jarenlang geldbedragen van zijn werkgever heeft verduisterd. Het uiteindelijk aan de werkgever onttrokken bedrag loopt maar liefst in de miljoenen. Verdachte heeft met dat geld jarenlang diverse uitgaven gedaan, spullen gekocht (onder andere voor zijn mededader), zichzelf en ook zijn mededader deels onderhouden. Verdachte heeft met zijn handelen zijn werkgever aanzienlijke financiële schade bezorgd. Hij heeft daarvoor totaal geen oog gehad. Verdachte heeft in ernstige mate het vertrouwen van zijn werkgever beschaamd. Voor dit gedrag kan geen enkel excuus dienen. Verdachte is op staande voet door zijn werkgever ontslagen.

Met betrekking tot het bewezenverklaarde gewoontewitwassen merkt de rechtbank op dat dit delict een ontwrichtende werking heeft op de reguliere economie, omdat investeringen worden gedaan met vermeend legaal geld. Daardoor wordt de integriteit van het financieel en economisch bestel ernstige schade toegebracht. Ook dit heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden om uit puur winstbejag de bewezenverklaarde feiten te plegen.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De raadsman heeft verzocht aan verdachte een taakstraf in combinatie met eventueel een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en heeft daarbij verwezen naar uitspraken, waarbij sprake zou zijn van soortgelijke verwijten. De rechtbank is echter van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf van na te melden duur. Een taakstraf zou geen recht doen aan de ernst van het bewezen verklaarde. De omstandigheid dat verdachte medewerking heeft verleend aan het onderzoek, doet daar niet aan af.

De rechtbank zal een lichtere gevangenisstraf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf, nu de rechtbank van oordeel is dat de gevangenisstraf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. De rechtbank ziet geen reden voor het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank acht het opleggen van een reclasseringstoezicht evenmin geïndiceerd, omdat - mede gelet op het rapport van de reclassering d.d. 3 mei 2012 - een toezicht door de reclassering geen meerwaarde oplevert.

De vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1] (feit 1).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert een gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te weten een bedrag van € 3.052.489,=, hoofdelijk voor het genoemde bedrag bij medeverdachte [medeverdachte], met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, subsidiair 365 dagen vervangende hechtenis, en voor het overige de niet ontvankelijk verklaring daarvan.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging verzoekt de rechtbank om de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren. Naar het oordeel van de verdediging is de vordering te ingewikkeld en te gecompliceerd voor een behandeling in het strafproces.

Beoordeling.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit onder 1 toegebrachte schade als vast komen te staan in deze strafzaak, een bedrag van

€ 2.524.468,- aan materiële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de vordering, nu niet is onderbouwd op welk eerder moment exact de schade is ontstaan.

De rechtbank overweegt dat voornoemd bedrag het totaalbedrag betreft van de in deze strafzaak voldoende onderbouwde en door verdachte onvoldoende betwiste bedragen van de door [bedrijf 1] gevorderde “verduisterde som”, verminderd met het reeds door de benadeelde terug ontvangen/door de civiele rechter toegewezen totaalbedrag van

€ 60.000,-, zoals de raadsman van de benadeelde partij ter terechtzitting heeft medegedeeld.

De opstelsom van de hiervoor genoemde bedragen (€ 1.405.418,- + € 1.179.050,-) minus de reeds ontvangen/toegewezen bedragen (in totaal € 60.000,-) leidt tot voornoemd bedrag.

Voor het meerdere zal de rechtbank de vordering niet ontvankelijk verklaren, omdat de vaststelling of het overige gedeelte van de vordering niettemin voor toewijzing aan de benadeelde partij vatbaar is nader moet worden onderzocht bij gebreke aan voldoende onderbouwing en betwisting bij de huidige stand van zaken en een dergelijk nader onderzoek – dat tot een schorsing van de behandeling van de zaak zou leiden – een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.

Voor wat betreft de gevorderde kosten “juridische bijstand” overweegt de rechtbank dat onder deze kosten ook kosten zijn begrepen die betrekking hebben op andere procedures dan de onderhavige. Nader zou moeten worden uitgezocht welke van de gevorderde kosten op deze strafprocedure zien en ook dat zou tot een schorsing van de behandeling van de strafzaak moeten leiden. De behandeling van deze gevorderde kosten levert aldus een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij voor dit gedeelte van de vordering niet ontvankelijk verklaren.

Voorts zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren voor de kosten “frauderapport Deloitte”. Het is niet duidelijk in hoeverre deze kosten redelijk en noodzakelijk zijn gemaakt voor het vaststellen van de door [bedrijf 1] geleden schade. Een onderbouwing daarvan ontbreekt. Het strafgeding wordt ook hier onevenredig belast bij een afwachting van deze nadere onderbouwing.

De benadeelde partij kan de onderdelen van de vordering die niet ontvankelijk zijn verklaard bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Voor een hoofdelijke veroordeling zijn geen termen, nu verdachte voor het onder 1 bewezen verklaarde niet voor medeplegen wordt veroordeeld en door het onder 2 bewezen verklaarde

geen rechtstreekse schade is toegebracht.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de vordering.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De vordering van de benadeelde partij[slachtoffer 2] ([bedrijf 3]) (feit 1).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie eist de niet ontvankelijk verklaring van de vordering van de benadeelde partij. Er is geen rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging verzoekt de rechtbank om de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren met dezelfde reden als de officier van justitie.

Beoordeling.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien geen sprake is van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade.

De rechtbank acht termen aanwezig de kosten van partijen als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering te compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

De vordering van de benadeelde partij[slachtoffer 1] (feit 1).

De rechtbank merkt op dat zich in het dossier ook een vordering van voornoemde benadeelde partij bevindt, maar dat daarop geen bedrag is ingevuld. Van een voeging van de benadeelde partij in de zin der wet is dan ook geen sprake, zodat de rechtbank niet gehouden is daarop een beslissing te geven.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 47, 57, 322, 420ter.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke

dienstbetrekking onder zich heeft

T.a.v. feit 2:

medeplegen van een gewoonte maken van witwassen

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

T.a.v. feit 1, feit 2:

- Gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1:

- Maatregel van schadevergoeding van EUR 2.524.468,- subsidiair 365 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf 1] van een bedrag van EUR 2.524.468,- (zegge: twee miljoen vijfhonderdvierentwintigduizend vierhonderdachtenzestig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de

indiening van de vordering.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij deels toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 1], van een bedrag van EUR 2.524.468,- (zegge: twee miljoen vijfhonderdvierentwintigduizend vierhonderdachtenzestig euro), te weten materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de

datum van de indiening van de vordering.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet

ontvankelijk is.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor

zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot

vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 1:

- Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij[slachtoffer 2] ([bedrijf 3]) in de vordering.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N.I.B.M. Buljevic, voorzitter,

mr. C.P.J. Scheele en mr. A.W.H. van Velzen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. B.J. van Vugt-Jansen, griffier,

en is uitgesproken op 4 april 2014.

mr. A.W.H. van Velzen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Brabant Noord, genummerd PL21ZO11021.

2 Proces-verbaal aangifte[slachtoffer 1] d.d. 13 oktober 2011 (p. 12-14)

3 Proces-verbaal verhoor aangever[slachtoffer 1] d.d. 8 november 2011 (p. 21-25)

4 Het rapport van Deloitte d.d. 5 juli 2012; voor zover hierna in overwegingen wordt verwezen naar pagina’s van dit rapport, moet de op die pagina weergegeven inhoud van het rapport, tot het bewijs gebezigd worden geacht.

5 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 21 maart 2014

6 Excel-sheet (p. 26-29)

7 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 24 april 2012 (p. 105-112) en verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 21 maart 2014.

8 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 21 maart 2014

9 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 24 april 2012 (p. 105-112)

10 Zie voetnoot 9

11 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 1 februari 2012 (p. 97-104)

12 Zie voetnoot 5

13 Zie voetnoot 11

14 Zie voetnoot 9

15 Zie voetnoot 11

16 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte] d.d. 30 januari 2012 (p. 121-130)

17 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte] d.d. 31 januari 2012 (p. 131-141)