Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:1598

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-04-2014
Datum publicatie
04-04-2014
Zaaknummer
01/849787-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte, assistente van de boekhouder, tevens zijn partner, wordt vrijgesproken van medeplegen van verduistering in dienstbetrekking omdat zij niet als heer en meester over het geld heeft kunnen beschikken en zij geen handelingen heeft verricht waardoor zij het geld zichzelf wederrechtelijk heeft toegeeigend.

Wel wordt verdachte veroordeeld voor het medeplegen van gewoontewitwassen. Zo heeft zij voor haar partner, die veroordeeld is voor de verduistering in dienstbetrekking, percelen grond gekocht en bankrekeningen geopend. Ook kreeg zij dure cadeaus.

Opgelegd wordt een taakstraf voor de duur van 240 uren met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/849787-11

Datum uitspraak: 04 april 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1961],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 maart 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 februari 2014.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2005 tot en met 14 oktober 2011 te Veghel en/of 's-Hertogenbosch en/of Schijndel, althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) geldbedrag(en) (in totaal 3.097.489 euro), in elk geval enig geldbedrag, dat (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan het bedrijf [bedrijf 1] en/of [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk(e) geldbedrag(en) verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) uit hoofde van zijn/hun persoonlijke

dienstbetrekking en/of zijn/hun beroep van/als financieel manager/administrateur en/of administratief medewerkster, in elk geval als medewerker van het bedrijf [bedrijf 1], in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art. 321 Wetboek van Strafrecht

art. 322 Wetboek van Strafrecht

Art 47 lid 1 ahf/sub1 Wetboek van Strafrecht

zij in of omstreeks de periode van 1 februari 2005 tot en met 14 oktober 2011, te Veghel en/of 's-Hertogenbosch en/of Schijndel, althans in Nederland en/of in Suriname,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt en/of zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen

immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) op één of meer

tijdstippen in genoemde periode van

één of meer geldbedrag(en), te weten in totaal 3.097.489 euro, althans enig geldbedrag en/of één of meer hoeveelhe(i)d(en) geld ten behoeve van -onder meer- de aanschaf en betaling van:

één of meer voorwerp(en), te weten -onder meer- kleding en/of een Suzuki Vitara en/of benzine en/of tickets naar Suriname en/of het verblijf in Suriname en/of percelen in Suriname en/of twee LCD-TV's en/of laptops de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing te verbergen en/of te verhullen, dan wel te verbergen of te verhullen wie de rechthebbende(n) op die/dat voorwerp(en) was/waren en/of een of meer van deze voorwerp(en) voorhanden te hebben

en/of

door een of meer voorwerp(en),

te weten -onder meer- kleding en/of een Suzuki Vitara en/of benzine en/of tickets naar Suriname en/of het verblijf in Suriname en/of percelen in Suriname en/of twee LCD-TV's en/of laptops en/of enig geldbedrag, te weten in totaal 3.097.489 euro, althans enig geldbedrag te verwerven, voorhanden te hebben en/of over te dragen en/of om te zetten en/of van dat/die voorwerpen gebruik te maken

zulks terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven;

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht.

Tengevolge van kennelijke schrijffouten in de tenlastelegging begaan staat meermalen vermeld “hij” in plaats van “zij” en “zijn” in plaats van “haar”, terwijl verdachte van het vrouwelijke geslacht is. De rechtbank herstelt deze schrijffouten en leest steeds het laatste in plaats van het eerste, zoals verbeterd weergegeven in de bewezenverklaring. Voor zover overigens in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze ook in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie baseert zich daarbij op de stukken in het dossier en het rapport “Rapport inzake de onttrekking van gelden”, opgemaakt ten behoeve van de directie van [bedrijf 1] en de directie en het bestuur van [bedrijf 2], door Deloitte Forensic & Dispute Services d.d. 5 juli 2012 (hierna door de rechtbank verder te noemen: “het rapport van Deloitte”). Voor het gebruik van het rapport van Deloitte in de onderhavige strafzaak is toestemming gegeven, aldus de officier van justitie ter terechtzitting. Volgens de officier van justitie had verdachte moeten weten dat haar medeverdachte [medeverdachte] geld van [bedrijf 1] verduisterde, dat zij dat geld mede voorhanden heeft gekregen en dat met dat geld allerlei zaken werden gefinancierd. Zij heeft jarenlang geen vragen gesteld en dat had zij wel moeten doen. Zij heeft meerdere keren op verzoek van de medeverdachte stukken ondertekend. Verdachte heeft zwaar geprofiteerd.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging bepleit de vrijspraak van verdachte van de feiten 1 en 2. Ten aanzien van feit 1 merkt de raadsvrouwe op dat verdachte nimmer de heerschappij over het geld heeft gehad en dat zij zich dit niet wederrechtelijk heeft toegeëigend. Verdachte heeft op geen enkele wijze zelf op girale wijze gelden onttrokken, zij had ook geen toegang tot de financiële systemen. Dat er cashgelden door verdachte zouden zijn onttrokken, blijkt evenmin. Van een bewuste en nauwe samenwerking is geen sprake. Haar medeverdachte heeft alleen gehandeld en heeft verdachte gebruikt. Ten aanzien van feit 2 merkt de raadsvrouwe op dat verdachte niet wist dat haar medeverdachte geld aan hun werkgever had onttrokken en dat zij niet wist - ook niet in voorwaardelijke zin - dat daarmee alles door de medeverdachte werd gefinancierd. Verdachte was goed van vertrouwen en geloofde alles wat medeverdachte haar zei. Zij was verliefd.

Het oordeel van de rechtbank.1

Feit 1

De heer [slachtoffer 1] van [bedrijf 1] in Veghel doet aangifte van verduistering van geld door hun boekhouder [medeverdachte]. Op 12 oktober 2011 is de fraude binnen het bedrijf ontdekt.2 De heer [medeverdachte] is in februari 2005 bij het bedrijf in dienst gekomen. Verdachte was zijn assistente. [medeverdachte] en verdachte waren verantwoordelijk voor de administratie van het bedrijf tot oktober 2011. [medeverdachte] was de enige die de betalingen deed. Het bedrijf heeft accountantskantoor Deloitte de omvang van de verduistering en de schade van het bedrijf laten onderzoeken.3 Het rapport van Deloitte maakt onderdeel uit van het dossier.4 Medeverdachte [medeverdachte] (verder te noemen: [medeverdachte]) bekent het feit te hebben gepleegd. Hij heeft jarenlang in zijn functie als boekhouder wederrechtelijk geldbedragen van zijn werkgever onttrokken en zich toegeëigend. In zeven jaren heeft hij veel geld uit het bedrijf gehaald.5 Hij heeft dat alleen gedaan.6

De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat uit de stukken in het dossier niet is gebleken van enige uitvoeringshandeling door verdachte met betrekking tot het delict verduistering in dienstbetrekking. In dat verband verdient het opmerking dat verdachte niet - ook niet uit hoofde van haar functie – als heer en meester heeft kunnen beschikken over het bij haar werkgever onttrokken geld en dat zij met betrekking tot dat geld geen handelingen heeft verricht waardoor zij dat geld zichzelf wederrechtelijk heeft toegeëigend. De vraag of zij niettemin via de band van het medeplegen strafrechtelijk medeverantwoordelijk kan worden gehouden voor de door [medeverdachte] gepleegde verduistering in dienstbetrekking, beantwoordt de rechtbank ontkennend. Het ontbreekt aan wettig bewijs waaruit kan worden afgeleid dat zij het delict tezamen en in vereniging met [medeverdachte] heeft gepleegd. Van een nauwe en bewuste samenwerking bij die verduistering is namelijk niet gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte samen met [medeverdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking, zodat zij daarvan wordt vrijgesproken.

Feit 2

[medeverdachte] heeft met het onder feit 1 verduisterde geld van zijn werkgever en in die genoemde periode jarenlang diverse giften gedaan, spullen gekocht,7 zichzelf en verdachte onderhouden.8 [medeverdachte] heeft zich daardoor schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Hij heeft jarenlang geldbedragen waarvan hij wist dat deze hem niet toebehoorden, gebruikt voor zijn eigen doeleinden.

De rechtbank overweegt dat ook verdachte daarbij een rol heeft gespeeld. [medeverdachte] liet haar op haar naam percelen kopen in Suriname9, gaf haar dure cadeaus (waaronder een nieuwe auto), boekte reizen10, en voorzag in haar levensonderhoud.11 Verdachte verklaart dat zij onder meer geld, een nieuwe auto, te weten een Suzuki Vitara, benzine, reizen naar Suriname, een tv, laptops en kleding van [medeverdachte] heeft gekregen. Ook verklaart zij percelen in Suriname te hebben gekocht en op haar naam bankrekeningen te hebben geopend voor [medeverdachte].12 Ter terechtzitting herhaalt zij dat nog een keer.13 Verdachte geeft aan dat zij jarenlang heeft geprofiteerd.14

Verdachte verklaart echter dat zij niet wist dat [medeverdachte] dit alles heeft gefinancierd met ontvreemd geld van hun toenmalige gezamenlijke werkgever. Zij heeft nooit ergens naar gevraagd en vertrouwde verdachte volledig. De rechtbank is evenwel van oordeel dat deze verklaring - wat er van de geloofwaardigheid daarvan verder ook zij - de verdachte niet disculpeert. Jarenlang heeft verdachte geschenken, waaronder dure cadeaus zoals een gloednieuwe auto, geld en reizen, van [medeverdachte] ontvangen. Ook heeft zij blindelings stukken voor hem ondertekend met betrekking tot de aankoop van verschillende percelen in Suriname en bankrekeningen geopend. Onder deze omstandigheden had het op haar weg gelegen om nadere vragen aan [medeverdachte] te stellen met betrekking tot de wijze waarop dergelijke uitgaven konden worden gefinancierd. Het - aldus verdachtes verklaring - volstaan met het antwoord van [medeverdachte] dat hij alles kon financieren als gevolg van het winnen van de loterij en het ontvangen van een erfenis, moet onder de gegeven omstandigheden als volstrekt onvoldoende worden beschouwd. Ieder redelijk gemiddeld weldenkend mens had immers kunnen en moeten vermoeden dat een en ander een niet legale achtergrond heeft gehad. Door geen nader onderzoek te doen, maar welbewust jarenlang haar ogen te sluiten, moet zij naar het oordeel van de rechtbank geacht worden willens en wetens de aanmerkelijke kans te hebben aanvaard dat zij zich mede schuldig maakte aan witwassen. Contra-indicaties die tot een ander oordeel zouden moeten leiden zijn er naar het oordeel van de rechtbank niet. Gelet daarop, alsmede gelet op het aantal van de bewezen verklaarde handelingen en de tijdsduur waarover het ten laste gelegde zich heeft afgespeeld, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich tezamen en in vereniging met [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte ten aanzien van feit 2:

in de periode van 1 februari 2005 tot en met 14 oktober 2011 in Nederland en/of in

Suriname, tezamen en in vereniging met een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben verdachte en haar mededader op tijdstippen in genoemde periode voorwerpen, te weten enig geldbedrag, verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, zulks terwijl zij en haar mededader wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist ten aanzien van de feiten 1 en 2 een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging bepleit de vrijspraak van verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 2.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen. Gewoontewitwassen heeft een ontwrichtende werking op de reguliere economie, omdat investeringen worden gedaan met vermeend legaal geld. Daardoor wordt de integriteit van het financieel en economisch bestel ernstige schade toegebracht.

De rechtbank acht het uiterst kwalijk dat verdachte jarenlang heeft geprofiteerd van uit misdrijf afkomstige gelden en/of goederen. De rechtbank weegt mee dat verdachte weliswaar is aangeduid als medepleger bij het gewoontewitwassen, maar dat zij bij de uitvoering van het delict een ondergeschikte rol heeft gehad.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank de verdachte vrijspreekt van feit 1 en zij van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt .

De rechtbank zal verdachte geen gevangenisstraf, maar wel het maximaal aantal uren aan taakstraf opleggen. De rechtbank ziet geen reden voor het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank acht het opleggen van een reclasseringstoezicht - mede gelet op het rapport van de reclassering d.d. 25 april 2012 - evenmin geïndiceerd.

De vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1] (feit 1).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert een gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te weten een bedrag van € 136.028,=, hoofdelijk voor het genoemde bedrag, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, subsidiair 365 dagen vervangende hechtenis, en voor het overige de niet ontvankelijk verklaring daarvan.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging verzoekt de rechtbank om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen dan wel niet ontvankelijk te verklaren. Naar het oordeel van de verdediging is de vordering te ingewikkeld en te gecompliceerd voor een behandeling in het strafproces.

Beoordeling.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van rechtstreekse schade toegebracht door het bewezen verklaarde onder 2, zodat de gestelde schade niet voor vergoeding in aanmerking kan komen.

De rechtbank acht termen aanwezig de kosten van partijen als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering te compenseren, aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ([bedrijf 3]) (feit 1).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie eist de niet ontvankelijk verklaring van de vordering van de benadeelde partij. Er is geen rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging verzoekt de rechtbank om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen dan wel niet ontvankelijk te verklaren met dezelfde reden als de officier van justitie.

Beoordeling.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien geen sprake is van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade.

De rechtbank acht termen aanwezig de kosten van partijen als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering te compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1).

De rechtbank merkt op dat zich in het dossier ook een vordering van voornoemde benadeelde partij bevindt, maar dat daarop geen bedrag is ingevuld. Van een voeging van de benadeelde partij in de zin der wet is dan ook geen sprake, zodat de rechtbank niet gehouden is daarop een beslissing te geven.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 22c, 22d, 27, 47, 420ter.

DE UITSPRAAK

T.a.v. feit 1:

- Vrijspraak.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart het onder feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

T.a.v. feit 2:

medeplegen van een gewoonte maken van witwassen

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 2:

- Taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek

overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank waardeert een in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.

Vorderingen benadeelde partijen (feit 1):

- Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [bedrijf 1] in de vordering.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

- Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ([bedrijf 3]) in de vordering.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N.I.B.M. Buljevic, voorzitter,

mr. C.P.J. Scheele en mr. A.W.H. van Velzen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. B.J. van Vugt-Jansen, griffier,

en is uitgesproken op 4 april 2014.

mr. A.W.H. van Velzen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Brabant Noord, genummerd PL21ZO11021.

2 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 1] d.d. 13 oktober 2011 (p. 12-14)

3 Proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer 1] d.d. 8 november 2011 (p. 21-25)

4 Rapport Deloitte d.d. 5 juli 2012

5 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte] d.d. 30 januari 2012 (p. 90-96)

6 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte] d.d. 1 februari 2012 (p. 97-104)

7 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte] d.d. 24 april 2012 (p. 105-112)

8 Zie voetnoot 6

9 Zie voetnoot 6

10 Zie voetnoot 7

11 Zie voetnoot 6

12 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 30 januari 2012 (p. 121-130)

13 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 21 maart 2014

14 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 31 januari 2012 (p. 131-141)