Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:1584

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
03-04-2014
Zaaknummer
HA ZA 13-46
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/257583 / HA ZA 13-46

Vonnis van 19 februari 2014

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. H.M.J. van Boxtel te Eindhoven,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. H.A.M.J. Loeffen te Geldrop.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 12 juni 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 9 september 2013

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiseres] vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding ad € 279.602,34, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de data van de respectieve betalingen op de bankrekening van [gedaagde], althans vanaf 29 november 2005, tot aan de dag van volledige betaling, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

2.2.

[eiseres] legt – zakelijk weergegeven – het volgende aan haar vordering ten grondslag.

[eiseres] heeft op 30 juni 1993 van haar grootouders [grootouders] een bedrag van hfl. 500.000,-- (€ 226.890,00) geschonken gekregen in de vorm van 500 volgestorte aandelen van hfl.1.000,-- in een Antiliaanse beleggings N.V., genaamd Vebeses Company N.V., nader te noemen Vebeses. De schenking is verricht onder bewind van de heer [grootvader], de grootvader van [eiseres]. [gedaagde], de vader van [eiseres], is benoemd tot bestuurder van Vebeses. In overleg met de accountant van Vebeses werd medio 2001 besloten Vebeses te ontbinden en te liquideren. De liquidatie trad in met ingang van 18 december 2001. [gedaagde] heeft tussen december 2001 en januari 2006 een deel van het vermogen van [eiseres] van € 63.016,21 naar diens eigen bankrekening overgeschreven. [gedaagde] heeft het restant van het aandelenvermogen van € 216.586,13 tussen 5 mei 2005 en 17 december 2005, na verkoop van de effecten waaruit het vermogen bestond, op de door hem voor [eiseres] geopende effectenrekening met nummer [rekeningnummer] overgemaakt. Vervolgens heeft [gedaagde] voormeld bedrag op 19 december 2005 doorbetaald aan zichzelf via overschrijving daarvan op zijn bankrekening met nummer [rekeningnummer]. In totaal heeft [gedaagde] een bedrag van € 279.602,34 van de bankrekeningen van Vebeses en van [eiseres] overgemaakt naar zijn eigen bankrekening. [gedaagde] heeft tot op heden geweigerd de door hem van de bankrekening van [eiseres] naar zijn eigen rekening overgeboekte bedragen aan [eiseres] terug te betalen en handelt aldus in zijn hoedanigheid van ouder en zaakwaarnemer onrechtmatig jegens [eiseres], althans pleegt hij als zaakwaarnemer wanprestatie jegens [eiseres], ten gevolge waarvan [eiseres] schade lijdt tot een bedrag van € 279.602,34 exclusief rente.

[eiseres] heeft tevens een vordering ad € 279.602,32 exclusief rente op [gedaagde] op grond van ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagde] ten koste van [eiseres].

2.3.

[gedaagde] voert – zakelijk weergegeven – het volgende verweer.

[gedaagde] is geen bestuurder van Vebeses geweest en heeft met het besturen van Vebeses ook feitelijk geen bemoeienis gehad. Evenmin heeft [gedaagde] bemoeienis gehad met de liquidatie van Vebeses. Curab N.V. trad op als vereffenaar. Vebeses heeft op 5 februari 2001 hfl.12.000,-- (€ 5.445.36) overgemaakt naar de rekening van [gedaagde]. Waarom dit is gebeurd, weet [gedaagde] niet meer. Tijdens de periode van liquidatie van 18 december 2001 tot 2 september 2003 is op 20 november 2002 van de rekening van Vebeses € 5.200,-- overgemaakt naar een rekening van [gedaagde]. [gedaagde] vermoedt dat dit bedrag is overgemaakt door Curab N.V. Hetzelfde geldt voor de overmaking van een bedrag van

€ 40.700,-- op 19 november 2002. Het resterende saldo van de rekening van Vebeses ad

€ 377,85 is na de liquidatie in januari 2004 overgemaakt naar de rekening van [gedaagde]. [gedaagde] heeft niet zelf opdracht gegeven voor overboeking van voormelde bedragen naar zijn rekening. Deze bedragen zijn niet aan [gedaagde] betaald met de opdracht of de bedoeling om deze ten behoeve van [eiseres] te beheren. Dat het geld voor [eiseres] bestemd was, staat niet vast.

Op 9 mei 2005 en 6 oktober 2005 zijn er bedragen van € 15.000,-- en € 9.000,-- overgeboekt van de rekening van [eiseres] naar de rekening van [gedaagde]. Dit was ter dekking van kosten in verband met een voor [eiseres] gekochte auto en nota’s van de accountant in verband met werkzaamheden ten behoeve van Vebeses. [gedaagde] had een en ander uit eigen middelen betaald.

Omstreeks oktober/november 2005 heeft [eiseres] enkele keren met [gedaagde] besproken dat zij de schenking van haar grootouders niet wilde behouden, maar aan haar vader, [gedaagde], wilde laten, dan wel aan hem wilde schenken, met name omdat zij bevreesd was dat haar moeder zou proberen het geld in handen te krijgen teneinde daarmee haar extreme uitgavenpatroon te kunnen bekostigen. [gedaagde] heeft deze wens van [eiseres] met zijn vader, [grootvader], besproken en hij vermoedt dat zijn vader de effecten van [eiseres] heeft verkocht en vervolgens de verkoopopbrengst heeft laten overboeken naar de rekening van [gedaagde]. [gedaagde] heeft de schenking van zijn dochter aanvaard.

Ook indien geen sprake zou zijn geweest van schenking kan de vordering van [eiseres] niet slagen, nu deze inmiddels is verjaard. [eiseres] had reeds in december 2005 kunnen en moeten beseffen dat er iets niet in de haak was toen uit haar bankafschriften bleek dat een bedrag van € 216.586,13 van haar rekening was verdwenen. In januari 2006 is de schenking van [eiseres] aan [gedaagde] nogmaals uitdrukkelijk besproken. Als [eiseres] het met die schenking niet eens was, had zij in ieder geval vanaf dat moment de wetenschap dat zij het geld niet zou terugkrijgen en om terugbetaling kunnen vragen.

Voor zover [gedaagde] gehouden zou zijn enig bedrag aan [eiseres] te betalen, kan die verplichting slechts voortvloeien uit een tekort schieten in de uitvoering van zaakwaarneming. [gedaagde] heeft echter nooit de bedoeling gehad om als zaakwaarnemer voor [eiseres] te fungeren. Om het geld te beheren, behoefde dit niet naar de rekening van [gedaagde] te worden overgeboekt.

Voor aanspraak op rente is verzuim noodzakelijk. Scheefhals is voor het eerst op 8 mei 2012 in gebreke gesteld met het verzoek binnen 14 dagen te betalen. Derhalve kan de wettelijke rente pas verschuldigd zijn vanaf 23 mei 2012.

2.4.

Met betrekking tot het door [gedaagde] gedane beroep op verjaring heeft [eiseres] het volgende aangevoerd.

[eiseres] heeft nimmer enige bemoeienis met het aan haar door haar grootouders [grootouders] geschonken vermogen gehad. Haar werd medio 2005 door haar ouders verteld dat zij geld van haar grootouders geschonken had gekregen en dat zij er conform de schenkingsakte eerst in 2010 over mocht beschikken. [eiseres] heeft er op geen enkele manier rekening mee hoeven houden dat haar vader, [gedaagde], het haar toebehorende geld dat met haar toestemming op 19 december 2005 van haar bankrekening was overgeschreven naar de bankrekening van [gedaagde] niet zou teruggeven of dat [gedaagde] zich op verjaring zou beroepen. Zulks geldt met name nu het vaker voorkwam dat geld dat haar of haar broer toebehoorde op de rekening van vader of moeder [gedaagde] werd gestort.

3 De beoordeling

3.1.

Deze rechtbank is bevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen op grond van artikel 2 lid 1 van de EEX-verordening nu gedaagde, [gedaagde], woonachtig is in Nederland, binnen het rechtsgebied van deze rechtbank.

3.2.

[eiseres] heeft gesteld dat [gedaagde] als zaakwaarnemer wanprestatie heeft gepleegd, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld, omdat hij zich – kort gezegd – het uit Vebeses komende vermogen van [eiseres] van € 279.602,34 heeft toegeëigend. Daardoor is [gedaagde] ook ongerechtvaardigd verrijkt, aldus [eiseres]. Bij de beoordeling hiervan neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden als uitgangspunt. [gedaagde] kon als wettelijk vertegenwoordiger van [eiseres] uit hoofde van het bepaalde onder B lid 4 onder iv van de schenkingsakte (productie 1 bij dagvaarding) in ieder geval tot de meerderjarigheid van [eiseres] (geboren op 7 augustus 1985) over de oorspronkelijke schenking in aandelen van Vebeses, een vennootschap naar Antilliaans recht, beschikken. De schenking is gedaan door [grootvader], ingezetene van Curaçao, de plaats waar ook de schenkingsakte is opgemaakt. Op deze schenking en het beschikken van [gedaagde] over het geschonkene is gedurende de minderjarigheid van [eiseres] daarom Antilliaans recht van toepassing. Vast staat dat [gedaagde] het beheer hiervan na de meerderjarigheid van [eiseres] (feitelijk) heeft voortgezet. Dit betekent dat de gestelde (tekortkomingen in de) zaakwaarneming, de onrechtmatige daad en de ongerechtvaardigde verrijking ten aanzien van het vermogen van [eiseres] voortvloeien uit de eerder tussen partijen bestaande betrekking, te weten de schenking(sakte) en het beheer dat [gedaagde] over het geschonkene uit dien hoofde gedurende de minderjarigheid van [eiseres] heeft gehad. De rechtbank leidt hieruit af dat deze gestelde grondslagen dan ook een nauwe band hebben met Curaçao en dat Antilliaans recht dus ook hierop van toepassing is. Deze regel vindt men in de vanaf 11 januari 2009 in werking getreden Rome II verordening voor zaakwaarneming, onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking in respectievelijk artikel 11, lid 1, artikel 4 lid 3 en artikel 10, lid 1.

3.3.

Voor zover de schadeveroorzakende feiten en omstandigheden die [eiseres] heeft gesteld zich hebben voor gedaan vóór de inwerkingtreding van de Rome II verordening, overweegt de rechtbank als volgt. Nu als onweersproken vast staat dat [gedaagde] ten tijde van het beheer van het uit Vebeses afkomstige effectenvermogen in deze periode (in ieder geval deels) in België heeft gewoond, terwijl het effectendepot voor [eiseres] werd gehouden bij een Nederlandse bank, kan de rechtbank niet vaststellen waar de gestelde zaakwaarneming heeft plaatsgevonden. Gelet op de in dit kader eerder tussen partijen bestaande rechtsverhouding acht de rechtbank de gestelde zaakwaarneming het nauwst verbonden met de rechtssfeer van de Nederlandse Antillen. Ten aanzien van de gestelde onrechtmatige daad is de regel van een (al eerder) bestaande rechtsverhouding expliciet neergelegd in artikel 5 van de voor de inwerkingtreding van de Rome II verordening toepasselijke Wet Conflictenrecht Onrechtmatige Daad (WCOD). De rechtbank ziet – bij gebreke aan een op dit punt toepasselijke wetsbepaling – voorts aanleiding om ook voor de (meer) subsidiaire gestelde onrechtvaardigde verrijking op dezelfde wijze te kiezen voor accessoire aanknoping. Samenvattend betekent dit dat de rechtbank op dit (gehele) geschil Antilliaans recht zal toepassen, zoals dit gold ten tijde van de gestelde feiten. Voor procedurele beslissingen in deze zaak zal de rechtbank voorts het lex-fori, Nederlands recht, toepassen.

3.4.

[eiseres] heeft gesteld dat [gedaagde] wanprestatie heeft gepleegd in de nakoming van de op hem rustende verbintenissen uit zaakwaarneming door bedragen van in totaal € 279.602,34 op zijn eigen rekening te (doen) overschrijven. Vast staat dat deze overschrijvingen hebben plaatsgevonden. De rechtbank stelt voorop dat [gedaagde] in beginsel tekort schiet in de op hem uit hoofde van artikel 6:199 ABW rustende zorgplicht voor de effectenportefeuille van [eiseres] in geval hij zich (het batig saldo na verkoop van) de effectenportefeuille zonder toestemming van [eiseres] heeft toegeëigend.

3.5.

[gedaagde] heeft ten aanzien van het bedrag van € 216.586,13 echter gesteld dat [eiseres] hem dit heeft geschonken, wat [eiseres] op haar beurt gemotiveerd heeft betwist. Gelet op het bevrijdende karakter van dit verweer rust op [gedaagde] conform de hoofdregel van artikel 150 Rv. de bewijslast van deze stelling. De rechtbank overweegt daarbij dat het vaststaande feit dat [eiseres] middels het ondertekenen van de betalingsopdracht toestemming heeft gegeven tot het overboeken van het resterende saldo van haar effectenrekening naar de rekening van [gedaagde] hiervan geen (dwingend) bewijs oplevert, nu hieruit niet blijkt van de wil van [eiseres] om de effectenportefeuille aan [gedaagde] op de voet van artikel 7A:1685 ABW te schenken, doch slechts van de wil tot het effectueren van de overboeking an sich. Nu [gedaagde] te kennen heeft gegeven voormeld bewijs niet te kunnen leveren en heeft afgezien van het leveren van bewijs is deze schenking niet vast komen te staan. Dit betekent dat [gedaagde] jegens [eiseres] tekort is gekomen in voormelde zin door de van de rekening van [eiseres] afkomstige op zijn rekening gestorte bedragen niet terug te betalen. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:199 ABW diende [gedaagde] bij de zaakwaarneming de nodige zorg te betrachten.

3.6.

[gedaagde] kan zich er niet met succes op beroepen dat hij, naar hij stelt, de bedragen van hfl. 12.000,--, € 5.200,-- en € 40.700,-- niet zelf van de rekening Vebeses heeft overgeboekt naar zijn eigen rekening en dat derhalve niet zeker is of deze bedragen niet aan hem toekwamen. Immers, [gedaagde] moet uit het feit dat de bedragen afkomstig waren van Vebeses, de vennootschap waarin het aan zijn dochter geschonken vermogen was ondergebracht, hebben begrepen dat de op zijn rekening gestorte bedragen deel uit maakten van het aan zijn dochter geschonken vermogen en dat hij deze bedragen derhalve als wettelijk vertegenwoordiger voor [eiseres] diende te beheren. De rechtbank tekent hier bij aan dat niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] ten tijde van genoemde overboekingen redenen had om te veronderstellen dat de diverse bedragen niet aan zijn dochter, maar aan hem toekwamen.

3.7.

Evenmin kan [gedaagde] zich er op beroepen dat hij niet de bedoeling heeft gehad om als zaakwaarnemer voor [eiseres] op te treden. Door de op zijn bankrekeningen gestorte bedragen zonder protest in ontvangst te nemen en niet terug te storten op de rekening van Vebeses en/of [eiseres] heeft [gedaagde] zijn taak als zaakwaarnemer in de zin van artikel 6:198 ABW en de daarmee samenhangende rechten en plichten (stilzwijgend) aanvaard. Genoegzaam is komen vast te staan dat [gedaagde] zich willens en wetens en op redelijke grond ([eiseres] is zijn dochter) heeft ingelaten met de behartiging van de belangen van [eiseres], zonder de bevoegdheid daartoe aan een rechtshandeling of een elders in de wet geregelde rechtsverhouding te ontlenen (artikel 6: 198 ABW).

3.8.

Ook het door [gedaagde] gedane beroep op verjaring faalt. [gedaagde] stelt dat sprake is van verjaring nu [eiseres] reeds in december 2005 na overboeking van het bedrag van € 216.586,13 van haar rekening naar de rekening van [gedaagde] had kunnen en moeten begrijpen dat [gedaagde] het geld niet terug zou geven. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de enkele bekendheid - en instemming met de overboeking van het bedrag van € 216.586,13 naar de rekening van [gedaagde], zonder bijkomende feiten, welke niet zijn gesteld, niet met zich brengt dat [eiseres] moet hebben begrepen dat haar vader niet voornemens was dit bedrag voor haar te herbeleggen, maar bezig was zich dit geld toe te eigenen. Nu geen andere aanknopingspunten voor de start van verjaring is gesteld, dient het beroep op verjaring te worden verworpen.

3.9.

Met betrekking tot de door [gedaagde] erkende overboekingen van de rekening van [eiseres] naar de rekening van [gedaagde] van € 15.000,-- op 9 mei 2005 en € 9000,-- op 6 oktober 2005 overweegt de rechtbank als volgt. [eiseres] heeft niet betwist dat een bedrag van in totaal € 12.707,-- van het bedrag van €24.000,-- (€ 15.000,-- + € 9.000) aan [gedaagde] toekomt, omdat hij € 10.000,-- uit eigen middelen heeft voldaan voor de aankoop van een auto voor [eiseres] en € 2.709,-- uit eigen middelen heeft voldaan ter zake van ten laste van Vebeses komende accountantskosten. [gedaagde] stelt weliswaar dat hij het volledige bedrag van

€ 24.000,-- ten bate van [eiseres] heeft besteed, maar heeft daarbij tevens te kennen gegeven dat hij het resterende bedrag ad € 11.293,00 niet meer kan verantwoorden nu hij niet meer over administratieve bescheiden beschikt om deze kosten aan te tonen. Nu derhalve niet is komen vast te staan dat ook laatstgenoemd bedrag ten bate van [eiseres] is gekomen, dient [gedaagde] ook dit bedrag aan [eiseres] terug te betalen.

3.10.

Nu vast staat dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de uitvoering van zijn taak als zaakwaarnemer door de door hem van de rekening van [eiseres] naar zijn eigen rekening overgeboekte bedragen, behoudens de hem toekomende bedragen van € 10.000,-- en € 2.709,--, niet op verzoek van [eiseres] terug te betalen, zal van het door [eiseres] op voormelde grond gevorderde een bedrag van € 266.895,34 (€ 279.602,34 – € 12.707,--) worden toegewezen.

3.11.

[eiseres] heeft primair wettelijke rente gevorderd vanaf de datum van overboeking van de diverse bedragen. De vordering is toegewezen op de grondslag dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de uitvoering van zijn zaakwaarneming. Voor het vorderen van schadevergoeding en vervolgens wettelijke rente op die grondslag is het noodzakelijk dat [gedaagde] ten aanzien van de tekortkoming in verzuim is geraakt. Als onweersproken staat vast dat [gedaagde] voor het eerst bij brief van 8 mei 2012 in gebreke is gesteld met het verzoek binnen 14 dagen te betalen. De gevorderde wettelijke rente zal daarom worden toegewezen vanaf 23 mei 2012.

3.12.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

4 De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van

€ 266.895,34 (tweehonderdzesenzestig duizend achthonderdvijfennegentig euro en vierendertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 mei 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 5.568,79;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.L.A. Boer en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2014.