Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:1574

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-04-2014
Datum publicatie
17-04-2014
Zaaknummer
AWB-13_5541
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:1083, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Er is sprake van een van de toegedachte bestemming afwijkend gebruik, wat maakt dat de vestiging van een voorkeursrecht niet in strijd is met de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg).

Niet is voor de vestiging van een voorkeursrecht op landgoed Haarendael van belang dat de gemeente niet de intentie had om landgoed Haarendael te kopen. Voldoende is dat zich een situatie voordoet die tot onmiddellijk ingrijpen noodzaakt om de in de Wvg voorziene regiefunctie bij de verwezenlijking van het ruimtelijk beleid te waarborgen.

Uit de intentieovereenkomst kan niet worden afgeleid dat Stichting Cello (eiseres) het landgoed niet zonder toestemming van de gemeente mocht verkopen.

Omdat de intentieovereenkomst is aangegaan voor de periode tot uiterlijk 1 juli 2012 is het begrijpelijk dat eiseres zich niet langer gebonden zou achten aan in de intentieovereenkomst neergelegde afspraken. Onduidelijk is waaraan verweerder de verwachting ontleende dat eiseres zich, ook buiten deze overeenkomst om, gebonden zou achten aan de gemaakte afspraken en geen overeenkomsten zou sluiten zonder voorafgaande instemming van de gemeente. Niettemin heeft eiseres verweerder nog bijna een jaar na afloop van de geldigheidsduur van de overeenkomst betrokken bij de voorgenomen verkoop van Haarendael aan Vugts. Het kwalificeren van deze melding als het rauwelijks confronteren van verweerder met de voorgenomen verkoop geeft, gelet op de omstandigheden, geen pas.

De Wvg voorziet in de mogelijkheid om een voorkeursrecht te vestigen, zelfs als een perceel al is verkocht. Daarom is het besluit niet willekeurig.

Dat Vugts serieuze plannen heeft met landgoed Haarendael en hij heeft uitgesproken dat hij zich aan de structuurvisie zal houden, doet geen afbreuk aan de constatering op het moment van het vestigen van het voorkeursrecht, dat de plannen onvoldoende inzicht gaven over de verwezenlijking van de structuurvisie.

De overwegingen die verweerder aan de vestiging van het voorkeursrecht ten grondslag heeft gelegd, maken dat niet kan worden gezegd dat verweerder de hem op grond van de Wvg toekomende bevoegdheid heeft aangewend voor een ander doel dan de wet beoogt. Van détournement de pouvoir is dan ook geen sprake.

Het bezwaar van Vugts is terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij geen rechtstreeks belang heeft bij het besluit tot vestiging van het voorkeursrecht.

Wetsverwijzingen
Wet voorkeursrecht gemeenten, geldigheid: 2014-04-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/5541

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

(gemachtigde: mr. T.J.H.M. Linssen)

en

de raad van de gemeente Haaren, verweerder.

(gemachtigde: mr. E. Beele)

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 4 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) in het gebied Raamse Akkers de onroerende zaak kadastraal bekend gemeente Haaren, [sectienummer], behorende tot Landgoed Haarendael, gedeeltelijk aangewezen als onroerende zaak waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van de Wvg van toepassing zijn.

Bij besluit van 24 oktober 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, plaatsvervanger van eisers gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. M.J.M.G. van Gerwen, plaatsvervanger van verweerders gemachtigde en door R. Mackaij.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat, bij de beoordeling van de zaak, uit van de volgende feiten.

Stichting Cello (hierna: Cello) exploiteert een zorginstelling en is eigenaresse van Landgoed Haarendael. Zij heeft in 2006 besloten haar zorgcliënten die tot dat moment op de locatie Haarendael te Haaren woonden elders in haar werkgebied, in kleinere eenheden, te herhuisvesten. In januari 2012 zijn alle bewoners verhuisd, waarmee de zorgexploitatie van Haarendael werd beëindigd. Gelet op deze ontwikkeling, is het voornemen ontstaan om Haarendael te verkopen ten behoeve van herontwikkeling en een passend nieuw gebruik van gebouwen en gronden. De gemeente Haaren en Cello hebben daartoe op 30 november 2009 een intentieovereenkomst gesloten, met een looptijd tot 1 juli 2012. Op 7 juni 2012 heeft verweerder de Structuurvisie Landgoed Haarendael (hierna: de structuurvisie) vastgesteld. Deze is op 21 juni 2012 in werking getreden. Na de vaststelling van de structuurvisie heeft Cello, in overleg met de gemeente Haaren, de openbare verkoop bij inschrijving georganiseerd. Blijkens het proces-verbaal van openbare inschrijving zijn tijdens de openbare inschrijving van 3 december 2012 geen biedingen uitgebracht, zodat die procedure niet tot gunning heeft geleid. Nadat de inschrijvingsprocedure was geëindigd, heeft Cello een bod ontvangen van eiser. Op 23 mei 2013 is een koopovereenkomst tussen Cello en eiser tot stand gekomen. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 3 juni 2013 het voorkeursrecht gevestigd.

2.

Eiser heeft aangevoerd dat zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Hij heeft een direct belang bij het bestreden besluit. Gezien de omstandigheden waaronder het voorkeursrecht is gevestigd en de rechtstreekse relatie tussen de hoedanigheid van eiser als koper, de wetenschap van verweerder daarvan en de argumenten die aan het vestigen van het voorkeursrecht ten grondslag zijn gelegd, heeft eiser een groter belang dan slechts een van het recht van de eigenaren afgeleid belang.

3.

Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat volgens vaste jurisprudentie de partij die tot het goed, waarop een wettelijk voorkeursrecht als onderhavige gevestigd is, niet rechtstreeks in diens belangen getroffen wordt en derhalve geen belanghebbende is bij het desbetreffende besluit wanneer zijn rechtsbetrekking op het goed slechts gebaseerd is op het bestaan van een koopovereenkomst.

4.

De vestiging van een voorkeursrecht heeft voor de eigenaren/rechthebbenden van de daarbij aangewezen percelen tot gevolg dat zij worden beperkt in de mogelijkheid van vervreemding van hun percelen. Het belang van een partij die als koper dan wel houder van een koopoptie zijn aankoopmogelijkheden geringer ziet worden, is een daarvan afgeleid belang en derhalve geen rechtstreeks belang, als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank is van oordeel dat eiser als koper geen belanghebbende is bij het onderhavige besluit. Daarbij heeft de rechtbank het van belang geacht dat - nu er een koopovereenkomst is gesloten voordat het voorkeursrecht gevestigd is - in de koopovereenkomst is opgenomen dat ieder der partijen de koopovereenkomst buitengerechtelijk kan ontbinden, indien verkoper ingevolge de Wvg niet in staat is om het eigendom van de onroerende zaak op de overeengekomen dag over te dragen. Tevens heeft de rechtbank van belang geacht dat de koopovereenkomst op het moment van het vestigen van het voorkeursrecht niet in de openbare registers was ingeschreven en er derhalve geen sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 10, derde lid, van de Wvg.

5.

Gelet op het voorafgaande heeft verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.M. Belt - Brouns, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2014.

De griffier is buiten staat om rechter

deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.