Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:1547

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-04-2014
Datum publicatie
03-04-2014
Zaaknummer
01/839403-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Feitelijk leidinggeven aan een criminele organisatie, betrokkenheid bij hennepkwekerijen (via de organisatie 3 stuks), witwassen en gelegenheid geven tot illegaal gokken. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met aftrek van voorarrest.

Verweer nietige dagvaarding criminele organisatie verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/839403-11

Datum uitspraak: 03 april 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1974],

wonende te [adres 1].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 januari en 7 maart 2012, 17 en 20 maart 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 december 2011.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 17 maart 2014 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 april 2010 tot en met 18 oktober 2011 in

de gemeente(n) Eindhoven en/of Budel en/of Gemert en/of Geldrop en/of Heeze

en/of Bergeijk en/of (elders) in Nederland heeft deelgenomen aan een

organisatie, welke organisatie werd gevormd door een (duurzaam)

samenwerkingsverband van meerdere personen, te weten hij, verdachte, en/of

zijn medeverdachte(n) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of één of meer ander(e)

perso(o)n(en)

en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- de/het misdrijf/misdrijven als omschreven in artikel 11, tweede en/of derde

en/of vijfde lid van de Opiumwet, te weten het meerdere malen al dan niet in de

uitoefening van beroep of bedrijf tezamen en in vereniging met (een) ander(en)

opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken, in elk geval het

opzettelijk aanwezig hebben, van één (of meer) grote hoeveelhe(i)d(en) van een

materiaal bevattende hennep, in elk geval van één of meer hoeveelhe(i)d(en) van

meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een

middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen

krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,

en/of

- het misdrijf als omschreven in artikel 1 onder a jo artikel 31, eerste lid

van de Wet op de kansspelen, te weten het meerdere malen tezamen en in

vereniging met (een) ander(en) opzettelijk in strijd handelen met de

voorschriften vastgesteld bij of krachtens dat artikel 1 onder a van

voornoemde wet,

en/of

- het misdrijf als omschreven in artikel 420bis Wetboek van strafrecht,

zulks terwijl hij, verdachte, (één van) de leider(s) van voormelde organisatie

was;

(art 140 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 april 2010 tot en met 18 oktober 2011 in

Eindhoven en/of (elders) in Nederland en/of in Turkije tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, een gewoonte heeft gemaakt van het

witwassen van voorwerpen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn

mededader(s)

meermalen, althans eenmaal van een (groot) geldbedrag (te weten 10.500

(tienduizendvijfhonderd) euro en/of ongeveer 300.000 (driehonderdduizend)

euro) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de

rechthebbende op bovenomschreven voorwerp(en) was/waren en/of wie

bovenomschreven voorwerp(en) voorhanden had,

door dat geldbedrag (10.500 (tienduizendvijfhonderd) euro) te verstoppen (in

een meterkast en/of in een zitbank) en/of dat geldbedrag (ongeveer 300.000

(driehonderdduizend) euro) over te brengen naar (een rekening in) het

buitenland (Turkije)

en/of

meermalen, althans eenmaal een (contant) geldbedrag (in totaal ongeveer

16.000 (zestienduizend) euro) verworven en/of voorhanden gehad en/of

overgedragen en/of omgezet en/of van een geldbedrag gebruik gemaakt,

door (telkens) met een/dat (contant) geldbedrag bij het postkantoor een

rekening van een derde (acceptgirokaart) te betalen en daarbij (telkens een

(contant) geldbedrag aan transactiekosten te betalen

terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat dat/die

voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig

misdrijf;

art 420bis lid 1 sub a en/of sub b Wetboek van Strafrecht;

art 420ter Wetboek van Strafrecht;

art 47 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 juni 2011 tot en met 11 juli 2011

in de gemeente Gemert, in een pand gelegen aan [adres 2]

één of meerma(a)l(en) (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen,

in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of

heeft bereid en/of heeft bewerkt en/of heeft verwerkt, in elk geval (telkens)

opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) grote hoeveelhe(i)d(en) van een

materiaal bevattende hennep (ca 267 planten), in elk geval één of meer

hoeveelhe(i)d(en) van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende

hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 3 aanhef en onder B en/of C Opiumwet

art 11, lid 2 en/of lid 3 en/of lid 5 Opiumwet

art. 47 Wetboek van Strafrecht

4.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2010 tot en met 22 augustus 2010

in de gemeente Budel, in een woning gelegen aan [adres 3]

één of meerma(a)l(en) (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen,

in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of

heeft bereid en/of heeft bewerkt en/of heeft verwerkt, in elk geval (telkens)

opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) grote hoeveelhe(i)d(en) van een

materiaal bevattende hennep,in elk geval één of meer hoeveelhe(i)d(en) van

meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een

middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen

krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 3 aanhef en onder B en/of C Opiumwet

art 11, lid 2 en/of lid 3 en/of lid 5 Opiumwet

art. 47 Wetboek van Strafrecht

5.

hij in of omstreeks de periode van 01 februari 2011 tot en met 2 mei 2011 in de

gemeente Bergeijk, in een pand gelegen aan [adres 4],

één of meerma(a)l(en) (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen,

in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of heeft

bereid en/of heeft bewerkt en/of heeft verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk

aanwezig heeft gehad, (een) grote hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal

bevattende hennep (ca 528 hennepplanten),in elk geval één of meer

hoeveelhe(i)d(en) van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende

hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 11, lid 2 en/of lid 3 en/of lid 5 Opiumwet

art 3 aanhef en onder B en/of C Opiumwet

art. 47 Wetboek van Strafrecht

6.

hij in of omstreeks de periode van 01 september 2011 tot en met 18 oktober

2011 in Eindhoven in een woning gelegen aan de [adres 5],

één of meerma(a)l(en) (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen,

in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of

heeft bereid en/of heeft bewerkt en/of heeft verwerkt, in elk geval (telkens)

opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) grote hoeveelhe(i)d(en) van een

materiaal bevattende hennep (ca 304 hennepstekjes/hennepplanten),in elk

geval één of meer hoeveelhe(i)d(en) van meer dan dertig gram van een

materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid

van die wet;

art 3 aanhef en onder B en/of C Opiumwet

art 11, lid 2 en/of lid 3 en/of lid 5 Opiumwet

art. 47 Wetboek van Strafrecht

7.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de peridode van 01 april 2010 tot en

met 18 oktober 2011 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, in een pand gelegen aan [adres 6],

al dan niet opzettelijk gelegenheid heeft gegeven aan (personen uit) het

publiek om door middel van het (kans)spel toto, en/of een of meer andere

spelen, mede te dingen naar prijzen en / of premies, waarbij de aanwijzing der

winnaar geschiedde door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het

algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen, terwijl daarvoor geen

vergunning ingevolge de Wet op de kansspelen was verleend en het in titel II

en Va van die wet bepaalde niet van toepassing was;

(artikel 1 onder a jo 31 lid 1 Wet op de Kansspelen)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Namens verdachte is aangevoerd dat de tenlastelegging voor wat betreft het ten laste gelegde feit onder 1 partieel nietig verklaard dient te worden. Ten opzichte van de voorlopige tenlastelegging zou de organisatie nu niet meer bestaan uit de [naam buurthuis], de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1]. Wel worden “andere personen” genoemd maar onduidelijk is wie daarmee worden bedoeld. Verder is verzuimd nader te omschrijven welk concreet verwijt verdachte wordt gemaakt en is het in het derde gedachtenstreepje enkel aanhalen van het wetsartikel een onvoldoende feitelijke omschrijving.

De rechtbank verwerpt het verweer. Na toewijzing van de vordering aanpassing van de tenlastelegging ex artikel 314a Sv is aan verdachte ten laste gelegd dat hij kort gezegd een criminele organisatie gevormd zou hebben met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. In samenhang bezien met de inhoud van de overige processtukken, is het volgens de rechtbank voldoende duidelijk dat de steller van de tenlastelegging hier het oog heeft op de broers [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Dat niet is uitgeschreven op wie de steller van de tenlastelegging doelde met de “andere personen” maakt de dagvaarding niet nietig.

Hoewel de verwijzing onder het derde gedachtenstreepje naar het misdrijf als omschreven in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht summier is, is de rechtbank van oordeel dat aan de geldende eisen ingevolge artikel 261 Sv is voldaan nu een nadere feitelijke uitwerking hiervan onder feit 2 van dezelfde tenlastelegging volgt, met daarbij eveneens de verwijzing naar het wetsartikel 420bis Wetboek van Strafrecht.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding ook overigens geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

Namens verdachte is aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden omdat doelbewust is gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel en het fair play-beginsel, door de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] op naam in de stukken op te voeren, terwijl zij al eerder in CIE-processen-verbaal als anonieme bronnen zijn opgevoerd en bovendien aannemelijk is geworden dat zij ook zelf de Opiumwet hebben overtreden.

De rechtbank stelt voorop dat een schending van beginselen van een goede procesorde alleen in uitzonderlijke gevallen tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie kan leiden. Alleen als met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op die beginselen en daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, komt de sanctie van niet-ontvankelijkverklaring in aanmerking. Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake. Zoals reeds eerder is aangegeven is er van een dubbeltelling geen sprake nu de CIE-informatie niet bruikbaar is voor bewijs. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat de CIE-informatie op meer onderwerpen ziet dan waarover [getuige 2] en [getuige 1] op naam hebben verklaard en bij de start van het onderzoek hebben ook verklaringen van bijvoorbeeld ouders van gokkende kinderen en het aantreffen van een hennepkwekerij in Budel ([adres 3]) de politie op het spoor gezet onderzoek te doen naar [naam buurthuis] en de gebroeders [naam].

De rechtbank komt tot de conclusie dat er geen sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. De rechtbank verwerpt het verweer.

De officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Verweer bewijsuitsluiting

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de processen-verbaal met gerelateerde CIE-informatie en MMA-meldingen uitgesloten dienen te worden voor het bewijs evenals de wisselende en onbetrouwbare verklaringen van [getuige 1] en de hoofdzakelijke de auditu-verklaring van [getuige 2].

De rechtbank zal voormelde bronnen niet voor het bewijs bezigen zodat zij dit verweer onbesproken laat.

Aangevoerd is tevens dat de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uitgesloten dienen te worden van het bewijs omdat de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen, nu beide medeverdachten zich bij de rechter-commissaris hebben beroepen op het verschoningsrecht.

Onder verwijzing naar de uitspraak Vidgen, EHRM nr. 29353/06, 10 juli 2012 heeft als uitgangspunt te gelden dat een veroordeling niet in beslissende mate kan berusten op verklaringen van een medeverdachte die door de verdediging niet getoetst kunnen worden.

De rechtbank zal per feit bezien of het bewijs in beslissende mate berust op de verklaringen van [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] dan wel of voldoende ander bewijs voorhanden is om tot bewezenverklaring te komen.

Beslissingen met betrekking tot de feiten1

Opmerking vooraf

Omwille van de leesbaarheid zal de rechtbank eerst het economische delict bespreken omdat dit feit naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf staat. Daarna zullen de hennepfeiten worden besproken en de rechtbank zal afsluiten met de witwasfeiten en de criminele organisatie omdat deze feiten in verband bezien moeten worden met de hennepfeiten.

Stemherkenning

Op grond van een proces-verbaal van stemherkenning2 stelt de rechtbank vast dat [verdachte] de gebruiker is van de telefoons met de nummers [telefoonnummer 1] (rcnummer 11/1161.1) en [telefoonnummer 2] (rcnummer 11/1161.2).

Het standpunt van de officier van justitie ten aanzien van feit 7.

De officier van justitie stelt dat de in haar requisitoir vermelde bewijsmiddelen voldoende bewijs leveren dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

Het standpunt van de verdediging ten aanzien van feit 7.

Aangevoerd is dat verdachte geen normadressaat is waar het gaat om vergunningverlening aan [naam buurthuis]. De exploitatievergunning noch de speelautomatenvergunning staan op naam van verdachte. In de stukken zijn verder geen toereikende wettige bewijsmiddelen aangetroffen die redengevend zijn voor het ten laste gelegde opzet en medeplegen van verdachte. Gewezen is in dit verband nog op de ontlastende verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3].

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 7.

De rechtbank acht op grond van de in bijlage “bewijsmiddelenoverzicht Wet op de kansspelen” omschreven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte 3] kort gezegd gelegenheid heeft gegeven tot illegaal gokken in het buurthuis [naam buurthuis]. De wijze waarop [verdachte] zich met het reilen en zeilen in het buurthuis bemoeide, in het bijzonder wat betreft het functioneren van de gokcomputer en de klandizie, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om hem de rol van medepleger toe te kennen.

Het verweer dat [naam buurthuis] de normadressaat zou moeten zijn voor dit verwijt, verwerpt de rechtbank. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat medeverdachte [medeverdachte 3] zelf naar zijn zeggen € 500,- per maand ontving voor het plaatsen en geplaatst houden van de gokcomputer in het buurthuis [naam buurthuis]. Van deze [rechtspersoon] is medeverdachte [medeverdachte 3] voorzitter, secretaris en penningmeester. Gebleken is verder dat een aparte kas in gebruik was voor het gokken. De inleg en het prijzengeld liep via deze kas en niet via de kas van de [naam buurthuis]. Tot slot betrekt de rechtbank in haar overwegingen dat gokken niet in de doelstelling van [naam buurthuis] past. Het was derhalve medeverdachte [medeverdachte 3] die gelegenheid bood te gokken en verdachte is als zijn medepleger aan te merken.

Het standpunt van de officier van justitie ten aanzien van feit 3.

De officier van justitie stelt dat wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte medepleger is van kortgezegd het telen van hennep op het adres [adres 2] te Gemert.

De officier van justitie noemt de algemene verklaring van [getuige 2] en [getuige 3], de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2], de telefoongesprekken die [medeverdachte 2] voerde met de man die in het betreffende pand aanwezig was toen de politie het pand betrad, de verklaring van [getuige 4] en sms-berichten van en naar verdachte over die [getuige 4].

Het standpunt van de verdediging ten aanzien van feit 3.

Nu van betrokkenheid van verdachte bij deze hennepkwekerij niet is gebleken, dient vrijspraak te volgen.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 3: vrijspraak.

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onderhavige feit heeft begaan zodat zij verdachte daarvan vrijspreekt.

De rechtbank overweegt daarbij dat medeverdachte [medeverdachte 2] niet alleen zijn eigen rol, maar ook de rol van verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] met betrekking tot een aantal hennepkwekerijen heeft toegelicht. Echter, over de kwekerij op [adres 2] heeft [medeverdachte 2] verklaard dat de eigenaar van de kwekerij aan het [adres 2] ene [naam 2] is en dat zijn eigen rol slechts inhield het opruimen van afval voor die [naam 2]. [medeverdachte 2] noemt zijn broers [verdachte] en [medeverdachte 1] in dit verband niet. De inhoud van telefoontaps of sms-berichten zijn onvoldoende voor bewezenverklaring van het medeplegen van kortgezegd de hennepteelt op het desbetreffende adres omdat daaruit van geen enkele directe betrokkenheid van verdachte bij deze kwekerij is gebleken.

Het standpunt van de officier van justitie ten aanzien van feit 4.

De officier van justitie stelt dat de in haar requisitoir vermelde bewijsmiddelen voldoende bewijs leveren dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

Het standpunt van de verdediging ten aanzien van feit 4.

Betoogd is dat bewijs voor opzet en medeplegen ontbreekt, zodat vrijspraak dient te volgen.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 4.

De rechtbank acht op grond van de in bijlage “bewijsmiddelenoverzicht hennepkwekerij [adres 3] Budel” omschreven bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als medepleger betrokken was bij de hennepkwekerijen op het adres [adres 3] Budel.

De rechtbank bezigt de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] tot het bewijs omdat het bewijs in deze zaak niet in beslissende mate rust op de verklaringen van [medeverdachte 2].

Het standpunt van de officier van justitie ten aanzien van feit 5.

De officier van justitie stelt dat de in haar requisitoir vermelde bewijsmiddelen voldoende bewijs leveren dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

De officier van justitie noemt de algemene verklaring van [getuige 3] en van medeverdachte [medeverdachte 2], die heeft verklaard dat [verdachte] de eigenaar was (p. 409).

Het standpunt van de verdediging ten aanzien van feit 5.

Door de verdediging is aangevoerd dat geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot bewezenverklaring van dit feit te komen.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 5: vrijspraak.

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onderhavige feit heeft begaan zodat zij verdachte daarvan vrijspreekt.

De enkele verklaring van [medeverdachte 2] inhoudende dat [verdachte] eigenaar van de hennepkwekerij was, ook bezien in samenhang met de algemene verklaring van [getuige 3], levert onvoldoende wettig bewijs op dat verdachte medepleger is van kortgezegd de hennepteelt op het betreffende adres.

Het standpunt van de officier van justitie ten aanzien van feit 6.

De officier van justitie stelt dat de in haar requisitoir vermelde bewijsmiddelen voldoende bewijs leveren dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Het adres [adres 5] Eindhoven betrof het woonadres van verdachte.

Het standpunt van de verdediging ten aanzien van feit 6.

Aangevoerd is dat het weliswaar om de woning van verdachte ging, maar dat meer personen daar verbleven en over een sleutel beschikten. Bovendien heeft medeverdachte [medeverdachte 1] verklaard dat de kwekerij van hem was en dat hij deze heeft ingericht toen [verdachte] op vakantie was. Medeplichtigheid is niet ten laste gelegd en voor het medeplegen is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden, zodat vrijspraak dient te volgen.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 6.

De rechtbank acht op grond van de in bijlage “bewijsmiddelenoverzicht hennepkwekerij [adres 5] Eindhoven” omschreven bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als medepleger betrokken was bij de hennepkwekerijen op het adres [adres 5] Eindhoven.

Afsluitende overwegingen hennepteelt

Met betrekking tot de in de feiten 4 en 6 ten laste gelegde beroeps- of bedrijfsmatige teelt overweegt de rechtbank als volgt.

Gelet op de wetsgeschiedenis gelden als indicatoren voor beroeps- of bedrijfsmatige teelt: het aantal planten, de te behalen oogsten per jaar, het gebruik van technische hulpmiddelen/toepassing van hoogwaardige technologie ter vermeerdering van de opbrengst, de omvang van de teelt mede gelet op de daarvoor noodzakelijke investeringen en risico’s, de omstandigheden waaronder wordt gekweekt, bijvoorbeeld in loodsen of onder glas, met gebruik van zogeheten daglichtlampen of met behulp van temperatuur- en bevloeiingsregulering.3

Uitgaande van deze indicatoren is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte wat betreft de feiten 4 en 6 gekwalificeerd kan worden als hennepteelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

Verdachte en zijn mededaders hebben alle benodigde spullen gekocht en hebben een elektriciteitskabel buiten de elektriciteitsmeter om aangebracht om illegaal stroom af te kunnen tappen. Zij hebben de planten water gegeven en er is geoogst. In de kwekerijen was kunstlicht aanwezig voor de plantengroei. De planten stonden in afgeschermde ruimtes. Er was isolatie voor daglicht en er was afzuiging van lucht en geur naar buiten en ook een thermostaat voor temperatuurregeling was aanwezig.

Vastgesteld kan worden dat verdachte een aanzienlijke investering heeft gedaan met de bedoeling hennepkwekerijen op te zetten waarmee verschillende keren kon worden geoogst ten behoeve van de verkoop van de geoogste hennep, dat meerdere keren is geteeld, dat de capaciteit van de kwekerijen afzonderlijk, maar zeker tezamen genomen, niet gering was en dat het teeltproces geschiedde in een afzonderlijke daartoe ingerichte ruimte onder gecontroleerde condities en in belangrijke mate geautomatiseerd verliep met behulp van technische middelen, kennelijk ter optimalisering van het teeltproces en minimalisering van de daarvoor van de teler vereiste inspanning.

Het standpunt van de officier van justitie ten aanzien van feit 2.

De officier van justitie stelt dat de in haar requisitoir vermelde bewijsmiddelen voldoende bewijs leveren dat verdachte de beide vormen van witwassen en daarmee gewoontewitwassen heeft begaan. De officier van justitie heeft betoogd dat het bedrag van € 10.500,-, dat onder verhullende omstandigheden is aangetroffen in de woning van [getuige 5] aan verdachte toebehoorde en dat verdachte meermalen contante geldbedragen heeft omgezet door rekeningen van derden bij het postkantoor contant te betalen.

De officier van justitie neemt daarbij als uitgangspunt dat verdachte geen legale inkomsten genoot in de betreffende periode, zodat het niet anders kan dan dat de gelden verkregen zijn uit misdrijf.

Het standpunt van de verdediging ten aanzien van feit 2.

Betoogd is dat indien geen directe criminele herkomst of relatie tussen geldbedragen en delicten valt te bewijzen, een veroordeling voor (gewoonte)witwassen niet kan volgen. Het bewijs in de onderhavige zaak bestaat enkel uit vage taps en smsjes en de auditu verklaringen zodat het wettige en overtuigende bewijs ontbreekt.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 2.

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende bewijs voorhanden dat het in de woning van [getuige 5] aan [adres 7] in Eindhoven aangetroffen geldbedrag van

€ 10.500,- aan verdachte toebehoort. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het witwassen van dat geldbedrag.

Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat in die woning een geldbedrag van € 10.000,- verstopt lag op een zwevend plafond en in het bankstel in de woonkamer was een bedrag van € 500,- verstopt. Verder is gebleken dat verdachte enige tijd in de betreffende woning heeft verbleven en in een kast in de woonkamer van de betreffende woning is een tas met daarin het paspoort van verdachte aangetroffen. Verdachte heeft ontkend dat dit geld van hem was. De bewoner, [getuige 5], heeft verklaard dat hij het door hem -[getuige 5]-gespaarde geld liever niet naar de bank bracht omdat hij dat niet vertrouwde.

Alles afwegend en als hiervoor reeds overwogen, zijn deze feiten en omstandigheden niet redengevend voor bewijs van dit (deel)feit.

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage “bewijsmiddelenoverzicht witwassen [verdachte]” omschreven bewijsmiddelen, in samenhang bezien met de bewijsmiddelen aangaande de hennepkwekerijen, het witwassen van door de Opiumwet-delicten verkregen geld in de vorm van het verrichten van diverse contante betalingen van rekeningen van derden via het postkantoor ten bedrage van een totaalbedrag van € 16.000,- gedurende een periode van een jaar wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt hiertoe dat verdachte over de jaren 2006 tot en met 2010 alleen in 2006 en 2009 een zeer gering legaal inkomen genoot, en in de overige jaren geen legaal inkomen had; ook niet in 2010. Verder had verdachte twee bankrekeningen bij [bank] maar daarop stond per einde van die jaren nauwelijks of geen tegoed. Ondanks dat verdachte blijkens het voorgaande in 2010 niet of nauwelijks beschikte over legale middelen van bestaan heeft hij veelvuldig (uit het dossier blijkt van in ieder geval tachtig keer in de periode van 17 mei 2010 tot 14 mei 2011) ervoor gekozen te betalen door middel van contante stortingen. Dit is met een kostprijs van € 7,50 per storting aanzienlijk duurder dan geld overmaken via de bank, en gelet daarop ook ongebruikelijk. Weliswaar bevinden zich in de stukken geen inkomensgegevens over 2011, maar de rechtbank stelt vast dat verdachte in dat jaar is doorgegaan met deze wijze van betalen, terwijl hij over twee bankrekeningen beschikte die hij voor dergelijke betalingen had kunnen gebruiken. Verdachte heeft over zijn inkomen in het jaar 2011 geen inzicht verschaft.

Omdat verdachte deze omslachtige en dure wijze van betalen gedurende een geruime periode is blijven herhalen, kennelijk met het doel zwart geld in het gewone betalingsverkeer te brengen, acht de rechtbank bewezen dat sprake is van gewoontewitwassen.

Het standpunt van de officier van justitie ten aanzien van feit 1.

De officier van justitie stelt dat de in haar requisitoir vermelde bewijsmiddelen voldoende bewijs leveren dat verdachte de leider is van de criminele organisatie bestaande uit verdachte, en zijn broers [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1].

Het standpunt van de verdediging ten aanzien van feit 1.

Door de verdediging is vrijspraak bepleit van alle na het eerste feit vermelde feiten, zodat reeds om die reden ook vrijspraak voor de criminele organisatie moet volgen omdat het fundament van de zaak daarmee is komen te vervallen. Ook los hiervan is volgens de verdediging onvoldoende sprake van een organisatiegraad met gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling; van de noodzakelijke bestendigheid is geen sprake. Betoogd is verder dat een familieverband niet gelijkgesteld dient te worden met een criminele organisatie.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1.

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage “bewijsmiddelenoverzicht criminele organisatie” omschreven bewijsmiddelen, in samenhang bezien met de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de “bewijsmiddelenoverzichten hennepkwekerijen [adres 3] Budel, [adres 4] Bergeijk en [adres 5] Eindhoven”, bewezen dat sprake is van een criminele organisatie, bestaande uit verdachte [verdachte], medeverdachte [medeverdachte 2] en medeverdachte [medeverdachte 1], die zich bezighield met de beroeps- en bedrijfsmatige teelt van hennep en handel daarin.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachten zich gedurende een periode van ruim anderhalf jaar hebben bezig gehouden met een aantal hennepkwekerijen. [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] hebben de kwekerijen opgebouwd en zij waren zeer frequent in de panden aanwezig, waarbij [medeverdachte 1] als bewaker van de kwekerij fungeerde en zij verrichtten daar werkzaamheden. [verdachte] was de eigenaar van de hennepkwekerijen en hij betaalde voor de inrichting ervan. Uit afgetapte telefoongesprekken is gebleken dat alle drie de verdachten beducht waren op het afluisteren van hun telefoons en zich daarmee hebben getracht af te schermen. Verder is uit het onderzoek naar voren gekomen dat [medeverdachte 1] een Hyundai bestelauto op zijn naam had, die ook door medeverdachten gebruikt werd in het kader van de hennepteelt- en/of handel. Tot slot is uit de bewijsmiddelen naar voren gekomen dat het buurthuis van [naam buurthuis] de locatie was waar leden van de organisatie zich verzamelden en waar door hen over strafbare feiten werd gesproken en dat [naam 3], een Bulgaarse jongen die werkzaamheden verrichtte in de [naam buurthuis], ook werkzaamheden in de hennepteelt verrichtte.

Gelet op deze beschrijving is er sprake van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband met een bepaalde organisatiegraad. Er was een gemeenschappelijke doelstelling en er was ook een zekere gelaagdheid en een rolverdeling.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

in de periode van 01 april 2010 tot en met 18 oktober 2011 in

Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie,

welke organisatie werd gevormd door een duurzaam samenwerkingsverband van

meerdere personen, te weten hij, verdachte, en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en

[medeverdachte 2]

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- de misdrijven als omschreven in artikel 11, tweede en/of derde

en/of vijfde lid van de Opiumwet, te weten het meerdere malen in

de uitoefening van beroep of bedrijf tezamen en in vereniging met

anderen opzettelijk telen en/of bewerken en/of verwerken, van grote

hoeveelheden hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst II,

zulks terwijl hij, verdachte, de leider van voormelde organisatie was;

2.

in de periode van 01 april 2010 tot en met 18 oktober 2011 in

Eindhoven en/of elders in Nederland een gewoonte heeft

gemaakt van het witwassen van voorwerpen, immers heeft hij, verdachte

meermalen, van een contant geldbedrag (in totaal ongeveer 16.000

(zestienduizend euro) gebruik gemaakt, door telkens met een contant geldbedrag

bij het postkantoor een rekening van een derde (acceptgirokaart) te betalen en daarbij telkens een contant geldbedrag aan transactiekosten te betalen

terwijl hij telkens wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was uit enig misdrijf;

4.

in de periode van 01 januari 2010 tot en met 22 augustus 2010

in de gemeente Budel, in een woning gelegen aan [adres 3]

meermalen telkens tezamen en in vereniging met anderen,

in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of

heeft bewerkt en/of heeft verwerkt, een hoeveelheid hennep van meer dan dertig gram, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

6.

in de periode van 01 september 2011 tot en met 18 oktober 2011 in Eindhoven in een woning gelegen aan de [adres 5]

tezamen en in vereniging met anderen,

in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld een

hoeveelheid hennep (ca 304 hennepstekjes/hennepplanten), zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

7.

in de peridode van 01 april 2010 tot en met 18 oktober 2011 te Eindhoven tezamen

en in vereniging met anderen, in een pand gelegen aan [adres 6],

opzettelijk gelegenheid heeft gegeven aan personen uit het publiek om door middel van het (kans)spel toto mede te dingen naar prijzen en / of premies, waarbij de aanwijzing der

winnaar geschiedde door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het

algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen, terwijl daarvoor geen

vergunning ingevolge de Wet op de kansspelen was verleend en het in titel II

en Va van die wet bepaalde niet van toepassing was;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Tekst

De strafbaarheid van de feiten.

Namens verdachte is met betrekking tot feit 7 aangevoerd dat hij ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging omdat de tenlastelegging is toegesneden op de generale bepaling van artikel 1 onder a van de Wet op de kansspelen, terwijl het gaat om het aanwezig hebben van een kansspelautomaat waarvoor de speciale bepaling van artikel 30b van die wet heeft te prevaleren.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Op grond van artikel 30 sub a Wet op de kansspelen is een speelautomaat, een toestel, ingericht voor de beoefening van een spel, dat bestaat uit een door de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden tot de middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen of premies, daaronder begrepen het recht om gratis verder te spelen.

Op grond van artikel 30 sub c is een kansspelautomaat: een speelautomaat, die geen behendigheidsautomaat is. Een speelautomaat is in artikel 30 sub a gedefinieerd als: een toestel, ingericht voor de beoefening van een spel, dat bestaat uit een door de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden tot de middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen of premies, daaronder begrepen het recht om gratis verder te spelen.

De verbodsbepaling van artikel 30b van voormelde wet ziet op kansspelautomaten.

Uit de bewijsmiddelen komt de werking van de gokapparaten zoals bedoeld in de tenlastelegging van verdachte naar voren:

Er zijn twee apparaten aanwezig om in te zetten op wedstrijden. Klanten wagen een gok op de computer en betalen € 5,- voor de gok die zij wagen. De bedoeling is dat wordt ingezet op meerdere wedstrijden en dat de uitslagen goed worden voorspeld. De hoogte van het gewonnen bedrag is te zien op de computer. Als € 5,- wordt ingezet kan maximaal € 5.000,- worden gewonnen en bij een inzet van € 10,- is dat € 15.000,-.

Er is derhalve geen sprake van het in werking zetten van een mechanisch, elektrisch of elektronisch proces. Er wordt gegokt op wedstrijden met behulp van een computer. De computer bepaalt niet de uitslag van de wedstrijden.

De rechtbank concludeert dat geen sprake is van een kansspelautomaat, die door de speler in werking wordt gesteld als bedoeld in de wet, zodat de verbodsbepaling van artikel 30b van de Wet op de kansspelen niet van toepassing is. De algemene verbodsbepaling van artikel 1 van die wet heeft te gelden.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft de oplegging gevorderd van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met aftrek van voorarrest en voorts de verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

De officier van justitie heeft in een afzonderlijke procedure ter terechtzitting van 17 maart 2014 een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt.

Het standpunt van de verdediging.

Voor het geval de rechtbank tot enige bewezenverklaring komt, is namens verdachte verzocht rekening te houden met het tijdsverloop van deze strafzaak, de omstandigheid dat het bevel tot voorlopige hechtenis reeds is geschorst en de beperkte omvang van witgewassen geld.

Gepleit is voor een straf gelijk aan de duur van het ondergane voorarrest eventueel in combinatie met een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Verdachte is verzocht om teruggave van zijn mobiele telefoon dan wel het daarbij horende SD-kaartje. Met betrekking tot het andere in beslag genomen voorwerp zijn door de verdediging geen opmerkingen gemaakt.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte is in georganiseerd verband betrokken geweest bij een aantal hennepkwekerijen en hij heeft als eigenaar en geldschieter een centrale rol vervuld in de totstandkoming en bedrijfsvoering van deze kwekerijen. Deze kwekerijen waren professioneel opgezet en zoals te doen gebruikelijk werd de elektriciteit op illegale wijze verkregen. Verdachte heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en heeft nauwelijks oog gehad voor de gevaren die met hennepkwekerijen en diefstal van stroom gepaard gaan. Hennep kan gevaar opleveren voor de gezondheid van de gebruikers ervan en het telen ervan gaat steeds meer gepaard met andere, ook zware vormen van criminaliteit.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van gelden.

Het met de hennepkwekerijen verdiende geld kwam weer terecht in het gewone betalingsverkeer doordat verdachte hiermee via het postkantoor contant betalingen verrichtte. Deze vermenging van crimineel geld met legaal geld tast het economisch evenwicht in de samenleving aan. Verdachte heeft door zo te handelen inbreuk gemaakt op de integriteit van het financiële en economische verkeer.

Tot slot heeft verdachte samen met anderen gelegenheid verschaft tot gokken op wedstrijden, terwijl zij niet beschikten over een vergunning in het kader van de Wet op de kansspelen. Het organiseren van kansspelen is door de wetgever beperkt en gereguleerd, om hierop toezicht en controle te kunnen uitoefenen en om zwakkere groepen in de samenleving tegen grote financiële verliezen te beschermen. Door het negeren van deze regels hebben de verdachte en zijn mededaders deze doelstelling gefrustreerd.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat sinds het tijdstip waarop de door hem gepleegde strafbare feiten hebben plaatsgehad geruime tijd is verstreken en dat eerdere veroordelingen op grond van de Opiumwet reeds gedateerd zijn.

Alles afwegend concludeert de rechtbank dat de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de rol die verdachte daarin heeft gespeeld uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbenemende straf rechtvaardigen. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het ondergane voorarrest. Een taakstraf, zoals verzocht, doet evenmin recht aan de ernst van het bewezenverklaarde.

De rechtbank zal de gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank zal dezelfde straf opleggen als de door de officier van justitie gevorderde straf, ook al spreekt de rechtbank verdachte vrij van een tweetal hennepfeiten.

Hierbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat zij verdachte weliswaar vrijspreekt van het medeplegen van hennepteelt op het adres [adres 4], maar dat wel is komen vast te staan dat verdachte in het kader van de criminele organisatie bemoeienis met die hennepkwekerij had.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerp vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerp is met behulp van welke de feiten zijn begaan of voorbereid en dit voorwerp ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorde.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerp aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van het in beslag genomen goed.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 27, 33, 33a, 47, 57, 63, 91, 140, 420bis;

Opiumwet art. 3, 11;

Wet op de kansspelen art. 1, 31;

Wet op de economische delicten art. 1, 2, 6.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Acht de feiten onder 3 en 5 niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het ten laste gelegde onder de feiten 1, 2, 4, 6 en 7 bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

T.a.v. feit 2:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken;

T.a.v. feit 4:

medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

T.a.v. feit 6:

medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

T.a.v. feit 7:

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 1 onder a van de Wet op de kansspelen, opzettelijk begaan.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 4, feit 6, feit 7:

Een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen goed, te weten: een briefje met daarop informatie over groeimiddelen hennepplanten.

Gelast de teruggave van het in beslag genomen goed aan veroordeelde, te weten: een mobiele telefoon.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.M. Weerkamp, voorzitter,

mr. J.G. Vos en mr. M.Th. van Vliet, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. de Bruijn-van der Sluijs, griffier,

en is uitgesproken op 3 april 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Brabant Zuid-oost, gezamenlijke recherche Eindhoven, genummerd OPS 201156653.

2 Proces-verbaal van stemherkenning, p. 200 ev.

3 Kamerstukken II, 1996-1997, 25325, nr 3, memorie van toelichting.