Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:1274

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
26-03-2014
Zaaknummer
C/01/241274
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:2807
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Samenvatting: Het door erflater opgemaakte testament van 24 juli 2009 is nietig. Erflater begreep ten tijde van het ondertekenen van het testament namelijk niet, althans onvoldoende, wat hij deed en miste het vermogen zijn wil - zoals neergelegd in dit testament - te bepalen en te verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaak- en rolnummer C/01/241274 / HA ZA 12-22

Vonnis van 26 februari 2014

in de zaak van

[X] ,

wonende te [plaats],

eiseres,

advocaat mr. J.E. Jansen te Mariaheide, gemeente Veghel,

tegen

[Y] en

[Z] ,

beiden wonende te [plaats],

gedaagden,

advocaat mr. A.Ph.M. Hamelers te Uden.

1 De verdere procedure

1.1.

Deze blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 31-10-2012;

  • -

    de akte van eiseres;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 7-1-2013;

  • -

    het proces-verbaal van voortzetting van getuigenverhoor van 16-1-2013;

  • -

    het proces-verbaal van voortzetting van getuigenverhoor van 4-3-2013;

  • -

    het proces-verbaal van tegenverhoor van 3-4-2013;

  • -

    de conclusie na getuigenverhoor van eiseres;

  • -

    de antwoordconclusie na getuigenverhoor van gedaagden;

  • -

    de akte van eiseres;

  • -

    de antwoordakte van gedaagden.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

De rechter ten overstaan van wie de comparitie is gehouden en de rechter overstaan van wie de getuigenverhoren zijn gehouden hebben dit vonnis wegens organisatorische re-denen niet kunnen wijzen.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank heeft eiseres bij gemeld tussenvonnis opgedragen te bewijzen:

“dat [J], geboren op 17-7-1932, op 24-7-2009, ten tijde van het ondertekenen van het

in geschil zijnde testament, niet, althans onvoldoende, begreep wat hij deed en het vermogen miste zijn wil - zoals neergelegd in dit testament - te bepalen en te verklaren”.

2.2.

Eiseres heeft hiertoe als getuigen doen horen:

- zichzelf;

- mevrouw [...] (haar schoondochter);

- de heer [...] (specialist ouderengeneeskunde);

- mevrouw [...] (maatschappelijk werkster bij [verpleeghuis]);

- mevrouw [...] (manager bij [verpleeghuis]);

- mevrouw mr. [...] (notaris) en

- de heer [...] (haar zoon).

Zij heeft hiertoe voorts nog overgelegd:

- als productie 28: “klacht jegens [notaris] bij de Kamer van Toezicht

over notarissen en kandidaat-notarissen in het Arrondissement Roermond” (cne p. 19);

- als productie 29: “Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van

notariële dienstverlening”, en

- als productie 30: een brief van [specialist ouderengeneeskunde] aan haar advocate d.d. 7-10-2013.

2.3.

Gedaagden hebben hierop als getuigen in contra-enquête doen horen:

- de heer [...] (schoonzoon van gedaagde sub 1);

- mevrouw [...] (de vriendin van gedaagde sub 2) en

- de heer [A].

Zij hebben hierop voorts nog overgelegd:

- als productie 3: een brief van de heer [P] aan hun advocaat d.d. 25-6-2013.

2.4.

De namens eiseres gehoorde getuigen hebben onder meer verklaard als volgt

(waarbij de onderstrepingen door de rechtbank zijn aangebracht):

partijgetuige [X]:

“toen [[J]] in het […] verpleegtehuis is opgenomen, heb ik hem elke dag bezocht; meestal kwam ik dan ’s middags […] en bleef ik tot hij ’s avonds naar bed ging. In de periode dat hij in het […] verpleegtehuis verbleef was hij nauwelijks nog aanspreekbaar. Ik kon niet met hem praten, zelf praatte hij ook niet en als ik iets tegen hem zei zou ik niet kunnen zeggen of hij dat begreep. […] Toen hij in het verpleegtehuis zat hebben de verplegers […] tegen mij gezegd dat [J] met een taxi was opgehaald en later weer was teruggebracht.

Zij wisten niet waar hij heen was gegaan, en ik heb dat aan [J] gevraagd en uit zijn reactie begreep ik dat hij dat niet wist. […] In de stukken wordt de naam van een zekere heer

[...] [rechtbank: bedoeld zal zijn: [A]] genoemd. […] De naam […] zegt mij niets en volgens mij had [J] ook geen vriend die zo heette. In de 20 jaar dat ik [J] kende heb ik nooit van die meneer gehoord. […] [J] is destijds onderzocht door twee psychologen. On-der meer door […] [M]. […] Later heeft [M] mij telefonisch medegedeeld dat [J] helemaal over de streep was en dat ik hem moest loslaten. Voor mijn gevoel was [J] destijds in juli 2009 niet capabel en niet in staat om aan het opstellen van een nieuw testament mee te werken. […] Ik ben altijd in het bezit geweest van het originele legitima-tiebewijs van [J]. […] In het verpleegtehuis zat hij in […] een gesloten afdeling. […] Mij word gevraagd of [J] helder was op de dag dat hij uit het verpleegtehuis is weggeweest om, na achteraf blijkt, een nieuw testament te laten opmaken. Ik kan dat moeilijk uitleggen, ik had eigenlijk wel contact met hem, maar eigenlijk ook weer niet. Hij was blij wanneer ik kwam, want daar werd hij rustig van. Er was nauwelijks communicatie mogelijk”.

getuige [schoondochter eiseres]:

“Ik kende [J] […] heel goed. […] Ook toen hij in het verpleegtehuis zat ben ik vaak bij hem op bezoek geweest […] Rond de tijd dat hij werd opgenomen was er geen gesprek meer met hem mogelijk […]. […] Hij zat maar voor zich uit te staren, praatte nauwelijks,

er was geen gesprek en geen contact, dat gold met name ook voor de periode dat hij in het verpleegtehuis zat. Wij zijn op 18 juli 2009 voor zijn verjaardag in het verpleegtehuis ge-weest. […] Ook toen reageerde hij nergens meer op […]. Hij zat in een rolstoel […] frie-melde aan het bordje dat aan de rolstoel was vastgemaakt en probeerde zijn sokken uit te trekken […]. […] Naar mijn mening was [J] […] in die periode niet capabel en niet in staat om zijn wil te bepalen, naar mijn mening heeft hij ook niet kunnen begrijpen wat hij deed toen het nieuwe testament werd opgesteld. […] [J] […] [zat] in een gesloten afdeling […] [J] wilde graag naar buiten […] maar dat ging zomaar niet want op de deur zat een codebe-veiliging. Die was echter kinderlijk eenvoudig en als [J] helder van geest geweest zou zijn, zou hij die code zo hebben kunnen intoetsen. Hij was geestelijk de weg kwijt, hij gaf geen enkele uiting jegens mijn kinderen als die erbij waren en als je al deze omstandigheden in aanmerking neemt, weet je naar mijn mening geestelijk niet wat je doet. Ik ben aanwezig geweest en heb het een en ander geregeld in verband met de opname in [verpleeghuis], dat was een spoedopname. Bij de intake hebben [eiseres] en ik met meerdere personen van [verpleeghuis] gesproken […]. Daarna hebben wij ook overleg gehad met […] [T], en zij heeft ons geadviseerd om de onderbewindstelling en het mentorschap van [J] […] snel te regelen […]. Omdat er ook een medische verklaring moest komen heeft zij mij verwezen naar een zekere dokter [specialist ouderengeneeskunde]”.

getuige [specialist ouderengeneeskunde]:

“Ik heb op 1 juli 2009 een rapport uitgebracht […]. In het rapport wordt gesproken over een “helder bewustzijn”. Dat betekent dat het bewustzijn niet beneveld is […]. Wanneer er sprake is van een helder bewustzijn betekent dat dat de patiënt niet slaapt, niet comateus is, er oogcontact is en je iemands aandacht kunt trekken. Je kunt vragen stellen en krijgt dan wel of niet relevante antwoorden, als de patiënt tenminste nog kan praten. Ik kon met [J] […] praten, en uit zijn reactie concludeerde ik dat er sprake was van geheugen- en oriën-tatiestoornissen. In mijn rapport wordt melding gemaakt van de diagnose van GGZ van

juni 2009, waarover ik beschikte en waarin staat dat er sprake was van een gevorderde vasculaire dementie. Vanwege die dementie was hij opgenomen. […]. In het CIZ-rapport was sprake van de zwaarste indicatie die je in geval van dementie kan krijgen. […] De vraag of [J] […] niet, althans onvoldoende begreep wat hij deed, daarop heb ik hem niet onderzocht. Ik spreek uit mijn ervaring in zulke gevallen […] Mijn eerste bezoek aan [[J]] was op 1 juli 2009. […] al 30 jaar houd ik mij ook bezig met rapportages als de onderhavi-ge. […] [verpleeghuis] is in het geheel een gesloten tehuis. In mijn verklaring staat dat [[J]] niet in staat is voor de rechtbank te verschijnen. Op verzoek van […] het kantonge-recht vermeld ik standaard of betrokkene wel of niet kan verschijnen. […] Ik blijf bij mijn eerdere opmerkingen […] Als de betrokken notaris mij destijds om advies gevraagd zou hebben, zou ik hem hebben geadviseerd om niet mee te werken aan het opstellen van het testament, tenzij er ook een bewindvoerder of iets dergelijks bij zou zijn. […] Ik weet […] dat [J] […] diabetes had. Diabetes leidt tot slechte vaten en dat is volgens de diagnose van GGZ de oorzaak van de dementie. […] Bij mijn bezoek aan [J] […] heb ik vastgesteld dat er sprake was van dementie. […] bij vasculaire dementie is er sprake van sprongsgewijze achteruitgang en er kunnen ernstige afwijkingen bestaan naast functies die nog relatief goed intact zijn”.

getuige [maatschappelijk werkster]:

“Ik werk sinds 1981 op [verpleeghuis], een verpleeghuis voor dementerende personen. Vanaf 1992 ben ik daar maatschappelijk werkster. Ik heb destijds de opname van [J] […] geregeld […] Ik heb enige dagen na de opname met [J] […] gesproken, hij was in de war en er was geen gesprek mee te voeren. Je kon wel met hem praten, maar hij gaf rare ant-woorden op vragen die ik hem stelde. […] Na de opname heb ik verder geen bemoeienis meer met [J] […] gehad, op één uitzondering na: voor [J] […] was een zorgpakket 5 ge-regeld, maar dat bleek onvoldoende, [J] […] had veel meer zorg nodig gezien onder meer zijn gedragsproblemen. Ik heb toen geregeld dat er een aanvraag voor zorgpakket 7 kwam. […] [J] […] was een man met vergevorderde dementie, mijns inziens kan zo iemand moei-lijk de consequenties overzien van wat hij doet. Hij zat niet voor niets in het verpleeghuis en was ernstig ziek. Er was bij [J] […] sprake van een vasculair beeld, dat betekent dat hij goede en slechte momenten had, mensen met een dergelijk ziektebeeld zijn echter snel weer alles vergeten van wat ze doen. […] Ik denk dat ik de naam van [specialist ouderengeneeskunde], aan [schoondochter eiseres]

[schoondochter eiseres] heb medegedeeld […]. U houdt mij voor dat in het rapport van [specialist ouderengeneeskunde] staat dat [J] […] niet in staat was om naar behoren zijn financiën te beheren, volgens mij was dat in-derdaad zo op het moment dat ik hem zag. […] U houdt mij voor dat […] [specialist ouderengeneeskunde] in zijn rapport spreekt over een helder bewustzijn […] Zelfs bij een helder bewustzijn kan het zo zijn dat betrokkene na een uur al niet meer weet wat hij heeft gezegd, in het algemeen kun je dat bij een dementie wel zeggen”.

getuige [manager]:

“Mijn kantoor was in de buurt van de afdeling waar [J] […] was opgenomen. Ik zag hem […] regelmatig, omdat hij veel over de gang reed met zijn rolstoel. In die situaties heb ik regelmatig met hem gesproken […]. In die gesprekken die ik met hem voerde ging het er vaak over dat hij naar buiten wilde, naar zijn vee en om voor zijn bedrijf te zorgen. Die ge-sprekjes waren heel wisselend, hij was de ene keer ook helder en de andere keer niet, dat is een beeld dat samenhangt met iemand die vasculaire dementie heeft. Hoewel ik hem regel-matig zag heb ik nooit ervaren dat hij mij herkende. […] Mensen die met een Bopz-verkla-ring worden opgenomen en gedragsproblemen hebben kunnen vaak niet overzien wat ze doen en zeggen, dat gold ook voor [J] […]. Een Bopz-verklaring betekent dat je niet wils-bekwaam bent. Daarover is in de organisatie nooit discussie geweest. […] Gezien de Bopz-verklaring was [J] […] wilsonbekwaam, dat de Bopz-verklaring terecht is afgegeven daar is nooit enige twijfel over geweest. […] [J] […] leefde met de waan van de dag, na 5 of 10 minuten wist hij al niet meer wat hij gedaan of gezegd had”.

getuige [notaris]:

“Ik ben […] benaderd door […] [A], die een relatie is van ons kantoor en wel meer bij ons op kantoor komt als adviseur van cliënten. Hij vroeg mij of ik een testament wilde op-maken voor [J] […] en hij heeft mij aangegeven wat er in moest komen staan. Wat de rela-tie tussen [A] en [J] […] was, kan ik mij niet herinneren. […] ik [heb] een testament-concept opgemaakt en aan [A] toegestuurd met het verzoek om dit met [J] […] door

te nemen. […]. In overleg met [A] heb ik voor het passeren van het testament een af-spraak ingepland in [plaats]. [A] had […] aangegeven dat het voor [J] […] moeilijk was om naar het kantoor te komen. […] Ik kan me niet herinneren of [A] aan mij heeft aan-gegeven dat hij het concept met [J] […] heeft besproken. Ik ben naar [plaats] gegaan, naar het huis van [gedaagde sub 1] […]. Toen ik daar binnen kwam, heb ik het originele legiti-matiebewijs van [J] […] gezien. Ik trof daar aan: [gedaagden] […] en [A]. Voorts was er nog een persoon aanwezig […] Ook [J] […] was er, maar die zat apart in de serre. Ik heb eerst met de familie en met [A] gesproken […] maar niet over de inhoud van het testament […]. Daarna ben ik naar de serre gegaan, samen met [A]. Ik wilde echter eerst alleen met [J] […] spreken en op mijn verzoek heeft [A] de serre toen verlaten. [J] […] werd toen lichamelijk onrustig. […] Ik heb ongeveer drie kwartier met [J] […] gesproken […]. Het was een redelijk normaal gesprek en [J] […] heeft duidelijk aangege-ven wat hij wilde, zowel verbaal als non-verbaal. Ik heb op meerdere manieren aan [J] […] gevraagd of wat er in het testament stond, zijn wil was. Ik heb overigens niet alleen over het testament met hem gepraat, maar ook […] bijvoorbeeld over dieren, want er stonden foto’s met dieren erop en [J] […] had gehandeld in dieren. Ik weet niet of hij zelf heeft verteld dat hij in dieren had gehandeld. Ik heb met hem ook over algemene dingen gesproken om zijn reactie te kunnen beoordelen. […] De KNB heeft een stappenplan opgesteld, dat […] ook kan inhouden dat de notaris een geneeskundige verklaring vraagt. Ik heb het testament verleden, omdat bij mij de overweging was de ministerieplicht in dit geval voor te laten gaan op die aanwijzingen, want er zou anders wellicht te veel tijd verstrijken en wellicht dat in die tijd de toestand van [J] […] zodanig achteruit zou gaan dat hij niet meer in staat zou zijn om nog zijn wil te bepalen en omdat ik van mening was dat [J] […] op dat moment in staat was om zijn wil te bepalen. […] Ik kan mij niet herinneren of in het gesprek met [J] […] over [eiseres] is gesproken. […] [A] heeft mij in het eerste contact verteld dat [J] […] in een zorginstelling zat. Volgens mij heeft hij ook wel gezegd waarom hij daar zat, maar de details daarvan weet ik niet meer. […] Het testament is op kantoor opgemaakt.

Op dat moment was mij nog niet bekend wie er eventueel bij het verlijden van de akte aan-wezig zouden zijn. Daarom is dat ook niet vermeld. […] Vooraf had ik al een kopie van dat legitimatiebewijs ontvangen. […] over het moment waarop ik de akte heb verleden. Op dat moment was [J] […] naar mijn mening in staat zijn wil te bepalen”.

getuige [zoon eiseres]:

“Ik kende [J] […] al […] een jaar of 20. […] In het verzorgingstehuis bezocht ik hem ook, ongeveer één keer per maand […]. […] maar conversatie met hem was nauwelijks moge-lijk. Hij zat voortdurend te frommelen aan de gesp van de riem waarmee hij in de rolstoel vastzat en wilde die losmaken. Als je wat aan hem vroeg, kreeg je eigenlijk nauwelijks rechtstreekse antwoorden. Hij zat meestal binnensmonds te mompelen. Hij gaf regelmatig aan dat hij naar huis terug wilde. Er was in die periode geen gezichtscontact; als hij naar je keek, dan keek hij dwars door je heen. Als je aan hem vroeg of hij een ijsje wilde, dan be-greep hij dat wel, maar een gesprek met hem was niet mogelijk. […] In de gesprekken die ik met hem had, had hij geen heldere momenten. […] In de periode dat hij in het verzor-gingstehuis zat en dat ik hem heb gezien, was [J] […] naar mijn mening niet in staat om naar behoren zijn wil te bepalen en te begrijpen wat hij deed. […] Op 18 juli 2009 is de verjaardag van [J] […] in het verzorgingstehuis gevierd […]. Ook toen zat hij in zijn rol-stoel met zijn blik op oneindig. […] Er was geen contact”.

2.5.

De namens gedaagden gehoorde getuigen in contra-enquête hebben onder meer

als volgt verklaard (waarbij de onderstrepingen door de rechtbank zijn aangebracht):

getuige [schoonzoon gedaagde sub 1]:

“Ik ben als gemachtigde van gedaagde sub 1 aanwezig geweest bij twee getuigenverhoren in deze zaak. Ik ben getrouwd met een dochter van gedaagde sub 1. Met die dochter kreeg ik eind 1984 een relatie en sindsdien kende ik [J] […]. […] Toen [J] […] ongeveer een maand of zes in het verpleegtehuis zat ben ik een aantal keren met [gedaagde sub 1] mee-gegaan en heb [[J]] dus bezocht. Nu ik u mijn verklaring hoor voorlezen, verklaar ik dat die bezoeken al hebben plaatsgevonden in de eerste zes maanden dat hij in het verpleegte-huis zat. Mijn ervaring bij die bezoeken was dat op de momenten dat ik daar was hij helder van geest was en dat je normaal met hem kon communiceren. Hij was vol belangstelling voor zijn familie en vrienden. […] Ik merk […] op dat ik uiteraard alleen kan spreken over de momenten dat ik daar was […]. Bij het opmaken van het testament […] ben ik op geen enkele wijze betrokken geweest […] Ik weet niet of [J] […] dement was. Ik heb ervaren dat hij het vermogen had om zijn familie tot op het laatste moment te kennen en hij wist ook waar hij verbleef. Ik ben destijds betrokken geweest bij de onderbewindstelling van [J] […]. Toen [J] […] nog thuis zat begon de familie zich zorgen te maken over zijn situatie. […] Ik heb mij erin verdiept hoe dat zou moeten en heb in overleg met de familie de ver-zoeken […] ingevuld en door de familie laten ondertekenen. Naar aanleiding van het in-gediende verzoek ben ik aanwezig geweest bij een zitting van de kantonrechter […] Ik heb [J] […] ervaren als iemand die droge opmerkingen kon maken en dat bleef hij ook in het verpleegtehuis doen. Je had daar oogcontact met hem. Je kon normaal met hem converse-ren […]. […] De bezoekjes in het verpleegtehuis vonden meestal in de ochtend plaats. […] Mr. Jansen houdt mij voor de brief van mr. [C] van 21 september 2009, die als productie 23 […] is overgelegd en citeert met name de laatste twee alinea’s, op bladzijde twee […], waarin het gaat zowel over geld als over de geestelijke toestand van [J] […].

Ik heb met die advocaat destijds enige gesprekken gehad. Wat zij daar schrijft klopt volgens mij niet, althans mijn beleving van de situatie is anders. Mij wordt gevraagd hoe ik kan ver-klaren dat, terwijl er op dat moment namens de familie een verzoek tot onderbewindstelling was ingediend en onder meer hetgeen de advocaat van de familie in die brief schrijft, [J] […] ten tijde van het opmaken van het testament in staat geweest zou zijn om zijn wil te bepalen. Ik antwoord daarop dat het verzoek tot onderbewindstelling van de familie was gericht op de zorg die aan [J] […] zou moeten worden verleend en ik herhaal dat ik mijn beleving baseer op de momenten dat ik met hem gesproken heb”.

getuige [vriendin gedaagde sub 2]:

“Ik ben een jaar of vijf bevriend met […] gedaagde sub 2 […]. In de weekenden ben ik bij hem […]. […] In het verpleegtehuis hebben wij [[J]] iedere zaterdag bezocht, soms ook nog op maandag. In het begin dat hij daar zat was hij wat minder, ik bedoel daarmee gees-telijk. […] De eerste weken dat hij daar zat was hij er compleet vanaf, hij zat daar maar voor zich uit te staren, en je kon niet met hem praten. Hij begreep overigens wel wat er gezegd werd. Na die beginperiode ging het beter met hem. […] Die bezoekjes van ons duurden ongeveer anderhalf uur […]. Echt een gesprek kon je eigenlijk niet met hem voe-ren, […] hij liet wel blijken dat hij blij was als je er was. […] Op zeker moment zijn [ge-daagde sub 2] en ik in een rolstoelbus naar het verpleegtehuis gereden en hebben [J] daar opgehaald. […] Wij zijn naar het huis van [gedaagde sub 1] gereden, we hebben [J] daar binnen gereden en in de serre gezet. In de woning waren [gedaagde sub 1] aanwezig en […]

[A], die ik via [gedaagde sub 2] kende. Op zeker moment is er ook een notaris binnen gekomen en die is bij [J] in de serre gaan zitten. [A] heeft daar ook enige tijd bij geze-ten, ik denk een minuut of tien, maar is daarna in de huiskamer terug gekomen. De notaris is bij [J] […] gebleven, ik schat ongeveer een half uurtje. Nadat de notaris was vertrokken zijn wij nog een uurtje daar gebleven […]. Daarna hebben wij [J] terug gebracht naar het verpleegtehuis. Volgens mij was [J] die dag heel goed, waarmee ik bedoel dat hij het fijn vond dat hij mee kon. Hij lachte […]. Hij begreep dat hij naar zijn zus ging, ik kan me niet herinneren dat hij ook over de notaris heeft gesproken. […] Toen wij [J] […] in het ver-pleegtehuis hebben opgehaald hebben we tegen de verpleging gezegd dat we naar zijn zus gingen. Over de notaris is toen niet gesproken. […] Het bezoek aan de zus van [J] en de notaris was de enige keer dat wij [J] […] uit het verpleegtehuis hebben meegenomen”.

getuige [A]:

"In deze kwestie heb ik op 15 februari 2012 een […] verklaring opgesteld […]. […] wat daarin staat klopt. Ik ken [J] […] al heel lang. Begin 2009 heb ik hem een paar keer thuis bezocht […], toen ben ik niet meer geweest totdat ik […] van [een der gedaagden] hoorde dat [J] in een verzorgingstehuis […] was opgenomen. Ik ben hem toen een paar keer daar gaan bezoeken, ik weet niet hoe lang hij daar op dat moment al zat, maar volgens mij op dat moment nog niet echt lang. […] Na de eerste bezoeken was hij wat rustiger geworden […]. Als ik er was, was hij normaal aanspreekbaar, we maakten nog ondeugende grappen, zoals we vroeger ook deden. Mijn bezoekjes duurden […] ik schat een half uurtje […]. Op zeker moment begon hij over een notaris en hij vroeg mij of [een der gedaagden] dat zou […] kunnen regelen. Er moest wat veranderd worden zei hij, het ging om een testament. […]

In het verpleegtehuis heb ik telefonisch contact opgenomen met het kantoor van notaris [...] en gesproken met […] [notaris], om te kijken of we een afspraak konden ma-ken. De notaris vroeg mij om gegevens, zodat zij een concept kon opmaken, met name vroeg zij om de gegevens van [J] […] en wie erfgenaam zouden moeten zijn. [J] heeft toen tegen mij verteld dat [gedaagen] erfgenamen zouden moeten zijn. […] Ik wist dat [J] een relatie had, ik had de naam van [eiseres] een aantal keren gehoord, maar kende haar […] niet. […]. Ik heb van de notaris een concept van het testament ontvangen, met het ver-zoek om dit met [J] door te nemen. Ik ben daarna naar het verpleegtehuis gegaan […] en heb het concept meegenomen en het toen ik bij [J] was uit mijn zak gehaald. Ik zei dat erin stond dat [gedaagden] als enige erfgenamen werden aangewezen, dat vond [J] goed. Het concept zelf heeft [[J]] niet gezien. Ik heb daarna een afspraak gemaakt met de notaris, in de woning van [gedaagde sub 1] in [plaats]. Dat was op een morgen. […] Toen de notaris kwam, kwam zij bij het gezelschap zitten en heeft in zijn algemeenheid wat verteld en daar-na gezegd dat zij alleen met [J] wilde praten. [J] en de notaris zaten in de serre […]. Ik ben eerst mee de serre in gelopen, maar de notaris wilde alleen met [J] praten en ik ben toen weer vertrokken. Ik zag op zeker moment dat [J] onrustig werd en vervolgens heeft de no-taris gevraagd of ik erbij kwam zitten. Ik hoorde de notaris aan [J] vragen: “Weet je zeker dat je je andere broers en zusters uitsluit?” […] Zij heeft dit bij herhaling gevraagd en [J] zei dat hij alleen [gedaagden] als zijn erfgenamen wilde, omdat zij voor hem goed waren geweest. […] De naam van [eiseres] is […] niet aan de orde geweest toen ik er was. Vol-gens mij was [J] […] op dat moment heel goed en heel helder. Hij vertelde ook nog dat ze die morgen langs zijn beestjes waren gereden met de auto. […] Ik heb aan de notaris in het telefoongesprek dat ik vanuit het verzorgingstehuis voerde medegedeeld dat [J] […] in een verzorgingstehuis […] zat. Zij vroeg mij om ook te zorgen voor een verklaring van een arts. Ik probeerde die verklaring te regelen via [gedaagden] en die vertelden mij dat er een arts al een verklaring had opgemaakt en dat die arts niet bereid was om dat nog een keer te doen. Dat heb ik zo aan de notaris medegedeeld. De notaris had mij in dit kader nog medegedeeld dat op dat moment alles nog wel duidelijk was, maar misschien zouden er over tien jaar on-duidelijkheden over kunnen ontstaan […]. Ik heb aan de notaris ook een kopie van de legi-timatie van [J] […] gemaild, dat had ik van [een der gedaagden] gekregen. Ik wist niet wat [J] […] mankeerde. […] De notaris heeft toen hij in de woning in [plaats] was om de legiti-matie van [J] […] gevraagd. Die hebben [gedaagde sub 2 of gedaagde sub 1] […] gegeven […]. [gedaagde sub 2] is weggegaan om een kopie daarvan te maken. […] Uit mijn schrif-telijke verklaring zou men kunnen lezen dat ik de hele tijd aanwezig ben geweest bij het ge-sprek tussen de notaris en [J] […]. Dat is dus niet zo”.

2.6.

Voormelde brief van [P] d.d. 25-6-2013 houdt onder meer in:

“Het gaat in deze zaak om het begrip ‘wils(on)bekwaamheid” […] In dit advies maak ik gebruik van de handreiking voor verpleeghuisartsen en sociaal geriaters: “Beginselen en vuistregels bij wilsonbekwaamheid bij oudere cliënten met een complexe zorgvraag” […]. […] Deze handreiking hoort bij de KNMP modelrichtlijn “Van Wet naar Praktijk” […]. Deze behoort weer tot een samenhangend geheel van rapporten en adviezen dat tot doel heeft de […] (WGBO) te implementeren in de zorgpraktijk. Dit alles […] sluit geheel aan bij deze zaak over wils(on)bekwaamheid bij het tekenen van een testament. […] Dat blijkt ook uit de aanwezigheid van het “Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening” […]

CONCLUSIE […]

Er was een overvloed aan indicatoren, observaties en zorgbeslissingen (ook op niet medisch gebied: financieel beheer), in de weken direct voor tekening van het testament in 2009 en ook op de dag zelf, dat er zekerheid bestaat over het bestaan van gerede twijfel aan de wils-bewaamheid van [[J]]. In dergelijke omstandigheden dient een wils(on)bekwaamheid sys-tematisch, zoveel mogelijk objectief en medisch vastgesteld (wel of niet) te worden op het moment/ten tijde van de beslissing i.c. ondertekening testament. Dat is niet het geval ge-weest. Er is sprake geweest van een beslissing met (mogelijk) ernstig gevolg […]. In der-gelijke omstandigheden […] dient een expliciete beoordeling plaats te vinden, al of niet

met een psychiatrisch/geriatrisch onderzoek. Dat is niet gebeurd. […] Uitgangspunt is dat iemand wilsbekwaam is totdat het tegendeel blijkt. Bij [[J]] heeft geen expliciete beoor-deling (al of niet met een nader specialistisch onderzoek) plaatsgevonden bij de gebeurtenis van het ondertekenen van een testament. [[J]] was dus bij het tekenen van het testament in juli 2009 wilsbekwaam. […] [P], neuroloog n.p.”

2.7.

Voormelde brief van [specialist ouderengeneeskunde] d.d. 7-10-2013 houdt onder meer in:

“U heeft mij voorgehouden dat de wederpartij thans de navolgende […] standpunten heeft ingenomen die ik cursief heb weergegeven. U heeft mij gevraagd kort […] te reageren […].

1) U zou bij gelegenheid van uw verklaring op 1 juli 2009 geen diagnose hebben gesteld en zijn afgegaan op de “diagnose” van […] [M] en […] [V] van GGZ Oost-Brabant. [M] en [V] zouden geen arts/deskundige op het gebied van het stellen van een diagnose op grond van dementie zijn en daarnaast is maar de vraag of er überhaupt een diagnose is gesteld en zo ja wat die diagnose is geweest.

In deze kwestie zou uw notering van gevorderde vasculaire dementie in uw verklaring van 1 juli 2009 moeten worden aangemerkt als een indicatie en géén diagnose, aldus de wederpartij;

Reactie [specialist ouderengeneeskunde]: Ik heb aangegeven dat […]. Het is bij een dergelijke beoordeling niet de bedoeling om een diagnose te stellen volgens de gebruikelijke richtlijnen voor diag-nostiek, dat is immers al gedaan en gegeven. Het is de bedoeling om de diagnose te be-vestigen en vooral of deze ook leidt tot de omstandigheid dat de betrokkene niet meer de juiste zaken aan elkaar kan verbinden om tot oordelen te komen. […] [M] en […] [V] van GGZ Oost-Brabant zijn medewerkers van een gerenommeerd en ter zake deskundige instelling voor de dementie diagnostiek.

2) 6 dagen voor opname van [[J]] is een indicatiebesluit factor 5 […] afgegeven dat op grond van artikel 60 BOPZ na opname in [verpleeghuis] is gewijzigd van 5 in vv 07. Als vasculaire dementie de grond is voor het verhogen van de indicatie is dat niet mogelijk binnen 6 dagen, aldus de wederpartij;

Reactie [specialist ouderengeneeskunde]: Dit is een redenering die elke grond mist. Voor een ZZP 5 en 7 zijn beiden een afgeronde diagnostiek van dementie noodzakelijk waarbij de ernst van de gedragsstoornissen en de zorg die daarbij nodig is, aangeeft welke zzp noodzakelijk is en niet de nosologische diagnostiek (Alzheimer, vasculaire of een andere vorm).

3) Op grond van de verklaring van […] [P] d.d. 25 juni 2013 […] oordeelt de weder-partij dat er gerede twijfel is om aan de wilsbewaamheid van [[J]] te twijfelen doch dat medisch gezien als uitgangspunt dient te gelden dat iemand wilsbewaam is totdat het tegendeel is gebleken en dat daarvan in deze situatie geen sprake is.

Reactie [specialist ouderengeneeskunde]: […] Dat vanuit medisch perspectief […] het adagium geldt dat ie-mand wilsbewaam wordt geacht tenzij, is in het algemeen zo maar daaraan kun je nog niet voor dit specifieke geval consequenties verbinden. […] Op 7 januari 2013 heb ik de rechter reeds uitgelegd dat als het om ingewikkelde zaken gaat in een dergelijke situatie als waarin [[J]] zich bevond het vermogen mist om zijn wil te bepalen en te verklaren. Het bepalen van de laatste wil beschouw ik als een dergelijke ingewikkelde zaak […].[…] Het onderzoek in medisch psychiatrische zin was wel degelijk gedaan door GGZ Oost-Brabant (gevorderde Vasculaire Dementie), aangezien het geen voorbijgaande maar progressieve ziekte betreft is een herhaling van de diagnostiek op dat moment onzinnig”.

2.8.1.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres is geslaagd in het aan haar opgedragen bewijs dat [J] op 24-7-2009, ten tijde van het ondertekenen van het testament, niet, althans onvoldoende, begreep wat hij deed en het vermogen miste zijn wil - zoals neergelegd in dit testament - te bepalen en te verklaren. Hierbij is het volgende in aanmerking genomen.

2.8.2.

Niet in geschil is dat [J] op 24-7-2009 77 jaar oud was en kort daarvoor, en wel

in juni 2009, op grond van artikel 60 van de Wet Bijzondere opneming psychiatrische zie-kenhuizen (Wet Bopz) was opgenomen in een verpleegtehuis voor dementerende personen ([verpleeghuis] te [plaats]), alwaar hij verbleef op een gesloten afdeling.

De grondslag voor deze opname was gelegen in het feit dat [J] geestelijke problemen had

in combinatie met gedragsproblemen als gevolg van een dementieel beeld. Zulks volgt uit de onweersproken inhoud van het als productie 4 bij dagvaarding overgelegde besluit onder-zoek toepassing artikel 60 Wet Bopz d.d. 25-6-2009 van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) gericht aan [J], en het indicatiebesluit d.d. 25-6-2009 van het CIZ gericht aan [J] met bijlagen. Deze stukken houden onder meer in dat:

- op 22-6-2009 door of namens [J] een aanvraag is gedaan voor (tijdelijk) verblijf

in een instelling;

- op 23-6-2009 een medewerker van het CIZ bij [J] thuis is geweest en toen is onderzocht of verblijf op grond van artikel 60 Wet Bopz voor hem noodzakelijk was;

- het CIZ het vervolgens noodzakelijk vond dat [J] werd opgenomen in een Wet Bopz aangemerkte instelling omdat hij zich daarbuiten niet kon handhaven;

- omdat [J] niet kon aangeven of hij daartoe bereid was of zich daartegen verzette en dit ook niet op een andere manier duidelijk had gemaakt, het CIZ heeft besloten dat het verblijf van [J] op grond van artikel 60 Wet Bopz kon plaatsvinden;

- [J] recht had op AWBZ-zorg omdat sprake is van een psychogeriatrische en een somati-sche aandoening;

- de begindatum voor deze zorg 22-6-2009 was en de einddatum 22-9-2009 en het zorg-zwaartepakket 7 was en dit beschermd wonen betreft met zeer intensieve zorg;

- volgens het CIZ de belangrijkste reden dat [J] deze zorg nodig had zijn psychische aan-doening was en de grondslag voor zijn zorg psychogeriatrisch was;

- [J] deze zorg krijgt omdat hij geestelijke problemen heeft in combinatie met gedrags-problemen als gevolg van een dementieel beeld;

- de indicatie van het CIZ voor 3 maanden wordt afgegeven zodat binnen deze periode

meer duidelijkheid gegeven kan worden ten aanzien van de diagnostiek.

Er zijn geen omstandigheden gesteld en/of gebleken waaruit volgt dat, voor zover al mogelijk, bezwaar en/of beroep tegen deze besluiten van het CIZ is ingesteld en/of dat

de hiervoor omschreven zorg of het hiervoor omschreven (zwaarste) zorgzwaartepakket (7) na de einddatum, 22-9-2009, is gewijzigd naar een lager zorgzwaartepakket.

Getuige [maatschappelijk werkster] heeft onweersproken verklaard dat wanneer sprake is van een zorgpakket 5 of 7 het altijd gaat om personen met dementie, en die zorgpakketten dus niet zijn gebaseerd op lichamelijke aandoeningen. Deze getuige weet dat [J] ook lichamelijke problemen had, maar die zijn, aldus deze getuige, “dus niet van invloed geweest op de vaststelling van dit zorg-pakket”.

2.8.3.

Gedaagden hebben ter afwering van de stelling dat [J] op 24-7-2009 niet in staat was om zijn wil te bepalen onder meer aangevoerd dat [specialist ouderengeneeskunde] op 1-7-2009 heeft verklaard dat [J] toen een helder bewustzijn had. Uit de verklaring van [specialist ouderengeneeskunde] als getuige blijkt nu

dat hij met de term “helder bewustzijn” in deze verklaring niet heeft bedoeld aan te geven dat [J] op 1-7-2009 in staat was zijn wil te bepalen, maar dat het bewustzijn van [J] toen niet beneveld was. Wanneer er sprake is van een helder bewustzijn betekent dit, aldus getuige [specialist ouderengeneeskunde]: “dat de patiënt niet slaapt, niet comateus is, er oogcontact is en je iemands aandacht kunt trekken. Je kunt vragen stellen en krijgt dan wel of niet relevante antwoorden, als de patiënt tenminste nog kan praten”. Uit de omstandigheid dat [specialist ouderengeneeskunde] op 1-7-2009 heeft verklaard dat [J] toen een helder bewustzijn had, kan derhalve niet worden geconcludeerd dat [J] toen (ook vol-gens [specialist ouderengeneeskunde]) in staat was zijn wil te bepalen.

2.8.4.

Eiseres heeft zichzelf als getuige doen horen. Haar verklaring houdt, kort gezegd, in dat [J] op 24-7-2009, ten tijde van het ondertekenen van het testament, niet, althans on-voldoende, begreep wat hij deed en het vermogen miste zijn wil - zoals neergelegd in dit testament - te bepalen en te verklaren. [J] was volgens eiseres als getuige in de periode dat hij in het verpleegtehuis verbleef (en dat was het geval op 24-7-2009) nauwelijks nog aan-spreekbaar. Als eiseres - die [J] goed kende en hem dagelijks bezocht - iets tegen hem zei

in die periode zou zij niet kunnen zeggen of [J] dat begreep.

De verklaring van eiseres als getuige betreft een partijgetuigenverklaring met beperkte bewijskracht. Ingevolge de wet (artikel 164 Rv) kan deze verklaring omtrent door eiseres

te bewijzen feiten en omstandigheden geen bewijs in haar voordeel op, tenzij deze strekt

ter aanvulling van onvolledig bewijs. Hiervan is sprake als er aanvullende bewijzen voor-handen zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de verkla-ring van deze partijgetuige voldoende geloofwaardig maken.

2.8.5.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van voldoende aanvullend bewijs in voormelde zin, met name gelet op de hiervoor verkort aangehaalde verklaringen van de getuigen [specialist ouderengeneeskunde], [maatschappelijk werkster] en [manager] alsmede de brief van [specialist ouderengeneeskunde] d.d. 7-10-2013.

Uit deze bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [J] op 24-7-2009, ten tijde van het ondertekenen van het testament, niet, althans onvoldoende, begreep wat hij deed en het vermogen miste zijn wil - zoals neer-gelegd in dit testament - te bepalen en te verklaren.

Getuige [...] is specialist ouderengeneeskunde. Hij heeft [J] op 1-7-2009 bezocht en gesproken en geconcludeerd dat er toen sprake was van geheugen- en oriëntatiestoornissen en wel zodanig dat hij [J] toen niet in staat achtte voor de rechtbank te verschijnen. Volgens deze getuige zou hij de notaris, als die hem destijds om advies zou hebben gevraagd, hebben geadviseerd niet mee te werken aan het opstellen van het litigieuze testament, tenzij er ook een bewindvoerder of iets dergelijks bij zou zijn, hetgeen niet het geval is geweest. Volgens de brief van [specialist ouderengeneeskunde] d.d. 7-10-2013 is zowel voor zorgzwaartepakket 5 als 7 een afgeronde diagnostiek van dementie noodzakelijk en was die diagnose (gevorderde vasculaire demen-tie) aangaande [J] al vóór 1-7-2009 verricht door GGZ Oost-Brabant ([M] en [V]). [specialist ouderengeneeskunde] heeft vervolgens deze diagnose bevestigd en vastgesteld dat deze diagnose leidt tot de omstandigheid dat [J] niet meer de juiste zaken aan elkaar kan verbinden om tot oordelen te komen. Volgens deze brief heeft [specialist ouderengeneeskunde] op 7 januari 2013 al aan de rechter uitgelegd dat “als het om ingewikkelde zaken gaat in een dergelijke situatie als waarin [[J]] zich bevond het vermogen mist om zijn wil te bepalen en te verklaren. Het bepalen van de laatste wil beschouw ik als een dergelijke ingewikkelde zaak”.

Getuige [maatschappelijk werkster] is maatschappelijk werkster bij [verpleeghuis]. Ook zij heeft [J] in

de te dezen relevante periode gezien en gesproken. Volgens haar was hij enige dagen na de opname in het verpleegtehuis (in juni 2009) in de war en was er geen gesprek met hem te voeren. Je kon, aldus [maatschappelijk werkster], wel met [J] praten, maar hij gaf rare antwoorden op vragen die zij hem stelde. Bij [J] was volgens [maatschappelijk werkster] sprake van vergevorderde dementie. [J] was volgens haar ernstig ziek. [maatschappelijk werkster] heeft na de opname van [J] in juni 2009 gezorgd voor verzwaring van zijn zorgpakket van 5 naar 7 en wel omdat [J] veel meer zorg nodig had dan aanvankelijk ingeschat, onder meer vanwege zijn gedragsproblemen. Deze omstan-digheid duidt niet op een verbetering van de situatie van [J] na juni 2009 (toen hij in de war was en er geen gesprek met hem te voeren was).

Getuige [...] is manager bij [verpleeghuis] en heeft [J] ook in de te dezen rele-vante periode gezien. Hoewel zij hem regelmatig zag, heeft zij nooit ervaren dat hij haar herkende. Volgens haar kon [J] niet overzien wat hij deed en zei en leefde hij met de waan van de dag. Na 5 of 10 minuten wist [J] volgens deze getuige al niet meer wat hij had ge-daan of gezegd.

Er zijn geen omstandigheden gesteld en/of gebleken waaruit volgt dat deze drie getuigen enig belang (kunnen) hebben bij toe- of afwijzing van de vorderingen en/of gelieerd zijn

aan een der partijen.

2.8.6.

De verklaringen van deze drie getuigen worden overigens bevestigd door de hiervoor verkort aangehaalde verklaringen van eiseres en haar zoon en schoondochter

(die wel belang - kunnen - hebben bij toewijzing van de vorderingen).

2.8.7.

De omstandigheid dat getuige [notaris], kort gezegd, heeft verklaard dat [J]

ten tijde van het verlijden van het litigieuze testament wel, althans voldoende, begreep wat hij deed en het vermogen had zijn wil - zoals neergelegd in dit testament - te bepalen en te verklaren, doet geen, althans onvoldoende, afbreuk aan de overtuiging van de rechtbank op grond van voormelde bewijsmiddelen dat zulks niet het geval was. Hierbij is het volgende

in aanmerking genomen.

Getuige [notaris] heeft een eigen belang bij afwijzing van de vorderingen. Het was haar ten tijde van het afleggen van haar verklaring bekend dat eiseres het litigieuze testament niet rechtsgeldig achtte wegens wilsonbekwaamheid van [J]. Een klacht van eiseres jegens deze getuige op die grond bij de Kamer van Toezicht dreigde en is nadien ook ingediend.

Voorts is de verklaring van getuige [notaris] omtrent de geestelijke gezondheidstoestand van [J] op 24-7-2009 van beperkte waarde. Er zijn geen omstandigheden gesteld en/of gebleken waaruit volgt dat deze getuige, anders dan de hiervoor aangehaalde getuigen, toen over specifieke kennis en/of vaardigheden beschikte om die adequaat te kunnen beoordelen.

Daar komt bij dat deze getuige, gelet op haar verklaring, slechts eenmaal contact met [J] heeft gehad en wel uitsluitend op 24-7-2009 kort voor en tijdens het verlijden van het tes-tament. Gedurende deze korte tijd heeft zij, gelet op haar verklaring, opgemerkt dat [J], waarvan zij toen wist dat hij in een zorginstelling verbleef, toen zij alleen met hem was, “lichamelijk onrustig” werd. Het gesprek dat zij vervolgens met [J] voerde betitelt zij als (slechts) “redelijk normaal”. Zij heeft vervolgens haar ministerieplicht in dit geval voor laten gaan op de aanwijzingen van de KNB om een geneeskundige verklaring aangaande [J] op te vragen, “want er zou anders”, aldus deze getuige, “wellicht te veel tijd verstrijken en wellicht dat in die tijd de toestand van [J] […] zodanig achteruit zou gaan dat hij niet meer in staat zou zijn om nog zijn wil te bepalen”. Gelet op voormelde door deze getuige zelf aangehaalde omstan-digheden van het geval acht de rechtbank haar mening dat [J] op 24-7-2009, kort gezegd, (desondanks) wilsbekwaam was, niet zodanig overtuigend feitelijk en concreet onderbouwd, dat deze afbreuk doet aan haar overtuiging op grond van de onder 2.8.5 aangehaalde bewijs-middelen.

Tot slot maken ook de hierna aan te halen discrepanties tussen de verklaringen van getuigen [A] en [notaris] dat de rechtbank aanleiding ziet ten aanzien van de verklaring van getuige [notaris] (en [A]) de nodige terughoudendheid te betrachten.

2.8.8.

De verklaringen van de in contra-enquête gehoorde getuigen en/of de brief van [P] d.d. 2-6-2013 ontzenuwen de overtuiging van de rechtbank op grond van de onder 2.8.5 opgesomde bewijsmiddelen, dat, kort gezegd, [J] op 24-7-2009 wilsonbe-kwaam was, niet. Hierbij is het volgende in aanmerking genomen.

2.8.8.1. De rechtbank ziet aanleiding ten aanzien van de verklaringen van de in contra-enquête gehoorde getuigen de nodige terughoudendheid te betrachten.

Er zijn geen omstandigheden gesteld en/of gebleken waaruit volgt dat de in contra-enquête gehoorde getuigen over specifieke kennis en/of vaardigheden beschikten om de geestelijke gezondheidstoestand van [J] in de te dezen relevante periode adequaat te kunnen beoor-delen. De rechtbank moet er derhalve van uitgaan dat deze ontbrak. De waarde van hun verklaringen aangaande deze toestand is derhalve beperkt.

Twee van deze drie in contra-enquête gehoorde getuigen zijn gelieerd met (een der) gedaag-den; [schoonzoon gedaagde sub 1] is getrouwd met de dochter van gedaagde sub 1 en [...] is de vriendin van gedaagde sub 2.

Het is onzeker of getuige [schoonzoon gedaagde sub 1] contact heeft gehad met [J] in de te dezen relevante periode. Hij heeft immers verklaard: “Toen [J] […] ongeveer een maand of zes in het verpleeg-tehuis zat ben ik een aantal keren met mijn schoonmoeder meegegaan en heb hem dus bezocht. Nu ik u mijn verklaring hoor voorlezen, verklaar ik dat die bezoeken al hebben plaatsgevonden in de eerste zes maanden dat hij in het verpleegtehuis zat”.

Getuige [schoonzoon gedaagde sub 1] is als gemachtigde van gedaagde sub 1 aanwezig geweest bij twee ge-tuigenverhoren in deze zaak.

Getuige [schoonzoon gedaagde sub 1] is (onder meer) namens gedaagde sub 1 betrokken geweest bij de onder-bewindstelling aangaande [J]; hij heeft in dat kader gesprekken gevoerd met mr. [C]. Mr. [C] heeft namens gedaagde sub 1 per brief d.d. 21-9-2009 aan de kanton-rechter meegedeeld (aangaande - onder meer - het verzoek tot onderbewindstelling van ge-daagden aangaande [J]) (zie prod. 23 van eiseres): “[Gedaagde sub 1] is zich ervan bewust dat [[J]] zelf heeft aangegeven dat “het niet goed is als [gedaagde sub 1] voor zijn geld gaat zorgen” en dat “[eiseres] goudeerlijk is en voor zijn geld gaat zorgen”. [Gedaagde sub 1] is echter van mening dat de voorkeur van [[J]] in deze niet zou moeten worden gevolgd […]. Allereerst heeft [gedaagde sub 1] reden te twijfelen aan de waarde die gehecht kan worden aan de verklaring van [[J]], gelet

op diens geestelijke toestand. Niet alleen heeft [[J]] regelmatig een verlaagd bewustzijn en is hij

erg verward, ook is hij – mede door dit verlaagde bewustzijn en deze verwarring – bijzonder gevoelig voor manipulaties”. De inhoud van deze brief van mr. [C] en de verklaring van ge-tuige [schoonzoon gedaagde sub 1] aangaande de geestelijke gezondheid van [J] destijds zijn op zijn zachtst gezegd moeilijk met elkaar te rijmen.

De verklaring van getuige [vriendin gedaagde sub 2] draagt naar het oordeel van de rechtbank eer-der bij aan het bewijs dan aan het tegenbewijs. Deze getuige heeft over [J] in de te dezen relevante periode verklaard: “In het verpleegtehuis hebben wij hem iedere zaterdag bezocht […]. In het begin dat hij daar zat was hij wat minder, ik bedoel daarmee geestelijk. […] De eerste weken dat hij daar zat was hij er compleet vanaf, hij zat daar maar voor zich uit te staren, en je kon niet met hem praten. Hij begreep overigens wel wat er gezegd werd. Na die beginperiode ging het beter met hem. […] Echt een gesprek kon je eigenlijk niet met hem voeren, […] hij liet wel blijken dat hij blij was als je er was. […] Volgens mij was [J] die dag [rechtbank: 24-7-2009] heel goed, waarmee ik bedoel dat hij het fijn vond dat hij mee kon. Hij lachte […]. Hij begreep dat hij naar zijn zus ging, ik kan me niet herinneren dat hij ook over de notaris heeft gesproken. […] Toen wij [J] […] in het ver-pleegtehuis hebben opgehaald hebben we tegen de verpleging gezegd dat we naar zijn zus gingen. Over de notaris is toen niet gesproken. […] Het bezoek aan de zus van [J] en de notaris was de enige keer dat wij [J] […] uit het verpleegtehuis hebben meegenomen”.

De positie van [A] (ten opzichte van [J], gedaagden en getuige [notaris]) is de rechtbank niet duidelijk geworden. Eiseres, die [J] lang en goed kende, heeft verklaard dat zij [A] in het geheel niet kent en nooit van hem heeft gehoord. Getuige [notaris] heeft verklaard dat [A] een relatie van haar kantoor is. Verder heeft zij verklaard dat zich niet te kunnen herinneren wat de relatie tussen [A] en [J] was. Getuige [vriendin gedaagde sub 2] heeft verklaard dat zij [A] kent via gedaagde sub 2. Getuige [A] heeft op zijn beurt verklaard dat op 24-7-2009 “ook een mevrouw aanwezig [was] die hier in de zaal zit en ik hoor u zeggen dat zij mevrouw [...] heet”, waaruit de rechtbank opmaakt dat getuige [vriendin gedaagde sub 2] [A] wel kent, maar [A] getuige [vriendin gedaagde sub 2] niet. Getuige [A] zelf heeft verklaard dat hij [J] (en gedaagden) al heel lang kende. Deze onduidelijkheid omtrent de positie van [A] klemt, temeer daar [A] volgens de verklaringen van hemzelf en getuige [notaris] een grote rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van het litigieuze testament.

Tot slot merkt de rechtbank op dat ook discrepanties in de verklaringen van getuige [notaris] en [A] maken dat zij aanleiding ziet ten aanzien daarvan de nodige terughou-dendheid te betrachten. Deze discrepanties doen afbreuk aan de geloofwaardigheid van

deze verklaringen. Hierna volgens enkele voorbeelden van dergelijke discrepanties.

Getuige [A] heeft verklaard dat hij niet wist wat [J] mankeerde. Getuige [notaris] heeft verklaard dat [A] haar in het eerste contact met haar heeft verteld

dat [J] in een zorginstelling zat en haar ook heeft gezegd “waarom hij daar zat, maar de details daarvan weet ik niet meer”.

Getuige [notaris] heeft verklaard dat zij op 24-7-2009 in Uden het originele legitimatiebewijs van [J] heeft gezien “en aan de hand daarvan de identiteit van [J] [heeft] vast-gesteld. Vooraf had ik al een kopie van dat legitimatiebewijs ontvangen”. Getuige [A] heeft verklaard dat [notaris] voor 24-9-2009 aan hem om gegevens heeft gevraagd, “zodat zij een concept kon opmaken, met name vroeg zij om de gegevens van [J] […] en wie erfgenaam zou-den moeten zijn. Die gegevens zijn later per mail aan […] [notaris] doorgegeven. […] Ik heb aan [[notaris]] ook een kopie van de legitimatie van [J] […] gemaild”. Getuige [A] heeft ver-der verklaard dat [notaris] op 24-7-2009 in [plaats] om de legitimatie van [J] heeft ge-vraagd en dat een der gedaagden die daarop aan [notaris] heeft gegeven en dat gedaagde sub 2 is weggegaan om daarvan een kopie te maken. Gedaagde sub 2 heeft ter comparitie verklaard dat hij toen is weggegaan (met de auto of met de fiets) om een kopie te gaan maken van het identiteitsbewijs van [J] omdat de notaris daarom had gevraagd.

Getuige [notaris] heeft verklaard dat toen zij op 24-7-2009 in het huis van ge-daagde sub 1 aankwam, [A] al aanwezig was en er afschriften van de testamenten van [J] van 2003 en 2005, of kopieën daarvan, op tafel lagen. Letterlijk heeft zij verklaard: “Toen ik in het huis van [gedaagde sub 1] kwam, lagen afschriften van de testamenten van 2003 en 2005, of kopieën daarvan, op tafel. Ik heb die toen ingezien”. Getuige [A] heeft verklaard dat hij niet op de hoogte was van eventuele eerdere testamenten van [J]. Hij heeft verklaard: “De notaris heeft in de bespreking de namen van zijn [Jans] broers en zussen genoemd en daaruit concludeer ik dat er sprake was van een eerder testament. Volgens mij had die notaris ook die eerdere testamenten bij zich, maar ik heb daar niets van gezien”.

Getuige [notaris] heeft over 24-7-2009 verklaard: “Ik ben naar [plaats] gegaan, naar het huis van [gedaagde sub 1] […]. […]. Ik trof daar aan: de broer van [J] […], een zus van [J] […] en [A]. Voorts was er nog een persoon aanwezig […] Ook [J] […] was er, maar die zat apart in de serre. Ik heb eerst met de familie en met [A] gesproken […] maar niet over de inhoud van het testament […]. Daarna ben ik naar de serre gegaan, samen met [A]. Ik wilde echter eerst alleen met [J] […] spreken en op mijn verzoek heeft [A] de serre toen verlaten. [J] […] werd toen li-chamelijk onrustig. […] Ik heb ongeveer drie kwartier met [J] […] gesproken”. Getuige [A] heeft verklaard: “In deze kwestie heb ik op 15 februari 2012 een […] verklaring opgesteld […]. Ik heb die verklaring […] nog eens doorgelezen en wat daarin staat klopt”. Deze verklaring houdt in: “[notaris], is toen op 24 juli, […] gekomen naar het huis van [gedaagde sub 1]. Ik was daar ook […]. [Gedaagden] moesten weg voor de notaris en [J] vroeg of ik er bij mocht zijn. [Gedaagden] zijn toen naar buiten gegaan”. Als getuige heeft [A] verklaard: “Toen de notaris kwam, kwam zij bij het gezelschap zitten en heeft in zijn algemeenheid wat verteld en daarna gezegd dat zij alleen met [J] wilde praten. [J] en de notaris zaten in de serre […]. Ik ben eerst mee de serre in gelopen, maar de notaris wilde alleen met [J] praten en ik ben toen weer vertrokken”.

2.8.8.2. De rechtbank is van oordeel dat de brief van [P] d.d. 25-6-2013, daar waar deze inhoudt dat er “een overvloed aan indicatoren, observaties en zorgbeslissingen (ook op niet medisch gebied: financieel beheer), [was], in de weken direct voor tekening van het testament in 2009 en ook op de dag zelf, dat er zekerheid bestaat over het bestaan van gerede twijfel aan de wilsbewaamheid van [[J]]”, eerder bijdraagt aan het bewijs dan aan het tegenbewijs.

De rechtbank deelt, gelet op al het eerder overwogene, niet de conclusie van [P] in deze brief dat [J] op 24-7-2009 wilsbekwaam was omdat het tegendeel niet is gebleken (via “expliciete beoordeling (al of niet met een nader specialistisch onderzoek) […] bij

de gebeurtenis van het ondertekenen van een testament”).

2.9.

De rechtbank zal, gelet op al het eerder overwogene, de gevorderde verklaring voor recht dat, kort gezegd, het testament van 24-7-2009 nietig is ingevolge artikel 3:34 BW, toe-wijzen. De stellingen kunnen deze vordering dragen, terwijl het verweer daartegen faalt.

2.10.

Nu het laatste testament van [J] van 24-7-2009 nietig is en niet in geschil is

dat eiseres ingevolge het op een na laatste testament van [J], verleden op 30-1-2008 door notaris mr. [O], thans enig erfgename is van de gehele nalatenschap van [J],

en geen omstandigheden zijn gesteld en/of gebleken waaruit volgt dat dit op een na laatste testament thans niet geldt, zal de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht dat eiseres erfgename is van [J] op basis van het testament d.d. 30-1-2008 verleden door notaris

mr. [O], toewijzen. De stellingen kunnen dit deel van de vordering dragen, terwijl het verweer daartegen faalt.

De gevorderde verklaring voor recht dat eiseres erfgename “bij versterf” is van [J] op basis van dit testament, zal de rechtbank afwijzen. Voor de toewijsbaarheid daarvan is geen grond gesteld en/of gebleken.

2.11.

De rechtbank zal de gevorderde nietigverklaring of vernietiging van de verklaring voor erfrecht welke in verband met het overlijden van [J] is opgemaakt en waarin gedaag-den op basis van het testament van 24-7-2009 bevoegd en gerechtigd zijn verklaard om te beschikken over alle tot de nalatenschap van [J] behorende zaken, gelden en vorderingen, afwijzen. Weliswaar staat vast dat het testament van 24-7-2009 nietig is en de inhoud van deze verklaring voor erfrecht dus onjuist is, maar een rechtsgrond voor de gevorderde nietigverklaring of vernietiging van deze verklaring ontbreekt.

2.12.

De rechtbank komt thans toe aan de beoordeling van de vordering om gedaagden

te veroordelen om op eerste schriftelijke oproep van eiseres binnen tien dagen na die oproep mee te werken aan het doen van een volledig onderbouwde opgave en afdracht aan eiseres van de gehele nalatenschap van [J], zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van “€ 2.500,-- per (gedeelte van een) dag dat [gedaagden] hieraan geen medewerking verleent zulks met een maximum tot € 500.000,00”. Eiseres heeft gesteld (zie dgv. sub 1.16) dat zij inschat dat de nalatenschap van [J] een waarde vertegenwoordigt van circa € 775.000,--. Gedaagden heb-ben op dit punt niets gesteld.

De rechtbank zal de onderhavige vordering toewijzen als na te melden, nu de stellingen dit deel van de vordering kunnen dragen en daartegen geen verweer is gevoerd, en het ter zake meer of anders gevorderde afwijzen. Hierbij is het volgende in aanmerking genomen.

Niet gesteld en/of gebleken is wat eiseres precies bedoelt met een volledig “onderbouwde” opgave van de nalatenschap van [J]. De onduidelijkheid op dit punt kan bij toewijzing leiden tot executieproblemen. Gedaagden zullen daarom “slechts” worden veroordeeld

mee te werken aan het doen van een volledige opgave van de gehele nalatenschap van [J].

De gevorderde termijn van tien dagen zal worden afgewezen nu deze erg kort voorkomt voor volledige opgave én afdracht. In plaats daarvan zal een termijn van dertig dagen worden toegewezen.

Nu ingevolge artikel 611a Rv een dwangsom niet kan worden opgelegd in geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom en onduidelijk is in hoeverre de veroordeling

tot afdracht een veroordeling tot betaling van een geldsom inhoudt, zal de gevorderde dwangsom slechts worden toegewezen als na te melden. De rechtbank zal aan de dwang-somveroordeling de in het dictum opgenomen clausule verbinden (vgl. M.B. Beekhoven Van den Boezem, De dwangsom, Serie Burgerlijk Proces & Praktijk V, nr. 8.4.2.4).

2.13.

De vordering ter zake van beslagkosten is, gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv, toewijsbaar voor zover het betreft het conservatoire beslag op de onroerende zaak. De kosten van dit beslag worden begroot op € 292,00 voor verschotten en € 2.580,00 voor salaris advocaat.

De vordering ter zake van beslagkosten zal voor het overige worden afgewezen. Deze vordering heeft betrekking op conservatoire derdenbeslagen, ten aanzien waarvan niet beoordeeld kan worden of deze al dan niet nietig, onnodig en/of onrechtmatig zijn.

Hierbij is in aanmerking genomen dat ter zake van deze beslagen niet alle beslagstukken zijn overgelegd en met name stukken ontbreken waaruit kan volgen dat eiseres (op straffe van nietigheid) binnen acht dagen na het instellen van de eis in de hoofdzaak een afschrift van de dagvaarding aan de derden heeft betekend.

2.14.

Gedaagden zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proces-kosten worden veroordeeld als na te melden. De kosten aan de zijde van eiseres worden begroot op:

- dagvaarding € 90,81

- overige explootkosten 0,00

- griffierecht 267,00

- getuigenkosten 1.577,50

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 12.900,00 (5 punten × tarief € 2.580,00)

totaal € 14.835,31.

2.15.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot.

De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

3 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart voor recht dat eiseres de erfgenaam is van de op 8-5-2010 overleden

[J] op basis van het testament d.d. 30-1-2008 verleden door notaris

mr. [O];

- verklaart voor recht dat het op 24-7-2009 verleden testament door kandidaat-notaris

[notaris] nietig is wegens een geestelijke stoornis van [J]

ex artikel 3:34 BW waardoor gedaagden niet de erfgenamen (bij versterf) zijn

van de op 8-5-2010 overleden [J];

- veroordeelt gedaagden om op eerste schriftelijke oproep van eiseres binnen dertig dagen

na die oproep mee te werken aan het doen van een volledige schriftelijke opgave van

en afdracht aan eiseres van de gehele nalatenschap van [J];

  • -

    veroordeelt gedaagden om aan eiseres een dwangsom te betalen van € 2.500,00:

  • -

    voor iedere dag dat zij niet aan de hoofdveroordeling tot het doen van een volledige

schriftelijke opgave aan eiseres voldoen vanaf de eenendertigste dag na de eerste

schriftelijke oproep daartoe van eiseres, of

- voor iedere dag dat zij niet aan de hoofdveroordeling tot afdracht aan eiseres voldoen

vanaf de eenendertigste dag na de eerste schriftelijke oproep daartoe van eiseres,

voor zover de gedaagde deze afdracht geheel of gedeeltelijk in zijn of haar macht heeft,

een en ander tot een maximum van in totaal € 500.000,00 aan verbeurde dwangsommen

is bereikt;

- bepaalt dat geen dwangsommen zullen worden verbeurd:

a) voorzover de hoofdveroordeling strekt tot afdracht van een geldsom, of

b) voorzover dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet

worden geacht (mede) gelet op de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst

van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding;

- veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd,

in de kosten van het conservatoire beslag op de onroerende zaak, tot op heden begroot op

€ 2.872,00, vermeerderd met de rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de achtste dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

- veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd,

in de proceskosten, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op € 14.835,31,

te vermeerderen met de rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de achtste dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

- veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd,

in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat,

te vermeerderen, onder de voorwaarde dat gedaagden niet binnen 14 dagen na aan-schrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van bete-kening van de uitspraak, en te vermeerderen met de rente ex artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van de achtste dag na de betekening van dit vonnis tot aan de dag

van volledige betaling;

- verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordelingen betreft, tot zover uitvoerbaar

bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.A. Donkersloot en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2014.