Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:1046

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
06-03-2014
Zaaknummer
C/01/265449 / FA RK 13-3652
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onderhoudsplicht vader voor kinderen uit twee huwelijken.

Ten aanzien van de jongste twee kinderen wordt het aandeel van vader in hun behoefte bepaald aan de hand van een draagkrachtvergelijking. Vervolgens wordt de draagkracht van vader naar rato van de behoefte, althans zijn aandeel daarin, verdeeld over de vier kinderen. Ten slotte wordt beoordeeld in welke verhouding vader dient bij te dragen in de behoefte van de oudste twee kinderen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 401, geldigheid: 2014-03-06
Burgerlijk Wetboek Boek 1 404, geldigheid: 2014-03-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2014/84 met annotatie van T.C.P. Christoph

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/265449 / FA RK 13-3652

Uitspraak : 19 februari 2014

Beschikking betreffende alimentatie in de zaak van

[…],

wonende te Eindhoven,

advocaat mr. J.Th.M. Diks,

tegen

[verweerster],

wonende te Eindhoven,

advocaat mr. M. Poort-van der Meeren,

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de man en de vrouw.

De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

  • -

    het verzoekschrift van de man, ontvangen ter griffie op 3 juli 2013;

  • -

    het verweerschrift van de vrouw;

- de correspondentie, waaronder met name:

  • -

    de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 16 juli 2013;

  • -

    de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 27 november 2013;

  • -

    de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 28 november 2013.

De griffier heeft de minderjarige [kind 1] in de gelegenheid gesteld om haar mening omtrent het verzoek aan de rechter kenbaar te maken. De minderjarige heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 10 december 2013. Verschenen zijn de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

De feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest.

Bij beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van [datum] is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op [datum] is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Uit het inmiddels ontbonden huwelijk van partijen zijn de navolgende minderjarigen geboren:

  • -

    [minderjarige 1], te[geboorteplaats] op [geboortedatum],

  • -

    [minderjarige 2], te[geboorteplaats] op [geboortedatum].

De minderjarigen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw. Partijen hebben gezamenlijk het gezag.

In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de man dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag van € 230,00 per kind per maand, zulks overeenkomstig het echtscheidingsconvenant dat partijen met elkaar hebben gesloten.

Bij beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 oktober 2007 is de beschikking van 25 maart 2005 respectievelijk het echtscheidingsconvenant gewijzigd.

In deze beschikking is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 oktober 2006 nader bepaald op € 205,00 per kind per maand.

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de kinderalimentatie per 1 januari 2013 € 236,00 per kind per maand.

Het verzoek en verweer

De man verzoekt op de gronden en op de wijze als in het verzoekschrift omschreven wijziging van de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 oktober 2007, voor wat betreft de daarbij vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen aldus dat door de rechtbank wordt bepaald dat de man met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, althans een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, niet meer bij hoeft te dragen in voormelde kosten, althans dat deze bijdrage op nihil wordt gesteld, althans dat de bijdrage op een zodanig bedrag wordt vastgesteld als de rechtbank vermeent te behoren.

Hij stelt dat voormelde beschikking als gevolg van gewijzigde omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven.

De vrouw voert hiertegen op de gronden en op de wijze als in het verweerschrift omschreven verweer en betwist primair de door de man gestelde wijzigingsgrond.

Subsidiair betwist zij het gestelde gebrek aan draagkracht om een bijdrage te betalen.

Voorts heeft zij bezwaar tegen de verzochte ingangsdatum van de wijziging.

De beoordeling

Wijziging van omstandigheden

De man stelt met betrekking tot de door hem aangevoerde wijzigingsgrond dat hij gezien de economische crisis thans minder overuren kan maken dan gebruikelijk. Bovendien heeft de man samen met zijn huidige echtgenote twee kinderen gekregen waarvoor hij eveneens onderhoudsplichtig is.

Volgens de vrouw is het enkele feit dat de man is hertrouwd en een nieuw gezin heeft gesticht onvoldoende om tot een wijziging van de kinderalimentatie te komen. De man had zich daarbij bewust dienen te zijn van zijn onderhoudsverplichting jegens [kind 1] en [kind 2]. Bovendien was de oudste zoon uit het tweede huwelijk van de man al geboren ten tijde van de vaststelling van de huidige bijdrage. De man heeft tot op heden niet aangetoond dat er sprake is van een inkomensdaling. Mocht daarvan al sprake zijn, dan dient daarmee geen rekening te worden gehouden nu sprake is van een bepaalde verdiencapaciteit.

De rechtbank overweegt als volgt.

In de beschikking van 4 oktober 2007 heeft de rechtbank overwogen dat de beschikbare draagkrachtruimte van de man dient te worden verdeeld over de drie kinderen waarvoor de man onderhoudsplichtig is. De omstandigheid dat na het wijzen van deze beschikking een vierde kind is geboren waarvoor de man onderhoudsplichtig is, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanleiding om de geldende kinderalimentatie opnieuw te beoordelen. Immers, op grond van het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen dient de beschikbare draagkracht te worden verdeeld over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is.

Behoefte [kind 1] en [kind 2] in 2013

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [kind 1] en [kind 2] reeds is vastgesteld in de beschikking van 4 oktober 2007 en dat deze behoefte dient te worden geïndexeerd naar heden.

In voormelde beschikking is de behoefte van de kinderen in 2005 bepaald op € 355,00 per kind per maand. Als dit bedrag wordt geïndexeerd bedroeg de behoefte van de kinderen op

1 januari 2013 € 411,75 per kind per maand.

Kindgebonden budget

Hierop dient het kindgebonden budget dat de vrouw thans ontvangt van € 2.080,00 per jaar in mindering te worden gebracht, zodat de behoefte van [kind 1] en [kind 2] wordt vastgesteld op € 325,08 per kind per maand.

Behoefte [kind 3] en [kind 4] in 2013

Uit het huwelijk van de man en zijn huidige echtgenote [naam echtgenote] zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 3] op [geboortedatum] te[geboorteplaats];

  • -

    [minderjarige 4], op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

De man stelt dat de behoefte van [kind 3] en [kind 4] ongeveer gelijk is aan de behoefte van [kind 1] en [kind 2].

De vrouw is van mening dat de rechtbank de behoefte van deze kinderen dient te bepalen aan de hand van de overgelegde jaaropgaven.

De rechtbank overweegt dat de beschikbare draagkracht van de man in beginsel in gelijke mate over alle kinderen dient te worden verdeeld, tenzij er een aantoonbaar verschil in behoefte bestaat. Gelet hierop dient de rechtbank te beoordelen of hiervan sprake is. Daarom dient de behoefte van [kind 3] en [kind 4] te worden vastgesteld.

De rechtbank hanteert de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de tabel eigen aandeel kosten van kinderen en de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen zoals deze vanaf 1 januari 2013 luidt. Daartoe dient allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man en zijn huidige echtgenote te worden bepaald, waarvan bij het bepalen van dat eigen aandeel kosten kinderen moet worden uitgegaan.

Het NBI is de som van het bruto-inkomen, inclusief vakantietoeslag en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die de onderhouds-gerechtigde daarover verschuldigd is, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking zijn genomen. Redelijke (aftrekbare) pensioenlasten en de premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering worden ook in aanmerking genomen, ongeacht of deze voortvloeien uit een collectief contract of een individuele pensioenregeling.

Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigenwoningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente, de voor de financiering van de woning noodzakelijke premies voor verzekeringen en aflossingen) en de bijtelling vanwege een auto van de zaak.

Aan de hand van voormelde uitgangspunten en de loonstrook van september 2013 becijfert de rechtbank het NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 1.716,00 per maand.

Aan de hand van de jaaropgave 2012 wordt het NBI van de echtgenote van de man becijferd op € 1.023,00 per maand (inclusief toepasselijke heffingskortingen, waaronder de inkomensafhankelijke combinatiekorting). Geïndexeerd naar 1 januari 2013 bedraagt het NBI € 1.040,39.

Aldus becijfert de rechtbank het totale NBI van het huidige gezin van de man op € 2.756,39 (€ 1.716,00 + € 1.040,39) per maand.

Correctie wegens betaalde bijdrage

Op grond van de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 mei 2010 (LJN: BM3532) zal de rechtbank de netto bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] in mindering brengen op het totale NBI, omdat dit bedrag niet ten goede is gekomen aan de welstand van zijn huidige gezin.

Uitgaande van de hiervoor vermelde bijdrage na indexering van € 236,00 per kind per maand en de forfaitaire aftrek van € 58,00 per kind per maand, bedraagt deze netto bijdrage in totaal (2 x € 236,00 minus 2 x € 58,00 =) € 356,00 per maand, zodat het relevante netto besteedbaar gezinsinkomen wordt bepaald op (€ 2.756,39 - € 356,00 =) € 2.400,39 per maand.

Dit gegeven, gevoegd bij het ten aanzien van de minderjarigen [kind 3] en [kind 4] toepasselijke aantal kinderbijslagpunten, levert een tabelbedrag op van in totaal € 519,10 per maand.

Kindgebonden budget

Gezien de hoogte van het NBI van de man en zijn huidige echtgenote gaat de rechtbank ervan uit dat er geen aanspraak bestaat op het kindgebonden budget.

De behoefte van [kind 3] en [kind 4] wordt daarom vastgesteld op € 259,55 per kind per maand.

Conclusie behoefte in 2013

Uit het voorgaande blijkt dat de behoefte van [kind 1] en [kind 2] € 325,08 per kind per maand bedraagt, terwijl de behoefte van [kind 3] en [kind 4] € 259,55 per kind per maand bedraagt. De rechtbank is van oordeel dat daarmee sprake is van een aantoonbaar verschil in behoefte, zodat de beschikbare draagkracht van de man naar rato van de behoefte van de kinderen dient te worden verdeeld.

Gezien hetgeen door de vrouw is aangevoerd over de (aanstaande) wijzigingen van haar inkomen in 2014 alsmede de fiscale wijzigingen, waaronder met name de inkomensheffing en het fiscaal voordeel wegens aftrek buitengewone uitgaven kinderen, zal de rechtbank hierna de behoefte van de kinderen in 2014 beoordelen.

Behoefte [kind 1] en [kind 2] in 2014

De behoefte in 2013 van € 411,75 per kind per maand wordt geïndexeerd met het geldende percentage en bedraagt met ingang van 1 januari 2014 € 415,46 per kind per maand.

Hierop dient in mindering te worden gebracht het kindgebonden budget waarop de vrouw in 2014 aanspraak kan maken. Uitgaande van de hierna te melden financiële gegevens over de periode vanaf 1 januari 2014 gaat de rechtbank uit van een kindgebonden budget van in totaal € 173,00 per maand, ofwel € 86,50 per kind per maand.

De behoefte van [kind 1] en [kind 2] in 2014 wordt aldus bepaald op (€ 415,46 - € 86,50 =) € 328,96 per kind per maand.

Behoefte [kind 3] en [kind 4] in 2014

De hierboven bepaalde behoefte van [kind 3] en [kind 4] in 2013 van € 259,55 wordt geïndexeerd met het geldende percentage en bedraagt met ingang van 1 januari 2014 € 261,89 per kind per maand.

De rechtbank gaat ervan uit dat ook in 2014 geen aanspraak bestaat op het kindgebonden budget.

Draagkracht van de man in 2013

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van de navolgende financiële gegevens. Voor zover die gegevens tussen partijen niet vaststaan, zal de rechtbank hierop gemotiveerd ingaan.

Inkomsten uit arbeid

De man is van mening dat bij het bepalen van zijn draagkracht uit dient te worden gegaan van zijn huidige inkomen zoals dat blijkt uit de door hem overgelegde recente loonstroken.

De vrouw stelt daarentegen dat rekening dient te worden gehouden met een bruto inkomen van minimaal € 35.634,00 per jaar, zijnde het inkomen dat de man in 2006 kon verdienen. Er is geen wijziging opgetreden in zijn verdiencapaciteit. Er zijn geen bewijzen overgelegd waaruit blijkt dat de man geen overwerk kan verrichten. Eind 2012 heeft de man een operatie aan zijn knie ondergaan, als gevolg waarvan hij mogelijk tijdelijk minder overwerk heeft kunnen verrichten. Met deze tijdelijke inkomensdaling kan geen rekening worden gehouden. Ten slotte geldt dat in de beschikking van 4 oktober 2007 reeds is overwogen dat de man zijn ontbindingsvergoeding dient te gebruiken om zijn tijdelijke terugval in inkomen aan te vullen.

Ter zitting heeft de vrouw deze laatste stelling als volgt aangevuld. Voor de periode van

1 oktober 2006 tot 8 januari 2007 is de rechtbank destijds uitgegaan van een inkomen van € 35.634,00 per jaar. Sinds 8 januari 2007 is de man werkzaam bij [naam werkgever]Van zijn vorige werkgever heeft de man een beëindigingsvergoeding ontvangen van € 46.183,00 bruto. Deze vergoeding is bedoeld om het inkomen van de man aan te vullen tot het oude niveau. Uitgaande van het inkomen dat de man toen genoot, te weten € 31.040,00 bruto per jaar, is de man tot 2017 in staat zijn inkomen aan te vullen tot het oude niveau. Uit de aangifte IB 2011 blijkt dat de man in dat jaar een inkomen heeft genoten van € 37.983,00. In dit jaar heeft de man zijn inkomen dus niet hoeven aan te vullen, zodat hij in staat moet worden geacht het inkomen aan te vullen tot 2018.

De rechtbank overweegt als volgt.

In de beschikking van 4 oktober 2007 heeft de rechtbank overwogen dat uit de overgelegde beëindigingsovereenkomst blijkt dat de eenmalige vergoeding is verstrekt ten behoeve van het voortzetten van werkzaamheden buiten de voormalige werkkring, dan wel het uitvoeren van enig ander persoonlijk voornemen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de man, uitgaande van de genoemde bedragen, in staat moet worden geacht met de ontbindings-vergoeding zijn inkomen aan te zuiveren tot het inkomen zoals door hem in de periode

1 oktober 2006 tot 8 januari 2007 werd ontvangen. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien uit te gaan van een lager inkomen.

Namens de man is ter zitting gesteld dat de ontbindingsvergoeding reeds opgesoupeerd is. Dit argument is echter ook in 2007 naar voren gebracht en toen door de rechtbank terzijde geschoven, in die zin dat noch in de inhoud van de beëindigingsovereenkomst, noch in de door de man reeds verrichte en geplande uitgaven aanleiding is gezien af te wijken van de hoofdregel dat een beëindigingsvergoeding in het algemeen bestemd is als suppletie op een eventueel te ontvangen WW-uitkering dan wel een elders te verdienen lager inkomen.

De rechtbank heeft hierin, noch in de door de man reeds verrichte en geplande uitgaven aanleiding gezien om van de hoofdregel af te wijken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man in de onderhavige procedure zijn stelling dat de ontbindingsvergoeding inmiddels volledig opgesoupeerd is onvoldoende onderbouwd.

Uitgaande van het inkomen van de man van € 35.634,00 volgens de jaaropgave 2006 en het toepasselijke ZVW percentage van 6,5 over maximaal € 30.623,00 bedroeg het netto besteedbaar inkomen van de man in 2007 € 1.970,00 per maand.

Van de ontvangen ontslagvergoeding resteerde netto € 26.786,14 volgens de beschikking van 4 oktober 2007.

Als vervolgens wordt uitgegaan van de gegevens over het inkomen dat de man vanaf

8 januari 2007 bij [naam werkgever] heeft genoten, zoals eveneens vermeld in deze beschikking, alsmede de ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage ZVW bedroeg het bruto inkomen van de man in dat jaar € 28.981,00 en het netto besteedbaar inkomen € 1.647,00 per maand.

De rechtbank heeft geen rekening kunnen houden met ingehouden pensioenaanspraken en mogelijke andere inhoudingen omdat deze niet zijn vermeld zodat voormelde berekening een globale berekening betreft.

Het verschil bedraagt € 323,00 netto per maand. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de man ten minste gedurende (€ 26.786,14 : € 323,00) bijna 83 maanden, derhalve bijna 7 jaar, in staat moet worden geacht zijn huidige inkomen aan te vullen tot het niveau van de jaaropgave 2006. Daarbij merkt de rechtbank op dat de man volgens de door hem overgelegde aangiften IB 2010 en 2011 een inkomen heeft genoten van € 34.263,00 respectievelijk € 37.983,00, zodat aannemelijk is dat de man tijdens deze jaren niet heeft hoeven interen op de ontvangen vergoeding. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de man tot ongeveer eind 2015 een inkomen zal hebben van € 35.634,00 bruto per jaar.

Dit betekent dat de vrouw dient te worden gevolgd in haar standpunt, zoals hiervoor is vermeld.

De rechtbank gaat er derhalve van uit dat de man thans een inkomen heeft van € 35.634,00 bruto per jaar omdat hij gezien hetgeen hiervoor is overwogen in staat moet worden geacht zijn huidige inkomen bij [naam werkgever] met de ontbindingsvergoeding tot dit niveau aan te vullen.

Gelet hierop kan hetgeen overigens is aangevoerd over het inkomen van de man onbesproken blijven.

Uitgaande van voormeld inkomen en de toepasselijke heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) heeft de man een NBI van € 2.114,00 per maand.

Het bedrag aan draagkracht van de man wordt vervolgens vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 850)]. Indien recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, dient de draagkracht met dit bedrag te worden verhoogd. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 1.500,00) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.

Uitgaande van voormeld NBI heeft de man een draagkracht van € 440,86 per maand. Na verhoging met de persoonsgebonden aftrekpost van € 116,00 per maand, bedraagt zijn totale draagkracht in 2013 € 556,86 per maand.

Draagkracht van de man in 2014

Als vervolgens uit wordt gegaan van voormeld inkomen en de fiscale gegevens zoals deze in 2014 gelden heeft de man in dat jaar een NBI van € 2.139,00 per maand.

Uitgaande van de alsdan geldende formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 860)] en de persoonsgebonden aftrekpost wegens betaalde kinderalimentatie van in totaal € 81,00 per maand, bedraagt de draagkracht van de man in 2014 € 527,11 per maand.

Verhouding bijdrage van de man in behoefte [kind 3] en [kind 4] in 2013

Alvorens te bepalen op welke wijze de draagkracht van de man over de vier kinderen dient te worden verdeeld zal de rechtbank eerst bepalen in welke verhouding de man ten opzichte van zijn huidige echtgenote dient bij te dragen in de behoefte van [kind 3] en [kind 4].

Daartoe dient de draagkracht van zijn huidige echtgenote te worden bepaald.

Zoals hiervoor reeds is vermeld onder de behoefte, kan het NBI van de echtgenote van de man worden bepaald op € 1.040,39 in 2013. Het NBI is dus lager dan € 1.250,00 netto per maand. Dit betekent dat zij een minimale draagkracht heeft van € 50,00 per maand volgens de tabel.

De totale draagkracht van de man en zijn huidige echtgenote kan dus worden bepaald op (€ 556,86 + € 50,00 =) € 606,86 per maand.

Dit betekent dat het aandeel van de man in de kosten van [kind 3] en [kind 4] in 2013 kan worden bepaald op (€ 556,86 : € 606,86 x € 259,55) = € 238,17 per kind per maand.

Verhouding bijdrage van de man in behoefte [kind 3] en [kind 4] in 2014

Ten aanzien van de huidige echtgenote van de man oordeelt de rechtbank dat haar NBI, ook na indexering met het per 1 januari 2014 geldige percentage, het bedrag van € 1.250,00 netto per maand niet zal overschrijden. De rechtbank zal derhalve ook voor wat betreft het jaar 2014 uitgaan van een minimale draagkracht van € 50,00 per maand.

De totale draagkracht van de man en zijn huidige echtgenote kan in 2014 derhalve worden bepaald op (€ 527,11 + € 50,00 =) € 577,11 per maand.

Vervolgens kan het aandeel van de man in de kosten van [kind 3] en [kind 4] in 2014 worden bepaald op (€ 527,11 : € 577,11 x € 261,89 =) € 239,20 per kind per maand.  

Verdeling draagkracht van de man in 2013

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen dient de draagkracht van de man naar rato van hun behoefte, althans het aandeel van de man daarin, te worden verdeeld over de vier kinderen.

De rechtbank geeft in navolging van voormelde uitspraak van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch deze verdeling als volgt weer:

Kind Behoefte Wegingsfactor Verdeling

[kind 1] €  325,08 € 325,08 : € 1.126,50 x € 556,86 € 160,70

[kind 2] €   325,08 € 325,08 : € 1.126,50 x € 556,86 € 160,70

[kind 3] €  238,17 € 238,17 : € 1.126,50 x € 556,86 € 117,73

[kind 4] €  238,17 € 238,17 : € 1.126,50 x € 556,86 € 117,73

Totaal € 1.126,50 Totaal € 556,86

Verdeling draagkracht van de man in 2014

De rechtbank heeft de behoefte van de kinderen, althans het aandeel van de man daarin, per 1 januari 2014 bepaald op € 328,96 respectievelijk € 239,20 per maand.

Kind Behoefte Wegingsfactor Verdeling

[kind 1] €  328,96 € 328,96 : € 1.136,32 x € 527,11 € 152,60

[kind 2] €   328,96 € 328,96 : € 1.136,32 x € 527,11 € 152,60

[kind 3] €  239,20 € 239,20 : € 1.136,32 x € 527,11 € 110,96

[kind 4] €  239,20 € 239,20 : € 1.136,32 x € 527,11 € 110,96

Totaal € 1.136,32 Totaal € 527,12

Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding het eigen aandeel in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] tussen beide partijen moet worden verdeeld.



Draagkracht van de vrouw

Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van de navolgende financiële gegevens. Voor zover die gegevens tussen partijen niet vaststaan, zal de rechtbank hierop gemotiveerd ingaan.

Inkomsten uit arbeid

Ten aanzien van haar inkomen stelt de vrouw dat zij als gevolg van ziekte van haar collega’s in 2013 tijdelijk meer heeft kunnen werken. Haar inkomen bedroeg toen € 2.238,00 bruto per maand. Met ingang van 1 januari 2014 wordt de arbeidsovereenkomst van de vrouw weer teruggebracht naar de oorspronkelijke aanstelling van 75% (27 uur per week). Uitgaande van dit percentage, een basisloon van € 2.370,00 bruto per maand bij een fulltime dienstverband, een vakantietoeslag van 8% en een eindejaarsuitkering van 7,83% dient volgens de vrouw vanaf 1 januari 2014 uit te worden gegaan van een inkomen van € 24.707,00 bruto per jaar.

De man betwist het standpunt van de vrouw. In zijn visie moet de vrouw in staat worden geacht meer uren te blijven maken. Bovendien wijkt de overgelegde pro forma salarisberekening af van de recente loonstroken, zodat de vrouw loonstroken dient over te leggen zodra deze beschikbaar zijn. Dan zal ook blijken of de gestelde toekomstige omstandigheid zich inderdaad gerealiseerd heeft. Als dit het geval is, kunnen partijen in onderling overleg trachten tot een wijziging van de alimentatie te komen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de vrouw de aanvulling op haar arbeids-overeenkomst van 19 december 2011 in het geding gebracht, alsmede een verklaring van haar werkgever van 23 augustus 2013. Uit deze verklaring blijkt dat de afwijkende arbeidsduur met ingang van 1 januari 2014 vervalt en dat de arbeidsduur dan weer wordt teruggebracht naar 75% conform de arbeidsovereenkomst van 6 april 2008. Ook de maandelijkse toelage van € 75,00 bruto zal dan komen te vervallen. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw haar standpunt ten aanzien van de (aanstaande) wijziging van haar inkomen hiermee voldoende onderbouwd heeft en ziet geen aanleiding aan de inhoud daarvan te twijfelen. Dit betekent dat de draagkracht van de vrouw zal worden beoordeeld over twee periodes, te weten de periode van juli 2013 tot 31 december 2013 en de periode vanaf 1 januari 2014.

Nu de rechtbank rekening zal houden met de door de vrouw gestelde wijziging, welke een toekomstige omstandigheid betreft, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw verplicht is op eerste verzoek van de man haar salarisspecificaties over 2014 aan hem te verstrekken zodat de man in staat wordt gesteld te verifiëren of de uitgangspunten zoals verwoord in deze beschikking juist zijn.

Periode juli tot en met 31 december 2013

Voor het bepalen van het NBI van de vrouw in deze periode gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 2.238,00 bruto per maand zoals dat blijkt uit de overgelegde loonstrook van juli 2013. Dit inkomen wordt vermeerderd met een vakantietoeslag van 8% alsmede een eindejaarsuitkering van € 2.573,00 bruto per jaar. Ten slotte wordt rekening gehouden met de garantietoelage van € 75,00 bruto per maand.

Heffingskortingen

- algemene heffingskorting

- arbeidskorting

- alleenstaande ouderkorting.

In de door de man als productie 6 overgelegde berekening van de draagkracht van de vrouw is tevens rekening gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Gezien de leeftijd van de kinderen kan de vrouw hierop echter geen aanspraak (meer) maken.

Uitgaande van het voorgaande heeft de vrouw een NBI van € 2.017,00 per maand.

Het bedrag aan draagkracht wordt vervolgens vastgesteld aan de hand van de formule

70% x [NBI – (0,3 NBI + 850)]. Uitgaande van voormeld NBI heeft de vrouw een draagkracht van € 393,33 per maand.

Periode vanaf 1 januari 2014

Voor het bepalen van de draagkracht van de vrouw in deze periode wordt uitgegaan van de gegevens zoals deze blijken uit de overgelegde verklaring van haar werkgever en de pro forma berekening van 7 augustus 2013. Hieruit blijkt een inkomen van € 1.778,00 bruto per maand. Voorts houdt de rechtbank rekening met een vakantietoeslag van 8% en een eindejaaruitkering van 7,83%.

Uitgaande van dit inkomen alsmede de hierboven vermelde heffingskortingen heeft de vrouw een NBI van € 1.695,00 per maand.

Volgens de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 860)] heeft zij vanaf 1 januari 2014 een draagkracht van € 228,55 per maand.

Draagkrachtverdeling

Op grond van voormelde verdeling van zijn draagkracht bedraagt het aandeel van de man volgens de formule in 2013 in totaal € 321,40 (2 x € 160,70) per maand.

In 2014 bedraagt het aandeel van de man in totaal € 305,20 (2 x € 152,60) per maand.

Voormelde bedragen zijn inclusief het aan de man toekomende fiscaal voordeel wegens betaalde onderhoudsbijdrage.

De draagkracht van de vrouw is volgens de formule € 393,33 per maand tot en met

31 december 2013. Vanaf 1 januari 2014 heeft zij een draagkracht van € 228,55 per maand.

De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte

(2 x € 325,08 = € 650,16), oftewel:

Periode 1 juli 2013 tot en met 31 december 2013

het eigen aandeel van de man bedraagt: € 321,40 : € 714,73 (321,40 + 393,33) x € 650,16

= € 292,36

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: € 393,33 : € 714,73 (321,40 + 393,33) x € 650,16

= € 357,80

samen € 650,16

Derhalve komt van de totale behoefte van de minderjarigen [kind 1] en [kind 2] van € 650,16 per maand in deze periode een gedeelte van € 292,36 per maand ofwel € 146,18 per kind per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 357,80 per maand ofwel € 178,90 per kind per maand voor rekening van de vrouw.

Periode vanaf 1 januari 2014

In deze periode bedraagt de behoefte van de minderjarigen in totaal € 657,92 (2 x € 328,96) per maand terwijl de totale draagkracht van partijen € 533,75 per maand bedraagt (€ 305,20 + € 228,55). Partijen zijn dus niet in staat in de volledige behoefte van [kind 1] en [kind 2] te voorzien. Onder deze omstandigheden kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. De bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding wordt beperkt door zijn draagkracht, zijnde € 152,60 per kind per maand.

Ingangsdatum

Partijen verschillen van mening over de vraag met ingang van welke datum de bijdrage dient te worden vastgesteld.

De man verzoekt de bijdrage te wijzigen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, zijnde 3 juli 2013, omdat de vrouw vanaf dat moment rekening kon houden met een mogelijke wijziging van de bijdrage. Dit is ook de lijn van de jurisprudentie. De man heeft de vastgestelde bijdrage tot augustus 2013 betaald.

De vrouw is van mening dat de alimentatie dient te worden gewijzigd met ingang van de datum van de beschikking. De rechtbank dient behoedzaam om te gaan met de bevoegdheid tot wijziging van alimentatie met ingang van een eerdere datum. De door de man reeds betaalde bijdragen dan wel de op hem reeds verhaalde bijdragen zijn reeds opgesoupeerd ten behoeve van de kinderen. De vrouw is voorts niet in staat om enige bijdrage terug te betalen, zodat de alimentatie eerste met ingang van de datum van de beschikking dient te worden gewijzigd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad (waaronder LJN: AE3347) laat artikel 1:402 BW de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de gewijzigde alimentatieverplichting. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het verzoekschrift en de datum van de beschikking. Bij het voorgaande moet in het algemeen als uitgangspunt gelden dat de rechter van zijn bevoegdheid tot wijziging van de bijdrage over een periode in het verleden een behoedzaam gebruik maakt. De rechter zal moeten oordelen in hoeverre in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde, in dit geval de vrouw, kan worden verlangd dat deze is gehouden tot terugbetaling van hetgeen reeds is uitgegeven.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man het standpunt van de vrouw, dat zij niet in staat is enig bedrag aan de man terug te betalen, onvoldoende betwist. De rechtbank zal daarom bepalen dat de kinderalimentatie met ingang van 3 juli 2013, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift zal worden gewijzigd, met dien verstande dat tevens zal worden bepaald dat op de vrouw geen terugbetalingsverplichting rust voor zover de man met betrekking tot de afgelopen periode meer heeft betaald dan hij op grond van de thans gewijzigde onderhoudsverplichting dient te betalen.

Proceskosten

De proceskosten zullen worden gecompenseerd als na te melden.

De beslissing

De rechtbank:

wijzigt de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 oktober 2007, voor wat betreft de daarbij vastgestelde bijdrage, door de man te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige 1], geboren te[geboorteplaats] op [geboortedatum]

  • -

    [minderjarige 2], geboren te[geboorteplaats] op[geboortedatum],

aldus, dat deze bijdrage:

- met ingang van 3 juli 2013 nader wordt bepaald op € 146,18 (honderdzesenveertig euro en achtien cent) per kind per maand,

- met ingang van 1 januari 2014 nader wordt bepaald op € 152,60 (honderdtweeën-vijftig euro en zestig cent) per kind per maand, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat op de vrouw geen terugbetalingsverplichting rust voor zover de man met betrekking tot de periode vanaf 3 juli 2013 meer heeft betaald dan hij op grond van de thans gewijzigde onderhoudsverplichting dient te betalen;

wijst het meer of anders verzochte af;

verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. ter Braak, rechter, tevens kinderrechter,

en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 19 februari 2014.

Conc: AvL

Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden,
binnen drie maanden na de dag van de uitspraak
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op
andere wijze bekend is geworden.