Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:104

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-01-2014
Datum publicatie
20-01-2014
Zaaknummer
AWB-13_3874
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Leges. Art. 3.1, 4e lid, Wro op grond van art. 9.1.4, vierde lid, Iwro niet van toepassing op belanghebbende.

Belanghebbende is van mening dat zij geen leges is verschuldigd, omdat zij haar aanvraag om een omgevingsvergunning heeft gedaan op een moment dat de gemeenteraad het oude bestemmingsplan uit 1993 nog niet had geactualiseerd. De beroepsgrond slaagt niet. Uit artikel 3.1, vierde lid, van de Wro volgt dat als de gemeenteraad niet binnen een tijdvak van tien jaar, gerekend vanaf de datum van vaststelling van het bestemmingsplan, een bestemmingsplan actualiseert de mogelijkheid tot invorderen van leges vervalt. Artikel 9.1.4, vierde lid, van de Invoeringswet (Iwro), in werking getreden op 1 juli 2008, voorziet echter in een overgangstermijn. Op grond van dit artikel wordt voor een gebied waarvoor een bestemmingsplan geldt dat ten minste vijf jaar voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wro (1 juli 2008) onherroepelijk is geworden en waarvoor voor dit tijdstip geen vrijstelling is verleend als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de Wro, binnen vijf jaar na dat tijdstip (dus vóór 1 juli 2013) een bestemmingsplan vastgesteld overeenkomstig art 3.1, eerste lid, van de Wro. Het oude bestemmingsplan ‘Beerse Overlaat’ is op 24 juni 1996 onherroepelijk geworden. Omdat op het moment van de belanghebbende op 21 september 2012 de datum van 1 juli 2013 nog niet was gepasseerd is, anders dan belanghebbende meent, de legessanctie uit voornoemd artikel van de Wro niet van toepassing. Daar komt nog bij dat onweersproken is dat verweerder op 18 juni 2012, en dus vóór 1 juli 2013, een nieuw bestemmingsplan heeft vastgesteld, zodat ook om die reden de legessanctie niet op de situatie van belanghebbende toepasbaar is.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2014/196 met annotatie van L.J. Boone
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/3874

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te[plaats], eiseres

(gemachtigde:[gemachtigde]),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Cuijk, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Loots).

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres op 27 februari 2013 een legesnota ten bedrage van € 540 toegezonden in verband met het in behandeling nemen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het tijdelijk strijdig gebruik van een gedeelte van het perceel [adres] te Beers.

Bij uitspraak op bezwaar (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de legesheffing gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2013. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar vennoot[gemachtigde]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten

1.

Op 15 maart 2012 heeft eiseres een principeverzoek gedaan voor de tijdelijke ontheffing voor het opslaan van bouwmaterialen en het opstellen van auto’s in agrarisch gebied II, tijdens de bouw van een parkeerdek aan de [adres]. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Cuijk (hierna: het college) heeft de ontvangst van deze brief bevestigd op 23 maart 2012. Op 27 augustus 2012 heeft het college een principebesluit genomen op dit verzoek. Voor het in behandeling nemen van dit verzoek zijn geen leges geheven.

2.

Eiseres heeft op 21 september 2012 bij het college een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het tijdelijk strijdig gebruik van een gedeelte van het perceel [adres]. Het college heeft hierop bij besluit van 7 februari 2013 positief beslist. Op 27 februari 2013 heeft verweerder aan eiseres voor het in behandeling nemen van de hiervoor genoemde aanvraag, overeenkomstig artikel 2.3.3.4 van de bij de Legesverordening 2010 van de gemeente Cuijk behorende Tarieventabel een bedrag van € 540 geheven. Dit legesbedrag is bij de uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

3.

Op het moment dat de aanvraag is ingediend was het op het perceel rustende bestemmingsplan “Kraaijenbergse Plassen, waterpark Dommelsvoort” (hierna: het nieuwe bestemmingplan) door de gemeenteraad op 18 juni 2012 vastgesteld, maar nog niet in werking getreden. Omdat dit nieuwe bestemminsplan nog niet in werking was getreden, is de aanvraag getoetst aan de voorganger van het nieuwe bestemmingsplan, te weten het bestemmingsplan “Beerse Overlaat” uit 1994 (hierna: het oude bestemminsplan). Het oude bestemmingsplan is op 21 juni 1994 vastgesteld en op 24 juni 1996 onherroepelijk geworden.

Geschil en beoordeling daarvan

4.

Partijen verschillen van mening of verweerder van eiseres terecht de genoemde leges heeft geheven. Eiseres voert aan dat verweerder is uitgegaan van de verkeerde feiten. Eiseres heeft op 15 maart 2012 de aanvraag tijdelijke ontheffing gedaan en aldus ruim voor 18 juni 2012, de datum waarop het nieuwe bestemmingsplan is vastgesteld. Het oude bestemmingsplan is vastgesteld in november 1993 en dus 20 jaar oud. In dit kader wijst eiseres op de uitspraak van 30 augustus 2007 van de rechtbank Almelo (ECLI:NL:RBALM:2007:BB2641) en is zij, op grond van deze uitspraak en de toepasselijke wetgeving in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), van mening dat zij geen leges is verschuldigd.

5.

Tijdens de behandeling van de zaak op zitting is komen vast te staan dat eiseres weliswaar eerder, te weten op 15 maart 2012, een principeverzoek heeft gedaan ter toetsing van haar voornemen om een aanvraag voor een omgevingsvergunning te doen, maar dat zij eerst op 21 september 2012, zo blijkt ook uit de gedingstukken, daadwerkelijk die aanvraag heeft ingediend. Anders dan eiseres meent, heeft zich in deze zaak het belastbare feit – het in behandeling nemen van de aanvraag om een omgevingsvergunning – dan ook niet op 15 maart 2012, maar pas op 21 september 2012 voorgedaan en was verweerder bevoegd om daarvoor van eiseres leges te heffen.

6.

De beroepsgrond van eiseres dat zij geen leges verschuldigd was kan niet slagen. Uit artikel 3.1, vierde lid, van de Wro volgt dat als de gemeenteraad niet binnen een tijdvak van tien jaar, gerekend vanaf de datum van vaststelling van het bestemmingsplan, een bestemmingsplan actualiseert, de mogelijkheid tot invorderen van leges vervalt. Artikel 9.1.4, vierde lid, van de Invoeringswet (Iwro), in werking getreden op 1 juli 2008, voorziet echter in een overgangstermijn. Op grond van dit artikel wordt voor een gebied waarvoor een bestemmingsplan geldt dat ten minste vijf jaar voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wro (1 juli 2008) onherroepelijk is geworden en waarvoor voor dit tijdstip geen vrijstelling is verleend als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de Wro, binnen vijf jaar na dat tijdstip (dus vóór 1 juli 2013) een bestemmingsplan vastgesteld overeenkomstig art 3.1, eerste lid, van de Wro. Het oude bestemmingsplan ‘Beerse Overlaat’ is op 24 juni 1996 onherroepelijk geworden. Omdat op het moment van de aanvraag van eiseres de datum van 1 juli 2013 nog niet was verstreken, is de legessanctie uit voornoemd artikel van de Wro niet van toepassing. Daar komt nog bij dat vaststaat dat verweerder op 18 juni 2012, en dus vóór 1 juli 2013, een nieuw bestemmingsplan heeft vastgesteld, zodat ook om die reden de legessanctie niet op de situatie van eiseres toepasbaar is. Dit betekent in het onderhavige geval dat verweerder bevoegd is om leges te heffen.

7.

Eiseres voert verder aan dat verweerder haar ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) wordt een belanghebbende, in afwijking van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op zijn verzoek gehoord. Aangezien eiseres in bezwaar niet heeft verzocht om te worden gehoord, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de hoorplicht niet is geschonden.

8.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de leges terecht zijn geheven.

9.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Tadic, rechter, in aanwezigheid van drs. H.A.J.A. van de Laar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.