Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:CA3940

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
20-06-2013
Datum publicatie
20-06-2013
Zaaknummer
EX RK 13-82
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

niet bekend

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2013/126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BESCHIKKING

RECHTBANK OOST BRABANT

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: C/01/263193 / EX RK 13-82

C/01/262884 / EX RK 13-73.

Beschikking van 20 juni 2013

inzake de gevoegde verzoeken van

De Ontvanger van de Belastingdienst / midden- en kleinbedrijf,

mede kantoorhoudende te Eindhoven,

verzoeker,

advocaat mr E.E. Schipper te Amsterdam,

(verzoek met zaaknummer C/01/263193 /EX RK 13-82 )

- verder ook aan te duiden met De Ontvanger -

en

Het openbaar ministerie,

te 's-Hertogenbosch,

verzoeker,

vertegenwoordigd door mr M. Teengs Gerritsen, officier bij het Functioneel parket /BOOM, te 's-Hertogenbosch,

(verzoek met zaaknummer C/01/262884 / EX RK 13-73),

- verder ook aan te duiden met Het OM -.

Als belanghebbenden zijn opgeroepen en verschenen:

[A],

wonende te [adres]

handelend in zijn hoedanigheid van executeur van de nalatenschap [B];

en

[C],

wonende te [adres]

handelende:

1. voor zichzelf,

2. in haar hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigster van haar minderjarige kinderen

a. [D], geboren 13 december 2000;

b. [B], geboren 7 augustus 2002;

c. [E], geboren 18 mei 1997,

verweerders,

advocaat mr C.A.D. Oomes te Waalre.

1. De procedure

1.1. Na binnenkomst van de verzoeken bij de rechtbank is een datum voor de behandeling bepaald. Zijdens verweerders heeft mr Oomes een verweerschrift met producties ingediend.

1.2. De Ontvanger nog een nadere productie ingestuurd bij brief van 30 mei 2013. Het OM heeft eveneens een aanvullende productie ingestuurd bij e-mail van 31 mei 2013 alsmede uitstel van de behandeling verzocht omdat mr Teengs Gerritsen verhinderd was te verschijnen ter terechtzitting, welk verzoek is geweigerd.

1.3. Ter terechtzitting zijn verschenen de Ontvanger in de persoon van [F] en mr Schipper. Van de zijde van het OM is – zoals aangekondigd – niemand verschenen. Aan de zijde van verweerders zijn verschenen [G] en [H], laatstgenoemde in beide (hierboven aangeduide) hoedanigheden, vergezeld van mr Oomes.

1.4. Mr Schipper en mr Oomes hebben het woord gevoerd, eerstgenoemde aan de hand van aan de rechtbank overgelegde pleitaantekeningen.

1.5. Tijdens de behandeling ter terechtzitting heeft mr Oomes kennisgenomen van de aanvullende productie van het OM en heeft hij aangegeven daarop te kunnen reageren. De rechtbank heeft de verzoeken vervolgens gevoegd.

1.6. Uiteindelijk is de uitspraak bepaald op heden.

2. Inleiding

2.1. Op 17 november 2012 is na een op hem gepleegde aanslag op de openbare weg te Eindhoven overleden [B], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar].

2.2. [B] is door de rechtbank in de strafzaak tegen [I] (vonnis van 7 maart 2013 met parketnummers 01/889095-10 en 01/889114-11) beschouwd als de leider van een criminele organisatie die grootschalige transporten van hennep uitvoerde en gelden witwaste. Uit de bewijsmiddelen bleek de rechtbank van intensief en veelvuldig sms-verkeer tussen onder andere [B] enerzijds en diverse andere deelnemers aan de organisatie anderzijds. Men rapporteerde aan [J] over de benodigde (voorbeelden; de rechtbank leest) hoeveelheden, over de transporten alsmede de onderschepte transporten, de (overdracht van) ontvangen gelden, men besprak met [J] de prijzen en [B] nam het over toen het traject met [K] niet tot het gewenste resultaat bracht. Gewoonlijk werd het met de drugtransporten verkregen geld afgedragen aan [B]. [B] is eveneens strafrechtelijk vervolgd, maar door zijn overlijden is de strafzaak geëindigd met een niet ontvankelijkverklaring van het OM door de rechtbank.

2.3. [B] was reeds eerder veroordeeld ter zake van onder meer drugshandel, valsheid in geschrift, wapenbezit, verkeersdelicten en openlijk geweld. Op grond van eerder gepleegde strafbare feiten heeft het Gerechtshof op 9 augustus 2006 beslist tot ontneming van een bedrag van € 225.900,00 ter zake wederrechtelijk verkregen voordeel.

2.4. Bij testament heeft [B] zijn echtgenote, [H] en zijn kinderen, [N] en [O] (beide thans nog minderjarig) aangewezen als erfgenaam. [L], de vader van [H], is daarbij aangewezen als executeur. Laatstgenoemde heeft die taak na het overlijden van [B] aanvaard. De erfgenamen hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard.

3. De verzoeken

3.1. De verzoeken strekken tot de benoeming van een externe vereffenaar in de nalatenschap van [B] en is gebaseerd op de volgende omstandigheden. In het kader van het strafrechtelijk onderzoek tegen [B] is eveneens een strafrechtelijk financieel onderzoek verricht naar het wederrechtelijk verkregen voordeel van [B] en zijn criminele organisatie. In het kader daarvan is het voordeel van [B] berekend op ongeveer € 41.000.000,00. Het Openbaar Ministerie wil dit voordeel ontnemen. Als gevolg van het verkrijgen van dit voordeel, dat niet in de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekering is opgenomen, heeft de Inspecteur der belastingen een navorderingsaanslag terzake aan de erfgenamen opgelegd. Dit resulteert een vordering van € 25.777,724,00 (exclusief invorderingsrente en kosten). Het gaat om een zeer ingewikkelde nalatenschap en verweerders zijn ongeschikt om als vereffenaar op te treden.

3.2. Verweerders hebben zich tegen toewijzing van het verzoek te weer gesteld.

4. De beoordeling

4.1. Verweerders hebben aangevoerd dat de vorderingen van verzoekers niet bestaan, althans niet in de gestelde omvang en nog niet door een rechter zijn getoetst en zelfs op onbetrouwbare gegevens zijn gebaseerd, zo die al niet volstrekt uit de lucht gegrepen zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is het zeker niet uitgesloten dat er vraagtekens bij de vorderingen gezet kunnen worden, al was het - inderdaad - maar omdat er nog geen rechterlijke toets aan te pas is gekomen. Maar dat betekent niet dat bij de beoordeling van de verzoeken die vorderingen dan maar buiten beschouwing moeten blijven. Dat is alleen zo indien die vorderingen als kennelijk onwaarachtig of onrechtmatig moeten worden beschouwd. Gelet op hetgeen de rechtbank in haar vonnis van 7 maart 2013 heeft vastgesteld, kan dat van deze vorderingen alleen daarom al niet gezegd worden. Het zal de taak van de vereffenaar zijn een en ander in voorkomend geval aan een rechterlijke toets te onderwerpen. Verzoekers zijn daarom als schuldeisers te beschouwen en daarom ontvankelijk in hun verzoek. Vooralsnog moet rekening gehouden worden met vorderingen in de orde van grootte die zij hebben aangegeven.

4.2. Nu de nalatenschap beneficiair is aanvaard (hetgeen gezien de aanwezigheid van minderjarige ook niet anders kon), moet deze worden vereffend. Dat is slechts anders indien de executeur kan aantonen dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden van de nalatenschap te voldoen. Na meer dan zes maanden is men volgens verweerders nog steeds doende zicht te krijgen op de omvang van de nalatenschap, hetgeen niet met aantonen kan worden gelijk gesteld. Ook hetgeen is aangevoerd omtrent de omvang van de nalatenschap (van de vader van [B]) die deel uitmaakt van de nalatenschap (waaronder het speculeren omtrent de waarde van de Stille Wille), leidt niet tot de slotsom dat thans moet worden aangenomen dat aan de “ruimschoots toereikendheidstoets” is voldaan. Anders dan verweerders kennelijk menen, is het niet zo dat de schuldeisers moeten aantonen dat niet aan dit genoemde criterium is voldaan. Daar komt nog bij dat de Ontvanger heeft berekend dat de nalatenschap waarschijnlijk niet voldoende zal zijn om alleen al de belastingschuld te voldoen; het erfdeel van [B] in de nalatenschap van zijn vader is blijkens de gedane aangifte successiebelasting berekend op € 4.048.8400, terwijl de roerende zaken die Justitie in beslag heeft genomen een waarde zouden hebben van € 596.182,52, de onroerende zaken volgens opgave door de executeur geen overwaarde hebben en de saldi op verschillende bankrekeningen ongeveer 4 miljoen zouden bedragen. Onder deze omstandigheden kan van de schuldeisers niet worden gevergd dat zij nog langer wachten. De slotsom is dat moet worden aangenomen dat zich geen uitzondering op de vereffeningsregel voordoet.

4.3. Vervolgens doet zich de vraag voor wie als vereffenaar moet optreden. Volgens verweerders kunnen zij dat zelf en is er geen grond voor benoeming van een (externe) vereffenaar. Verzoekers menen dat er een externe vereffenaar moet worden aangewezen, waartoe zij wijzen op de hierboven weergegeven omstandigheden van het geval, alsmede op de stelling dat verweerders niet geschikt zijn om als vereffenaar op te treden. Zij hebben een groot aantal omstandigheden aangevoerd waaruit zou blijken dat zij, [L] en [H], zich zelf ook aan strafbare feiten hebben schuldig gemaakt, welke strafbare feiten bestaan uit het witwassen van gelden en verhullen van strafbare feiten. Zij zijn daarom niet geschikt om als vereffenaar op te treden. Verweerders hebben zich tegen deze stellingen verzet en er op gewezen dat zij door de rechtbank voor al die feiten zijn vrijgesproken en hebben voor alle omstandigheden een voor hen gunstige uitleg gegeven.

4.4. De rechtbank merkt voor de volledigheid op dat de minderjarige erfgenamen in dit debat geen rol spelen; zij zijn door hun leeftijd per definitie niet geschikt om als vereffenaar op te treden en worden vertegenwoordigd door [H], over wie de discussie nu juist gaat.

4.5. De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat bij de benoeming van een externe vereffenaar geen rechten van belanghebbenden (erfgenamen, schuldeisers) worden aangetast of verkort, maar dat deze maatregel uitsluitend inhoudt dat de nalatenschap op formele en juiste manier wordt afgewikkeld. Op zich zelf kan niemand daar bezwaar tegen hebben.

4.6. In het onderhavige geval hebben verzoekers zich uitgebreid uitgelaten over de morele ongeschiktheid van verweerders (met wie dus uiteraard het oog hebben op [L] en [H]). Het ligt voor de hand dat zij zich daartegen hebben verzet. De rechtbank laat dit alles echter bij de beoordeling buiten beschouwing. Vader en dochter [O] zijn door de strafrechter vrijgesproken en het is nog geheel onzeker hoe de rechter in hoger beroep zal beslissen. Voor de beoordeling van de verzoeken is een oordeel over dit punt ook niet nodig.

4.7. Ook zonder een dergelijk oordeel vindt de rechtbank immers dat de verzoeken moeten worden toegewezen. Verweerders [L] en [H] zijn beide verdachte in een strafzaak. Het is voor hen daarom waarschijnlijk lastig bepaalde keuzes te maken als zij daarbij voortdurende de belangstelling van Justitie en de fiscus op zich gericht weten. Wanneer zij bepaalde vermogensbestanddelen aantreffen, dienen zij zich daarmee telkens onverwijld te melden bij Justitie om te vermijden dat zij (wederom) als verdachte zullen worden beschouwd van een strafbaar feit. De kans is zelfs niet denkbeeldig dat zij daarmee een jegens verzoekers meer welwillende houding zullen aannemen dan objectief gezien gerechtvaardigd zou zijn. Dat zou dan weer ten nadele van de overige erfgenamen (de minderjarigen) en overige schuldeisers kunnen gaan. Een voorbeeld van de ongemakkelijkheid waarmee [H] te kampen heeft, heeft zij zelf gegeven: zij leent geld van derden om de hypotheek te kunnen betalen om zo maar te voorkomen dat de schijn wordt gewekt dat zij gelden aan de erfenis onttrekt. Bij een externe vereffenaar kunnen boedelschulden in dat opzicht gemakkelijker buiten enige verdachtmaking worden voldaan. Het is in ieders belang dat schulden tot behoud van het vermogen van de nalatenschap (boedelschulden) worden voldaan.

In het onderhavige geval zou men dus kunnen spreken van het situationeel ongeschikt zijn om als vereffenaar (en executeur) op te treden. (Situationeel in de betekenis van door de omstandigheden waarin zij zich bevinden, ongeacht of dat komt door eigen schuld of dat hen dit schuldloos overkomt.)

4.8. Bij het bovenstaande weegt extra zwaar dat het om een gecompliceerde nalatenschap gaat. Te verwachten is dat zich veelvuldig gevallen voordoen waarin keuzes gemaakt moeten worden en wellicht geschillen zullen ontstaan. Dat brengt ook mee dat de rechtbank een rechter-commissaris zal benoemen.

4.9. Het feit dat verweerders externe professionele hulp van een notariskantoor hebben ingeroepen, zoals zij hebben betoogd, doet aan het bovenstaande niet af. Ook hier spreekt het voorbeeld van [H], zoals boven vermeld, voor zich.

4.10. Het bovenstaande leidt tot de volgende beslissing.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. benoemt tot vereffenaar in de nalatenschap van [B], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] en overleden op 17 november 2012 te [adres]:

mr P.R. Dekker,

Raadhuisstraat 61,

5241 BK Rosmalen.

5.2. draagt de griffier op deze benoeming onverwijld te doen inschrijven in het boedelregister;

5.3. benoemt tot rechter-commissaris mr P.J. Neijt, rechter in deze rechtbank;

5.4. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.5. wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr J.F.M. Strijbos en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.