Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:CA3763

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-06-2013
Datum publicatie
20-06-2013
Zaaknummer
229726 / HA ZA 11-766
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Korte samenvatting: Contradictoir. Reclame overeenkomst i.v.m. "A". Tussenvonnis na bewijsopdracht. Rechtbank verbindt vergaande consequenties aan het handelen in strijd met waarheidsplicht van artikel 21 Rv van één der partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/229726 / HA ZA 11-766

Vonnis van 19 juni 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE ZINGENDE DECOUPEERZAAG B.V.,

gevestigd te Tilburg,

eiseres,

advocaat mr. J.A.J. Dappers te Ravenstein, gemeente Oss,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VERVOR B.V.,

gevestigd te Helmond,

gedaagde,

advocaat mr. P.W.H. Stassen te Eindhoven.

Partijen zullen hierna DZD en Vervor genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 1 augustus 2012

- de akte van 15 augustus van DZD

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 16 oktober 2012

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 29 november 2012

- de akte van depot (DVD met filmpjes en krant ‘Het blad van [A]’) van 13 maart 2013 van DZD

- de conclusie na getuigenverhoor van DZD van 13 maart 2013

- de antwoordconclusie na getuigenverhoor van Vervor van 10 april 2013.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In het tussenvonnis van 1 augustus 2012 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank - samengevat - aan DZD bewijs opgedragen van een aantal feiten waaruit zou kunnen worden afgeleid dat Vervor de schijn heeft gewekt dat [B] bevoegd was haar te vertegenwoordigen, dan wel dat Vervor de schijn van bekrachtiging van de door [B] gesloten overeenkomst heeft gewekt.

2.2. In het kader van de aan DZD opgedragen bewijslevering heeft zij de heren [A] (hierna:[C] (hierna: [C[D] (hierna: [D]) als getuigen doen horen. In tegenverhoor heeft Vervor de heren [E] (hierna: [E]) en zijn zoon [F] (hierna: [F].) doen horen. Vervolgens hebben partijen ieder conclusies na getuigenverhoor genomen en heeft DZD bij depot nog een DVD en de krant ‘Het blad van [A]’ in het geding gebracht.

2.3. Zoals in het tussenvonnis is overwogen heeft Vervor de schijn gewekt dat [B] bevoegd was haar te vertegenwoordigen in geval vast zou komen te staan dat [E] aan DZD heeft medegedeeld dat [B] namens Vervor (verder) zou spreken. Ten aanzien van dit feit heeft [A] het volgende verklaard:

“Er is een tweede bespreking geweest in Helmond waarbij aanwezig waren: de heer [D], de heer [A], mevrouw [G], de heer [B] en de heer [E]. In die bijeenkomst zijn afspraken gemaakt om een meeverdien model te ontwikkelen waarbij ik toen heb gezegd dat daar dan nog wel een vast bedrag in zou moeten zitten. De heer [E] heeft in die bijeenkomst gezegd dat de heer [B] het van hem zou overnemen omdat hij het veel te druk had met het bouwen van een fabriek en de heer [B] marketing directeur was van Vervor B.V.” [C] heeft hierover als getuige niets kunnen verklaren, omdat hij niet aanwezig was bij deze bespreking. Wel heeft hij tijdens de comparitie verklaard (later) te hebben gehoord van [A] dat [E] in dat gesprek zou hebben gezegd dat DZD verder met [B] moest praten. [D], die als getuige heeft verklaard aanwezig te zijn geweest bij dit gesprek, heeft niets verklaard over de mededeling van [E], maar heeft alleen verklaard dat er niet over het contract is onderhandeld, doch alleen wat is afgetast.

2.4. In tegenverhoor heeft [E] over dit gesprek verklaard: “Daarna is er een vervolgbespreking geweest begin maart 2009 in Helmond in de showroom van Vervor BV in de serre. Daarbij waren aanwezig de heer [D], de heer [B], [A], de jongedame die er bij het vorige gesprek ook was terwijl ik zelf na ongeveer 20 minuten ben aangeschoven. Besproken is toen het voorstel van de heer [A] dat Vervor BV het beeldmerk van [A] voor 18.000 euro zou kunnen gaan gebruiken voor commerciële doeleinden. Ik heb daar toen in toegestemd omdat dit bedrag van 18.000 euro beneden de limiet lag van 25.000 euro waarvoor ik naar de aandeelhouders zou moeten. Daarna heb ik het gesprek verlaten.”

2.5. De rechtbank overweegt als volgt.

[A] is als statutair bestuurder van DZD te beschouwen als partijgetuige in de zin van artikel 164 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Lid 2 van dit artikel bepaalt dat zijn enkele verklaring zonder aanvullende bewijzen geen bewijs in het voordeel van DZD kan opleveren. In de getuigenverhoren heeft [A] verklaard dat [E] in het gesprek de mededeling heeft gedaan dat [B] namens Vervor (verder) zou spreken met DZD. De verklaring van [C] levert hiervoor geen directe steun op, nu hij niet zelf bij dit gesprek aanwezig was. Hij heeft dit (kennelijk later) wel van [A] gehoord, zo heeft hij ter comparitie verklaard. [D] rept in zijn getuigenverklaring niet van de mededeling van [E]. [E] zelf geeft een hele andere lezing van dit gesprek, zoals hierboven weergegeven. Voor het overige is geen aanvullend bewijs voorhanden dat als aanvulling kan dienen van de verklaring van [A].

2.6. Uit hoofde van artikel 21 Rv zijn partijen echter verplicht de voor de beslissing zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Als hieraan niet wordt voldaan, kan de rechtbank hieruit de gevolgtrekking maken die haar gerade voorkomt. In dit geval constateert de rechtbank dat Vervor niet aan de in dit artikel geformuleerde waarheidsplicht heeft voldaan door op cruciale punten tegenstrijdige stellingen in te nemen.

2.6.1. In de eerste plaats heeft [E] namens Vervor ter comparitie verklaard dat hij geen gesprek heeft gevoerd ongeveer twee maanden voor 1 april 2009 met [A], doch slechts één keer met hem heeft gesproken, te weten in 2008. Als getuige heeft [E] onder ede echter verklaard [A] eind februari 2009 én begin maart 2009 te hebben gesproken, dus twee keer in 2009. [E] verklaart als getuige daarbij niets over een gesprek met [A] in 2008.

2.6.2. Vervolgens heeft [E] ter comparitie verklaard dat hij het na het gesprek in 2008 niet zag zitten met [A], niet met hem verder is gegaan en besloten had om er niet op in te gaan. Dit is niet alleen in tegenspraak met zijn onder 2.6.1 samengevat weergegeven verklaringen als getuige dat hij in 2009 twee maal met [A] heeft gesproken, maar ook met zijn onder 2.4 geciteerde verklaring dat hij in het tweede gesprek met [A] in 2009 een afspraak heeft gemaakt over het beeldrecht ter waarde van

€ 18.000,00.

2.6.3. Ten slotte heeft [E] ter comparitie verklaard dat hij op de dag van het maken van de opnamen voor SBS6 / Teleshopping, [A] ([A]) niet op het terrein van Vervor heeft gezien. Tijdens zijn verhoor als getuige heeft [E] verklaard dat hij tijdens de opnamen niet met [A] heeft gesproken. DZD heeft daarna een foto in het geding gebracht waarop [E] en [A] (gekleed als [A]) tezamen te zien zijn en gesteld dat deze foto op de opnamedag is gemaakt. De rechtbank constateert dat op de foto een bord te zien is met ‘Veranda’s Vervor bv INGANG SHOWROOM’ en dat [E] en [A] daarop te zien zijn, elkaar aankijkend. Vervor heeft bij conclusie na getuigenverhoor erkend dat deze foto gemaakt is op de dag dat [A] aanwezig was bij Vervor en dat [E] daarop te zien is. Deze stelling staat dus lijnrecht tegenover de ter comparitie ingenomen stelling van [E] dat hij [A] op de dag van de opnamen niet op het terrein van Vervor heeft gezien.

2.6.4. In haar conclusie na getuigenverhoor heeft Vervor de verklaringen van [E] als getuige als haar stellingen overgenomen en geen woord gewijd aan de discrepanties tussen deze stellingen en haar eerder ingenomen stellingen.

2.7. De rechtbank concludeert dat Vervor bij herhaling tegenstrijdige feiten heeft aangevoerd en op deze punten - waaronder ten aanzien van het gesprek van maart 2009 waar het nu om draait - gehandeld heeft in strijd met de waarheidsplicht uit artikel 21 Rv. In ieder geval ten aanzien van dit gesprek heeft [E]/Vervor zijn/haar geloofwaardigheid in dit geding verloren. In deze omstandigheid, tezamen met de latere mededeling van [A] aan [C] over de inhoud het gesprek met [E] zoals blijkt uit de verklaring van [C], ziet de rechtbank voldoende steun voor de verklaring van [A] omtrent de mededeling van [E]. De rechtbank acht dan ook bewezen dat Vervor in de persoon van [E] aan DZD (in de persoon van [A]) heeft medegedeeld dat [B] namens Vervor (verder) zou spreken. Daarmee heeft Vervor de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [B] gewekt en staat vast dat DZD en Vervor rechtsgelding de in geschil zijnde overeenkomst hebben gesloten.

2.8. De rechtbank overweegt ten overvloede dat ook in geval de door [E] genoemde (en niet aan de vorderingen in deze procedure ten grondslag liggende) overeenkomst tussen partijen zou bestaan, Vervor € 18.000,00 aan DZD zou moeten betalen (excl. BTW gelijk het bedrag wat in deze procedure gevorderd is), nu gesteld nog gebleken is dat dit bedrag ooit is betaald. Daarbij merkt de rechtbank op dat het in het licht van artikel 21 Rv op zijn minst opmerkelijk is dat Vervor bij conclusie van antwoord en ter comparitie primair heeft betwist dat Vervor (rechtsgeldig) enige overeenkomst heeft gesloten met DZD, laat staan de overeenkomst die in deze procedure centraal staat, maar daarbij niet heeft gemeld dat zij een ‘andere’ overeenkomst zou hebben gesloten met deels dezelfde inhoud.

2.9. De in het tussenvonnis aangekondigde comparitie heeft niet plaatsgevonden omdat Vervor bij rolbericht heeft afgezien van voortzetting van de contra-enquete. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor een akte van de zijde van DZD waarin zij haar schade kan specificeren, nu deze niet gelijkgesteld kan worden aan het factuurbedrag zoals al in het tussenvonnis is overwogen. Daarna zal de rechtbank een comparitie gelasten om nadere inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Partijen dienen op voornoemde roldatum daarom hun verhinderdata hiervoor op te geven. Vervor heeft daarnaast de gelegenheid om ter comparitie een akte te nemen waarin zij een schriftelijke reactie geeft op de schade-opstelling van DZD. Zij dient deze akte uiterlijk twee weken voor de geplande datum van comparitie aan de rechtbank en DZD te zenden. Na de comparitie kan deze akte niet meer worden genomen.

2.10. De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

2.11. De rechter ten overstaan van wie de getuigen zijn gehoord, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 3 juli 2013 voor het nemen van een akte van de zijde van DZD zoals genoemd onder 2.9, alsmede voor opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de woensdagen en donderdagen in de maanden augustus tot en met oktober 2013, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

3.2. beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. M. Rietveld in het paleis van justitie te 's-Hertogenbosch aan de Leeghwaterlaan 8 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

3.3. bepaalt dat de partijen dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

3.4. bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

3.5. bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

3.6. wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken,

3.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Rietveld en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2013.