Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:CA3455

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
18-06-2013
Zaaknummer
SHE 13 / 233
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onduidelijkheid aanvraag.

Omgevingsvergunning met (milieu)voorschriften. Vergunninghoudster is het met een aantal voorschriften niet eens. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en past een aantal voorschriften aan. Vergunninghoudster bestrijdt tevergeefs vergunningvoorschrift 5.2.1. Dit voorschrift verplicht vergunninghoudster om langs alle wegen en parkeerterreinen binnen de inrichting riolering aan te leggen, terwijl deze riolering er thans niet ligt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de aanvraag in ieder geval niet blijkt dat vergunninghoudster voornemens was om voor de plaatsen waar geen riolering ligt, afstromend water direct te laten infiltreren in de bodem. De rechtbank stelt vast dat geen sprake is van een kennelijke verschrijving in de aanvraag. Uit de aanvraag blijkt niet dat het de bedoeling van de aanvrager is geweest om in de toekomst op deze plaatsen tevens hemelwater te laten infiltreren in de bodem, in afwijking van het ingevulde voornemen om het verontreinigd en niet-verontreinigd hemelwater via het gemeentelijk vuilwaterriool te lozen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder uit de aanvraag, in combinatie met overige omstandigheden, niet had behoren te begrijpen dat werd beoogd het hemelwater in de bodem te laten infiltreren.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/6728
JAF 2013/300 met annotatie van Van der Meijden
JBO 2013/110 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/233

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juni 2013 in de zaak tussen

Autotron Rosmalen Exploitatie B.V., te Rosmalen, eiseres,

(gemachtigde: mr. M.G.J. Maas-Cooymans),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder,

(gemachtigde: drs. P.W. Elfring).

Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder eiseres een omgevingsvergunning met voorschriften verleend ten behoeve van de inrichting op het perceel Graafsebaan 133 te Rosmalen (het terrein van het Autotron).

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, voor zover het betreft een zevental aan dat besluit verbonden voorschriften voor de activiteit milieu.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2013. Namens eiseres zijn verschenen haar gemachtigde en mede-gemachtigden M. van der Steen en ing. M. Liberom. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is gehoord als getuige [naam A], werkzaam bij de provincie Noord-Brabant.

Overwegingen

1. Op deze zaak is, gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt vóór 1 januari 2013.

2.1 De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

2.2 De inrichting, genaamd het Autotron, is sinds 1987 in Rosmalen gevestigd als themapark en heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld tot een park waar onder meer evenementen worden georganiseerd (deels binnen het thema vervoer). Het Autotron is gelegen binnen het zeer kwetsbare grondwaterbeschermingsgebied Vinkel/Nuland, waar door waterleidingbedrijf Brabant Water drinkwater wordt gewonnen. De inrichting wordt geëxploiteerd door eiseres.

2.3 Vanwege een veranderde functie van de inrichting (type C), uitbreiding van het internationaal tennistoernooi (Unicef Open), het realiseren van een educatief verkeersveiligheidscentrum en uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen, heeft eiseres op

1 april 2011 (ter legalisatie) een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend.

2.4 De aanvraag is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure. De aanvraag en het ontwerpbesluit hebben van 29 mei 2012 tot 10 juli 2012 ter inzage gelegen. Eiseres heeft tijdig zienswijzen ingediend. Vanwege de ligging in het grondwaterbeschermingsgebied zijn gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant (GS) en Brabant Water in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen.

3. Het bestreden besluit heeft betrekking op de deelactiviteiten milieu, bouwen, aanleggen en het gebruik van gronden/bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Aan de vergunning zijn voorschriften verbonden voor de deelactiviteit milieu. Het beroep van eiseres is gericht op een aantal van deze voorschriften.

4.1 Eiseres kan zich niet verenigen met de voorschriften 5.1.1 en 5.1.2 van de vergunning en stelt dat verweerder niet heeft gehandeld overeenkomstig voorschrift 5.1.1.3 uit de Provinciale milieuverordening (PMV). Voorschrift 5.1.1 richt zich volgens eiseres ten onrechte tot iedereen. Eiseres ziet graag een wijziging van het voorschrift in die zin dat “een ieder” wordt vervangen door “vergunninghouder” of “degene die het project uitvoert”.

4.2 Verweerder stelt in het verweerschrift een wijziging van de vergunning voor in overeenstemming met de wens van eiseres.

4.3 Voorschrift 5.1.1 van de vergunning luidt als volgt: “Een ieder binnen de inrichtingsgrenzen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten de kwaliteit van het grondwater in een gebied dat in artikel 5.1.1.2 van de PMV versie 16 december 2010 (PMV 2010) is aangewezen kan worden geschaad, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten, behoudens indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, dan wel indien die schade niet kan worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”

Voorschrift 5.1.2 verplicht degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten in geval van een verontreiniging of een direct dreigende verontreiniging van het grondwater terstond GS en de directeur van het drinkwaterbedrijf te informeren.

4.4 Ingevolge artikel 5.1.1.3 van de PMV geldt een bijzondere zorgplicht voor eenieder overeenkomstig voorschriften 5.1.1 en 5.1.2 van het bestreden besluit. Artikel 5.1.1.3 is niet van toepassing op inrichtingen.

4.5 Gelet op het bestaan van deze bijzondere zorgplicht voor een ieder, kan worden volstaan met een voorschrift dat zich richt tot de inrichting zelf. Daarom slaagt deze beroepsgrond. Voldoende is dat de voorschriften zich richten tot degene die het project uitvoert, dat wil zeggen het project waarvoor in het bestreden besluit vergunning is verleend.

4.6 De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en voorschriften 5.1.1 en 5.1.2 als volgt aanpassen.

5.1.1 Degene die het project uitvoert en die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten de kwaliteit van het grondwater in een gebied dat in artikel 5.1.1.2 van de PMV versie 16 december 2010 (PMV 2010) is aangewezen kan worden geschaad, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten, behoudens indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd ten einde die schade te voorkomen, dan wel indien die schade niet kan worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

5.1.2 In geval van een verontreiniging of een direct dreigende verontreiniging van het grondwater, behoort tot de maatregelen bedoeld in voorschrift 5.1.1 in ieder geval dat degene die het project uitvoert terstond GS en de directeur van het drinkwaterbedrijf informeert.

5.1 Eiseres kan zich niet verenigen met voorschrift 5.2.1 van de vergunning. Dit voorschrift verplicht eiseres om langs alle wegen en parkeerterreinen binnen de inrichting riolering aan te leggen, terwijl deze riolering er thans niet ligt. De formulering van het voorschrift impliceert dat nu alsnog riolering moet worden aangelegd over een lengte van vier kilometer. Het voorschrift is niet nodig ter bescherming van het milieu. Verweerder heeft verzuimd om te onderzoeken of het verplichten van een riolering wel noodzakelijk is in het kader van de PMV. De PMV verbiedt gecontroleerde infiltratie niet. Zowel op basis van de toelichting van de PMV en de maatregelen van de Commissie Integraal Waterbeheer (CIW) waarnaar wordt verwezen in de toelichting als op basis van uitlatingen van een medewerker van GS acht eiseres het voldoende dat afvloeiend water infiltreert in de bermen, als deze voldoende worden onderhouden.

5.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de aanvraag in ieder geval niet blijkt dat eiseres voornemens was om voor de plaatsen waar geen riolering ligt, afstromend water direct te laten infiltreren in de bodem. De verwijzing naar de CIW-richtlijn is slechts een handreiking aan initiatiefnemer. Aan de mailwisseling kunnen geen rechten worden ontleend.

5.3 Voorschrift 5.2.1 van de vergunning luidt als volgt: “Parkeerterreinen en wegen (inclusief het wegdek van het verkeersveiligheidcentrum en opstelplaats dieselaggregaat met opstelplaats tankwagen) moeten zodanig zijn aangelegd dat afvloeiend water niet naast de verharding in de bodem geraakt, maar via een riolering wordt afgevoerd.”

5.4 Op het door eiseres ingevulde aanvraagformulier is, bij de activiteit milieu, aangegeven dat niet verontreinigd hemelwater, verontreinigd hemelwater en huishoudelijk afvalwater worden geloosd (pagina 4, onder 13, van het formulier). Verder is in het bij de aanvraag gevoegde en daarvan deel uitmakende overzicht afvalstromen aangegeven dat verontreinigd en niet-verontreinigd hemelwater via het gemeentelijk vuilwaterriool wordt geloosd. Van een kennelijke verschrijving is geen sprake, temeer omdat op twee plaatsen wordt aangegeven dat wordt geloosd via het gemeentelijk vuilwaterriool. Weliswaar volgt uit de bij de aanvraag behorende riooltekeningen dat niet langs alle wegen een riool is aangelegd, maar uit de aanvraag blijkt niet dat het de bedoeling van aanvrager is geweest om in de toekomst op deze plaatsen tevens hemelwater te laten infiltreren in de bodem, in afwijking van het ingevulde voornemen om het verontreinigd en niet-verontreinigd hemelwater via het gemeentelijk vuilwaterriool te lozen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder uit de aanvraag, in combinatie met overige omstandigheden, niet had behoren te begrijpen dat werd beoogd het hemelwater in de bodem te laten infiltreren. Dan zou verweerder namelijk kunnen worden verweten dat hij de grondslag van de aanvraag verlaat. Het gebrek in de aanvraag komt voor risico van eiseres, temeer nu zij niet bij de zienswijzen op voorschrift 5.2.1 van de vergunning heeft gereageerd. Als gevolg hiervan kan verweerder evenmin worden verweten dat hij heeft verzuimd de consequenties van de CIW-richtlijn te onderzoeken. Reeds hierom faalt deze beroepsgrond. Het verschil van mening over de uitleg van de PMV behoeft geen nadere bespreking.

6.1 Eiseres verzet zich verder tegen de redactie van voorschrift 5.7.2 van de vergunning. Het voorschrift veronderstelt dat de opstelplaats van de dieselaggregaten steeds dezelfde is, terwijl dat niet het geval is. De opstellocaties voor de dieselaggregaten zijn tijdelijk en niet voorzien op vaste locaties, want afhankelijk van telkens wisselende opbouw van de (catering)voorzieningen ten behoeve van Unicef Open. In deze vorm is het voorschrift onevenredig bezwarend omdat het niet vaststaat dat alle opstellocaties zullen worden gebruikt, aldus eiseres.

6.2 Verweerder heeft het voorschrift opgenomen om te voldoen aan artikel 5.1.3.3, zevende lid, van de PMV.

6.3 Voorschrift 5.7.2 van de vergunning luidt, voor zover van belang, als volgt.

“Een herhalingsonderzoek ter vaststelling van de bodemkwaliteit moet worden uitgevoerd:

(..)

c. voor de opstellocaties van de dieselaggregaten voor de eerste keer in 2015 en daarna eenmaal per vijf jaar.”

6.4 In artikel 5.1.3.3, zevende lid onder c, van de PMV is bepaald dat, indien in een inrichting een potentieel voor het grondwater schadelijke stof aanwezig is, de in het tweede lid bedoelde bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen de hoogst mogelijke vorm van bescherming bieden, waaronder in ieder geval wordt verstaan dat (…) tussentijds bodemonderzoek met een tenminste tweemaal hogere frequentie plaats¬vindt dan op basis van de NRB wordt aanbevolen, doch tenminste eenmaal per vijf jaar.

6.5 De rechtbank is van oordeel dat artikel 5.1.3.3, zevende lid onder c, van de PMV slechts verplicht tot een bodemonderzoek als de desbetreffende opstelplaats in de controleperiode is gebruikt. Voorschrift 5.7.2 van de vergunning verplicht echter tot een onderzoek, ongeacht of de opstelplaats is gebruikt. Het voorschrift is in de huidige redactie dan ook onevenredig bezwarend. Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank zal het voorschrift 5.7.2 aanhef en onder c vernietigen, zelf in de zaak voorzien en voorschrift 5.7.2 aanhef en onder c als volgt aanpassen:

5.7.2 Een herhalingsonderzoek ter vaststelling van de bodemkwaliteit moet worden uitgevoerd:

c. voor de opstellocaties van de dieselaggregaten voor de eerste keer in 2015 en daarna eenmaal per vijf jaar, indien en voor zover de betreffende opstellocatie in de voorafgaande periode van 5 jaren is gebruikt.

7.1 Eiseres kan zich niet vinden in de, in voorschriften 10.8.1 en 10.8.2 van de vergunning opgenomen verplichting om beschermende voorzieningen aan te brengen aan de opstelplaats voor de tankwagen voor de aflevering van vloeibare brandstof. Het betreft hier het afleveren van vloeibare brandstof aan de dieselaggregaten die worden geplaatst tijdens het evenement Unicef Open (7 dagen per jaar). In die 7 dagen wordt eenmaal getankt, gedurende 15 minuten. De opstelplaats van de aggregaten is echter telkens een andere, dus ook de opstelplaats van de tankwagen. Om aan het voorschrift te kunnen voldoen, zou het gehele terrein rondom het Unicef Open moeten worden verhard. Dit voert te ver. Eiseres beschouwt het opstellen van een tankwagen als tijdelijk parkeren met een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging. Artikel 5.1.3.7 van de PMV verplicht niet tot de voorgestane verregaande maatregelen. Eiseres verwijst hiertoe naar een emailbericht van de heer Klerks, medewerker van de provincie Noord-Brabant. Verder wijst eiseres er op dat al voorzorgsmaatregelen worden getroffen die zijn genoemd in het onderzoeksrapport van Grontmij bij de aanvraag, onder andere het plaatsen van het dieselaggregaat in een lekbak, het vullen ervan boven een vultrechter en dagelijkse inspecties.

7.2 Volgens verweerder miskent eiseres de reden voor het opnemen van de verplichtingen. Die is gelegen in de PMV. Bovendien wordt het voorgeschreven in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (verder: NRB), een BREF-document. De opstelplaats is bovendien gelegen in een bijzonder kwetsbaar grondwaterbeschermingsgebied.

7.3 Voorschrift 10.8.1 en 10.8.2 van de vergunning luiden als volgt:

“10.8.1 De opstelplaats van de tankwagen voor de aflevering van vloeibare brandstof moet ten minste voorzien zijn van een aaneengesloten verharding.

10.8.2 De opstelplaats van de tankwagen dient zodanig te zijn aangelegd dat regenwater vanaf deze opstelplaats niet buiten deze opstelplaats in de bodem geraakt maar via een riolering wordt afgevoerd.”

7.4 Ingevolge artikel 5.1.3.7, vijfde en zesde lid, van de PMV is het in een grondwaterbeschermingsgebied verboden op eigen terrein motorvoertuigen te parkeren of parkeergelegenheid voor motorvoertuigen aan te bieden, indien het terrein niet is voorzien van een aaneengesloten verharding. Dit verbod geldt niet voor tijdelijke parkeervoorzieningen voor motorvoertuigen, indien maatregelen worden getroffen waarmee wordt gewaarborgd dat de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning doelmatig wordt beschermd.

7.5 Verweerder merkt terecht op dat het risico op bodemverontreiniging niet ontstaat door het parkeren van de tankwagen, maar door het afleveren van brandstof. Dit volgt ook uit de gelijkluidende verklaring van de heer Klerks. In zoverre is niet aan de orde of artikel 5.1.3.7 van de PMV wel op een juiste wijze is vertaald in de vergunning. Zowel de PMV als de NRB beogen het treffen van maatregelen, opdat de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning, respectievelijk de bodem, doelmatig wordt beschermd.

Verweerder miskent echter dat de NRB een aaneengesloten verharding niet dwingend voorschrijft maar dat er drie verschillende combinaties van voorzieningen en maatregelen (verder: CVM’s) denkbaar zijn, gelet op tabel 2.1.2 van deel 3 van de NRB. Uit de stukken noch het verhandelde ter zitting volgt dat de PMV verplicht tot het treffen van de door verweerder voorgeschreven meest verstrekkende CVM. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in het onderzoeksrapport van Grontmij ter ondersteuning van de aanvraag is aangegeven dat met de genoemde voorzorgsmaatregelen bij tanken het risico op bodemverontreiniging van enige relevantie verwaarloosbaar is. Het had op de weg van verweerder gelegen om aan te geven waarom de voorgeschreven verder strekkende CVM noodzakelijk is. Dat blijkt niet uit het bestreden besluit. Dit is aldus onvoldoende gemotiveerd. De beide voorschriften komen voor vernietiging in aanmerking.

7.6 De rechtbank zal verweerder geen gelegenheid bieden voor herstel van dit gebrek. Het ligt op de weg van verweerder een nadere afweging te maken over de toepasselijke CVM en hierbij eveneens andere partijen te betrekken waaronder GS en het drinkwaterbedrijf Brabant Water. Beide instanties zijn op dit moment geen partij in onderhavige procedure en hun positie kan bij toepassing van de bevoegdheid ingevolge artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onevenredig worden benadeeld. De rechtbank volstaat daarom met een vernietiging van het bestreden besluit, onder bepaling dat een nieuw besluit omtrent deze voorschriften moet worden genomen met inachtneming van deze uitspraak. Omdat het belangrijk is dat zo snel mogelijk een toereikend voorschrift aan de vergunning wordt verbonden, zal de rechtbank, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid onder b, van de Awb, bepalen dat de voorbereiding van het nieuwe besluit niet met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure behoeft te geschieden. Dit laat onverlet dat verweerder GS en het drinkwaterbedrijf dient te consulteren.

8.1 Eiseres beschouwt tot slot voorschriften 7.3.2 en 7.3.3 als een impliciete weigering van de vergunning. Hierdoor kunnen twee grote, luidruchtige evenementen (muziekfeest/concert) niet in één weekend plaatsvinden, terwijl dit noodzakelijk is voor een economisch verantwoorde exploitatie. Eiseres doet een voorstel tot wijziging van het voorschrift.

8.2 Verweerder heeft deze voorschriften ontleend aan de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening, die voor incidentele bedrijfssituaties als uitgangspunt hanteert dat deze per keer een aaneengesloten periode van maximaal een etmaal mogen duren. Noch uit de aanvraag, noch uit het bijbehorende akoestische onderzoek blijkt dat eiseres voornemens is om meerdere afwijkingen van de representatieve bedrijfssituaties in één weekend te laten plaatsvinden. Het staat eiseres vrij een nieuwe aanvraag in te dienen in overeenstemming met het, eerst in beroep gedane, voorstel.

8.3 Voorschriften 7.3.2 en 7.3.3 van de vergunning luiden als volgt:

“7.3.2 De in voorschrift 7.3.1 genoemde activiteit(en) H2 t/m K mogen per keer een aaneengesloten periode van maximaal een etmaal duren.

7.3.3 Tussen de genoemde activiteiten H2 t/m K liggen ten minste 9 dagen zonder afwijking van de reguliere bedrijfssituatie.”

8.4 Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van eiseres gelegen om expliciet in de aanvraag en het daaraan ten grondslag liggende akoestisch onderzoek te vermelden dat het ook de bedoeling was om tweedaagse grootschalige activiteiten te laten plaatsvinden. Dat heeft eiseres niet gedaan. De aanvraag bevat ook geen aanwijzingen dat dit in de bedoeling lag. Verweerder kan daarom niet worden verweten dat hij, zonder onderzoek, een verdergaande beperking heeft opgelegd. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder bij de verlening van een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu beoordelingsvrijheid toekomt. Verweerder wijst er terecht op, dat met het voorstel van eiseres in de motivering van het beroepschrift de grondslag van de aanvraag wordt verlaten. De rechtbank ziet geen aanleiding de suggestie van eiseres te volgen, te meer nu hierdoor de belangen en rechtsbeschermingmogelijkheden van omwonenden zouden kunnen worden geschaad. De omstandigheid dat in het verleden dergelijke evenementen zonder klachten van omwonenden zijn georganiseerd, maakt dit niet anders. Deze beroepsgrond faalt.

9. Uit het bovenstaande volgt dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, voor zover het betreft voorschriften 5.1.1, 5.1.2, 5.7.2 aanhef en onder c, 10.8.1 en 10.8.2. Het besluit blijft voor het overige in stand. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien op de hierboven genoemde wijze en bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover vernietigd. De rechtbank zal verder bepalen dat de voorbereiding van het nieuwe besluit ten aanzien van voorschriften 10.8.1 en 10.8.2 niet overeenkomstig de eisen bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb behoeft te geschieden.

10. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 310,00 aan eiseres dient te vergoeden. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 975,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,00 en een wegingsfactor 1 en een reiskostenvergoeding van € 31,00 ).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond.

- vernietigt het bestreden besluit voor zover het betreft de voorschriften 5.1.1, 5.1.2, 5.7.2 aanhef en onder c, 10.8.1 en 10.8.2 van de vergunning.

- bepaalt dat voorschrift 5.1.1 en 5.1.2 van de vergunning als volgt komen te luiden:

5.1.1 Degene die het project uitvoert en die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten de kwaliteit van het grondwater in een gebied dat in artikel 5.1.1.2 van de PMV versie 16 december 2010 (PMV 2010) is aangewezen kan worden geschaad, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten, behoudens indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, dan wel indien die schade niet kan worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

5.1.2 In geval van een verontreiniging of een direct dreigende verontreiniging van het grondwater, behoort tot de maatregelen bedoeld in voorschrift 5.1.1 in ieder geval dat degene die het project uitvoert terstond GS en de directeur van het drinkwaterbedrijf informeert.

- bepaalt dat voorschrift 5.7.2 aanhef en onder c als volgt komt te luiden:

5.7.2 Een herhalingsonderzoek ter vaststelling van de bodemkwaliteit moet worden uitgevoerd:

c. voor de opstellocaties van de dieselaggregaten voor de eerste keer in 2015 en daarna eenmaal per vijf jaar, indien en voor zover de betreffende opstellocatie in de voorafgaande periode van 5 jaren is gebruikt.

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd.

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen voor zover het betreft de voorschriften 10.8.1 en 10.8.2 met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen en bepaalt dat de voorbereiding van dit nieuwe besluit niet overeenkomstig de eisen bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb behoeft te geschieden.

- bepaalt dat verweerder eiseres het betaalde griffierecht van € 310,00 dient te vergoeden.

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 975,00 te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. D.J. de Lange en mr. H.M.J.G. Neelis, leden, in aanwezigheid van mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.