Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:CA3281

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-06-2013
Datum publicatie
17-06-2013
Zaaknummer
01/839576-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van medeplegen van poging tot moord/doodslag danwel medeplichtigheid daaraan.

Bewezenverklaring van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht..

Opgelegd een gevangenisstraf van 8 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/839576-10

Parketnummer vordering: 01/839235-09

Datum uitspraak: 17 juni 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1988],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans uit andere hoofde gedetineerd te: P.I. Breda - HvB De Boschpoort.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 augustus 2012 en 3 juni 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 juli 2012.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 18 juli 2010 te Eindhoven ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te

beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen met dat opzet meermalen

met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de rug, althans in

het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 18 juli 2010 te Eindhoven ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen een kogel heeft geschoten in de

richting van (het lichaam van) die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 juli 2010 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een

ander, althans alleen, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf

tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben

verdachte en/of diens medeverdachte opzettelijk dreigend meermalen, althans

eenmaal met een vuurwapen in de lucht en/of vervolgens op en/of in de richting

van die [slachtoffer 1] geschoten;

(artikel 285/47 Wetboek van strafrecht)

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 01/839235-09 is aangebracht bij vordering van 30 juli 2012. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank 's-Hertogenbosch d.d. 21 september 2009. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak.

De rechtbank acht -evenals de officier van justitie en de raadsman van verdachte- niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 en onder 2 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank daartoe als volgt.

Steekincident (feit 1)

Nu geen van de aanwezige personen verklaart over het zien van een mes of steken met enig voorwerp in het lichaam van aangever [slachtoffer 1] en geen DNA-profiel verkregen is van het bemonsterde heft van het ter plaatse aangetroffen mes (op het lemmet van het mes is overigens wel bloed aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van aangever [slachtoffer 1]), blijft onduidelijk wie het mes, dat kennelijk bij de steekpartij is gebruikt, ten tijde van het toebrengen van de verwondingen bij aangever [slachtoffer 1] in handen had. Gelet hierop is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor betrokkenheid van verdachte bij het hem onder feit 1 ten laste gelegde.

Schietincident (feit 2 primair)

Uit het dossier kan worden afgeleid dat de schutter ten tijde van de twee laatste schoten midden op de rijbaan, aan het begin van de Stephensonstraat stond en met gestrekte armen tweemaal in de richting van de Minckelerstraat schoot, dat de afstand vanaf de schutterspositie tot de knik in de straat circa 90 meter is, dat het slachtoffer op het moment dat de schoten werden gelost waarschijnlijk kort voor de knik in de straat liep of die knik al was gepasseerd, dat de looprichting van aangever [slachtoffer 1] in de Stephensonstraat voor de knik is veranderd van midden op de rijbaan naar het rechtertrottoir en dat er ten tijde van het schietincident zes personenauto's geparkeerd stonden in de parkeervakken langs het rechtertrottoir. Voorts blijkt uit het dossier dat aangever [slachtoffer 1] niet geraakt is door de kogels en hij verklaart niet over een eigen waarneming met betrekking tot de richting van de geloste schoten. Gelet op voornoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, kan niet worden aangenomen dat de aanmerkelijke kans heeft bestaan dat aangever [slachtoffer 1] zou worden geraakt door een of meer kogels en aldus ten gevolge van de gedragingen van verdachte en/of [medeverdachte] zou komen te overlijden. Het vereiste opzet kan daarmee niet bewezen worden, zodat verdachte van het hem onder feit 2 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Bewijs1

Inleiding.

Uit diverse verklaringen volgt het scenario dat aangever [slachtoffer 1] de avond van 18 juli 2010 in de [straat] ter hoogte van nummer [nummer] te Eindhoven een woordenwisseling heeft gehad met [medeverdachte], dat deze laatste door [slachtoffer 1] daarbij in het gezicht is geslagen en vervolgens op de grond is gevallen.2

Vervolgens is aangever [slachtoffer 1] gevlucht door weg te rennen en heeft hij tijdens het wegrennen iets gehoord wat op schoten (drie of vier) van een vuurwapen leek.3

Het standpunt van de officier van justitie.

[slachtoffer 1] is na een ruzie met [medeverdachte], waarbij deze laatste door [slachtoffer 1] geslagen is, weggerend. [medeverdachte] en [verdachte] zijn achter [slachtoffer 1] aangerend (aldus diverse getuigenverklaringen in het dossier) en hebben mogelijk 1 keer in de lucht, maar in elk geval twee keer met gestrekte armen min of meer wijzend in de looprichting van de wegrennende [slachtoffer 1] geschoten. [slachtoffer 1] heeft deze schoten ook gehoord. Het na een ruzie met het slachtoffer achterna rennen van het slachtoffer en vervolgens met een vuurwapen in de lucht en vervolgens in diens looprichting schieten, is naar de uiterlijke verschijningsvorm niet anders op te vatten dan geëigend en bedoeld om [slachtoffer 1] minst genomen de vrees aan te jagen dat [slachtoffer 1] om het leven komt. Er is in het onderhavige geval sprake van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking dat van medeplegen gesproken kan worden. Verdachte [verdachte] en [medeverdachte] zijn beiden achter [slachtoffer 1] aangerend, vervolgens heeft [medeverdachte] het vuurwapen eerst ter hand genomen en een of twee schoten gelost, vervolgens heeft [verdachte] het vuurwapen van hem overgenomen en er meteen daarna zelf mee geschoten, is [medeverdachte] overeind geholpen door [verdachte] en zijn zij samen weggevlucht van de plaats delict.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder feit 2 subsidiair is ten laste gelegd. Er wordt door getuigen geen duidelijk signalement van de schutter gegeven, waardoor niet kan worden vastgesteld dat verdachte de schoten heeft gelost. Er zitten diverse verklaringen in het dossier, waarvan nog maar de vraag is of deze betrouwbaar zijn. Zo zegt aangever [slachtoffer 1] dat hijzelf stijf stond van de drank en drugs. De verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] zijn niet betrouwbaar, omdat zij een motief hadden om [verdachte] als dader aan te wijzen, namelijk het vrijkomen van [persoon 1], die in eerste instantie door de politie voor dit feit was opgepakt en een erfeniskwestie. Het onderzoek in deze strafzaak hangt van willekeur aan elkaar. Aan aangever [slachtoffer 1], die zwaar onder invloed was, is maar één foto getoond. Getuige [getuige 3] heeft verdachte bij een volgens de regels gehouden fotoconfrontatie niet herkend. Aan getuige [getuige 4] zijn geen foto's getoond. Het door hem opgegeven signalement past niet op verdachte. Er is geen enkel objectief bewijsmiddel dat in de richting wijst van het lossen van schoten door verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.

[medeverdachte] heeft tegenover de politie verklaard dat hij op 18 juli 2010 omstreeks 20.00 uur voor de woning van [persoon 1] (de rechtbank leest: aan de [adres] te Eindhoven) zat met onder andere [verdachte].4 Er is enige tijd later ruzie ontstaan, waarbij [medeverdachte] door aangever [slachtoffer 1] is geslagen.5 Na de aanhouding van [persoon 1] heeft [medeverdachte] over het incident van 18 juli 2010 gesproken met de moeder van [getuige 3] (de rechtbank leest: [getuige 3]), zijn ex-vrouw [getuige 1] (de rechtbank leest: [getuige 1]).6 [getuige 2] heeft verklaard dat zij een gesprek heeft gehad met [n[medeverdachte] (de rechtbank leest: [medeverdachte]) in haar caravan, waarbij ook [getuige 1] aanwezig waren.7 [medeverdachte] vertelde dat hij die zondagavond geslagen was en dat hij vervolgens 1 keer in de lucht had geschoten. [medeverdachte] zou voorts hebben verteld dat op een gegeven moment [verdachte] het vuurwapen in zijn hand had en hiermee drie keer gericht had geschoten op die man (de rechtbank leest: [slachtoffer 1]). [getuige 1]

heeft verklaard dat zij op 18 juli 2010 in de voortuin van de woning van [getuige 3], [[medeverdachte] en [verdachte] heeft zien zitten. Kort na 22.30 uur hoorde zij het geluid van schoten. Toen er twee ziekenauto's stonden in de Minckelerstraat heeft zij [medeverdachte] en [verdachte] hard zien weglopen.8 Enige dagen na het incident trof zij [verdachte] in een wijkgebouw. Hij vertelde haar onder andere dat hij degene was die geschoten had. Hij vertelde dat hij ertussen was gesprongen omdat de lange man (de rechtbank leest: [slachtoffer 1]) [medeverdachte] had geslagen.9 [getuige 1] heeft vervolgens in de caravan van de moeder van [getuige 3] (de rechtbank leest: [getuige 2]) een gesprek gehad met [medeverdachte], [getuige 2] en [getuige 1]. [medeverdachte] zei toen dat het nooit zo zou zijn gelopen als [verdachte] dat ding niet van hem had afgepakt.10 De getuige [getuige 4] hoorde op 18 juli 2010 omstreeks 22.30 uur twee knallen, welke hij herkende als zijnde schoten van een vuurwapen. Toen hij buiten was, zag hij uit de richting van de Edisonstraat te Eindhoven een man komen lopen met in zijn rechterhand een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Hij strekte zijn rechterhand in een voorwaartse beweging en voegde zijn linkerhand bij zijn rechterhand en strekte ook die. De man stond midden op de weg en nam een schiethouding aan. Onmiddellijk hoorde de getuige twee knallen achter elkaar, met een pauze van 2 seconden. [getuige 4] zag dat er uit de loop van het vuurwapen twee steekvlammen kwamen. Getuige [getuige 4] geeft een signalement van de schutter.11 Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat er op 18 juli 2010 omstreeks 22.25 uur twee jongens voorbij renden in de richting van de Stephensonstraat. De achterste persoon had een wit T-shirt aan. Enkele seconden later hoorde hij knallen, zeker drie schoten. De persoon met het witte T-shirt kwam teruglopen en hield een op een vuurwapen gelijkend voorwerp met zijn rechterhand langs zijn gezicht. Hij liep naar een persoon met een zwart T-shirt die voor de woning van getuige [getuige 3] op de grond lag en hielp hem overeind. Ze liepen al pratend in de richting van de Snelliusstraat. Getuige [getuige 3] heeft een signalement van de man met het pistool en het witte T-shirt (zonder mouwen) gegeven dat overeenkomt met de beschrijving die getuige [getuige] heeft gegeven van de persoon met een wit hemdje (zonder mouwen) die zij bij de woning van [voornaam getuige 3] heeft zien zitten tussen 21.00 uur en 23.00 uur12 en welk signalement ook overeenkomt met de man waarvan aangever [slachtoffer 1] denkt dat hij [getuige 3] heet13. Getuige [getuige 3] heeft voorts een beschrijving van de man met het zwarte T-shirt gegeven die overeenkomt met de beschrijving die getuige [getuige 5] (de rechtbank leest: [medeverdachte]) heeft gegeven.14

De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] niet betrouwbaar zijn en daarom niet als bewijsmiddel kunnen worden gebezigd. Hun verklaringen zouden gekleurd zijn, omdat zij als doel voor ogen hadden het vrijpleiten van [persoon 1] en omdat [getuige 1] een geschil met [verdachte] had over een erfenis.

De rechtbank verwerpt dit verweer nu zowel [getuige 2] als [getuige 1] bij de rechter-commissaris bij de eerder door hen bij de politie afgelegde verklaringen zijn gebleven.

Ten tijde van hun verhoor bij de rechter-commissaris op 25 maart 2011, was [persoon 1] al in vrijheid gesteld, zodat de eventuele grondslag van het door de raadsman gestelde motief op dat moment al was weggevallen. De beide vrouwen hadden ten tijde van het verhoor bij de rechter-commissaris alsnog op hun verklaringen kunnen terugkomen, maar hebben dit niet gedaan. Het geschil over een erfenis met [verdachte] is door [getuige 1] betwist en bovendien valt niet in te zien welk voordeel zij zou hebben bij een valse beschuldiging van [verdachte], die zij al lange tijd kent en die vroeger vaak bij haar op bezoek kwam. De rechtbank acht hun verklaringen consistent en heeft geen reden om aan de geloofwaardigheid ervan te twijfelen. De verklaringen kunnen daarom worden gebezigd voor het bewijs.

Gelet op de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen en signalementen -in combinatie met hetgeen onder het kopje inleiding is opgenomen-, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte [verdachte] is geweest die de bewuste avond achter [slachtoffer 1] is aangerend en vervolgens met een vuurwapen geschoten heeft. Deze handeling is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet anders op te vatten dan bedoeld om [slachtoffer 1] de vrees aan te jagen dat hij mogelijk zou komen te overlijden. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank niet een zodanige nauwe en bewuste samenwerking met een ander af, dat gesproken kan worden van medeplegen van bedreiging. De rechtbank zal verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrij spreken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

subsidiair:

op 18 juli 2010 te Eindhoven [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf

tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend meermalen met een vuurwapen geschoten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met aftrek overeenkomstig het gestelde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Voorts eist zij een werkstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis.

In strafmatigende zin heeft de officier van justitie in grote mate rekening gehouden met het tijdsverloop in deze strafzaak. Dat is de reden waarom zij geen lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf eist.

De vordering tenuitvoerlegging dient volgens de officier van justitie te worden afgewezen, nu de vordering niet binnen drie maanden na afloop van de proeftijd is gedaan.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft de rechtbank verzocht om verdachte integraal vrij te spreken van de hem ten laste gelegde feiten. Een straf of maatregel is gelet hierop niet aan de orde.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Het door verdachte gepleegde strafbare feit heeft een ernstig en zeer gewelddadig karakter. Verdachte is er niet voor teruggeschrokken om met een vuurwapen op straat (in een drukke woonwijk) in de zomer op een tijdstip dat mensen 's avonds buiten zijn, te schieten. Aldus heeft verdachte een gevaar in het leven geroepen voor het slachtoffer [slachtoffer 1], maar ook voor toevallige omstanders. Een dergelijk incident heeft een grote impact op een slachtoffer en de omgeving en draagt in grote mate bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Voorts rekent de rechtbank verdachte aan dat hij in een proeftijd liep van een ander geweldsdelict en eerder is veroordeeld voor een bedreiging in 2010.

De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt. Uitgangspunt van de rechtbank bij een dergelijk bewezen verklaard feit (bedreiging met een vuurwapen door meermalen te schieten in een woonwijk) is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden. De rechtbank zal rekening houden met het tijdsverloop in de onderhavige strafzaak en zal de op te leggen straf om die reden enigszins matigen.

De rechtbank is echter van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving en gelet op de ernst van het feit niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 01/839235-09.

De rechtbank zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging omdat de vordering later dan drie maanden na het verstrijken van de proeftijd is ingediend (artikel 14g lid 5 Sr).

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 285.

DE UITSPRAAK

T.a.v. feit 1 primair, feit 1 subsidiair, feit 2 primair:

Vrijspraak, verklaart niet bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

T.a.v. feit 2 subsidiair:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

T.a.v. feit 2 subsidiair:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 2 subsidiair:

Gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. W.A.F. Damen, voorzitter,

mr. J.G. Vos en mr. H.H.E. Boomgaart, leden,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Etteger-Lubbers, griffier,

en is uitgesproken op 17 juni 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, afdeling Eindhoven Centrum, genummerd PL 2233 2010108522-1, aantal doorgenummerde bladzijden: 616.

2 PV verhoor [medeverdachte] (p. 395), pv aangifte [slachtoffer 1] (p. 103) en pv verhoor getuige [getuige] (p. 217)

3 PV aangifte [slachtoffer 1] (p. 103)

4 Pv verhoor [medeverdachte] (p. 398)

5 PV verhoor [medeverdachte] (p. 399)

6 PV verhoor [medeverdachte] (p. 400)

7 PV verhoor [getuige 2] (p. 169 en 170)

8 PV verhoor [getuige 1] (p. 181)

9 PV verhoor [getuige 1] (p. 182)

10 PV verhoor [getuige 1] (p. 182 en 183)

11 Pv verhoor [getuige 4] (p. 129 en 130)

12 PV verhoor [getuige 3] (p. 139) en PV verhoor [getuige] (p. 122)

13 PV verhoor [slach[slachtoffer 1] (p. 102)

14 PV verhoor [getuige 3] (p. 139)