Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:CA2363

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
07-06-2013
Zaaknummer
252748
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Korte samenvatting: Incident.(on)bevoegdheid o.m. geschillenregeling

Eiseres was geen partij bij overeenkomst waarin forumkeuzebeding is opgenomen. Zij kan daarop geen beroep doen. Ook geen verbintenis uit overeenkomst als bedoeld in art. 5 sub 1 onder a EEX-Vo. Rechtbank Oost-Brabant wel bevoegd tot kennisneming vordering tot overname aandelen als bedoeld in art. 2:343 BW: geschillenregeling valt naar de letter niet onder art. 22, lid 2 EEX-Vo, maar wel naar strekking en reikwijdte. Rechtbank Oost-Brabant voorts bevoegd tot kennisneming van vorderingen uit hoofde van OD: (oorspronkelijke) schade is ingetreden in 's-Hertogenbosch.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 336
Burgerlijk Wetboek Boek 2 343
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RO 2013/59
JONDR 2013/935
JOR 2013/234 met annotatie van prof. mr. C.D.J. Bulten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/252748 / HA ZA 12-816

Vonnis in incident van 5 juni 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PROPERTY MASTER EUROPE (PME) GROUP B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. dr. R.W.F. Hendriks te ’s-Hertogenbosch,

tegen

1. de rechtspersoon naar Duits recht

VICTORIA IMMOBILIEN MANAGEMENT GMBH,

gevestigd te München (Duitsland),

2. de rechtspersoon naar Duits recht

MEAG MUNICH ERGO ASSETMANAGEMENT GMBH,

gevestigd te München (Duitsland),

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

advocaat mr. E.E.U. Vroom te Amsterdam.

Partijen zullen hierna PME, VIM en MEAG genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring

- de incidentele conclusie van antwoord.

Partijen hebben hun standpunt ter zitting doen bepleiten. Bij die gelegenheid zijn de volgende stukken in het geding gebracht:

- de pleitnotities van mr. dr. R.W.F. Hendriks,

- de pleitnotities van mr. E.E.U. Vroom en mr. C.A.J. van Yperen.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. Het geschil en de beoordeling in het incident

2.1. PME en VIM zijn aandeelhouders in de besloten vennootschap Associated Asset Management Corporation B.V. (hierna: AAMC), gevestigd te ’s-Hertogenbosch. MEAG is enig aandeelhoudster van VIM.

2.2. PME vordert in de hoofdzaak VIM te veroordelen tot overname van de aandelen die PME houdt in het kapitaal van AAMC, primair op grond van een Joint Venture Overeenkomst, gesloten op 28 januari 2000 tussen VIM, WPM Investment Services B.V. en AAMC (hierna: de Joint Venture Overeenkomst), subsidiair op grond van artikel 2:343 lid 1 BW.

PME vordert voorts

- verklaring voor recht dat VIM toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van verplichtingen uit hoofde van de Joint Venture Overeenkomst,

- verklaring voor recht dat VIM en MEAG onrechtmatig jegens PME hebben gehandeld,

- schadevergoeding, vast te stellen in een schadestaatprocedure.

2.3. VIM en MEAG vorderen in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. VIM en MEAG beroepen zich op de hoofdregel van artikel 2 EEX-Vo op grond waarvan zij naar hun mening hadden behoren te worden opgeroepen voor de rechter van hun woonplaats, de Duitse rechter. De uitzonderingen die daarop in de EEX-Vo worden gemaakt, moeten terughoudend worden toegepast, aldus VIM en MEAG, aangezien men voorzichtig moet zijn met het ontnemen van het natuurlijke forum aan gedaagden. Ook indien de bijzondere uitzonderingsregels wel bruikbaar zouden zijn, komt slechts aan de Duitse rechter rechtsmacht toe nu de verweten gedragingen nauw verbonden zijn met Duitsland. Tot slot is deze rechtbank relatief onbevoegd.

2.4. PME voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

2.5. De rechtbank dient de vraag of zij bevoegd is om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen, te beantwoorden aan de hand van de bepalingen van de EEX-Verordening (hierna: EEX-Vo) aangezien partijen zijn gevestigd in lidstaten van de Europese Unie. Hoofdregel is dat degene die woonplaats heeft in een EU-lidstaat wordt opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat (art. 2 EEX-Vo). Hierop maakt de EEX-Vo enkele uitzonderingen. Nu VIM en MEAG niet zijn opgeroepen voor een Duitse rechter moet worden onderzocht of sprake is van één van die uitzonderingen.

De bevoegdheid ten aanzien van VIM

De vordering tot overname van de aandelen

2.6. Volgens PME is deze rechtbank bevoegd kennis te nemen van de vordering tot overname van de aandelen door VIM.

Als primaire grondslag voor deze bevoegdheid beroept PME zich op de forumkeuze die is gemaakt in de Joint Venture Overeenkomst. Deze overeenkomst is gesloten tussen VIM en PME, althans de aan haar gelieerde rechtsvoorgangster WPM Investment Services B.V. (hierna: WMP Investment), aldus PME. WPM Investment heeft een nieuwe vennootschap opgericht: WPM Real Estate Services B.V. (hierna: WPM Real Estate). Deze vennootschap heeft samen met VIM AAMC opgericht en is 49% van de aandelen in AAMC gaan houden. PME heeft in mei 2001 alle aandelen in het kapitaal van WPM Investment en alle activa van WPM Real Estate overgenomen. Volgens PME is zij zodoende in alle rechten en verplichtingen van WPM Investment getreden.

2.7. De rechtbank overweegt het volgende. Ingevolge artikel 23 lid 1 EEX-Vo is de door partijen aangewezen rechter exclusief bevoegd. VIM wijst er echter terecht op dat PME geen partij was bij de Joint Venture Overeenkomst maar dat deze overeenkomst met VIM is gesloten door WPM Investment. PME voert weliswaar aan dat WPM Investment haar ‘rechtsvoorgangster’ is, maar als aandeelhoudster van WPM Investment is PME niet dezelfde rechtspersoon als WPM Investment en derhalve niet de partij waarmee VIM de Joint Venture Overeenkomst heeft gesloten. PME wijst erop dat de Ondernemingskamer in zijn beschikking van 7 maart 2013 in een andere procedure tussen VIM en PME onder 2.2. heeft overwogen dat WPM Investment de rechtsvoorgangster van PME is. In deze overweging staat: “2.2 In 1999 is VIM op zoek gegaan naar een partner voor het beheer van tot het vermogen van de Munich Re-groep behorend vastgoed in de Benelux. Dat heeft ertoe geleid dat VIM op 28 januari 2000 met WPM Investment Services B.V., een vennootschap gecontroleerd door Kortrink, – de rechtsvoorgangster van PME – een Anteilseignervertrag (aandeelhoudersovereenkomst) heeft gesloten, strekkende tot de oprichting van AAMC.” Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat de Ondernemingskamer met deze overweging bedoelt dat WPM Investment en PME een en dezelfde rechtspersoon zijn. Voor zover PME zich bedoelt te beroepen op bindende rechtskracht van deze overweging van de Ondernemingskamer tussen partijen en wel in die zin dat daarmee vast zou staan dat WPM Investment en PME een en dezelfde rechtspersoon zijn, verwerpt de rechtbank dit beroep dan ook.

PME voert voorts aan dat zij met VIM heeft afgesproken dat zij in plaats van WPM Investment de overeenkomst zou gaan uitvoeren maar een dergelijke afspraak is niet meer dan een (nieuwe) mondelinge overeenkomst. Naar het oordeel van de rechtbank levert deze mondelinge overeenkomst geen rechtsgeldige forumkeuze als bedoeld in artikel 23 lid 1 EEX-Vo op. Immers kan op grond van artikel 23 lid 1 EEX-Vo een forumkeuze slechts worden gedaan bij schriftelijke overeenkomst of bij schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst (sub a) dan wel (sub b) in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen partijen gebruikelijk zijn dan wel (sub c) in de internationale handel … (waarvan in casu geen sprake is). Aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 23 lid 1 sub a EEX-Vo is niet voldaan, nu niet is gesteld of gebleken dat de mondelinge overeenkomst schriftelijk is bevestigd door partijen. Voorts is gesteld noch gebleken dat sprake is van een tussen partijen gebruikelijke handelwijze.

PME kan zich slechts beroepen op de bijzondere, schriftelijk vastgelegde, bepalingen uit de Joint Venture Overeenkomst en op de verplichtingen jegens WPM Investment die VIM in die overeenkomst op zich heeft genomen indien sprake is van contractsoverneming in de zin van de wet. Op de Joint Venture Overeenkomst is Nederlands recht van toepassing verklaard. Derhalve dient naar Nederlands recht te worden beoordeeld of sprake is van contractsoverneming. Uit artikel 6:159 BW lid 1 volgt dat WPM Investment en PME een akte hadden moeten opmaken indien zij alle uit de Joint Venture Overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van WPM Investment jegens VIM hadden willen doen overgaan op PME. Gesteld noch gebleken is dat een dergelijke akte bestaat. Dat VIM blijkbaar haar medewerking heeft verleend doet dan verder niet ter zake. Bij gebreke van een akte tussen WPM Investment en PME is er geen sprake van contractsoverneming zodat PME zich niet kan beroepen op de in de Joint Venture Overeenkomst gemaakte forumkeuze. De rechtbank is dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot overname van de aandelen door VIM op de primaire grondslag.

2.8. PME voert nog aan dat deze rechtbank bevoegd is op grond van artikel 5 sub 1 onder a EEX-Vo. De plaats van uitvoering van de uit artikel 2 van de Joint Venture Overeenkomst voortvloeiende verbintenis tot overname van aandelen door VIM is gelegen in Nederland aangezien de levering van de aandelen dient plaats te vinden bij een Nederlandse notariële akte, aldus PME. PME kan echter geen beroep doen op enige uit de Joint Venture Overeenkomst voortvloeiende verplichting van VIM aangezien zij, zoals hiervoor onder 2.7. reeds is overwogen, geen partij is bij die overeenkomst en geen sprake is van contractsoverneming. Er is dan ook geen sprake is van een verbintenis uit overeenkomst zoals bedoeld in artikel 5 sub 1 onder a EEX-Vo. De rechtbank is daarom evenmin op grond van artikel 5 lid 1 onder a EEX-Vo bevoegd.

2.9. Als subsidiaire grondslag voor de bevoegdheid tot kennisneming van de vordering tot overname van de aandelen door VIM beroept PME zich op artikel 2:336 lid 3 BW. Daaruit volgt volgens PME dat tot kennisneming van de vordering tot overname van de aandelen in AAMC als bedoeld in artikel 2:343 lid 1 BW bevoegd is de rechtbank van de woonplaats van AAMC.

2.10. De rechtbank overweegt het volgende. Gelet op artikel 1 EEX-Vo is deze verordening ook van toepassing is waar het betreft de bevoegdheid tot kennisneming van de vordering tot overname van de aandelen door VIM op grond van artikel 2:343 BW, zodat de bevoegdheid van de rechtbank niet kan worden ontleend aan artikel 2:336 lid 3 BW. Artikel 22 lid 2 EEX-Vo wijst voor de geldigheid, de nietigheid of de ontbinding van vennootschappen of rechtspersonen met plaats van vestiging in een lidstaat, dan wel van de besluiten van hun organen de gerechten van die lidstaat aan als uitsluitend bevoegde rechter. VIM en MEAG hebben erop gewezen dat het niet zeker is dat op vorderingen tot toepassing van de geschillenregeling artikel 22, tweede lid EEX-Vo van toepassing is, zoals is opgemerkt in de Memorie van Toelichting op de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht. Volgens VIM en MEAG leent deze kwestie zich voor het stellen van een prejudiciële vraag.

Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de EG/EU van 2 oktober 2008, C-372/07, dient artikel 22 lid 2 EEX-Vo restrictief te worden uitgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank valt de geschillenregeling wellicht niet naar de letter onder de bepaling van artikel 22 lid 2 EEX-Vo maar dient de geschillenregeling, mede op grond van de rechtseenheid en rechtszekerheid, wel onder de strekking en de reikwijdte van artikel 22 EEX-Vo te worden begrepen. De rechtbank van de plaats waar de vennootschap, waarin de aandelen worden gehouden, haar zetel heeft, dient exclusief bevoegd te zijn. De ratio van artikel 22 lid 2 EEX-Vo is dat het materiële recht dat de vennootschap beheerst wordt toegepast en beoordeeld door de eigen rechter (“Gleichlauf”). Het op de vennootschap toepasselijke recht en de rechterlijke bevoegdheden (van in casu de geschillenregeling) lopen dan in de pas (conform het toelichtende rapport-Jenard, Pb EG 5 maart 1979, nr. C 59, p.35).

Aan het stellen van een prejudiciële vraag op dit punt komt de rechtbank derhalve niet toe.

De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat zij bevoegd is tot kennisneming van de vordering tot overname van de aandelen op grond van artikel 2:343 BW.

De vordering tot verklaring voor recht dat VIM toerekenbaar tekort is geschoten

2.11. Volgens PME is deze rechtbank bevoegd kennis te nemen van de vordering tot verklaring voor recht dat VIM toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van de Joint Venture Overeenkomst op grond van dezelfde argumenten als die zij heeft aangevoerd omtrent de bevoegdheid tot kennisneming van de op de Joint Venture Overeenkomst gebaseerde vordering tot overname van de aandelen. Die argumenten van PME zijn hiervoor onder 2.7. en 2.8. reeds verworpen. De rechtbank is derhalve evenmin bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.

De vordering tot verklaring voor recht dat VIM onrechtmatig heeft gehandeld en de vordering tot vergoeding van schade

2.12. PME legt aan haar vordering tot verklaring voor recht dat VIM onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar en de vordering tot schadevergoeding (mede) ten grondslag dat VIM heeft geprofiteerd van de opzegging van een aantal duurovereenkomsten tussen MEAG en AAMC, door welke opzegging de aandelen in AAMC minder waard/waardeloos zijn geworden. Dit handelen van VIM is in strijd met artikel 2:8 BW. Voorts legt PME aan deze vordering ten grondslag dat VIM en MEAG in groepsverband AAMC hebben “uitgehongerd” met als opzet het toebrengen van schade aan PME. De schade als gevolg van dit onrechtmatig handelen is ingetreden in Nederland, te weten het kantoor van AAMC te ’s-Hertogenbosch, aldus PME. Uit het arrest van het Hof van Justitie EG van 30 november 1976, NJ 1977/494, volgt dat deze rechtbank, als rechtbank van de plaats waar de schade is ontstaan bevoegd is op grond van artikel 5 sub 3 EEX-Vo. Ook het onrechtmatig handelen van VIM heeft plaatsgevonden te ’s-Hertogenbosch, aldus PME, zodat ook daarom de rechtbank bevoegd is op grond van artikel 5 sub 3 EEX-Vo.

2.13. VIM en MEAG voeren aan dat de vordering jegens VIM ziet op vergoeding van zuiver afgeleide schade. De schade van PME bestaat namelijk uit vermindering van de waarde van de aandelen in AAMC. Op een dergelijke vordering ziet artikel 5 sub 3 EEX-Vo volgens VIM en MEAG niet. Zij verwijzen naar het arrest van het Hof van Justitie EG van 11 januari 1990, NJ 1991/573. Zij verwijzen voorts naar het arrest van het Hof van Justitie EG van 10 juni 2004, NJ 2006/335.

2.14. De rechtbank overweegt het volgende. Gelet op artikel 5 sub 3 EEX-Vo en op het arrest van het Hof van Justitie EG van 30 november 1976, NJ 1977/494, kan VIM naar keuze van PME zowel worden opgeroepen in het land waar het schadebrengende feit plaats heeft gevonden (het “Handlungsort”) als in het land waarin de schade ten gevolge van dit handelen is ingetreden (het “Erfolgsort”), indien een en ander zich niet in hetzelfde land concentreert. In de zaken waarop VIM en MEAG doelen was sprake van “afgeleide schade”, geleden in een andere plaats dan de plaats waar de schade was ingetreden. Zo was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van het Hof van Justitie EG van 11 januari 1990, NJ 1991/573 de gestelde oorspronkelijke vermogensschade ingetreden in Duitsland (het “Erfolgsort”), terwijl de gedaagden waren opgeroepen in Frankrijk, waar de afgeleide schade was geleden. In de zaak die heeft geleid tot het arrest van het Hof van Justitie EG van 10 juni 2004, NJ 2006/335 was de vermogensschade ingetreden in Duitsland (het “Erfolgsort”) terwijl eiser de gedaagden had opgeroepen voor de rechter van zijn woonplaats waar hij zijn woonplaats en het centrum van zijn vermogen had (en waar hij stelde zijn schade te hebben geleden).

In casu is de oorspronkelijke schade (de schade van AAMC) ingetreden in de vestigingsplaats van AAMC,’s-Hertogenbosch, waar ook PME is gevestigd. Gesteld noch gebleken is dat de schade is ingetreden in een ander land. Deze zaak wijkt op dit wezenlijke punt dus af van de arresten waarop VIM en MEAG zich beroepen. ’s-Hertogenbosch is dus het Erfolgsort, zodat deze rechtbank bevoegd tot kennisneming van de vorderingen voor zover deze zijn gebaseerd op het gestelde onrechtmatig handelen van VIM.

De bevoegdheid ten aanzien van MEAG

2.15. PME legt aan haar vordering tot verklaring voor recht dat MEAG onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar en haar vordering tot vergoeding van schade die zij daardoor stelt te hebben geleden ten grondslag dat MEAG de op haar rustende zorgplicht jegens PME heeft geschonden en dat VIM en MEAG in groepsverband AAMC hebben “uitgehongerd” met als opzet het toebrengen van schade aan PME. De schade als gevolg van dit onrechtmatig handelen is ingetreden in Nederland te weten het kantoor van AAMC te

’s-Hertogenbosch, aldus PME.

2.16. VIM en MEAG voeren aan dat de vorderingen van PME ten aanzien van MEAG in essentie louter gebaseerd zijn op de beweerdelijk onrechtmatige opzegging van de duurovereenkomsten. Een dergelijke vordering valt niet onder artikel 5 sub 3 EEX-Vo maar onder artikel 5 sub 1 EEX-Vo, zo volgt uit het arrest van het Hof van Justitie EG van 8 maart 1988, NJ 1990/424 (Arcado/Haviland), aldus VIM en MEAG.

Voorts bestaat er gevaar van tegenstrijdige beslissingen nu AAMC omtrent de beweerdelijk onrechtmatige opzegging reeds een bodemprocedure tegen onder meer MEAG aanhangig heeft gemaakt bij de rechtbank Amsterdam. PME dient het oordeel van de rechtbank af te wachten, aldus VIM en MEAG.

VIM en MEAG voeren verder aan dat PME geen schadevergoeding wegens het verminderen van de waarde van haar aandelen in AAMC kan vorderen zodat PME geen rechtsgeldige vordering heeft jegens MEAG.

2.17. De rechtbank overweegt het volgende. In de zaak die heeft geleid tot het door VIM en MEAG genoemde arrest van 8 maart 1988 was betoogd dat het geschil omtrent de opzegging van de duurovereenkomst jegens een bepaalde partij moest worden gezien als een geschil omtrent onrechtmatig handelen jegens diezelfde partij als bedoeld in artikel 5 sub 3 EEX-Verdrag (thans artikel 5 sub 3 EEX-Vo) en niet als een geschil ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst in de zin van artikel 5 sub 1 EEX-Verdrag (thans artikel 5 sub 1 EEX-Vo). In de onderhavige zaak zijn de later door MEAG opgezegde duurovereenkomsten gesloten met AAMC, niet met PME. Er is dan ook geen sprake van een verbintenis uit overeenkomst van MEAG jegens PME als bedoeld in artikel 5 sub 1 EEX-Vo. Daarin wijkt deze zaak af van bedoeld arrest. De rechtbank dient de vraag of zij bevoegd is derhalve te beantwoorden aan de hand van de door PME gestelde grondslag te weten onrechtmatig handelen als bedoeld in artikel 5 sub 3 EEX-Vo.

Het feit dat een verwante zaak aanhangig is bij de rechtbank Amsterdam maakt niet dat de rechtbank Oost-Brabant onbevoegd is tot kennisneming van de onderhavige zaak en de vraag of PME een rechtsgeldige vordering heeft jegens MEAG is een vraag die in de hoofdzaak beantwoord dient te worden.

De rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de vorderingen jegens MEAG op grond van artikel 5 sub 3 EEX-Vo aangezien de door PME gestelde schade in casu is ingetreden in ’s-Hertogenbosch, waar zowel AAMC als PME gevestigd zijn. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij daaromtrent heeft overwogen onder 2.14.

Conclusie

2.18. Een en ander leidt ertoe dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren tot kennisneming van de vordering tot overdracht van aandelen, voor zover deze vordering is gegrond op de Joint Venture Overeenkomst en eveneens van de vordering tot verklaring voor recht dat VIM toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen uit hoofde van de Joint Venture Overeenkomst. De vordering in het incident zal voor het overige worden afgewezen.

2.19. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1. verklaart zich onbevoegd tot kennisneming van de vordering tot overdracht van aandelen, voor zover deze vordering is gegrond op de Joint Venture Overeenkomst,

3.2. verklaart zich onbevoegd tot kennisneming van de vordering tot verklaring voor recht dat VIM toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen uit hoofde van de Joint Venture Overeenkomst,

3.3. wijst het meer of anders gevorderde af,

3.4. compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in de hoofdzaak

3.5. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 17 juli 2013 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.F.M.T. Franke en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2013.