Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:CA1791

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-05-2013
Datum publicatie
03-06-2013
Zaaknummer
Awb 13 / 3064
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het Coa, en niet verweerder, is het eerst aangewezen orgaan om zich te buigen over de vraag of verzoekster aanspraak heeft op opvang ingevolge de Wet Coa of de RvA, en of sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die – buiten de kaders van de RvA 2005 om - noodzaken om feitelijk opvang te verlenen en daarbij de door verzoekster gestelde schending van artikel 8 EVRM te betrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

Zaaknummer: SHE 13/3064

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 mei 2013 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekser], thans verblijvende te Amsterdam, verzoekster

gemachtigde: mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder

gemachtigden: mr. J. van Bijveld en drs. M. van de Wouw.

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoeksters verzoek om adequate opvang afgewezen. Daarnaast heeft verweerder bij dit besluit verzoekster verzoek om reis- en leefgeld afgewezen.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2013. Verzoekster is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek ter zitting is gevoegd behandeld met zaak 13/3089, waarbij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam de verwerende partij is. Na de zitting heeft de voorzieningenrechter de zaken gesplitst.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter is bij haar oordeelsvorming uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden.

3. Verzoekster, afkomstig uit Congo, heeft op 29 maart 2013 bij verweerder een aanvraag ingediend voor hulp. Zij verblijft sinds november 2012 bij ASKV in Amsterdam, maar deze opvang dient zij op 31 mei 2013 te verlaten. Omdat verzoekster wekelijks therapie volgt in ’s-Hertogenbosch acht zij het voor de hand liggend dat zij ook in ’s-Hertogenbosch wordt opgevangen. Verzoekster verzoekt verweerder om hulp te bieden in de vorm van adequate opvang en leef- en reisgeld. Het maakt verzoekster niet uit of verweerder haar hulp verstrekt op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) of op basis van de Wet werk en bijstand (WWB).

4. Verweerder heeft zich in het primaire besluit op het standpunt gesteld dat opvang in het kader van de Wmo niet aan de orde is. Er is volgens verweerder een voorliggende voorziening nu uit de in het dossier aanwezige stukken blijkt dat verzoekster gedurende de beoordelingsperiode feitelijk onderdak heeft genoten en thans ook nog steeds geniet. Aan een inhoudelijk beoordeling van de aanvraag, lees een medische en verblijfsrechtelijke beoordeling en het vaststellen van een noodzaak tot het bieden van opvang, komt verweerder dan ook niet toe. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat de Wmo geen aanspraak biedt op reis- en leefgeld. Evenmin valt volgens verweerder een aanspraak op reis- en of leefgeld te baseren op de WWB. Het koppelingsbeginsel, zoals dat is neergelegd in artikel 16, tweede lid van de WWB, staat daar volgens verweerder aan in de weg. Op grond van dit beginsel kan verzoekster, die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland als bedoeld in de WWB en daarom niet wordt gelijkgesteld met een Nederlander, volgens verweerder geen aanspraak maken op bijstand al dan niet in de vorm van reis- en of leefgeld. Verweerder wijst erop dat verzoekster gelet op de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage, AWB 12/3880 en 12/3881, niet kan en mag worden uitgezet door de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel. Onder dergelijke omstandigheden is het ook de Minister voornoemd die verantwoordelijk is voor het treffen van de door verzoekster gevraagde voorzieningen. Ook om deze reden bestaat er geen aanleiding positief op verzoeksters verzoek om hulp te beslissen, aldus verweerder.

5. Verzoekster kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Zij heeft aangegeven dat niet in geschil is dat zij een kwetsbare vrouw is die bijzondere bescherming behoeft in het licht van verdragnormen en die niet op straat moet rondlopen zonder geld en onderdak. Het geschil draait volgens verzoekster nu om de vraag wie hiervoor verantwoordelijk is. Verzoekster wijst erop dat de gemeente Amsterdam en verweerder naar elkaar wijzen. Verzoekster geeft aan dat het haar niet uitmaakt wie haar helpt, als zij maar geholpen wordt. Volgens haar is in ieder geval duidelijk dat zij op 31 mei 2013 op straat staat en nog niemand heeft toegezegd haar te helpen. Verzoekster geeft aan dat zij zwaar getraumatiseerd is en doodwensen heeft. Zij stelt onder geen beding slachtoffer te mogen worden van twee gemeenten die het onderling niet eens kunnen worden over wie haar moet helpen.

6. De voorzieningenrechter dient in de eerste plaats de vraag te beantwoorden of en in hoeverre verweerder op grond van de Wmo of de WWB gehouden is te voorzien in de opvang van verzoekster. Voor de beantwoording van die vraag zijn van belang de verblijfsrechtelijke status van verzoekster en de wijze waarop, meer algemeen, wettelijk is voorzien in de aanspraak van vreemdelingen op levensonderhoud, huisvesting, medische verzorging e.d.

De verblijfssituatie van verzoekster

7. De voorzieningenrechter stelt in de eerste plaats vast dat verzoekster vreemdeling is in de zin van artikel 1 onder m van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Zij heeft geen verblijfsvergunning en ze heeft deze ook nimmer gekregen. Zij is geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie en zij ontleent evenmin een verblijfsrecht aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG / Turkije. De voorzieningenrechter leidt daaruit af dat verzoekster geen rechtmatig verblijf heeft of heeft gehad als bedoeld in artikel 8 onder a tot en met e of l Vw 2000.

Verzoekster wacht nog op een nieuwe beslissing van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie op haar bezwaar tegen de weigering van de Staatssecretaris om haar uitstel van vertrek te verlenen als bedoeld in artikel 64 Vw 2000. Haar beroep tegen een eerdere ongegrondverklaring van het bezwaar is door de rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats Roermond, bij uitspraak van 21 september 2012 gegrond verklaard. De voorzieningenrechter van die rechtbank heeft bij uitspraak van dezelfde datum beslist dat de uitzetting van verzoekster achterwege moet blijven totdat op het bezwaar is beslist. Naar ter zitting is gebleken heeft de Staatssecretaris nog geen nieuwe beslissing genomen zodat verzoekster momenteel rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8 onder h Vw 2000.

De aanspraak op opvang

8. Vreemdelingen met een verblijfsrechtelijke status als verzoekster zijn uitgesloten van individuele verstrekkingen op grond van de WWB en de Wmo. Dat blijkt uit de artikelen 11, tweede en derde lid en 16, tweede lid van de WWB en artikel 8 van de Wmo. Echter, naar vaste rechtspraak ( zie LJN BM0956) is maatschappelijke opvang als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder c van de Wmo geen individuele voorziening als bedoeld in artikel 5 Wmo. De Wmo kent voor de verstrekking van maatschappelijke opvang geen uitsluitingsbepaling zoals artikel 8. Wel is in artikel 2 van de Wmo bepaald dat er geen aanspraak bestaat op maatschappelijke ondersteuning – maatschappelijke opvang daaronder begrepen – in het geval dat er een voorliggende voorziening bestaat.

9. De aanspraken op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen van vreemdelingen – en dus ook voor vreemdelingen met de verblijfsrechtelijke positie als verzoekster - zijn geregeld in de artikelen 10 en 11 Vw 2000. Op grond van deze bepalingen heeft alleen de vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft aanspraak op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen, waaronder het recht op opvang. De aanspraak is in overeenstemming met de aard van het verblijf. Een vreemdeling als verzoekster, die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8 onder h Vw 2000, kan aanspraak maken op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen indien haar een aanspraak wordt toegekend bij of krachtens de Wet Centrale opvang asielzoekers (Wet Coa), dan wel bij of krachtens een andere wet. De verstrekking van voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen als bedoeld in de Wet Coa zijn nader uitgewerkt in de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (RvA 2005). Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State ( recentelijk ABRS 23 -3-2012, BW0578) behoort het tot de wettelijke taak van het Centraal orgaan opvang asielzoekers (Coa) om in zeer bijzondere omstandigheden die tot feitelijke opvang nopen daadwerkelijk opvang te verlenen, ook al valt de vreemdeling buiten de categorieën genoemd in artikel 3 van de RvA. Het Coa betrekt bij die beoordeling ook de vraag in hoeverre de betrokken vreemdeling behoort tot de categorie van kwetsbare personen die bij gebreke van opvang door het Coa in een situatie komt te verkeren die in strijd is met het recht op een menswaardig bestaan en het privé leven zoals beschermd door artikel 8 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens. (EVRM). (ABRS 24-1-2013, LJN BZ3754).

10. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit het voorgaande dat het Coa, en niet verweerder, het eerst aangewezen orgaan is om zich te buigen over de vraag of verzoekster aanspraak heeft op opvang ingevolge de Wet Coa of de RvA, en of sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die – buiten de kaders van de RvA 2005 om - noodzaken om feitelijk opvang te verlenen en daarbij de door verzoekster gestelde schending van artikel 8 EVRM te betrekken. De voorzieningenrechter vindt voor dit standpunt mede steun in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 19 april 2010, LJN BM0956. De Centrale Raad heeft daarin onder meer overwogen dat een opvangvoorziening als bedoeld in de RvA 2005 moet worden aangemerkt als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 2 van de Wmo. In dat artikel is bepaald dat geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning bestaat voor zover voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning een voorziening bestaat op grond van een andere wettelijke bepaling. Pas wanneer komt vast te staan dat verzoekster niet voor een opvangvoorziening in aanmerking komt en dus een aanspraak op een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 2 van de Wmo niet geldend kan worden gemaakt, kan er reden zijn voor verweerder verzoekster met voorbijgaan aan artikel 11 van de Vw 2000 toe te laten tot de maatschappelijke opvang. Hierbij merkt de voorzieningenrechter wel op dat in dat geval vast dient te staan dat verzoekster behoort tot de categorie kwetsbare personen.

11. Verzoekster heeft op 5 juli 2012 aan de Coa om opvang verzocht. Bij besluit van 29 augustus 2012, en dus voordat de rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats Roermond haar uitspraak van 21 september 2012 had gedaan, heeft de Coa dit verzoek afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen op 30 augustus 2012 beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag. Naar ter zitting is meegedeeld is op dit beroep nog niet beslist. Het ligt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook voor de hand dat verzoekster zich in het kader van dat beroep wendt tot de voorzieningenrechter te Den Haag.

Reis- en/of leefgeld ingevolge de WWB

12. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster geen vreemdeling is in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan valt verzoekster onder de werking van artikel 16, tweede lid, van de WWB, en kan aan haar zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel, geen uitkering ingevolge de WWB worden toegekend. De vraag of verzoekster is aan te merken als een kwetsbaar persoon die op grond van artikel 8 van het EVRM bijzondere bescherming geniet, kan ook in het kader van de WWB in het midden worden gelaten. De wetgever heeft immers de categorieën vreemdelingen die door de werking van artikel 11 van de WWB geen recht op bijstand hebben, met het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van de WWB, uitdrukkelijk ook buiten het bereik van de in artikel 16, eerste lid, van de WWB opgenomen hardheidsclausule gebracht. Met inachtneming van het primaat van de wetgever, en teneinde een door de wetgever ongewenste doorkruising van het vreemdelingenbeleid te voorkomen, kan de voorzieningenrechter in navolging van de CRvB in Ljn: BU6844 tot geen andere conclusie komen dan dat een positieve verplichting ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WWB, niet met toepassing van de WWB gestalte kan worden gegeven. Indien er ten aanzien van deze vreemdelingen een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van het EVRM, rust deze op het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van wettelijk geregelde voorzieningen voor vreemdelingen. Het COA heeft de publiekrechtelijke bevoegdheid — en gehoudenheid — om in zeer bijzondere omstandigheden verstrekkingen te verlenen buiten de gevallen waarin de vreemdeling onder de reikwijdte van de Rva 2005 valt. Gegeven deze bevoegdheid, verdragsconform uitgelegd, is het aan het COA om voor de Staat een eventuele positieve verplichting als bedoeld in artikel 8 EVRM na te komen. De voorzieningenrechter is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat verweerder gehouden was de aanvraag van verzoekster om reis- en/of leefgeld ingevolge de WWB af te wijzen omdat verzoekster niet behoort tot de kring der gerechtigden op grond van de WWB. De vraag of verzoekster is aan te merken als een kwetsbaar persoon die op grond van artikel 8 van het EVRM bijzondere bescherming geniet zal de voorzieningenrechter daarom ook in dit kader in het midden laten.

13. Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat het besluit van 25 april 2013 in bezwaar stand zal kunnen houden. Daarom bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Nu de voorzieningenrechter ook overigens geen reden ziet tot het treffen van een voorlopige voorziening, zal de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen.

14. De voorzieningenrechter ziet geen grond om te bepalen dat de proceskosten of het griffierecht moeten worden vergoed.

15. Beslist wordt als volgt

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.M. Effting-Zeguers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. M.T. Petersen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.