Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:CA1587

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-05-2013
Datum publicatie
03-06-2013
Zaaknummer
252399 Ha Za 12-798
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Korte samenvatting: Vordering tot partiële vernietiging van een arbitraal vonnis. Volgens artikel 1065 lid 1, aanhef en onder d, Rv kan vernietiging van een arbitraal vonnis plaatsvinden op de grond dat het vonnis niet met redenen is omkleed. Uitsluitend indien een motivering ontbreekt, of indien een arbitraal vonnis zo gebrekkig is gemotiveerd dat het met een geheel ongemotiveerd vonnis op één lijn moet worden gesteld, mag de rechter dit vonnis vernietigen (HR 22 december 2006, LJN AZ1593, NJ 2008, 4, rov. 3.3). De rechtbank is van oordeel dat aan deze maatstaf niet wordt voldaan. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft de arbiter telkens het verzenden van de (aan meerdere personen gerichte) mailings als verboden handeling in de zin van artikel 8.4.3 aangemerkt. De omstandigheid dat naast de door de arbiter gekozen uitleg ook een andere (door Supply voorgestane) uitleg van artikel 8.4.3 en 8.4.5 van de franchiseovereenkomst mogelijk is, brengt nog niet mee dat in de motivering van het vonnis enige steekhoudende verklaring voor de beslissing niet valt te onderkennen. De onderhavige vernietigingsprocedure kan door Supply niet worden aangewend als een verkapt rechtsmiddel tegen het in zoverre voor haar ongunstige arbitrale vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/338
TvA 2013/55
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/252399 / HA ZA 12-798

Vonnis van 29 mei 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SUPPLY CENTER HAARLEMMERMEER B.V.,

gevestigd te Vijlen (gemeente Vaals),

eiseres,

advocaat mr. F.H.I. Hundscheid te Sittard,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STAPLES NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. A. al Mansouri te Utrecht.

Partijen zullen hierna Supply en Intercambio (een handelsnaam van Staples Nederland B.V.) genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 23 januari 2013

- het proces-verbaal van comparitie van 17 mei 2013.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1 Intercambio is een handelsnaam van gedaagde Staples Nederland B.V. Intercambio is een onderneming die zich bezig houdt met de verkoop van kantoorartikelen.

2.2 Supply is een besloten vennootschap die zich eveneens bezighoudt met de verkoop van kantoorartikelen. Aanvankelijk werd deze onderneming gedreven als een eenmanszaak voor rekening van [A].

2.3 Op 1 februari 2006 hebben Intercambio (destijds nog geheten [B] (hierna te noemen: BOPN)) en [A] (destijds nog handelend als eenmanszaak onder de naam Supply Center) een franchiseovereenkomst gesloten met betrekking tot de zogeheten Corporate Express Formule (productie 1 bij dagvaarding). Op grond van deze overeenkomst werd door Intercambio aan [A] (Supply Center) het exclusieve recht verleend om gedurende de looptijd van deze overeenkomst als zelfstandig ondernemer de Corporate Express Formule te exploiteren (artikel 3.1.1 franchiseovereenkomst). In deze overeenkomst – waarin Intercambio en Supply respectievelijk zijn aangeduid als “BOPN” en “Ondernemer” staat verder voor zover van belang:

“3.1.6 Het is BOPN, behoudens toestemming van de Ondernemer, niet toegestaan actief klanten te werven in het Rayon. Het is BOPN wel toegestaan om de Producten te leveren aan klanten in het Rayon, mits die klanten niet als gevolg van actieve werving door BOPN, derhalve uit zichzelf, naar BOPN zijn toegekomen (passieve verkoop).

(…)

8.4 Relatiebeding

(…)

8.4.3 BOPN zal gedurende een periode van 3 jaar na afloop van deze Overeenkomst niet zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Ondernemer, direct of indirect, (i) Pre-Formule Klanten ertoe bewegen of trachten te bewegen hun contacten met de Ondernemer geheel of gedeeltelijk te verbreken, (ii) (al dan niet gehonoreerde ) werkzaamheden te verrichten voor Pre-Formule Klanten en/of (iii) contact te zoeken met de Pre-Formule Klanten teneinde verbruiksartikelen voor de kantoorhuishouding aan deze klanten te verkopen en/of te leveren.

(…)

8.4.5 Bij schending van het bepaalde onder (…) 8.4.3 (…) verbeurt de overtredende Partij een direct, zonder nadere ingebrekestelling, opeisbare boete ten behoeve van de andere Partij ter grootte van € 12.500,- (…), te vermeerderen met een boete van € 2.500,- (…) voor elke dag dat de overtreding voortduurt, zulks onverminderd het recht van de andere Partij om daarnaast vergoeding van de in werkelijkheid door haar geleden schade te vorderen. (…)”

Het in artikel 8.4.3 genoemde begrip “Pre-Formule Klanten” is in artikel 1 van de overeenkomst gedefinieerd als “de klanten die ten tijde van het afsluiten van deze overeenkomst reeds klant waren bij de Ondernemer, zoals blijkt uit Bijlage VIII”. In artikel 8.10.4 zijn partijen overeengekomen dat geschillen zullen worden beslecht overeenkomstig het Arbitragereglement van het Nederlands Arbitrage Instituut (NAI) te Rotterdam.

2.4 Op 17 december 2010 heeft Supply een arbitrageaanvraag ingediend bij het NAI.

2.5 Supply heeft in deze arbitrageprocedure gevorderd, kort gezegd, primair om Intercambio te veroordelen tot betaling van € 975.000,- aan contractueel verschuldigde boete, subsidiair voor recht te verklaren dat Intercambio is tekortgeschoten jegens Supply en Intercambio te veroordelen de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden.

2.6 In het arbitraal tussenvonnis van 3 augustus 2011 (NAI nr. 3830) (productie 2 bij dagvaarding) is onder meer overwogen:

“3.9 Het scheidsgerecht is van mening dat (…) redelijkerwijs de rechtsgevolgen van het inroepen van het relatiebeding met de boeteclausule pas ingaan per 1 december 2010. Na deze datum kon Supply wel een beroep doen op artikel 8.4.3 van de overeenkomst. Intercambio, heeft de overeenkomst op 1 december 2010 zelf opgezegd. Op 1 december 2010 was de overeenkomst dus in ieder geval beëindigd en kon daarover tussen partijen geen misverstand meer bestaan”.

Vervolgens is Supply in dit tussenvonnis de gelegenheid gesteld om de schade en de verbeurde boetes nader te onderbouwen. Bij arbitraal eindvonnis van 30 mei 2012 (productie 3 bij dagvaarding) is geoordeeld dat Intercambio (in strijd met de overeenkomst) tijdens de looptijd van de overeenkomst in 2009 heeft geleverd aan CTS Group en Y&O. In dit kader is Intercambio veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 12.114,15. Ten aanzien van de gevorderde boetes (in verband met overtredingen door Intercambio na 1 december 2010) heeft de arbiter het volgende overwogen:

“3.15 (…) Het relatiebeding verbiedt het contact zoeken met Pre-Formuleklanten om hen te bewegen voortaan rechtstreeks bij Intercambio te bestellen. De mailings van Intercambio vallen onder dat verbod. De mailings bevatten een wervende tekst (…) en beogen de geadresseerde te interesseren voor aanbiedingen en het assortiment van Intercambio. Intercambio heeft Pre-Formuleklanten niet op grond van de franchiseovereenkomst kunnen benaderen ten behoeve van Supply als franchiseneemster, aangezien de overeenkomst al was beëindigd. Indien Intercambio meent dat deze mailing Supply tot voordeel zou strekken had zij vooraf aan Supply schriftelijke toestemming dienen te vragen. Niet is betwist dat de mailing vanaf augustus 2010 rechtstreeks leidde naar de bestelsite van Intercambio. Nu niet is betwist dat Intercambio voor sommige producten tevens lagere prijzen offreerde dan Supply kon hanteren is aannemelijk dat klanten door de mailing werden bewogen om rechtstreeks bij Intercambio te bestellen en dat zij zijn ontmoedigd om hun relatie met Supply voort te zetten. Derhalve moet worden geoordeeld dat het verzenden van de mailings als overtreding van het relatiebeding moet worden aangemerkt. Het scheidsgerecht overweegt in dit verband dat gesteld noch gebleken is dat de mailings aan klanten afzonderlijk waren gericht of in het bijzonder op afzonderlijke klanten waren toegespitst. Gelet hierop wordt een verzonden mailing als een overtreding van artikel 8.4.3 aangemerkt. Het scheidsgerecht ziet dan ook geen aanleiding om zich te begeven in de vraag aan welke Pre-formuleklanten iedere mailing werd verzonden. De vraag of de mailing aan mevrouw Aberkrom en Kawasaki ook als overtreding van artikel 8.4.3 moet worden aangemerkt behoeft derhalve geen afzonderlijke beantwoording.

3.16 Vaststaat dat Intercambrio drie keer een mailing aan Pre-Formuleklanten heeft gezonden, zodat Intercambrio € 37.500,00 (3 x € 12.500,00) aan boetes heeft verbeurd. De stelling van Supply dat Intercambio “regelmatig” mailing heeft verstuurd is onvoldoende concreet om tot verdere overtreding van het relatiebeding te concluderen. De stelling dat tevens een doorloopboete is verbeurd is evenmin onderbouwd en wordt daarom verworpen.”

3. Het geschil

3.1. Supply vordert – samengevat – dat de rechtbank het tussen partijen gewezen arbitraal vonnis van 30 mei 2012 partieel zal vernietigen, namelijk ten aanzien van het dictum onder 4.2 en, alsnog rechtdoende, Intercambio zal veroordelen tot betaling van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag aan te verbeuren boetes, uitgaande van tenminste 13 overtredingen van artikel 8.4.3 van de franschiseovereenkomst (of zoveel meer overtredingen als er blijken te zijn geweest), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2012, met veroordeling van Intercambio in de proceskosten .

3.2. Intercambio voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Supply heeft aan haar vordering tot partiële vernietiging van het arbitrale vonnis van 30 mei 2012 ten grondslag gelegd dat dit vonnis (in strijd met artikel 1065 lid 1 aanhef en onder d Rv) niet met redenen is omkleed. Supply onderschrijft het oordeel van de arbiter dat het verzenden van de mailings door Intercambio als overtreding van het relatiebeding moet worden aangemerkt. De bezwaren van Supply tegen de motivering richten zich in het bijzonder tegen de overweging dat ”de mailings [niet] aan klanten afzonderlijk waren gericht of in het bijzonder op afzonderlijke klanten waren toegespitst”, op grond waarvan “een verzonden mailing als een overtreding van artikel 8.4.3 aangemerkt” (rechtsoverweging 3.15, arbitraal eindvonnis van 30 mei 2012). Volgens Supply is het een feit van algemene bekendheid dat ieder e-mailadres uniek is en dat een mailing per e-mail per definitie gericht is aan afzonderlijke klanten. Dit betekent volgens Supply dat een mailing gericht aan een aantal Pre-Formuleklanten per definitie even zoveel overtredingen van artikel 8.4.3 van de overeenkomst opleveren. Supply vordert dat de rechtbank na de partiële vernietiging van het arbitraal eindvonnis een nieuw oordeel dient te geven.

4.2 Bij de beoordeling van de vordering van Supply tot het partieel vernietigen van het arbitrale vonnis geldt de volgende maatstaf. Volgens artikel 1065 lid 1, aanhef en onder d, Rv kan vernietiging van een arbitraal vonnis plaatsvinden op de grond dat het vonnis niet met redenen is omkleed. Vernietiging op deze grond is slechts mogelijk wanneer motivering ontbreekt, en dus niet in gevallen van ondeugdelijke motivering. Aan de rechter komt niet de bevoegdheid toe om op deze vernietigingsgrond een arbitraal vonnis naar zijn inhoud te toetsen. Met het ontbreken van een motivering moet op één lijn worden gesteld het geval dat weliswaar een motivering is gegeven, maar dat daarin enige steekhoudende verklaring voor de desbetreffende beslissing niet valt te onderkennen. Dit criterium moet door de rechter met terughoudendheid worden toegepast, in die zin dat hij slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in arbitrale beslissingen. Uitsluitend indien een motivering ontbreekt, of indien een arbitraal vonnis zo gebrekkig is gemotiveerd dat het met een geheel ongemotiveerd vonnis op één lijn moet worden gesteld, mag de rechter dit vonnis vernietigen op de in art. 1065 lid 1, aanhef en onder d, Rv. vermelde grond dat het vonnis niet met redenen is omkleed (HR 22 december 2006, LJN AZ1593, NJ 2008, 4, rov. 3.3).

4.3 De rechtbank is van oordeel dat aan deze maatstaf niet wordt voldaan. In de arbitrale procedure was onder meer onderwerp van geschil de uitleg van artikel 8.4.3 en 8.4.5 van de arbitrageovereenkomst. Vast staat – zo blijkt ook uit het arbitraal eindvonnis – dat Intercambio in strijd met artikel 8.4.3 binnen drie jaar na beëindiging van de franchiseovereenkomst (per 1 december 2010) bestaande klanten van Supply (Pre-Formuleklanten) heeft benaderd. De motivering in het arbitrale vonnis inhoudend dat de mailings niet aan klanten afzonderlijk waren gericht of in het bijzonder op afzonderlijke klanten waren toegespitst, zodat een dergelijke handeling als één afzonderlijke overtreding van artikel 8.4.3 heeft te gelden, kan niet worden aangemerkt als een gebrekkige motivering die rechterlijk ingrijpen in deze arbitrale beslissing rechtvaardigt. Kennelijk heeft de arbiter zwaarwegende betekenis toegekend aan de omstandigheid dat in de afzonderlijke mailings – weliswaar gericht aan meerdere Pre-Formuleklanten – telkens aan alle ontvangers hetzelfde standaardaanbod werd gedaan en dus geen op de afzonderlijke klant afgestemd aanbod werd gedaan. De door Supply gewraakte overweging begrijpt de rechtbank dan ook aldus dat de arbiter van belang acht dat de inhoud van de mailings niet aan klanten afzonderlijk waren gericht of in het bijzonder op afzonderlijke klanten waren toegespitst.

Supply staat in zowel de onderhavige vernietigingsprocedure als in de arbitrageprocedure een andere (dan deze door de arbiter gevolgde) uitleg voor ten gevolge waarvan Intercambio de boete van € 12.500,- zoals genoemd in artikel 8.4.5 verbeurt voor iedere afzonderlijke e-mail die door een Pre-Formuleklant van Intercambio is ontvangen. De tekst van artikel 8.4.3 en 8.4.5 van de overeenkomst dwingt echter niet tot de door Intercambio voorgestane uitleg. Volgens artikel 8.4.3 is het Supply verboden om met Pre-Formuleklanten contact te zoeken teneinde verbruiksartikelen voor de kantoorhuishouding te verkopen en/of te leveren. In artikel 8.4.5 staat dat “Bij schending van het bepaalde onder (…) 8.4.3 (…) de overtredende Partij een (…) boete [verbeurt]”. Uit de tekst van laatstgenoemde bepaling volgt niet dat indien Intercambio een mail verzendt aan meerdere ontvangers, de boete per afzonderlijke e-mail wordt verbeurd.

Kennelijk – en in het licht van het voorgaande niet onbegrijpelijk – heeft de arbiter telkens het verzenden van de (aan meerdere personen gerichte) mailings als verboden handeling in de zin van artikel 8.4.3 aangemerkt. De omstandigheid dat naast de door de arbiter gekozen uitleg ook een andere (door Supply voorgestane) uitleg van artikel 8.4.3 en 8.4.5 van de franchiseovereenkomst mogelijk is, brengt nog niet mee dat in de motivering van het vonnis enige steekhoudende verklaring voor de beslissing niet valt te onderkennen. De onderhavige vernietigingsprocedure kan door Supply niet worden aangewend als een verkapt rechtsmiddel tegen het in zoverre voor haar ongunstige arbitrale vonnis.

4.4 De vordering van Supply zal worden afgewezen. Supply zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van Intercambio worden begroot op:

vast recht € 575,00

salaris advocaat € 904,00 (2,0 punt x tarief II € 452,00 per punt)

totaal: € 1.479,00.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1 wijst de vorderingen af,

5.2 veroordeelt Supply in de kosten van de procedure, aan de zijde van Intercambio begroot op € 1.479,00,

5.3 veroordeelt Supply in de nakosten, aan de zijde van Intercambio begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis is voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4 verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Beens en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2013.