Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:CA1028

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-05-2013
Datum publicatie
28-05-2013
Zaaknummer
01/839719-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doodslag door verwurging. Vrijspraak voorbedachte raad. Plotseling opgekomen aanval van hevige woede.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest en TBS met voorwaarden (eis was 8 jaren gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging). Verminderde toerekenbaarheid. Artikel 38 lid 5 Sr. Verdachte moet intramuraal worden behandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/839719-12

Datum uitspraak: 28 mei 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

wonende te [woonplaats,adres]

thans gedetineerd te: Vught PPC.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 februari 2013 en 14 mei 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 januari 2013.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 05 november 2012 te Eindhoven opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, de keel van die [slachtoffer 1] dicht geknepen en/of die [slachtoffer 1] gewurgd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

[artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht]

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 november 2012 te Eindhoven opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet de keel van die [slachtoffer 1] dicht geknepen en/of die [slachtoffer 1] gewurgd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

[artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht]

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs1

Vaststaande feiten.

Op 6 november 2012 omstreeks 02.52 uur troffen verbalisanten van politie in de woning [pleegplaats] te Eindhoven het lichaam aan van een vrouw. Zij lag in de woonkamer op de grond en bleek te zijn overleden.2

Op 6 november 2012 werd door de gemeentelijk lijkschouwer van de GGD vastgesteld dat de vrouw op maandag 5 november 2012 was overleden.3 De overleden vrouw werd geïdentificeerd als zijnde: [slachtoffer 1] geboren op [geboortedatum] 1981.4

Door het NFI is sectie verricht op het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1]. Uit dit onderzoek is het navolgende gebleken:

(...)

2. Aan de onderzijde van de kin, aan voorzijde van de hals (en zeer gering aan beide zijkanten van de hals) waren zes ingedroogde, recente, oppervlakkige huidbeschadigingen, met een soms wat bandvormig aspect en afmetingen tot circa 9 x 2,5 cm.

3. De halsspieren toonden aan voorzijde, voor de schildklier, uitgebreid bloeduitstorting met een wat bandvormig aspect. Verder was hoog aan de hals/aan de kaakrand beiderzijds enige bloeduitstorting, in samenhang met bloeduitstorting ter plaatse van het strottenhoofd aan linkerzijde en aan het tongbeen aan rechterzijde.

4. De bovenste hoorn van het strottenhoofd aan linkerzijde bevatte een vitale, recente breuk.

5. De grote hoorn van het tongbeen aan rechterzijde bevatte een vitale, recente breuk.

(...)

7. Aan de neus, de voorzijde van de kin, de binnenzijde van boven- en onderlip en het tandvlees van de bovenkaak, waren enkele recente huid- en slijmvlies verkleuringen door bloeduitstorting en enkele recente, kleine oppervlakkige huid- en slijmvliesbeschadigingen.

8. Er was stuwing van hoofd en gelaat, met stipvormige bloeduitstortingen in het oogwit van beide ogen en in de bindvliezen van de oogleden beiderzijds.

9. De longen waren zwaar (gezamenlijk gewicht 1660 gram normaal tezamen circa 900 gram) en vochtrijk (: longoedeem).

10. Er waren stipvormige bloeduitstortingen aan het oppervlak van het hart en beide longen en in de nierbekkens.

(...)

Voornoemde bevindingen zijn door de patholoog als volgt geïnterpreteerd:

(...)

Bij sectie werd het lichaam van een vrouw waargenomen met aan de hals en onderliggende halsspieren, aan het strottenhoofd aan linkerzijde en aan het tongbeen aan rechterzijde letsels door inwerking bij leven van uitwendig mechanisch geweld, samendrukkend/omsnoerend dan wel stomp/botsend van aard (sub 2 en 3).

Gezien het bandvormig aspect van de letsels bij sectie en gezien de letsels aan tongbeen en strottenhoofd beiderzijds aan de hals wordt met name gedacht aan samendrukkend/omsnoerend geweld met een bandvormig voorwerp, zoals bijvoorbeeld een riem, sjaal, ceintuur, etc. (...)

De letsels sub 7 passen eveneens bij inwerking bij leven van uitwendig mechanisch geweld, stomp/botsend van aard dan wel samendrukkend van aard, zoals bijvoorbeeld door geslagen worden, smoren (uitwendige belemmering van de luchtwegen), etc.

De bevindingen sub 8 t/m 10 zijn aspecifiek, zij passen bij een overlijden door zuurstoftekort.(...)

De conclusie in het sectierapport luidt:

"Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 1981, passen de bevindingen van sectie en vervolgonderzoek bij een overlijden door zuurstoftekort, ten gevolge van samendrukkend/samensnoerend geweld aan de hals, dan wel door smoren, dan wel door een combinatie van beide."5

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de persoon is die [slachtoffer 1] op 5 november 2012 te Eindhoven in haar woning heeft gedood.6

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van de primair ten laste gelegde moord en geconcludeerd tot bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde doodslag.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging is met de officier van justitie van oordeel dat verdachte van moord dient te worden vrijgesproken en dat de doodslag op [slachtoffer 1] bewezen kan worden verklaard.

Er is geen sprake van voorbedachte raad aangezien verdachte handelde vanuit een ogenblikkelijke, hevige gemoedsopwelling waarbij geen sprake was van kalm beraad en rustig overleg.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd door met dat opzet de keel van die [slachtoffer 1] dicht te knijpen en haar te wurgen. De rechtbank baseert zich hierbij op hetgeen hierboven onder "vaststaande feiten" is vermeld, waaronder het sectierapport van het NFI en op de onderstaande verklaringen van verdachte waarin hij bekent dat hij zijn [slachtoffer 1] heeft gedood.

Verdachte is naar zijn zeggen op 5 november 2012 omstreeks 19.00 uur naar zijn ex-vriendin [slachtoffer 1] gegaan om afscheid van elkaar te nemen.

Een paar uur later hoorde verdachte op een gegeven moment "piepjes" van de mobiele telefoon van [slachtoffer 1] en nadat [slachtoffer 1] uit haar slaapkamer kwam, was volgens verdachte de stemming omgeslagen en vroeg zij verdachte om haar huis te verlaten. Verdachte weigerde dat. [slachtoffer 1] begon hem uit te schelden en zou hem met een aardappelschilmesje hebben bedreigd. Vervolgens werd het bij verdachte "zwart voor zijn ogen". Hij hoorde [slachtoffer 1] schreeuwen. Verdachte werd ineens "wakker" terwijl hij bovenop [slachtoffer 1] zat met zijn handen om haar nek. Verdachte zag meteen dat [slachtoffer 1] niet meer leefde.7

Uit de historische verkeersgegevens van de mobiele telefoon van het slachtoffer blijkt dat zij op 05 november 2012 om 22.40 uur een sms van haar vriend [persoon 1] ontvangen heeft.8

Verdachte heeft bij de politie het navolgende verklaard.

" Ik werd boos, en zij werd boos. Ze ging naar de keuken en ze pakte een mes en ging mij bedreigen. Ik ging niet weg. Ze zei dat ze de politie ging bellen maar ik ging niet weg. Ze bleef dreigen en toen heb ik het gedaan. Ik was in de kamer, de woonkamer. Ik pakte haar en gooide haar op de grond. Ik kon haar niet loslaten, ik weet niet wat ik had, ik bleef haar wurgen, ik kon haar niet loslaten, ik weet niet hoe dat kwam. Ik had haar met twee handen vast, het duurde lang dat ik haar vasthield, vijf tot tien minuten. Ik weet het niet. Zij ging schreeuwen. Ik ging door, ik had geen controle meer, ik kon haar niet los laten, ik weet niet waarom. Ze lag bij de tafel."9

Gelet op het in het sectierapport geconstateerde letsel en de bekennende verklaring van verdachte acht de rechtbank het opzet van verdachte op de levensberoving van [slachtoffer 1] bewezen.

Moord of doodslag?

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte met voorbedachte raad [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachten rade" moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. (Vergelijk o.a. HR 28 februari 2012, LJN BR2342)

Verdachte heeft bij de politie - samengevat- het volgende verklaard. Hij was niet van plan om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Hij is naar haar toe gegaan om een prettige avond te hebben; die afspraak was gemaakt om zo op een goede manier afscheid te nemen nadat hun relatie was geëindigd. Er was ook afgesproken dat verdachte zou blijven slapen; reden waarom hij zijn werkkleding voor de volgende dag had meegenomen. Plotseling sloeg de stemming van [slachtoffer 1] om en zei zij dat verdachte haar woning moest verlaten. Verdachte begreep dit niet aangezien zij hadden afgesproken dat verdachte die avond bij haar kon blijven slapen. Verdachte weigerde te vertrekken, waarop [slachtoffer 1] boos werd en een klein mes pakte, waarmee ze naar hem dreigde en een snijdende beweging maakte waarbij zijn pols werd geraakt. Verdachte is toen woedend geworden, heeft haar hand vastgepakt en het mes daaruit gewrongen en op de grond gegooid. Vervolgens is [slachtoffer 1] op haar rug op de grond komen te liggen en is verdachte bovenop haar komen te zitten. Verdachte heeft met beide handen haar keel vastgepakt. Hij zegt niet meer te weten wat hij toen precies heeft gedaan, maar weet nog wel dat [slachtoffer 1] schreeuwde, dat hij maar doorging en dat hij haar mond en haar keel heeft vastgehad. Op een gegeven moment reageerde zij niet meer en voelde hij dat zij dood was. Verdachte kan zich niet herinneren dat hij de bij het lichaam van [slachtoffer 1] aangetroffen ceintuur heeft gebruikt; hij gaat ervan uit dat hij [slachtoffer 1] met zijn handen heeft gewurgd.

Verdachte heeft voorts verklaard vaker woede-uitbarstingen te hebben waarbij hij "verandert in een monster."10

De rechtbank gaat, evenals de officier van justitie en de raadsman, ervan uit dat verdachte niet planmatig te werk is gegaan, maar dat hij heeft gehandeld in een plotseling opgekomen aanval van hevige woede, zoals hij zelf ook heeft verklaard. Daarbij kan in het midden blijven of verdachte boos werd omdat hij daadwerkelijk werd bedreigd, dan wel omdat hij besefte dat hij moest vertrekken. De lezing dat de agressie van verdachte ontstond in een plotseling opgekomen woede, vindt ondersteuning in de hierna genoemde rapportages van de gedragsdeskundigen die concluderen dat verdachte door zijn zwakbegaafdheid beperkt werd in gedragsalternatieven en de situatie niet kon overzien en dat zijn onmacht, gecombineerd met zijn alcoholgebruik dat zijn impulsiviteit versterkte, tot een woede-uitbarsting kan hebben geleid vanaf het moment dat [slachtoffer 1] hem vroeg te vertrekken.

De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld en, mede in aanmerking genomen het korte tijdsbestek waarin zich alles heeft afgespeeld en de hevigheid van de emotie, daardoor ook niet in de gelegenheid is geweest zich over de gevolgen van zijn daad te beraden.

De rechtbank merkt nog het volgende op. Indien de bij het slachtoffer aangetroffen ceintuur zou zijn gebruikt om het slachtoffer te wurgen - dit zou kunnen worden afgeleid uit de verwondingen aan de hals zoals verwoord in het sectieverslag -, kan dat een aanwijzing vormen voor een meer planmatig handelen, maar nu er geen andere omstandigheden zijn die daarop wijzen, ziet de rechtbank geen grond om uit te gaan van voorbedachte raad.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van moord.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 05 november 2012 te Eindhoven opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet de keel van die [slachtoffer 1] dicht geknepen en die [slachtoffer 1] gewurgd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Psychologe S. Labrijn en psychiater C.G. Huisman hebben de rechtbank geadviseerd om verdachte met name door zijn zwakbegaafdheid voor het ten laste gelegde feit als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt, gelet op wat ter zitting over de toedracht van het bewezenverklaarde, de persoon van verdachte en de onderbouwing in de rapporten deze conclusies over.

De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde aan de verdachte kan worden toegerekend, zij het in verminderde mate.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht en dat hem de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft primair bepleit om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen en de duur hiervan te beperken zodat verdachte ten spoedigste in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling kan worden behandeld voor zijn persoonlijkheidsproblematiek. Subsidiair heeft de verdediging bepleit om aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zijn ex-vriendin in haar woning aangevallen en gewurgd als gevolg waarvan zij is overleden. De laatste momenten van haar leven moeten voor het slachtoffer afschuwelijk zijn geweest. Blijkens het bij haar geconstateerde letsel heeft zij nog voor haar leven gevochten terwijl hij haar wurgde maar heeft haar verzet niet mogen baten.

Verdachte heeft het slachtoffer aldus op gruwelijke wijze het leven ontnomen. Daar komt bij dat verdachte zich in het geheel niet heeft bekommerd om het tweejarige dochtertje van het slachtoffer, dat op dat moment in haar bedje in een andere kamer lag te slapen, mogelijk een en ander heeft meegekregen van wat zich afspeelde in de woonkamer en vervolgens alleen achterbleef nadat verdachte de woning verliet.

Met zijn handelen heeft verdachte onpeilbaar verdriet toegebracht aan de nabestaanden en in het bijzonder aan haar moeder en kinderen en de nieuwe vriend van het slachtoffer. Hun verdriet zal des te groter zijn door de gewelddadige wijze waarop het slachtoffer om het leven is gekomen.

Een dergelijk feit schokt ook de samenleving als geheel en brengt maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid met zich mee.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf anderzijds rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Dit volgt uit de psychiatrische rapportage van C.G. Huisman, psychiater, opgemaakt en ondertekend d.d. 05 februari 2013. Dit rapport houdt onder meer in als conclusie - zakelijk weergegeven -:

Ten tijde van het ten laste gelegde feit was sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid. De cognitieve beperkingen van verdachte beperkten hem ten tijde van het ten laste gelegde in zijn gedragsalternatieven. Alcoholgebruik versterkte zijn impulsiviteit en had verder een negatieve invloed op het beoordelingsvermogen.

De psychiater adviseert de rechtbank om verdachte voor het ten laste gelegde feit als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Voorts blijkt dit uit de psychologische rapportage van drs. S. Labrijn, GZ-psycholoog, opgemaakt en ondertekend d.d. 07 februari 2013.

Dit rapport houdt als conclusie - zakelijk weergegeven - onder meer in:

Bij verdachte is er sprake van problematiek in de persoonlijkheidsontwikkeling voortvloeiend uit zwakbegaafdheid, maar ook uit de (traumatiserende) voorgeschiedenis van verdachte. Er is een instabiel, weinig geïntegreerd en negatief zelfbeeld, een onrijpe identiteitsontwikkeling en er is een afgrenzingproblematiek in die zin dat verdachte zich moeilijk kan afgrenzen voor heftige emoties van anderen maar daarentegen mee vibreert met de emoties van anderen. Ten tijde van het ten laste gelegde feit was sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid waarbij er aanwijzingen zijn dat er sprake was van alcoholintoxicatie.

De rechtbank neemt deze conclusies over.

Ten aanzien van de bepaling van de hoogte van de straf en voor de beantwoording van de vraag of naast die straf ook de gevorderde maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging of een andere maatregel moet worden opgelegd overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank ziet zich gesteld voor een wat betreft een juiste straftoemeting moeilijk op te lossen probleem.

Enerzijds gaat het om een zeer ernstig strafbaar feit waarbij aan nabestaanden zeer veel leed is toegebracht. Voor doodslag worden in de regel straffen tussen acht en twaalf jaar opgelegd. Anderzijds betreft verdachte een persoon die zwakbegaafd is en die is opgegroeid in een onveilige omgeving die werd gekenmerkt door mishandeling en pedagogische verwaarlozing. Het bewezen verklaarde kan hem volgens de rapporten slechts in verminderde mate worden toegerekend.

Ter zitting is door de beide deskundigen benadrukt dat de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging geen passende maatregel is omdat de beperkingen van verdachte slechts in zeer geringe mate behandelbaar zijn in een klinische omgeving, terwijl ook de hoge mate van beveiliging van een TBS-kliniek voor verdachte niet noodzakelijk wordt geacht. Ook zijn zij van oordeel dat verdachte enkel in intieme relaties tot agressie komt. De psychiater heeft er op gewezen dat verdachte qua verstandelijke vermogens dient te worden vergeleken met een jongen van elf jaar oud. Beide deskundigen achten het gevaar voor herhaling voldoende te ondervangen door het stellen van bijzondere voorwaarden die met name zien op zorg en begeleiding en ook op enige behandeling, een en ander gewaarborgd door reclasseringstoezicht. Deze zorg en begeleiding heeft verdachte volgens beiden gedurende lange tijd nodig om het recidiverisico te verkleinen.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat gelet op de ernst van het feit, de agressieproblematiek van verdachte en het gevaar voor herhaling, deze zorg en begeleiding strikt geregeld moeten worden en dat verzekerd moet zijn dat verdachte verplicht is gedurende lange tijd gevolg te geven aan hem met het oog daarop gegeven aanwijzingen.

De door de officier van justitie gevorderde terbeschikkingstelling acht de rechtbank dan ook begrijpelijk en verdedigbaar.

De rechtbank is anders dan deskundige Huisman van oordeel, dat het opleggen van begeleiding en behandeling als voorwaarde in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet voldoet aan die eis: in dat geval immers zou bij overtreding van de voorwaarden geen gedwongen behandeling volgen, maar hervatting van de detentie. Aldus zou de noodzakelijke behandeling en begeleiding in de knel kunnen komen.

Aan de reclassering - Novadic Kentron - is op 23 november 2012 de opdracht verstrekt een rapport op te stellen waarbij voorwaarden worden geformuleerd ten behoeve van een eventueel op te leggen terbeschikkingstelling met voorwaarden.

De reclasseringsmedewerkster [reclasseringsmedewerkster] heeft een maatregelrapport opgesteld, gedateerd 07 mei 2013, waarin de voorwaarden worden genoemd waaronder de reclassering de begeleiding van verdachte in het kader van een terbeschikkingstelling gestalte zou kunnen geven.

Tevens blijkt uit dit rapport dat het indicatieorgaan IFZ tot de conclusie is gekomen dat de klinische behandeling van verdachte in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden plaats zou dienen te vinden in FPA "Stevig", onderdeel van "Dichterbij" te Oostrum.

Op grond van de conclusies en de adviezen en rapporten die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht, is de rechtbank van oordeel dat bij de verdachte tijdens het begaan van de bewezen verklaarde feiten een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte bestond. Tevens is er, zonder behandeling, sprake van een verhoogd recidivegevaar.

Het door de verdachte begane feit is een misdrijf, waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.

Op grond van het bovenstaande en mede gelet op de ernst van het begane feit en het recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.

De rechtbank is voorts van oordeel dat een terbeschikkingstelling met voorwaarden op zijn plaats is. In het kader van deze maatregel kan een klinische behandeling van langere duur plaatsvinden in FPA Stevig. Daarbij weegt mee dat de rechtbank in de door de gedragsdeskundigen geschetste problematiek van verdachte voldoende aanknopingspunten ziet om deze minder verstrekkende maatregel op te leggen in plaats van het zwaardere gesloten kader van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Gelet op de indicatiestelling door het IFZ, dat FPA Stevig aanwijst als de meest aangewezen instelling waar gezien de problematiek van verdachte, zal de rechtbank FPA Stevig aanwijzen als de instelling waar verdachte ter behandeling in het kader van de terbeschikkingstelling met voorwaarden dient te worden opgenomen.

De rechtbank zal ter bescherming van de veiligheid van anderen nader te noemen voorwaarden stellen betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde.

Verdachte heeft zich ter terechtzitting bereid verklaard tot naleving van die voorwaarden.

De rechtbank zal aan de Reclassering Nederland opdracht geven de ter beschikking gestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

De rechtbank overweegt dat de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden de meest aangewezen combinatie van straf en maatregel is. Niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan gevangenisstraf.

De maximale gevangenisstraf die in combinatie met deze maatregel op grond van artikel 38, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht kan worden opgelegd, is een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar.

De rechtbank beseft dat met oplegging van die gevangenisstraf het strafdoel van vergelding tekort wordt gedaan. De rechtbank acht het echter ook van groot belang dat het risico van herhaling zoveel mogelijk wordt verminderd en is er van overtuigd dat, gelet op de bijzondere persoonlijkheidsproblematiek van verdachte, dat risico het beste kan worden ondervangen met oplegging van deze combinatie van straf en maatregel.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 37a, 38, 38a en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

subsidiair

Doodslag

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

T.a.v. subsidiair:

Gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. subsidiair:

De rechtbank beveelt dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld met voorwaarden

en stelt als voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde:

- betrokkene pleegt geen strafbare feiten;

- betrokkene verleent ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of biedt een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan;

-betrokkene meldt zich bij Novadic Kentron Verslavingsreclassering op een nog nader te bepalen plaats, tijd en locatie zo frequent als de reclassering noodzakelijk acht;

-betrokkene wordt verplicht om op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling zich te laten opnemen bij "Stevig", onderdeel van de instelling Dichterbij te Oostrum, of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij betrokkene zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling zullen worden gegeven, zolang de behandelaar dit in overleg met de reclassering noodzakelijk acht (ook indien dit inhoudt dat hij moet meewerken aan een time-out);

-betrokkene houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering ten aanzien van middelengebruik, ook als dat inhoudt volledige abstinentie en/of het meewerken aan urinecontroles en bloedcontroles;

-betrokkene geeft inzage in zijn financiën en indien noodzakelijk geacht door de reclassering verleent hij zijn medewerking aan een adequaat hulpverleningstraject op het gebied van financiën (curator);

-indien noodzakelijk geacht door de reclassering verleent betrokkene zijn medewerking aan een adequaat hulpverleningstraject op het gebied van huisvesting;

-betrokkene werkt mee aan het opstellen van de driepartijenovereenkomst in het kader van Forensisch Psychiatrisch Toezicht;

-betrokkene stelt zich onder begeleiding van de reclassering, dient zich te houden aan de aanwijzingen die door de reclassering worden gegeven en dient tevens de afspraken met de reclassering na te komen,

waarbij de Reclassering Nederland opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de betrokkene ten behoeve daarvan hulp en steun te verlenen. Bij het verlenen van hulp en steun bij de naleving van de

voorwaarden wordt de identiteit van betrokkene vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin en tweede lid van het Wetboek van Strafvordering.

Onder verwijzing naar artikel 38, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht geeft de rechtbank aan dat de aard van de behandeling van en de zorgverlening aan betrokkene dient te zijn zoals omschreven in het plan van aanpak van de reclassering van Novadic-Kentron in het voorlichtingsrapport van Novadic-Kentron d.d. 7 mei 2013.

Behandeldoelen dienen te zijn gericht op het verwerken van traumatische ervaringen, het omgaan met spanningen, agitatie en woede, het beheersen van agressie, middelengebruik en relaties met partner, gezin en familie. Na de klinische behandeling kan een ambulante vervolgbehandeling deel uitmaken van deze voorwaarden. Vanaf zes maanden voor de ontslagdatum van verdachte uit detentie kunnen- indien nodig- de voorwaarden met betrekking tot de behandeling nader worden gepreciseerd en geactualiseerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.G. Vos, voorzitter,

mr. M. Lammers en mr. A.M. de Koning, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,

en is uitgesproken op 28 mei 2013.

Mr. de Koning is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, met proces-verbaalnummer 2012163779.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 06 november 2012, proces-verbaal pag. 105-106

3 Proces-verbaal relaas van het onderzoek d.d. 22 januari 2013, proces-verbaal pag. 18.

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 08 november 2012, proces-verbaal pag. 115.

5 NFI-rapport "Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood" d.d. 01 maart 2013

6 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 mei 2013

7 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 mei 2013.

8 Proces-verbaal tijdlijn onderzoek zweefmolen d.d. 22 november 2013, proces-verbaal pag. 788.

9 Verklaring van verdachte d.d. 06 november 2012, proces-verbaal pag. 69

10 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 mei 2013 en verklaring verdachte van 6 november 2012, doorgenummerde pagina's 65 tot 72

2

Parketnummer: 01/839719-12

[verdachte]