Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:CA0906

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
16-05-2013
Datum publicatie
24-05-2013
Zaaknummer
SHE 13 / 162
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering, omdat eisers arbeidsurenverlies minder dan 5 uur per week bedroeg.

Rb.: In zijn uitspraak van 5 maart 2003, LJN: AF7554, heeft de CRvB uitgemaakt dat een voor de werknemer uit een CAO voortvloeiende aanspraak op compensatie van loon niet kan worden aangemerkt als een recht op onverminderde doorbetaling van loon als bedoeld in art. 16, lid 1 en onder a van de WW. Het standpunt van eiser dat in zijn geval wel sprake is van een loondoorbetalingsverplichting, omdat in art. 3.9, lid 2 van de CPO gesproken wordt over het oude en het nieuwe salaris en de betaling dus ziet op een nettosalaris en niet slechts op een aanvulling, geeft de Rb. onvoldoende aanleiding om het oordeel van de CRvB niet te volgen.

Bovendien dient naar vaste rechtspraak van de CRvB, bijvoorbeeld 2 mei 2007, LJN: BA6705, het begrip arbeidsurenverlies feitelijk te worden opgevat, in die zin dat niet het aantal overeengekomen uren volgens arbeidsovereenkomst bepalend is, maar het aantal uren dat de betrokkene daadwerkelijk in de referteperiode heeft gewerkt.

Gelet op deze uitspraken van de CRvB kan niet staande worden gehouden dat de beëindiging van eisers looncompensatie als een verlies aan arbeidsuren moet worden aangemerkt. Dit loonverlies en het feitelijke verlies aan arbeidsuren heeft immers plaatsgehad op 7 september 2006. Eiser had per die datum bij verweerder een WW-uitkering kunnen aanvragen. De eventueel toegekende WW-uitkering zou dan op grond van meergenoemd art. 3.9, lid 2 van de CPO in mindering zijn gebracht op de door eiser ontvangen looncompensatie. Anders dan eiser kennelijk meent, vormt de bij CPO toegekende compensatieregeling geen beletsel voor het aanvragen van een WW-uitkering. Tot slot stelt de Rb. nog vast dat van het door eiser gestelde loonverlies op 1 januari 2012 überhaupt geen sprake is nu zijn werkgever hem uit coulanceoverwegingen na 7 september 2011 nog enkele maanden het salaris vrijwel volledig heeft doorbetaald.

Ongegrond beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/162

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 mei 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.J.M. Jansen-Van Beek),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: G.M.M. Diebels).

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om eiser per 2 januari 2012 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW).

Bij besluit van 14 december 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2013. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser is sinds 1 september 2003 als leerkrachtondersteuner werkzaam voor de Aloysius Stichting onderwijs Jeugdzorg (hierna: de werkgever) op basis van een fulltime aanstelling (1 fte). In verband met een bedrijfsongeval heeft hij zich op 8 september 2004 ziek gemeld. Eiser heeft hierna zijn functie niet meer volledig uitgeoefend. Met ingang van 1 januari 2012 heeft de werkgever de omvang van eisers aanstelling gewijzigd in 0,7233 fte.

Bij besluit van 7 september 2006 is eiser een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)geweigerd, omdat eiser 70% van zijn loon bij zijn eigen werkgever verdiende en derhalve minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Eiser heeft per 7 september 2011 een WW-uitkering aangevraagd. Deze is bij besluit van 26 oktober 2011 geweigerd, omdat geen sprake was van arbeidsurenverlies

Op 25 oktober 2012 heeft eiser met ingang van 2 januari 2012 een WW-uitkering aangevraagd.

2. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij tot 1 januari 2012 een aanstelling had van 1 fte, wat overeenkomt met een normjaartaak van 1659 uur en (uitgaande van 40 werkweken) een werkweek van 41,5 uur. Met ingang van 1 januari 2012 omvat zijn aanstelling 0,72 fte. Dit is dus een verlies van ruim 11 uur. Tot 1 januari 2012 had eiser een bruto inkomen van € 2.560,- per maand en na 1 januari 2012 van bruto € 1.851,65 per maand. Omgerekend naar arbeidsuren blijkt ook daaruit dat het verlies meer dan 5 uur per week bedraagt. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser salarisspecificaties ingebracht. Ook op grond van de redelijkheid en billijkheid moet een WW-uitkering worden toegekend. Het kan niet zo zijn dat eiser nu geen WW-uitkering krijgt omdat geen sprake van arbeidsurenverlies is, maar in het verleden geen recht op een WW-uitkering had omdat, vanwege de doorbetaling van zijn salaris op grond van de geldende CAO, geen sprake was van verlies van het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser met ingang van 2 januari 2012 niet werkloos was, omdat zijn arbeidsurenverlies per die datum niet ten minste 5 uren per week bedroeg. Uit gegevens van de polisadministratie blijkt dat eiser over de maanden juli 2011 tot en met december 2011 in totaal 768 uur heeft gewerkt wat neerkomt op gemiddeld 29,54 uur per week. Voorts blijkt volgens verweerder uit de polisadministratie dat eiser over de periode van januari 2012 tot en met juni 2012 696 uur verloond heeft gekregen wat neerkomt op gemiddeld 26,77 uur per week. Verweerder ziet geen aanleiding om van de gegevens van de polisadministratie af te wijken noch om een andere wijze van berekening van het gemiddelde aantal arbeidsuren te hanteren.

Verweerder wijst erop dat in de salarisstroken inderdaad een bedrag wordt genoemd van

€ 2.560,-, maar dat op dat bedrag, onder vermelding van ‘onbetaald verlof’, 20% in mindering wordt gebracht. Volgens verweerder komt die vermindering op het brutosalaris, omgerekend naar arbeidsuren, neer op 128 uur per maand en dat is in overeenstemming met de gegevens van de polisadministratie. Eiser is sedert het hem overkomen bedrijfsongeval en na de wachttijd van 104 weken voor 30 uur per week werkzaam geweest in zijn eigen werk. Na deze wachttijd is de compensatieregeling als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, van de CAO Primair Onderwijs (CPO) op hem van toepassing geworden. Met verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 5 maart 2003, LJN: AF7554 kan volgens verweerder de door eiser op grond van de CPO ontvangen looncompensatie niet worden aangemerkt als een recht op loondoorbetaling als bedoeld in artikel 16 van de WW. Eiser is dat recht gedeeltelijk kwijtgeraakt, omdat hij na het einde wachttijd van 104 weken in 2006 niet meer voltijds in zijn eigen werk is hervat. Op dat moment heeft hij echter geen WW-uitkering aangevraagd.

4. In dit geding ligt de vraag voor of verweerder terecht heeft geweigerd om eiser met ingang van 2 januari 2012 in aanmerking te brengen voor een WW-uitkering op de grond dat eisers arbeidsurenverlies minder dan 5 uur per week bedroeg. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend op grond van het navolgende.

5. Na zijn bedrijfsongeval heeft eiser feitelijk niet meer ten volle zijn werkzaamheden als leerkrachtondersteuner kunnen uitoefenen. Het aantal arbeidsuren waarin hij vanaf dat moment werkte, bedroeg ongeveer 29,5 uur per week. Aangezien eiser vanwege het feitelijk salaris voor zijn werkzaamheden niet in aanmerking kwam voor een uitkering ingevolge de Wet WIA, is met ingang van 6 september 2006 artikel 3.9, tweede lid, van de CPO op hem van toepassing geworden. Op grond van dit artikellid dient de werkgever het verschil tussen eisers oude salaris en zijn nieuwe salaris gedurende een periode van 5 jaar voor 65% te compenseren. Op deze compensatie wordt een eventueel recht van de werknemer op een wettelijke of bovenwettelijke werkloosheidsuitkering in mindering gebracht. Eiser heeft aangegeven dat zijn werkgever na 7 september 2011 nog enkele maanden (uit coulance) vrijwel zijn volledige loon heeft doorbetaald.

6. In zijn uitspraak van 5 maart 2003, LJN AF7554, heeft de CRvB uitgemaakt dat een voor de werknemer uit een CAO voortvloeiende aanspraak op compensatie van loon niet kan worden aangemerkt als een recht op onverminderde doorbetaling van loon als bedoeld in artikel 16, eerste lid en onder a, van de WW. Het standpunt van eiser dat in zijn geval wel sprake is van een loondoorbetalingsverplichting, omdat in artikel 3.9, tweede lid, van de CPO gesproken wordt over het oude en het nieuwe salaris en de betaling dus ziet op een nettosalaris en niet slechts op een aanvulling, geeft de rechtbank onvoldoende aanleiding om het oordeel van de CRvB niet te volgen.

Bovendien dient naar vaste rechtspraak van de CRvB, bijvoorbeeld 2 mei 2007, LJN BA6705, het begrip arbeidsurenverlies feitelijk te worden opgevat, in die zin dat niet het aantal overeengekomen uren volgens arbeidsovereenkomst bepalend is, maar het aantal uren dat de betrokkene daadwerkelijk in de referteperiode heeft gewerkt.

7. Gelet op deze uitspraken van de CRvB kan niet staande worden gehouden dat de beëindiging van eisers looncompensatie als een verlies aan arbeidsuren moet worden aangemerkt. Dit loonverlies en het feitelijke verlies aan arbeidsuren heeft immers plaatsgehad op 7 september 2006. Eiser had per die datum bij verweerder een WW-uitkering kunnen aanvragen. De eventueel toegekende WW-uitkering zou dan op grond van meergenoemd artikel 3.9, tweede lid, van de CPO in mindering zijn gebracht op de door eiser ontvangen looncompensatie. Anders dan eiser kennelijk meent, vormt de bij CPO toegekende compensatieregeling geen beletsel voor het aanvragen van een WW-uitkering. Tot slot stelt de rechtbank nog vast dat van het door eiser gestelde loonverlies op 1 januari 2012 überhaupt geen sprake is nu zijn werkgever hem uit coulanceoverwegingen na 7 september 2011 nog enkele maanden het salaris vrijwel volledig heeft doorbetaald.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Ravenschlag, voorzitter, en mr. Y.S. Klerk en

mr. M. van den Brink, leden, in aanwezigheid van mr. P.A.M. Laro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.