Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:CA0005

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
01-05-2013
Datum publicatie
15-05-2013
Zaaknummer
247959 / HA ZA 12-519
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Korte samenvatting: Contradictoir. Bestuurdersaansprakelijkheid. Bestuurder van later failliet verklaarde vennootschap is aansprakelijk geacht tegenover oudere crediteur van vennootschap omdat hij onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar overnemende partij die hem geheel onbekend was.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2013/85
JONDR 2013/932
JIN 2013/136 met annotatie van P. Haas
OR-Updates.nl 2013-0196
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/247959 / HA ZA 12-519

Vonnis van 1 mei 2013

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. R.M.I. Cornelissen te Roermond,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. M.Ph.A. Senders te Waalre.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 augustus 2012

- het proces-verbaal van comparitie van 14 november 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] was tot 15 september 2009 - via de vennootschap Elbo Beheer B.V. - enig aandeelhouder en bestuurder van International Poolguild B.V. (hierna: IPG).

2.2. IPG heeft in 2005 met [eiser] een overeenkomst gesloten waarbij zij zich verplichtte een (buiten)zwembad aan te leggen voor [eiser]. Dit heeft geleid tot een procedure bij de rechtbank Roermond tussen [eiser] en IPG. Die rechtbank gelastte op 7 november 2007 een voorlopig deskundigenbericht, waarna [eiser] na uitkomen van dit deskundigenbericht op 24 oktober 2008 aan IPG de dagvaarding heeft uitgebracht (productie 2 dagvaarding). IPG heeft bij conclusie van antwoord van 4 februari 2009 verweer gevoerd (productie 7 conclusie van antwoord).

2.3. [gedaagde] heeft in 2008 het plan opgevat om de onderneming die gedreven werd in IPG te verkopen. Hiervoor werd hij door een tussenpersoon, de heer [A] (hierna: [A]) telefonisch benaderd. [A] kwam begin 2009 met een kandidaat-koper op de proppen: de heer [B] (hierna: [B]). Op verzoek van [B] heeft [gedaagde] de statutaire naam van IPG per 1 mei 2009 veranderd in ‘Noordwijk Transport B.V.’, alsmede is de omschrijving van de bedrijfsactiviteiten veranderd van: ‘Groothandel in zwembaden en zwembad gerelateerde artikelen tevens realisatie van commerciële zwembadprojecten’ in: ‘De exploitatie van een transport- en expeditiebedrijf waaronder begrepen het goederenvervoer over de weg, alsmede het verzorgen van personenvervoer’ (productie 3 dagvaarding).

2.4. Op 15 september 2009 zijn bij notariële akte de aandelen van IPG door [gedaagde] overgedragen aan de stichtingen Administratiekantoor Pos Beheer en Administratiekantoor Mammoet (hierna: de Stichtingen), beiden vertegenwoordigd door hun bestuurder [B], dit blijkens deze akte tegen een prijs van € 50.000,00, te betalen in 24 gelijke maandelijkse termijnen. Bij dezelfde akte werd [C] benoemd als enig bestuurder van IPG (notariële akte productie 6 conclusie van antwoord). Deze overdracht en benoeming is niet in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (hierna: het Handelsregister) opgenomen (uittreksel Handelsregister, productie 3 dagvaarding).

2.5. Op het moment van overdracht van de aandelen was binnen de onderneming geen (handels)voorraad of inventaris aanwezig. Feitelijk heeft [gedaagde] aan [A] alleen overhandigd: lijsten met afnemers en klanten, alsmede de administratie, inclusief exclusiviteitscontracten (verklaring [gedaagde] ter comparitie).

2.6. Eveneens op 15 september 2009 zijn de aandelen van IPG - blijkens het Handelsregister - overgegaan op de heer [D], die met ingang van deze datum ook enig bestuurder werd van IPG (uittreksel Handelsregister, productie 3 dagvaarding).

2.7. Op 22 september 2009 zou een comparitie van partijen gehouden worden in de procedure tussen IPG en [eiser]. Deze is wegens ziekte van [gedaagde] aangehouden. Hierna heeft de advocaat van IPG zich in die procedure onttrokken en heeft de comparitie van partijen op 23 februari 2010 plaatsgevonden zonder een vertegenwoordiger van IPG en/of [gedaagde].

2.8. Op 31 maart 2010 is bij vonnis van de rechtbank Roermond verklaard voor recht dat de overeenkomst tussen IPG en [eiser] per 14 september 2006 partieel is ontbonden en is IPG veroordeeld tot de betaling aan [eiser] van € 53.262,48, vermeerderd met rente, alsmede de proceskosten begroot op € 9.025,39. IPG heeft deze bedragen niet aan [eiser] betaald.

2.9. Op 28 september 2010 is IPG in staat van faillissement komen te verkeren. Uit de faillissementsverslagen komt naar voren dat aan de administratie van de vennootschap ontbreekt, alsmede dat bij (verstek)vonnis van de rechtbank Rotterdam - kort gezegd - is vastgesteld dat [D] als bestuurder tegenover een crediteur onrechtmatig heeft gehandeld door via IPG goederen te bestellen, zonder daarvoor te willen betalen (productie 16 dagvaarding).

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat - de veroordeling van [gedaagde] bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad tot betaling van:

1. € 68.684,27, bestaande uit de hoofdsom van € 53.262,48 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 september 2006 tot en met 1 mei 2012, nog vermeerderd met rente over het totaalbedrag vanaf 2 mei 2012,

2. € 9.025,39 aan proceskostenveroordeling uit de andere procedure, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding,

3. € 395,68 aan onderzoekskosten,

4. de proceskosten van deze procedure inclusief beslagkosten van € 755,34.

3.2. [eiser] legt aan zijn vorderingen - samengevat - ten grondslag dat [gedaagde] opzettelijk de verhaalsmogelijkheden van de vordering van [eiser] heeft gefrustreerd door IPG via een malafide handelaar te verkopen aan derden. Deze boden vervolgens geen verhaal. Dit blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden, aldus [eiser]:

- tijdens de procedure bij de rechtbank Roermond heeft [gedaagde] de statutaire naam en bedrijfsomschrijving gewijzigd, zonder hiervan melding te doen aan [eiser],

- [gedaagde] heeft [A] - een malafide handelaar - als tussenpersoon ingeschakeld,

- [gedaagde] heeft in het zicht van een nadelig vonnis van de rechtbank Roermond, de aandelen verkocht aan een handelaar in (schuld) B.V.’s, te weten [B], die betrokken is bij vele faillissementen,

- ook [C] is betrokken geweest bij diverse faillissementen,

- [gedaagde] heeft geen onderzoek verricht naar de koper; de informatie over betrokkenheid van [C] en/of [B] bij veel faillissementen is eenvoudig te achterhalen,

- [gedaagde] heeft voorgewend dat hij ten tijde van de comparitie bij de rechtbank Roermond nog bestuurder was van IPG,

- IPG is in september 2010, kort na het door [eiser] ingestelde verhaalsonderzoek (productie 7 en 15 dagvaarding), failliet gegaan waarbij de administratie ontbreekt noch aan de curator is overgelegd en de bestuurder onvindbaar is,

- tijdens het faillissementsverhoor heeft [C] verklaard dat hij slechts fungeerde als ‘tussenpersoon’,

- de laatste gepubliceerde jaarrekening, in ieder geval over de boekjaren 2008 en 2009, is fictief, zo blijkt uit het verhaalsonderzoek (productie 7 en 15 dagvaarding),

- [gedaagde] heeft tegenover het recherchebureau inconsistent/wisselend verklaard aan wie hij de aandelen heeft verkocht en in hoeverre en van wie hij betalingen heeft ontvangen,

- gelet op het eigen vermogen van de onderneming (ongeveer € 358.000,00) was de koopprijs (€ 50.000,00) bijzonder laag en in september 2010 was de koopprijs (nog) niet betaald.

[gedaagde] wist of had moeten begrijpen dat zijn handelswijze, het verkopen van de aandelen, tot gevolg zou hebben dat IPG haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden. Gelet op vaste jurisprudentie heeft [gedaagde] dus onrechtmatig gehandeld tegenover [eiser] en is voor de daardoor ontstane schade aansprakelijk. Deze bestaat uit de onverhaalbaar gebleken vordering van [eiser] op IPG, vermeerderd met rente en de proceskostenveroordeling in de procedure bij de rechtbank Roermond.

3.3. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met zijn veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na vonnisdatum. [gedaagde] stelt daartoe - kort gezegd - dat hem als bestuurder geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt inzake de aandelenoverdracht van IPG. [A] heeft in februari 2009 [B] bij [gedaagde] geïntroduceerd. [B] bleek geïnteresseerd in de onderneming van IPG en na onderhandelingen is een reële prijs van € 50.000,00 overeengekomen, dit nadat de koper via [A] kennis had genomen van een overnamebalans die door accountskantoor B4 namens [gedaagde] was opgesteld. De onderneming had op het moment van de aandelenoverdracht een behoorlijk eigen vermogen van ongeveer € 100.000,00. In het kader van de overname zijn in mei 2009 de statuten gewijzigd. De koper is expliciet geïnformeerd over de aanspraak van [eiser], zoals ook opgenomen in de notariële akte van overdracht. [gedaagde] meende overigens dat de vordering van [eiser] op IPG kant noch wal raakte. Van enige opzet om verhaal onmogelijk te maken is geen sprake. Na de aandelenoverdracht op 15 september 2009 heeft [gedaagde] geen bemoeienis meer gehad met IPG, behalve dan dat hij bereid was ten behoeve van de koper informatie te verstrekken in de gerechtelijke procedure van [eiser] tegen IPG. [gedaagde] was dus niet betrokken, noch had weet van enige overdracht van IPG nadien, noch van het faillissement en had dus ook geen weet van mogelijke andere bedoelingen van de koper dan het voortzetten van de onderneming.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] verwijt [gedaagde] in deze procedure dat hij als bestuurder/ enig aandeelhouder zijn onderneming IPG heeft overgedragen aan [B] met als (enig) doel het verhaal van de vordering van [eiser] op IPG onmogelijk te maken, dan wel dat hij op de hoogte had moeten zijn dat na deze overdracht verhaal onmogelijk zou worden. De rechtbank stelt voorop dat een bestuurder van een vennootschap zoals [gedaagde] in geval van benadeling van schuldenaren van deze vennootschap onder omstandigheden aansprakelijk kan zijn in geval de bestuurder heeft bewerkstelligd of heeft toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele plichten niet nakomt en vorderingen van deze schuldenaren onverhaalbaar blijken. Deze aansprakelijkheid kan in de regel pas worden aangenomen in geval deze bestuurder in de zin van artikel 2:9 BW persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt . Hiervan kan sprake zijn als de bestuurder wist of redelijkerwijze had kunnen begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelswijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de daardoor optredende schade.

4.2. In dit kader staat voor de rechtbank in voldoende mate vast dat de gang van zaken vanaf het moment van aandelenoverdracht aan (de Stichtingen bestuurd door) [B] er (mede) op gericht is geweest verhaal van bestaande vorderingen op IPG, zoals die van [eiser], onmogelijk te maken, dan wel er op gericht is geweest zich niet om bestaande vorderingen te hoeven bekommeren. Dit heeft [eiser] gesteld en dit aspect is door [gedaagde] niet gemotiveerd weersproken. Dit blijkt ook uit de vaststaande feiten, waarbij de rechtbank veronderstellenderwijs uitgaat van de stelling van [gedaagde] dat [B] zich (via [A]) aan hem heeft gepresenteerd als een overnamekandidaat die serieus was geïnteresseerd in het voortzetten van de binnen IPG gedreven onderneming. Bij een dergelijke overname past niet dat de aandelenoverdracht aan de Stichtingen en het aanwijzen van bestuurder [C] (zonder daarvan overigens opgave te doen in het Handelsregister, zoals voorgeschreven krachtens artikel 18 Handelsregisterwet jo. artikel 22 lid 1 onder a en e Handelsregisterbesluit 2008) nog dezelfde dag werd gevolgd door een aandelenoverdracht aan en benoeming als bestuurder van [D] die, blijkens zijn verklaring in de faillissementsverslag, niet de bestaande groothandel in zwembadproducten ging voortzetten, maar - overigens zonder veel succes - handel ging drijven in groente en fruit (productie 16 dagvaarding).

4.3. Hierbij heeft de rechtbank ook laten meewegen dat, zoals [eiser] onweersproken en gedocumenteerd heeft gesteld middels zijn producties 7 en 15, zowel [B] als [C] veelvuldig ([B]: 12 keer tussen 2006 en 2009, [C]: 5 keer tussen 2003 en 2007) bestuurder zijn geweest van rechtspersonen die tijdens hun bestuursperiode failliet zijn gegaan. De rechtbank neemt verder in acht dat ook IPG ongeveer een jaar na overdracht failliet is gegaan, waarna geen administratie meer aanwezig bleek te zijn en [D] tenminste één maal veroordeeld is op grond van bestuurdersaansprakelijkheid binnen IPG. Ten slotte speelt hierbij een rol dat IPG na de overdracht het verweer in de procedure tegen [eiser] vrijwel direct heeft laten varen door niet langer te verschijnen.

4.4. [eiser] heeft naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde] daadwerkelijk wist dat de koper van IPG zich niets gelegen zou laten aan bestaande vorderingen op deze vennootschap en [gedaagde] dus deel uitmaakt van het door [eiser] gestelde ‘opzetje’. Het feit dat een aantal maanden voor overdracht door [gedaagde] op verzoek van [B] de bedrijfsomschrijving en naam van IPG is veranderd is daarvoor onvoldoende, evenals het feit dat [gedaagde] in deze procedure (en in het buitengerechtelijke traject) een aantal niet nader (met stukken) onderbouwde stellingen inneemt, onder andere ten aanzien van het al dan niet ontvangen hebben van (een deel van) de koopprijs, de totstandkoming van de hoogte daarvan en de gestelde bijstand van - in de termen van de conclusie van antwoord - ‘te goeder naam en faam bekend staande adviseurs’.

4.5. Het gaat er dan dus nog om of [gedaagde] persoonlijk een ernstig verwijt treft, eruit bestaande dat hij onvoldoende heeft ingespannen om zich er van te vergewissen dat IPG niet in handen zou komen van een koper die niet van zins was zich iets gelegen te laten liggen aan de bestaande vorderingen op IPG en [gedaagde] dat risico voor de crediteuren van IPG dus op de koop toe heeft genomen. De rechtbank neemt hiervoor de volgende vaststaande omstandigheden tot uitgangspunt. [gedaagde] is zelf (telefonisch) benaderd door [A] inzake de verkoop van IPG. De ontmoetingen van [gedaagde] met [A] vonden nooit plaats in een kantoor van [A], maar altijd in een hotel of in het kantoor van [gedaagde]. [gedaagde] heeft koper [B] nooit zelf ontmoet of gesproken en geen businessplan van hem ontvangen waaruit zou kunnen blijken hoe de binnen IPG gedreven onderneming zou worden voortgezet. Hij sprak slechts met [A]: buiten de informatie van [A] wist [gedaagde] dus niets van zijn koper [B], althans dat is gesteld noch gebleken. Vervolgens heeft [gedaagde] de bedrijfsomschrijving en naam van IPG gewijzigd zoals beschreven onder 2.3, dit (kennelijk via [A]) op verzoek van [B]. Deze veranderde bedrijfsomschrijving past niet in het beeld van een koper, die, zoals ter [gedaagde] ter comparitie heeft toegelicht, enthousiast was over de producten die IPG verhandelde (zwembadproducten), geïnteresseerd was in de contacten van de onderneming in Spanje en de groothandelsactiviteiten. Dit alles impliceert immers een voortzetting van de onderneming en daar past deze verandering in bedrijfsomschrijving (met onder meer ‘personenvervoer’) niet zomaar bij. Dat de interesse van [B] gelegen zou zijn in de ‘logistieke organisatie’ van IPG en dat wisseling van bedrijfsnaam- en omschrijving in dat kader gezien zou moeten worden, vindt geen steun in de feiten: op het moment van overname waren er immers geen te verkopen voorraden meer, noch bedrijfsmiddelen, noch een pand of werknemers die de gestelde logistieke organisatie zouden kunnen behelzen. Deze omstandigheden, in onderling samenhang en verband bezien, hadden naar het oordeel van de rechtbank bij [gedaagde] op zijn minst vraagtekens moeten oproepen omtrent (de werkelijke bedoelingen van) zijn koper [B], nu deze voor [gedaagde] feitelijk een onbekende was.

4.6. Vast staat verder dat [gedaagde], hoewel daartoe redenen waren zoals hierboven omschreven, geen enkel onderzoek heeft ingesteld naar de achtergronden en historie van [B]. Naar eigen zeggen was hij gerustgesteld door het feit dat ook de door hem ingeschakelde adviseurs geen opmerkingen hebben gemaakt over [B]. Dit is voor de rechtbank echter onvoldoende, zeker nu - zoals [eiser] onbetwist heeft gesteld - met een eenvoudig onderzoek te achterhalen was dat [B] in de periode kort voor overdracht betrokken is geweest bij diverse faillissementen, hetgeen [eiser] heeft onderbouwd middels zijn producties 7 en 15, het resultaat van een dergelijk eenvoudig onderzoek (de kosten daarvan bedroegen blijkens de vordering onder 3 slechts € 395,68). Door bij deze stand van zaken verder geen onderzoek te plegen naar de koper van IPG en zich daarmee de belangen van [eiser] als crediteur van IPG onvoldoende aan te trekken, treft [gedaagde] een persoonlijk ernstig verwijt zoals hiervoor bedoeld. Het feit dat de vordering van [eiser] op het moment van overdracht door IPG werd betwist, maakt dit alles niet anders. Immers, later is in rechte vast komen te staan dat deze vordering toewijsbaar was en op het moment van overdracht was er al sprake van een (voorlopig) deskundigenbericht dat ongunstig was voor IPG, zoals [eiser] onbetwist heeft gesteld, zodat [gedaagde] er ernstig rekening mee moest houden dat deze vordering toewijsbaar zou kunnen worden geacht door de rechtbank Roermond. Dit geldt des te sterker nu IPG volgens de stellingen van [eiser] in beginsel voldoende actief had om de vorderingen van [eiser] te kunnen voldoen.

4.7. De rechtbank overweegt verder dat in geval [gedaagde] geheel te goeder trouw zou zijn geweest bij de transactie met [B] en daadwerkelijk geen enkele reden had om te twijfelen aan zijn goede bedoelingen met IPG, het dan op zijn weg had gelegen om zijn stellingen omtrent de gang van zaken rond de verkoop van de aandelen in dit geding behoorlijk met verifieerbare stukken te onderbouwen, bijvoorbeeld waar het gaat om de (schriftelijke) adviezen van mr. Jansberg omtrent deze transactie, het tot stand komen en de inhoud van de overnamebalans door extern accountantskantoor B4, de vraag waaruit de het eigen vermogen (in de woorden van [gedaagde] ter comparitie: ‘ongeveer een ton’) van IPG bestond en de waardering van de vennootschap, alsmede omtrent de daadwerkelijke betaling van de koopprijs door of namens [B]. Dit alles heeft [gedaagde] echter nagelaten, zodat de rechtbank zijn stelling omtrent zijn goede trouw niet nader zal onderzoeken bij gebreke aan een deugdelijke onderbouwing.

4.8. Het voorgaande betekent dat [gedaagde] aansprakelijk is tegenover [eiser] uit hoofde van onrechtmatige daad. De (hoogte van de) door [eiser] onder 1, 2 en 3 gevorderde bedragen van respectievelijk € 68.684,27, € 9.025,39 en € 395,68 heeft [gedaagde] niet betwist, zodat deze bedragen (totaal: € 78.105,34) zullen worden toegewezen, met daarbij de wettelijke rente (de rechtbank begrijpt: ex. artikel 6:119 BW) over de eerste twee bedragen zoals - onbetwist - gevorderd.

4.9. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 97,64

- griffierecht 821,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 2.706,64

4.10. [eiser] vordert [gedaagde] verder te veroordelen tot betaling van de beslagkosten van € 755,34. Deze vordering zal als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen, omdat [eiser] heeft verzuimd de beslagstukken in het geding te brengen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 78.105,34 (achtenzeventig duizendéénhonderdvijf euro en vierendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over:

- het bedrag van € 68.684,27 met ingang van 2 mei 2012

- het bedrag van € 9.025,39 met ingang van 1 mei 2012

telkens tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.706,64,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Rietveld en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2013.