Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ9551

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-05-2013
Datum publicatie
08-05-2013
Zaaknummer
01/889026-12
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:1126, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel door 5 jonge vrouwen tot prostitutie te bewegen en hen vervolgens uitgebuit. Vier van de vijf vrouwen zijn daarbij door verdachte mishandeld en bedreigd. Verdachte heeft zich door de opbrengst van de werkzaamheden van deze vrouwen toe te eigenen, schuldig gemaakt aan witwassen.

De officier van justitie heeft primair gevorder dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 jaar en terbeschikkingstelling van verdachte met dwangverpleging hoewel de gedragsdeskundigen geen uitspraak doen over de mate van toerekenbaarheid van verdachte voor de bewezen verklaarde feiten. Subsidiair heeft de officier van justitie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 jaar gevorderd.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 jaar, mede omdat verdachte in 2009 voor mensenhandel is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar waarvan 1 jaar voorwaardelijk en verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd nadat hij niet van een verlof tijdens het uitzitten van die straf terug was gekeerd naar de gevangenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team Strafrecht

Parketnummer: 01/889026-12

Datum uitspraak: 08 mei 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] [geboorteland] op [geboortedatum] 1985,

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in p.i. Grave, locatie "Oosterhoek" [HvB (Unit A+B)], te Grave.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 17 augustus 2012, 13 november 2012, 29 januari 2013, 16 april 2013, 17 april 2013 en 24 april 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 juli 2012. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 13 november 2012 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 december 2010 tot en met 13 januari 2011 te Helmond en/of elders in Nederland, [persoon 1] door dwang, geweld of één of meer andere feitelijkheden, door dreiging met geweld of één of meer andere feitelijkheden, door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft gedwongen dan wel bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling

en/of

[persoon 1] door dwang, geweld of één of meer andere feitelijkheden, door dreiging met geweld of één of meer andere feitelijkheden, door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft gedwongen dan wel bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handeling(en) van [persoon 1] met of voor een derde,

Immers heeft hij, verdachte in voornoemde periode:

- voornoemde [persoon 1] onderdak verschaft en/of

- voornoemde [persoon 1] verzocht/bewogen in de prostitutie te gaan werken en/of

- (een) (seks)advertentie(s) van die [persoon 1] opgemaakt en/of op internet ([internetsite]) geplaatst en/of

- tegen voornoemde [persoon 1] gezegd dat het door haar met de prostitutiewerkzaamheden verdiende geld voor haar gespaard/bewaard zou worden en/of

- de simkaart (met daarop de contacten) van voornoemde [persoon 1] vernield/onbruikbaar gemaakt en/of

- voornoemde [persoon 1] verboden de woning [adres 1] te Helmond te verlaten en/of

- in aanwezigheid van die [persoon 1] een of meerdere andere meisjes/vrouwen die op de [adres 1] te Helmond prostitutiewerkzaamheden verrichtten geslagen en/of geschopt en/of

- voornoemde [persoon 1] hasjiesj, in elk geval verdovende middelen, verstrekt en/of

- (de werkzaamheden van) die [persoon 1] gecontroleerd, althans haar verdiensten uit haar prostitutiewerkzaamheden gecontroleerd en/of

- die [persoon 1] gedwongen/bewogen (een groot deel van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem af te staan/af te dragen;

(artikel 273f lid 1 sub 4 en sub 9 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 november 2010 tot en met 28 april 2011 te Eindhoven en/of Helmond en/of Etten-Leur en/of Tilburg en/of elders in Nederland, [persoon 2] door dwang, geweld of één of meer andere feitelijkheden, door dreiging met geweld of één of meer andere feitelijkheden, door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft gedwongen dan wel bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling

en/of

[persoon 2] door dwang, geweld of één of meer andere feitelijkheden, door dreiging met geweld of één of meer andere feitelijkheden, door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft gedwongen dan wel bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handeling(en) van [persoon 2] met of voor een derde,

Immers heeft hij, verdachte in voornoemde periode:

- een liefdesrelatie aangegaan/onderhouden met voornoemde [persoon 2] en/of

- voornoemde [persoon 2] verzocht/bewogen in de prostitutie te gaan werken en/of

- tegen voornoemde [persoon 2] gezegd dat het door haar met de prostitutiewerkzaamheden verdiende geld voor haar gespaard/bewaard zou worden en/of zou worden besteed aan een gezamenlijke woning en/of een gezamenlijke toekomst en/of

- voornoemde [persoon 2] verdovende middelen verschaft en/of

- voornoemde [persoon 2] verboden om de woning aan de [adres 1] te Helmond te verlaten en/of

- voornoemde [persoon 2] (meermalen) naar een prostitutieplek vervoerd en/of

- voornoemde [persoon 2] (meermalen) geslagen/gestompt en/of getrapt/geschopt en/of

- voornoemde [persoon 2] (meermalen) gedreigd te slaan en/of stompen en/of

- voornoemde [persoon 2] met een mes bedreigd en/of

- voornoemde [persoon 2] bewogen om zijn, verdachtes, (voor)naam in haar nek te laten tatoeëren en/of

- voornoemde [persoon 2] bewogen om seks te hebben met klanten zonder condoom en/of

- (de werkzaamheden van) die [persoon 2] gecontroleerd, althans haar verdiensten uit haar prostitutiewerkzaamheden gecontroleerd en/of

- die [persoon 2] gedwongen/bewogen (een groot deel van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem, verdachte, af te staan/af te dragen;

(artikel 273f lid 1 sub 4 en sub 9 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 augustus 2010 tot en met 31 oktober 2010 te Eindhoven en/of Amsterdam en/of Groningen en/of elders in Nederland en/of een meerdere plaatsen in Duitsland, [persoon 3] door dwang, geweld of één of meer andere feitelijkheden, door dreiging met geweld of één of meer andere feitelijkheden, door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft gedwongen dan wel bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling

en/of

[persoon 3] door dwang, geweld of één of meer andere feitelijkheden, door dreiging met geweld of één of meer andere feitelijkheden, door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft gedwongen dan wel bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handeling(en) van [persoon 3] met of voor een derde,

Immers heeft hij, verdachte, in voornoemde periode:

- een liefdesrelatie aangegaan/onderhouden met voornoemde [persoon 3] en/of

- voornoemde [persoon 3] verzocht/bewogen in de prostitutie te gaan werken en/of

- tegen voornoemde [persoon 3] gezegd dat het door haar met de prostitutiewerkzaamheden verdiende geld voor haar gespaard/bewaard zou worden en/of dat het geld besteed zou worden aan een gezamenlijke woning en/of gezamenlijke toekomst en/of

- voornoemde [persoon 3] (meermalen) naar een prostitutieplek vervoerd en/of

- voornoemde [persoon 3] (meermalen) geslagen/gestompt en/of getrapt/geschopt en/of

- voornoemde [persoon 3] (meermalen) gedreigd te slaan en/of stompen en/of

- (de werkzaamheden van) die [persoon 3] gecontroleerd, althans haar verdiensten uit haar prostitutiewerkzaamheden gecontroleerd en/of

- die [persoon 3] gedwongen/bewogen (een groot deel van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem af te staan/af te dragen;

(artikel 273f lid 1 sub 4 en sub 9 Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 oktober 2010 tot en met 01 maart 2011 te Eindhoven en/of Helmond en/of elders in Nederland, [persoon 4] door dwang, geweld of één of meer andere feitelijkheden, door dreiging met geweld of één of meer andere feitelijkheden, door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft gedwongen dan wel bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling

en/of

[persoon 4] door dwang, geweld of één of meer andere feitelijkheden, door dreiging met geweld of één of meer andere feitelijkheden, door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft gedwongen dan wel bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handeling(en) van [persoon 4] met of voor een derde,

Immers heeft hij, verdachte in voornoemde periode:

- een liefdesrelatie aangegaan/onderhouden met voornoemde [persoon 4] en/of

- voornoemde [persoon 4] in een slechte(re) financiële positie gebracht en/of

- voornoemde [persoon 4] verzocht/bewogen in de prostitutie te gaan werken en/of

- voornoemde [persoon 4] beloofd dat het door haar verdiende geld zou worden besteed aan een gezamelijke toekomst en/of dat het geld door hem, verdachte, zou worden terug betaald en/of

- voornoemde [persoon 4] (meermalen) geslagen/gestompt en/of getrapt/geschopt en/of

- (meermalen) een brandende sigaret op de arm van die [persoon 4] (uit)gedrukt

- voornoemde [persoon 4] (meermalen) gedreigd te slaan en/of stompen en/of

- (de werkzaamheden van) die [persoon 4] gecontroleerd, althans haar verdiensten uit haar prostitutiewerkzaamheden gecontroleerd en/of

- die [persoon 4] gedwongen/bewogen (een groot deel van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem af te staan/af te dragen;

(artikel 273f lid 1 sub 4 en sub 9 Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 oktober 2010 tot en met 01 maart 2011 te Eindhoven en/of Helmond en/of in een of meerdere plaatsen in Nederland (telkens) opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [persoon 4]), heeft geslagen/gestompt en/of een of meerdere brandende sigaret(ten) op de arm van die [persoon 4] heeft (uit)gedrukt, waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 300 Wetboek van Strafrecht)

5.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 02 januari 2011 tot en met 9 juli 2011 te Eindhoven en/of Gilze Rijen en/of Tilburg en/of Nijmegen en/of Amsterdam en/of Rotterdam en/of elders in Nederland en/of een of meerdere plaatsen in Duitsland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, [persoon 5] door dwang, geweld of één of meer andere feitelijkheden, door dreiging met geweld of één of meer andere feitelijkheden, door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft gedwongen dan wel bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling

en/of

[persoon 5] door dwang, geweld of één of meer andere feitelijkheden, door dreiging met geweld of één of meer andere feitelijkheden, door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft gedwongen dan wel bewogen hem, verdachte en/of zijn mededader(s), te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handeling(en) van [persoon 5] met of voor een derde,

Immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) in voornoemde periode:

- een liefdesrelatie aangegaan/onderhouden met voornoemde [persoon 5] en/of

- voornoemde [persoon 5] onderdak verschaft en/of

- voornoemde [persoon 5] verzocht/bewogen in de prostitutie te gaan werken en/of

- tegen voornoemde [persoon 5] gezegd dat het door haar met de prostitutiewerkzaamheden verdiende geld voor haar gespaard/bewaard zou worden en/of

- voornoemde [persoon 5] cocaïne, althans verdovende middelen, verstrekt en/of

- voornoemde [persoon 5] (meermalen) naar een prostitutieplek vervoerd en/of

- voornoemde [persoon 5] (meermalen) geslagen/gestompt en/of getrapt/geschopt en/of

- voornoemde [persoon 5] (meermalen) gedreigd te slaan en/of stompen en/of

- (de werkzaamheden van) die [persoon 5] gecontroleerd, althans haar verdiensten uit haar prostitutiewerkzaamheden gecontroleerd en/of

- die [persoon 5] gedwongen/bewogen (een groot deel van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem/hen af te staan/af te dragen;

(artikel 273f lid 1 sub 4 en sub 9 Wetboek van Strafrecht)

6.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 augustus 2010 tot en met 8 mei 2012, te Eindhoven en/of Helmond en/of Etten-Leur en/of Tilburg en/of Amsterdam en/of Groningen en/of Gilze Rijen en/of Nijmegen en/of Rotterdam en/of een of meerdere plaatsen in Nederland en/of een of meerdere plaatsen in Duitsland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (telkens) (een) voorwerp(en), te weten een of meer hoeveelheid/hoeveelheden (contant) geld zijnde de inkomsten uit de prostitutiewerkzaamheden van [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] en/of [persoon 4] en/of [persoon 5], heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van dat/die voorwerp(en), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

(artikel 420bis/quater van het Wetboek van Strafrecht)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Voor zover de onder 3 en 6 ten laste gelegde feiten in Duitsland zouden zijn gepleegd, is de Nederlandse strafwet toepasselijk. Deze feiten zijn gepleegd ten aanzien van een persoon die toen de leeftijd van achttien jaar had bereikt. Ook bezat verdachte ten tijde van het plegen van deze feiten de Nederlandse nationaliteit. Die nationaliteit bezit verdachte nu nog. De onder 3 en 6 gepleegde feiten worden door de Nederlandse strafwet als misdrijven beschouwd en op die feiten is ook door de Duitse strafwet straf gesteld.

De bewijsmiddelen1 en de beoordeling daarvan.

Inleiding.

Verdachte staat terecht op de verdenking van mensenhandel omdat hij vijf vrouwen zou hebben bewogen zich beschikbaar te stellen voor prostitutie en de opbrengst van die werkzaamheden aan hem beschikbaar te stellen. Verdachte zou de aldus verkregen gelden voor zichzelf hebben gebruikt.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir genoemde gronden acht de officier van justitie alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de raadsman geconcludeerd tot vrijspraak van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit

=======================================

In februari 2011 doet [persoon 1] aangifte dat zij in de periode van 28 december 2010 tot en met 13 januari 2011, door toedoen van verdachte in de prostitutie is gaan werken. Nadat zij met die werkzaamheden was begonnen, dwingt verdachte haar daarmee door te gaan en eigent hij zich al het geld dat [persoon 1] daarmee verdient, toe en besteedt dat voor zichzelf [§ 3.1 pag. 17 t/m 25].

Meer in het bijzonder houdt de verklaring van [persoon 1] zakelijk weergegeven onder meer het navolgende in.

Op 28 december 2010 ontmoet [persoon 1] via vrienden, verdachte in een café in Helmond. Verdachte leent [persoon 1] geld, de afspraak wordt gemaakt dat zij dat later terug zal betalen. Nadat die vrienden afscheid hebben genomen, blijft [persoon 1] alleen achter. Verdachte biedt haar aan in de bij hem in gebruik zijnde flat, gelegen aan de [adres 1] te Helmond, te blijven overnachten. Dat aanbod aanvaardt [persoon 1]. In de flat is ook [persoon 2] aanwezig. Zij werkt als prostituee [§ 3.1, pag. 18].

De volgende dag eist verdachte het door hem geleende geld terug. [persoon 1] komt daardoor zonder geld te zitten. Gedreven door geldgebrek besluit zij in de prostitutie te gaan werken. Verdachte maakt voor haar een advertentie om op de internetsite [internetsite] te zetten. Daar biedt [persoon 1] zich, onder de door verdachte verzonnen naam Sarah, als prostituee aan. Verdachte biedt aan het geld wat [persoon 1] daarmee zal verdienen te bewaren en voor haar te sparen. [persoon 1] mag van verdachte zonder zijn toestemming de flat aan de [adres 1] niet uit, zij moet wachten op mogelijke klanten [§ 3.1, pag. 19].

Als verdachte niet in de flat is, belt hij vaak naar [persoon 1] en de eerste vraag die hij dan stelt, is of zij al klanten heeft gehad. Als [persoon 1] wordt toegestaan boodschappen te doen, moet zij van verdachte binnen een half uur terug zijn en moet zij haar werktelefoon meenemen.

Op de eerste dag dat [persoon 1] in de flat aan de [adres 1] verblijft, haalt verdachte twee nieuwe simkaarten en die geeft hij aan [persoon 1]. Een simkaart is bestemd voor privégebruik, de andere voor werkcontacten. De simkaart die in de telefoon van [persoon 1] zit, knipt verdachte kapot en gooit hij weg. [persoon 1] vindt dat erg vervelend omdat zij daardoor al haar contacten kwijt is. [persoon 1] laat dit toe omdat zij bang is dat verdachte anders met geweld haar simkaart pakt. [persoon 1] heeft het idee door prostitutiewerk wat geld bij elkaar te sparen en daarna met dat werk op te houden. Die eerste dag ontvangt [persoon 1] vier of vijf klanten. Elke dag ziet er hetzelfde uit. Het is prioriteit van verdachte dat [persoon 1] klanten heeft. De meeste klanten komen via de site [internetsite] [§ 3.1, pag. 20].

[persoon 1] mag geen klanten weigeren van verdachte. Het komt voor dat er van verdachte dubbele afspraken moeten worden gemaakt en dat [persoon 1] en [persoon 2] klanten van elkaar moeten overnemen. Ook bepaalt verdachte dat de klanten vooraf moeten betalen. [persoon 1] geeft dat geld vervolgens aan verdachte. De eerste dag denkt [persoon 1] nog echt dat zij het door haar verdiende geld mag houden. Nadat een klant is vertrokken, wordt het door de klant betaalde geld in een bakje gelegd. Als verdachte in de flat komt, maakt hij het bakje leeg. Die eerste dag vraagt [persoon 1] aan verdachte wat hij met het door haar verdiende geld doet. Verdachte zegt dan dat hij dit naar zijn moeder brengt zodat het geld gespaard kan worden. [persoon 1] gelooft verdachte dan nog steeds en zij gaat er verder niet op door omdat zij bang is klappen te krijgen [§ 3.1, pag. 21].

Verdachte werkt zelf niet en heeft geen uitkering. Verdachte betaalt met geld dat door [persoon 1] en [persoon 2] met prostitutiewerkzaamheden is verdiend. [persoon 1] denkt dat zij in totaal twee weken bij verdachte heeft gewoond. In de laatste week sluit zij op verzoek van verdachte een telefoonabonnement op haar naam af. [persoon 1] wil dat eigenlijk niet, maar zij doet dat toch omdat zij bang is dat zij anders klappen van verdachte krijgt [§ 3.1, pag. 22].

Uiteindelijk sluit [persoon 1] een abonnement van € 100,-- per maand voor verdachte af. De dagen dat [persoon 1] bij verdachte verblijft, zien er hetzelfde uit. Zij ontvangt klanten, zij mag af en toe boodschappen doen, maar moet van verdachte altijd haar werktelefoon meenemen. [persoon 1] heeft elke dag gewerkt, met uitzondering van 1 januari 2011 [§ 3.1, pag. 23]. [persoon 1] kan het prostitutiewerk niet doen als zij niet blowt. Zij rookt 5 tot 6 joints per dag. De drugs worden altijd door verdachte gehaald [§ 3.1, pag. 25]. [persoon 1] heeft niets van haar verdiende geld achter gehouden uit angst voor verdachte. Verdachte heeft haar gewaarschuwd dat hij daar achter zal komen. Omdat [persoon 1] bang is voor klappen legt zij al het door haar verdiende geld in het bakje. Er is veel ruzie tussen [persoon 2] en verdachte. [persoon 1] ziet vaak dat verdachte [persoon 2] slaat en schopt, waarbij verdachte tegen haar roept "gewoon doorgaan he" [§ 3.1, pag. 23].

Op 12 januari 2011 is [persoon 1] door het Prostitutie Controle Team in de flat aan de [adres 1] aangetroffen [§ 3.1 pag. 144]. Verdachte was toen niet aanwezig. Op dat moment besluit [persoon 1] bij verdachte weg te gaan omdat zij er genoeg van heeft dat zij door verdachte voor de gek wordt gehouden. [§ 3.1, pag. 24].

De aangifte van [persoon 1] wordt ondersteund door de verklaringen van diverse getuigen.

[persoon 2] bevestigt de aangifte van [persoon 1] tot in detail over hetgeen tijdens hun gezamenlijk verblijf in de flat aan de [adres 1] in Helmond is voorgevallen. [persoon 1] zegt tegen [persoon 2] dat het geld dat zij met de prostitutie zal verdienen, door verdachte voor haar zal worden bewaard. [persoon 2] ziet dat [persoon 1] het geld dat zij met prostitutie verdient aan verdachte moet geven en dat verdachte de telefoonkaarten van [persoon 1], tegen haar wil door midden knipt. Ook ziet zij dat verdachte in het bezit is van de bankpas van [persoon 1] en dat verdachte haar slaat. Volgens [persoon 2] heeft [persoon 1] ongeveer een maand in de flat aan de [adres 1] in Helmond verbleven [§ 3.1, pag. 161, 162].

Ook [persoon 4] bevestigt onderdelen van de verklaring van [persoon 1]. [persoon 4] verklaart dat [persoon 1] na de Kerstdagen van 2010 in de flat aan de [adres 1] in Helmond is komen wonen, dat [persoon 4] daar al woont met [persoon 2], dat [persoon 1] daar seks met mannen voor geld heeft en dat verdachte altijd wel een reden vindt hen te slaan. [persoon 4] bevestigt dat verdachte de softdrugs voor [persoon 1] regelt [§ 3.4, pag. 37, 38 en 48].

[persoon 3] is erbij aanwezig als [persoon 1] op 28 december 2010 aan verdachte wordt voorgesteld. Twee dagen later ziet [persoon 3] [persoon 1] en [persoon 2] in de flat, gelegen aan de [adres 1] te Helmond. De inrichting van de flat herkent zij als een werkplek voor prostituees en zij ziet dat [persoon 1] die dag drugs gebruikt [§ 3.1, pag. 107 en 108].

[persoon 5] verklaart dat zij in december 2010 in de woning van verdachte in Helmond, de flat aan de [adres 1], is geweest en dat daar ook [persoon 1] en [persoon 2] aanwezig zijn. [persoon 5] weet dat deze meisjes dan voor verdachte in de prostitutie werkzaam zijn [§ 3.1, pag. 126 en 141].

De getuigen [getuige 1] [§ 3.1, pag. 182 en 183], [getuige 2] [§ 3.1, pag. 192, 193] en [getuige 3] [verklaring aan rechter-commissaris afgelegd op 29 januari 2013] verklaren dat zij van [persoon 1] of van anderen hebben gehoord dat [persoon 1] voor verdachte in de prostitutie werkzaam is geweest.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit

=======================================

Op verschillende dagen in de maanden maart 2012 en april 2012 doet [persoon 2] aangifte dat zij in de periode van 14 november 2010 tot en met 28 april 2011, door toedoen van verdachte in de prostitutie is gaan werken en daarin werkzaam is gebleven. Nadat zij met die werkzaamheden is begonnen, dwingt verdachte haar daarmee door te gaan en eigent hij zich al het geld dat [persoon 2] daarmee verdient, toe en besteedt dat voor zichzelf [§ 3.2 pag. 28 t/m 53].

Meer in het bijzonder houdt de verklaring van [persoon 2] zakelijk weergegeven onder meer het navolgende in.

In de periode van midden november 2010 tot begin januari 2011 werkt [persoon 2] als prostituee [privé-ontvangst], meestal 7 dagen per week. Vanaf januari 2011 tot april 2011 werkt zij via escortbureau's. Verdachte weet hoeveel geld zij daarmee verdient en dat moet hij hebben. [persoon 2] durft niet tegen verdachte te liegen en zij durft geen geld voor hem achter te houden

[§ 3.2 pag. 51].

In oktober 2010 leert [persoon 2], via de chatbox van een internetsite, verdachte kennen. Op de chat vertelt [persoon 2] verdachte over haar problematische verleden. Eind oktober 2010 nodigt verdachte [persoon 2] uit naar zijn woning in Eindhoven aan de [adres 2], te komen. Op die uitnodiging is [persoon 2] ingegaan [§ 3.2 pag. 31]. In de periode daarna krijgt [persoon 2] de indruk dat verdachte verliefd op haar is. Verdachte zegt dan tegen [persoon 2] dat zij bij hem kan komen wonen, dat ze samen een thuis zullen maken en dat verdachte haar daarbij zal helpen. [persoon 2] vindt dat fijn om te horen omdat dit is wat zij zoekt, liefde en een thuis. Zij wil voor verdachte gaan omdat [persoon 2] daarin een uitweg uit haar situatie ziet. Op 14 november 2010 wordt [persoon 2] 18 jaar. Enkele dagen daarna gaat zij bij verdachte in Eindhoven wonen. [§ 3.2 pag. 32].

In de dagen daarna heeft [persoon 2] seks met verdachte. Diezelfde avond vraagt verdachte aan [persoon 2] of zij in de prostitutie wil gaan werken, zodat [persoon 2] haar schulden kan aflossen. Verdachte zegt dat [persoon 2] meteen kan stoppen als zij dat werk niet meer wil doen. Verdachte zegt dat zij dan iets anders zullen zoeken. [persoon 2] zegt dat zij bang is dat zij verdachte daardoor zal verliezen. Verdachte zegt dat hij niet bij [persoon 2] weg zal gaan en dat,als zij een jointje rookt, de seks met een ander dan verdachte zonder gevoel zal zijn. [persoon 2] heeft niet het gevoel dat zij voor verdachte geld moet verdienen, maar dat ze op die manier sneller bij elkaar in een huisje kunnen gaan wonen. [persoon 2] is dan verliefd op verdachte en zij denkt dat het deze keer wel zal lukken. [persoon 2] en verdachte spreken af dat [persoon 2] het door haar verdiende geld aan verdachte zal geven, dat het geld zal worden gespaard voor hen en dat [persoon 2] als zij iets nodig heeft, geld krijgt. Verdachte zal het geld bij zijn moeder leggen en die zal het naar Marokko sturen.

Na dit verhaal stemt [persoon 2] in met het werken als prostituee zodat verdachte en zij een gemakkelijker leven zullen krijgen. Daarna vertelt verdachte aan [persoon 2] hoe alles in het werk gaat. Daarna zijn op voorstel van verdachte foto's van het naakte lichaam van [persoon 2], soms met een string aan, gemaakt en op de internetsite [internetsite] gezet. [§ 3.2 pag. 33].

[persoon 4] verblijft in die periode ook regelmatig in de woning van verdachte. Het weekend daarna krijgt [persoon 2] een telefoon van verdachte. Op die telefoon zullen dan de klanten bellen. Als er iemand op die telefoon belt, moet [persoon 2] opnemen en een gesprek beginnen. Verdachte houdt alles bij over de klanten die [persoon 2] ontvangt. In dat weekend ontvangt [persoon 2] haar eerste klant. Terwijl [persoon 2] de klant ontvangt neemt verdachte haar werktelefoon en de computer mee zodat er gewoon klanten kunnen blijven bellen en kunnen worden ingepland [§ 3.2 pag. 34]. Het geld wat zij krijgt, moet zij direct aan verdachte geven. Die dag heeft [persoon 2] vijf tot zes klanten. Verdachte zou het verdiende geld sparen. [persoon 2] rookt zich de hele dag stoned [§ 3.2 pag. 35].

De volgende ochtend vroeg belt er weer een klant. Verdachte draagt [persoon 2] op zich voor die klant klaar te maken. Als [persoon 2] dat weigert gooit verdachte de afstandsbediening naar haar hoofd. [persoon 2] weet die afstandsbediening net te ontwijken. Als zij weigert de kapot gevallen afstandsbediening op te rapen, springt verdachte op en slaat hij [persoon 2] met de knokkels van zijn vuist, boven op haar hoofd. Later doet verdachte dit dagelijks. [persoon 2] huilt en heeft pijn. Verdachte dreigt dan dat hij haar nogmaals zal slaan als zij de stukjes van de afstandsbediening niet opraapt. Daarna raapt [persoon 2] de stukjes op. [persoon 4] is van dit voorval getuige.

[persoon 2] blijft ongeveer drie weken in het huis in Gestel [= Eindhoven]. Verdachte heeft tegen [persoon 2] gezegd dat zij moet aangeven wanneer zij niet meer wil werken, maar in de praktijk blijkt dit anders te zijn. Verdachte trekt [persoon 2] uit bed. Soms schopt verdachte haar uit bed. Als [persoon 2] zegt dat zij moe is en niet wil werken, krijgt zij een pak rammel van verdachte. Hij slaat haar dan weer met zijn vuist. Als verdachte merkt dat [persoon 2] de telefoon niet oppakt omdat zij te moe is, wordt verdachte agressief en slaat hij haar met de telefoon op haar hoofd. [persoon 2] moet zeven dagen per week van 08.00 uur in de ochtend tot 04.00 in de nacht uur werken.

Ondanks dit alles wil [persoon 2] haar relatie met verdachte niet opgeven. Zij kan voor haar gevoel nergens anders naar toe. Verdachte wordt steeds agressiever en soms kan [persoon 2] niet slapen door de bulten op haar hoofd en van de pijn. Door de klappen die zij van verdachte krijgt, loopt zij een beschadiging aan haar linkeroor op [§ 3.2 pag. 36].

In het huis in Gestel ontvangt [persoon 2] 6 of 7 klanten per dag. Op één bepaalde dag verdient [persoon 2] € 1.000,--. Verdachte beloont haar daarvoor door een tatoeage met zijn voornaam in haar nek te betalen. Daaruit blijkt volgens verdachte dat [persoon 2] echt van hem is en zij voor altijd bij elkaar blijven. Nadat de tatoeage is geplaatst, zegt verdachte tegen [persoon 2] dat de mensen die de tatoeage zien, weten dat hij haar pooier is.

[persoon 2] mag het huis in Gestel van verdachte niet verlaten. Als zij dat toch een keer doet, samen met [persoon 4], belt verdachte direct woedend naar [persoon 2] en hij begint door de telefoon te schreeuwen en zegt dat hij hen wel zal vinden. Ook doet hij lief aan de telefoon dat alles anders zal worden en dat zij al zoveel hebben gespaard. [persoon 2] is bang dat verdachte de door hem geuite bedreigingen waar zal maken en zij wacht op verdachte. Als zij bij verdachte in de auto stapt krijg zij een klap van hem [§ 3.2 pag. 37].

Begin december 2010 gaan [persoon 4], [persoon 2] en verdachte in de flat op de [adres 1] te Helmond wonen. Verdachte wil dat er nog meer klanten komen en hij zet foto's van [persoon 2] op meer sekssites. Omdat klanten vaak de vraag stellen om het zonder condoom te doen, moet [persoon 2] dat ook van verdachte gaan doen omdat dit meer oplevert. [persoon 2] wil dat niet, maar als zij dat tegen verdachte zegt, slaat hij haar de hele kamer door. Hij slaat haar dan met de knokkels van zijn vuist op haar hoofd, dat kunnen de mensen niet zien. Als verdachte heel boos is schopt hij [persoon 2] ook tegen haar benen. [persoon 2] mag ook in Helmond niet naar buiten. [persoon 1] is hier getuige van. Volgens [persoon 2] is verdachte alleen in geld geïnteresseerd, het maakt verdachte niet uit hoe dat geld er komt [§ 3.2 pag. 38].

Nadat zij twee weken op de [adres 1] wonen, wil [persoon 2] niet meer met verdachte naar bed, zij haat hem. Verdachte heeft haar gevoel dan helemaal kapot gemaakt. In het begin is het best druk met klanten op de [adres 1] te Helmond. [persoon 2] krijgt lingerie en een ochtendjas van verdachte zodat zij voor een nieuwe klant alleen maar haar ochtendjas uit hoeft te doen. Later hoeft zij onder de ochtendjas ook geen lingerie meer te dragen omdat het zo druk is met klanten. De klanten kunnen komen tussen 08.00 uur en 05.00 uur. [persoon 2] denkt dat zij gemiddeld € 600,-- per dag heeft verdiend. [persoon 2] werkt zeven dagen per week [§ 3.2 pag. 39].

[persoon 2] krijgt van verdachte een lijst met huishoudelijke opdrachten die zij moet uitvoeren. Verdachte wil als een koning worden behandeld. Als [persoon 2] dat niet doet, is zij bang dat zij klappen krijgt. Het enige dat [persoon 2] van verdachte krijgt, is weed. [persoon 2] blowt zoveel dat zij de hele dag door stoned is. Dat doet zij omdat zij niks wil voelen, het blowen helpt daarbij.

Op den duur mishandelt verdachte [persoon 2] dagelijks. Zij krijgt elke dag klappen om de kleinste dingen. [persoon 4] was er bijna altijd bij. [persoon 2] moet verdachte elke dag pijpen. Als zij dat niet doet, kreeg zij klappen. [persoon 2] is bang om van verdachte weg te lopen, zij wil dit wel, maar zij weet niet waar zij naar toe moet. Verdachte zegt ook tegen haar dat hij haar wel zal vinden. Verdachte belooft [persoon 2] dan nog steeds dat ze samen gelukkig zullen worden. [persoon 2] is intussen zo afhankelijk van verdachte dat zij blijft hopen dat het zal veranderen. Als [persoon 2] maar geen klappen krijgt is het goed, als verdachte een keer vriendelijk doet, is het goed. [persoon 2] hoopt dat verdachte ooit zal veranderen. Verdachte blijft maar zeggen dat hij [persoon 2] zal beschermen en dat alles goed zal komen. Op den duur weet [persoon 2] niet meer wat zij fout doet, want zij krijgt altijd klappen. Zij voelt zich zo alleen. [persoon 2] moet vaak overgeven van de stress door de wijze waarop verdachte haar behandelt. Verdachte vindt dat grappig. De werkwijze in Helmond was hetzelfde als in Gestel. Het geld van de klant gaat direct naar verdachte [§ 3.2 pag. 40].

Op een dag komt [persoon 1] in de flat aan de [adres 1] wonen. Verdachte neukt haar en [persoon 2] moet daarbij toekijken terwijl zij dat niet wil. Verdachte slaat [persoon 2] waar [persoon 1] bij is. Verdachte begint [persoon 2] daarna nog meer te vernederen, ook in tegenwoordigheid van [persoon 4] en [persoon 1]. Ook schopt verdachte [persoon 2] nog steeds [§ 3.2 pag. 41].

Verdachte bedreigt [persoon 2] dat hij haar met een kapot glas in haar gezicht zal bewerken als zij weg gaat en daarom durft [persoon 2] dat niet te doen. Omdat [persoon 2] de situatie zat is, loopt zij met een klant weg. Als verdachte haar dan opbelt en allemaal lieve dingen tegen [persoon 2] zegt, krijgt [persoon 2] hoop dat alles tussen verdachte en haar toch weer goed zal komen. [persoon 2] gaat dan naar verdachte terug. Direct als zij bij verdachte terug is, slaat hij haar zo hard dat [persoon 2] bijna van zichzelf gaat. Zij moet een mes uit de keuken pakken en verdachte wil de naam van de klant weten waarmee [persoon 2] is weggelopen. Verdachte pakt het mes van [persoon 2] af en zij denkt dat verdachte haar dood zal maken omdat verdachte met het mes naar haar gezicht komt. Verdachte raakt [persoon 2] echter niet met het mes aan. Verdachte zegt vervolgens tegen [persoon 2] "Stommeling, denk je nou echt dat ik verander".

Op een dag lopen [persoon 1] en [persoon 2] weg en zij zijn naar een vriendin van [persoon 1] gegaan. [persoon 2] gaat enkele dagen later weer naar de [adres 1], naar verdachte terug omdat verdachte zo lief tegen haar doet en omdat zij de wereld met hem kent [§ 3.2 pag. 42].

Vanaf november 2010 tot april 2011 is [persoon 2] samen met verdachte. In die tijd loopt zij vier of vijf keer weg, maar zij keert steeds om dezelfde reden naar verdachte terug. [persoon 2] woont zes tot acht weken op de [adres 1] in Helmond. Een tijdlang woont [persoon 2] daar alleen met verdachte. Dat vindt zij een fijne periode omdat zij verdachte voor zich alleen heeft en verdachte dan een beetje normaal doet.

Nadat de politie op de [adres 1] is geweest [[§ 3.1 pag. 144 = 13 januari 2011] huren [persoon 2] en verdachte een kamer boven een shoarmazaak in Helmond. Vanaf dat moment moet [persoon 2] van verdachte voor een escortbureau werken. Zij doet dat omdat zij bang is anders een pak slaag van verdachte te krijgen [§ 3.2 pag.43].

Na een week verhuizen [persoon 2] en verdachte naar een vriendin van verdachte in Etten-Leur

[= [getuige 1]]. Ook vanuit Etten-Leur werkt [persoon 2] voor het escortbureau. Zij heeft ongeveer 3 1/2 week voor dat bureau gewerkt. [persoon 2] werkt zeven dagen per week en heeft drie of vier klanten per dag. Al het verdiende geld geeft zij, zoals gewoonlijk, aan verdachte. Het slaan gaat in die periode gewoon door. [persoon 2] moet verdachte ook elke keer bellen als zij bij een klant naar binnen gaat en naar buiten komt. [persoon 2] is zo bang voor de klappen van verdachte dat zij steeds eerlijk vertelt wat zij verdient. Verdachte vraagt daar ook elke keer naar.

Na de periode in Etten-Leur verhuizen [persoon 2] en verdachte naar Tilburg. Ook daar werkt [persoon 2] voor diverse escortbureau's [§ 3.2 pag. 44]. Ook daar werkt zij zeven dagen per week en zij heeft ongeveer vier klanten per dag [§ 3.2 pag. 46]. Na het verblijf in Tilburg trekken [persoon 2] en verdachte in bij een klant van [persoon 2]. Hij woont in Molenschot. Daar wonen zij 2 1/2 week. Inmiddels is het begin april 2011. Daarna brengt verdachte [persoon 2] naar een meisje in Tilburg. Daar blijven zij twee weken.

[persoon 2] begint steeds meer "nee" tegen verdachte te zeggen en zij wil haar geld niet meer afgeven. Als [persoon 2] dan slaapt, pakt verdachte het geld van haar af of zij krijgt klappen als zij het geld niet geeft. In die periode leert [persoon 2] een klant kennen, die later haar vriend wordt. Zij bezoekt die klant met goedvinden van verdachte, zolang de klant maar betaalt. Deze klant regelt een flat voor [persoon 2]. Daar is zij alleen gaan wonen [§ 3.2 pag. 48]. Als deze klant merkt dat [persoon 2] vaak door verdachte wordt gebeld, vertelt [persoon 2] hem alles. Verdachte blijft haar maar bellen. Na drie dagen gaat [persoon 2] toch naar verdachte terug omdat zij erg afhankelijk van hem is en omdat verdachte zegt dat hij haar toch wel vindt. Als [persoon 2] weer bij verdachte is, is het helemaal raak. Zij krijgt een klap van verdachte en [persoon 2] moet seks met hem hebben. Zij moet verdachte elke dag pijpen, ook als [persoon 2] dat niet wil.

De klant blijft [persoon 2] bellen. Verdachte zegt op een bepaald moment tegen hem dat [persoon 2] een schuld van € 3.000,-- bij hem heeft en dat hij [persoon 2] met rust laat als de klant hem dat bedrag betaalt. De klant betaalt dat bedrag. Verdachte zegt dan tegen [persoon 2] dat zij geluk heeft dat iemand dit voor haar doet zodat zij opnieuw kan beginnen. [persoon 2] voelt zich op dat moment "als een pakje boter dat verkocht wordt". Dan pas beseft [persoon 2] dat verdachte niets voor haar voelt. Zij gaat niet meer naar verdachte terug. Op 28 april 2011 stopt [persoon 2] met haar werkzaamheden als prostituee.

Twee weken lang valt verdachte [persoon 2], haar vriend en haar familie lastig [§ 3.2 pag. 49]. Dan komt verdachte vast te zitten. [persoon 2] is nog heel lang geestelijk bezig geweest om van verdachte los te komen. Als zij aan de tijd met verdachte denkt, rilt zij nog steeds en krijgt zij een brok in haar maag. Elke dag is het geld wat [persoon 2] aan verdachte geeft op. Zij heeft niets van het door haar verdiende geld gehad, alleen weed en sigaretten. Verdachte wilde het geld voor een gezamenlijke toekomst met [persoon 2] vertelde hij haar altijd. Hij zou het sparen. Achteraf is gebleken dat verdachte alles heeft opgemaakt [§ 3.2 pag. 50]

De aangifte van[persoon 2] wordt ondersteund door de verklaringen van diverse getuigen.

[persoon 4] bevestigt de verklaring van [persoon 2] dat [persoon 2] voor verdachte in de prostitutie werkt in de woning gelegen aan de [adres 2] in Eindhoven en de flat aan de [adres 1] in Helmond, dat [persoon 2] het door haar verdiende geld aan verdachte moet afgeven en dat [persoon 2] door verdachte wordt bedreigd en mishandeld. [persoon 4] is erbij aanwezig als verdachte de advertentie van [persoon 2] op [internetsite] plaatst. Zij ziet ook dat [persoon 2] door verdachte wordt geslagen, geschopt en aan de haren wordt getrokken. Tevens ziet zij op een dag dat de naam van verdachte in de nek van [persoon 2] is getatoeëerd [§ 3.2 pag. 134 t/m 137, 141, 144, 147, 149, 154, 155, 156, 158, 160].

[persoon 1] bevestigt de verklaring van [persoon 2] voor zover die ziet op de gebeurtenissen die zich in de flat gelegen aan de [adres 1] te Helmond hebben afgespeeld. [persoon 1] verklaart dat zij op 28 december 2010 in de flat is komen wonen, dat zij daar ongeveer twee weken heeft verbleven en dat [persoon 2] daar in die periode ook is. [persoon 2] werkt in die periode als prostituee. Zij mag van verdachte de flat niet verlaten. [persoon 2] moet klanten ontvangen omdat er geld binnen moet komen. [persoon 1] ziet dat [persoon 2] telkens haar verdiende geld aan verdachte geeft. [persoon 1] ziet en hoort ook dat er veel ruzie tussen [persoon 2] en verdachte is en zij ziet dat verdachte [persoon 2] dan slaat en schopt [§ 3.2 pag. 96, 97, 98, 101, 102].

[persoon 5] bevestigt de verklaring van [persoon 2] voor zover die ziet op de periode dat [persoon 2] in Tilburg voor escortbureau's werkt. In december 2010 ontmoet [persoon 5] [persoon 2] in de woning in Helmond. [persoon 2] werkt dan voor verdachte. Later ontmoet [persoon 5] [persoon 2] weer in Tilburg. [persoon 5] gaat dan voor hetzelfde escortbureau werken waarvoor [persoon 2] al werkt. [persoon 2] werkt heel veel. Het geld wat zij daarmee verdient moet zij aan verdachte geven. [persoon 5] ziet heel vaak dat verdachte [persoon 2] slaat. Verdachte slaat [persoon 2] om de raarste dingen. [persoon 5] hoort dat verdachte tegen [persoon 2] zegt "kom je bed uit, je moet werken". Als [persoon 2] dat niet doet ziet [persoon 5] dat verdachte helemaal door het lint gaat en dat hij [persoon 2] slaat en schopt en dat het lichaam van [persoon 2] bont en blauw is. [persoon 2] is echter zo verliefd op verdachte dat ze tegen [persoon 5] vertelt dat het haar keuze is bij verdachte te blijven [§ 3.2 pag. 234, 235, 236].

De getuige [getuige 4], eigenaar van een escortbureau in Eindhoven, verklaart dat [persoon 2] van 17 januari 2011 tot en met 29 januari 2011 voor dit bureau heeft gewerkt. Zij wordt door chauffeurs van dit bureau op een adres aan de [adres 3] in Helmond opgehaald. Opvallend was dat [persoon 2] altijd beschikbaar was, zo'n 24 uur per dag. [§ 3.2 pag. 312, 313].

De getuige [getuige 5], eigenaar van een van de escortbureau's waarvoor [persoon 2] in Tilburg heeft gewerkt, verklaart dat [persoon 2] veel heeft gewerkt en dat zij altijd oproepbaar was. [getuige 5] brengt [persoon 2] heel vaak naar afspraken. Verdachte is alles voor [persoon 2]. [getuige 5] ziet dat [persoon 2] een tatoeage met de naam van verdachte in haar nek en op een van haar vingers heeft. Hij verklaart ook dat het vaak gebeurt dat [persoon 2], nadat ze enkele klanten heeft gehad, door verdachte wordt gebeld dat ze het geld naar verdachte moet komen brengen. [getuige 5] krijgt gaandeweg steeds meer het gevoel dat [persoon 2] voor verdachte moet werken. Hij ziet een keer een blauw oog bij [persoon 2]. [persoon 2] zegt hem dan dat dit het gevolg is van een ruzie met verdachte [§ 3.2 pag. 285, 286].

Ook de getuigen [getuige 1] [§ 3.2 pag. 260], [getuige 2] [§ 3.2 pag. 276, 277] en [getuige 3] [verklaring aan rechter-commissaris op 29 januari 2013], bevestigen op onderdelen de door [persoon 2] gedane aangifte. Zij ontlenen hun wetenschap aan hetgeen [persoon 2] aan hen heeft verteld.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit

=======================================

Op verschillende dagen in de periode van 27 september 2011 tot en met 22 maart 2012 doet [persoon 3] [hierna te noemen bij haar roepnaam] aangifte dat zij in de periode van 18 augustus 2010 tot en met 15 september 2010, door toedoen van verdachte in de prostitutie werkzaam is geweest. Nadat zij met die werkzaamheden is begonnen, dwingt verdachte haar daarmee door te gaan, eigent hij zich al het geld toe dat [persoon 3] daarmee verdient en besteedt dat voor zichzelf [§ 3.3 pag. 32 t/m 79].

Meer in het bijzonder houdt de verklaring van [persoon 3] zakelijk weergegeven onder meer het navolgende in.

Op de dag van de WK-wedstrijd Nederland Spanje [§ 3.3 pag. 30 noot verbalisant: is 11 juli 2010] ontmoet [persoon 3] verdachte. Zij hebben gemeenschap met elkaar waarbij verdachte [persoon 3] slaat en uitscheldt. Verdachte kleineert [persoon 3] maar hij zegt ook dat zij alles van hem kan krijgen als [persoon 3] maar op verdachte wacht. Ook zegt hij dat [persoon 3] de vrouw van zijn kinderen kan worden. [persoon 3] is altijd al op zoek naar zoiets, dat is wat zij wil. Verdachte zegt dan alle dingen die [persoon 3] altijd al heeft willen horen. Zij begint dan te denken dat zij verdachte wel leuk vindt en dat hij haar de dingen kan geven die zij zo graag wil. Ook vertelt verdachte dat hij verliefd op [persoon 3] is. Daarna keert verdachte terug naar de gevangenis [§ 3.3 pag. 32, 33].

Op een dag belt verdachte [persoon 3] op. Die dag gaat [persoon 3] met verdachte mee naar de flat aan de [adres 2] in Eindhoven waar verdachte op dat moment woont. Haar grote angst is alleen te zijn. Zij doet alles om dat uit de weg te gaan [§ 3.3 pag. 44]. In de flat aan de [adres 2] heeft [persoon 3] die avond een diepgaand gesprek met verdachte. [persoon 3] vertelt verdachte over haar verleden in de prostitutie. Verdachte op zijn beurt vertelt [persoon 3] dat hij om haar uit de gevangenis is weggelopen en dat hij verliefd op haar is. Verdachte vertelt [persoon 3] dat zij "ramen had moeten doen" en niet in clubs had moeten werken. Verdachte zegt dat zij achter het raam duizenden euro's per dag kunnen verdienen. Hij vertelt [persoon 3] die nacht dat hij wijven, hoeren, heeft gehad en dat hij weet hoe het raamwerk werkt [§ 3.3 pag. 45].

Verdachte praat [persoon 3] ook een schuldgevoel aan. Hij vertelt dat hij kinderen met haar wil. [persoon 3] wist ergens wel dat het allemaal niet waar was, maar zij wilde zo graag aandacht. Die nacht hebben zij gemeenschap gehad. Verdachte was erg lief voor [persoon 3]. De volgende dag vraagt verdachte aan [persoon 3] of zij het "achter het raam" wil proberen. [persoon 3] stemt daarmee in. Vervolgens maakt verdachte een plan voor haar. Hij vertelt [persoon 3] "drie dagen hard werken, volop achter het raam klappen en dan naaien we er uit". Verdachte zweert aan [persoon 3] dat zij het geld dat zij verdient, mag houden. Door alle praatjes van verdachte denkt [persoon 3] dat er eindelijk iemand is die van haar houdt en dat zij binnenkort samen een dik huis zullen hebben. Verdachte zegt alles wat [persoon 3] wil horen.

De eerste dag willen zij naar Amsterdam gaan. Verdachte heeft echter geen auto en daarom gaan [persoon 3] en verdachte naar [medeverdachte]. Verdachte legt de situatie aan [medeverdachte] uit en zegt tegen hem, waar [persoon 3] bij is, dat zij al haar geld zal gaan houden. Later die middag pakt [persoon 3] haar spullen en rijden zij naar Amsterdam. Kermis Hilaria in Eindhoven is dan net geweest [gehouden van 30 juli 2010 tot en met 8 augustus 2010 - bron: [website]. Die eerste dag brengt [medeverdachte] [persoon 3] en verdachte naar Amsterdam [§ 3.3 pag. 46].

[persoon 3] werkt die dag niet [§ 3.3 pag. 47]. De volgende dag gaan [persoon 3], [medeverdachte] en verdachte terug naar Amsterdam en gaat [persoon 3] "achter het raam" werken. Terwijl zij aan het werk is, lopen verdachte en [medeverdachte] telkens voorbij, dat vindt [persoon 3] bedreigend. Als [persoon 3] klaar is met werken komt verdachte op haar kamer. Hij zegt dat [persoon 3] het verdiende geld moet houden. [persoon 3] is blij dat zij eindelijk iemand heeft gevonden die zegt dat zij het geld niet af hoeft te geven. Onderweg terug naar Eindhoven ontstaat er ruzie tussen [medeverdachte] en [persoon 3] over het verdiende geld [§ 3.3 pag. 48].

De volgende dag ontstaat er slaande ruzie tussen [persoon 3] en [medeverdachte]. Verdachte springt daar tussen. Daardoor krijgt [persoon 3] weer het goede gevoel en het vertrouwen in verdachte. De volgende dag brengt [medeverdachte] verdachte en [persoon 3] weer naar Amsterdam. Daar geeft [persoon 3] de helft van haar eerder verdiende geld aan verdachte en gaat zij werken [§ 3.3 pag. 50].

De dag daarna gaat [persoon 3] weer werken. Die hele dag door schooit verdachte bij [persoon 3] om geld. Als [persoon 3] verdachte op het einde van de dag weer ontmoet is verdachte al het geld kwijt. Na drie dagen in Amsterdam te hebben gewerkt gaan [persoon 3] en verdachte op zijn voorstel naar Groningen om [persoon 3] daar te laten werken [§ 3.3 pag. 51].

Inmiddels is het september 2010. Op het station worden zij door een meisje genaamd [persoon 6], opgehaald [§ 3.3 pag. 52]. [persoon 3] en verdachte verblijven bij haar in de tijd dat [persoon 3] in

Groningen werkt. Nadat [persoon 3] in Groningen begint te werken verandert verdachte. Alle lievigheid is weg. De jongen die met [persoon 3] mee was gegaan, die haar handje had vastgehouden, die zei dat hij van haar hield, die zei dat ze samen kinderen zouden maken, dat zij zijn ware vrouw was en die zei dat [persoon 3] alles voor hem betekende, was weg [§ 3.3 pag. 53].

Verdachte maakt problemen als [persoon 3] het door haar verdiende geld niet aan hem wil geven. Hij eist alle verdiensten van [persoon 3] op, bepaalt haar werktijden en mishandelt haar als zij niet aan zijn wensen voldoet. Dan slaat hij haar in elkaar, of hij pakt haar bij de keel of hij geeft haar stompen in haar buik. [persoon 3] is elke dag aan het werk en verdachte verandert steeds meer, elke dag erger. De ene keer vraagt verdachte naar het geld, de andere keer geeft [persoon 3] het gewoon omdat zij geen zin in klappen heeft. Alleen als verdachte grote bedragen geld bij [persoon 3] kan ophalen, is hij nog blij. Verdachte gedraagt zich heel misselijk. Hij zegt dingen waardoor [persoon 3] zich heel klein voelt. In Groningen overweegt [persoon 3] serieus om zelfmoord te plegen. Maar altijd krijg verdachte bij [persoon 3] alles voor elkaar. Hij blijft haar uitschelden en vernederen waardoor [persoon 3] zich steeds minder voelt [§ 3.3 pag. 54].

[persoon 3] durft dan haar geld niet meer voor verdachte te verstoppen. Op een of andere manier heeft verdachte [persoon 3] psychisch ziek gemaakt. Ook is zij bang dat verdachte haar iets zal aan doen. Als [persoon 3] in Groningen weg had willen gaan, ermee ophouden, dan zou er een hoop heibel van zijn gekomen. Verdachte weet [persoon 3] op een bepaalde manier psychisch zo naar zich toe te trekken dat zij denkt dat zij toch niets is. Als verdachte vindt dat [persoon 3] iets fout doet, dan krijgt zij de volle laag van hem en soms gaat dat erg ver. Hij slaat haar dan van haar stoel af. [persoon 3] werkt in Groningen ongeveer twee weken aan een stuk door [§ 3.3 pag. 55].

In Groningen probeert verdachte [persoon 3] helemaal gek te maken. [persoon 3] krijgt klappen van hem. Seksueel doet hij tegen haar zin in dingen met haar. Dat doet hij heel vaak. Als het niet gaat zoals verdachte wil, zijn de poppen aan het dansen. Dan krijgen zij ruzie, of verdachte slaat [persoon 3] of hij laat niets meer weten, of hij gaat weg met haar geld. Als [persoon 3] op een dag van verdachte moet werken terwijl zij een keelontsteking en koorts heeft, heeft zij het met verdachte gehad en gaat zij met de trein naar Eindhoven. Onderweg belt verdachte haar op en hij begint op haar gevoel in te spelen. Verdachte zegt tegen [persoon 3] dat hij haar nooit zo had moeten behandelen en hij vraagt haar meerdere keren terug te komen [§ 3.3 pag. 56].

Inmiddels woont [persoon 3] weer in Eindhoven. Op een avond belt verdachte bij die woning aan. Verdachte praat op haar in en zij gelooft alle lieve woorden die hij tegen haar zegt. Verdachte blijft ook doorzeuren dat [persoon 3] weer moet gaan werken. Er wordt dan besloten dat [persoon 3] weer aan het werk gaat. De enige gedachte van verdachte is "zij moet weer aan het werk, zij moet weer geld verdienen". Elke ruzie die zij hebben gaat over het werk. Elke keer dat verdachte haar met een riem slaat, in een hoekje zet en in de buik schopt, draait om het werk [§ 3.3 pag. 57].

Op een gegeven moment brengt verdachte [persoon 3] naar [bedrijf 5] in Duitsland. Daar werkt [persoon 3] drie dagen. Als [persoon 3] na het werk in de auto stapt, vraagt verdachte meteen naar het geld. [persoon 3] geeft dat dan aan hem [§ 3.3 pag. 58].

Daarna gaat [persoon 3] weer bij haar vader wonen. Zij maakt dan een afspraak bij de Rutgerstichting in Eindhoven omdat zij denkt dat ze zwanger is [§ 3.3 pag. 64]. Die afspraak vindt op 13 september 2010 plaats [§ 3.3 proces-verbaal bevindingen, pag. 94]. Daarna ziet [persoon 3] verdachte tot het einde van het jaar niet meer [§ 3.3 pag. 79].

De getuige [getuige 6] verklaart dat zij weet dat verdachte meisjes voor zich laat werken als prostituee. Een van de meisjes was [persoon 3]. [persoon 3] heeft [getuige 6] verteld dat zij voor verdachte moest werken. [persoon 3] heeft haar wel eens verteld dat zij door [verdachte] met een riem werd geslagen en dat zij door hem aan een verwarmingsbuis was geketend [§ 3.3 pag. 235, 236].

[persoon 5] verklaart dat zij met [persoon 3], [medeverdachte] en verdachte naar Amsterdam is gereden. [persoon 3] en verdachte blijven in Amsterdam. [persoon 3] gaat daar op de Wallen werken. [persoon 5] heeft ook een keer een blauwe plek gezien op het been van [persoon 3]. [persoon 3] huilde toen en vertelde dat [verdachte] haar had geslagen. [§ 3.3 pag. 111 en 112].

De getuige [getuige 10] verklaart dat zij [persoon 3] en verdachte op het station in Groningen heeft opgehaald. Zij merkt dat er voortdurend een strijd tussen hen aan de gang is. [persoon 3] vertelt haar dat verdachte altijd het geld opmaakt waarvoor zij hard heeft gewerkt. Bij gesprekken via MSN vertelt verdachte aan [getuige 10] dat [persoon 3] voor hem in de prostitutie werkzaam is [§ 3.3 pag. 155, 156, 157].

De getuige [getuige 7] verhuurt kamers aan prostituees in Groningen. Hij kent [persoon 3] als [persoon 3]. Hij verhuurt op 20 augustus 2010 gedurende drie dagen een kamer aan haar. Van andere meisjes hoort hij dat er vaak een Marokkaan op de kamer slaapt. Bij haar vertrek laat [persoon 3] een tas met spullen achter [§ 3.3 pag. 134, 135, 139]. Die tas brengt [getuige 7] naar de politie gebracht. De politie stelt vast dat er in deze tas mannenkleding en een agenda en een verlofpas op naam van verdachte zit [pag. 143 proces-verbaal bevindingen].

Bij zijn verhoor door de politie bevestigt verdachte dat hij met [persoon 3] naar Groningen is gegaan, dat [persoon 3] in Groningen in de raamprostitutie heeft gewerkt, dat verdachte daar langs is gelopen terwijl zij aan het werk is, dat [persoon 3] naar verdachte belt als zij onderweg naar Eindhoven is en dat zij op verzoek van verdachte naar Groningen terug komt. Verdachte blijft na terugkeer in Eindhoven contact met [persoon 3] houden. Nadat [persoon 3] in Amsterdam gaat werken zoekt verdachte haar daar op [§ 02.1, pag. 512].

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit

=======================================

Op 18 april 2012 doet [persoon 4] aangifte dat zij in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 1 maart 2011, door toedoen van verdachte in de prostitutie werkzaam is geweest. Nadat zij met die werkzaamheden is begonnen, dwingt verdachte haar daarmee door te gaan, eigent hij zich al het geld toe wat [persoon 4] daarmee verdient en besteedt dat voor zichzelf [§ 3.4 pag. 16 t/m 46].

Meer in het bijzonder houdt de verklaring van [persoon 4] zakelijk weergegeven onder meer het navolgende in.

Eind september 2010 gaat [persoon 4] met een vriendin na een feestje naar de woning gelegen aan de [adres 2] in Eindhoven. In die woning leert [persoon 4] verdachte kennen. Het contact blijft in stand en enkele weken daarna ontstaat een relatie tussen [persoon 4] en verdachte [§ 3.4 pag. 18]. [persoon 4] is dan verliefd op verdachte. Na anderhalve maand verandert hun relatie. Tussen [persoon 4] en verdachte ontstaat ruzie over geld. Verdachte heeft geen geld, maar wel lasten. [persoon 4] werkt dan nog als planner bij een bedrijf [§ 3.4 pag. 19].

Al vrij snel na aanvang van de relatie ontstaan er geldproblemen. Deze worden vooral veroorzaakt omdat verdachte met de telefoon van [persoon 4] heel veel naar gok- en sekslijnen belt. Als [persoon 4] dat merkt, zet zij een code op haar telefoon. Als verdachte dit merkt, wordt hij boos, pakt hij [persoon 4] hard vast en hij knijpt haar. Daarvan schrikt [persoon 4] en zij is bang voor verdachte. Uit angst voor verdachte verwijdert [persoon 4] die blokkering weer [§ 3.4 pag. 20].

In die tijd wordt [persoon 4] een telefonische aanbieding voor een telefoonabonnement gedaan. Verdachte is dan ook aanwezig. [persoon 4] sluit dat abonnement af omdat zij voelt dat zij daar niet onderuit kan door het gedrag van verdachte. Op aandringen van verdachte sluit [persoon 4] ook voor zichzelf een nieuw abonnement af zonder dat [persoon 4] zicht heeft op de financiële gevolgen daarvan. Enkele weken nadat [persoon 4] die abonnementen heeft afgesloten krijgt zij de rekening van haar oude telefoon binnen, die is tussen € 1.200,-- en € 1.400,--. Uit het rekeningoverzicht blijkt dat verdachte die kosten heeft veroorzaakt. Als [persoon 4] verdachte hierop aanspreekt, wordt hij boos op haar. [persoon 4] is nog steeds verliefd op verdachte. Ze is gek op hem [§ 3.4 pag. 21].

In diezelfde periode gaat [persoon 4] met een vriendin, zonder verdachte, uit. Na het uitgaan is zij door jongens in de buurt van de woning van de [adres 2] in Eindhoven afgezet. Als [persoon 4] dat tegen verdachte vertelt, wordt hij boos en slaat hij [persoon 4] hard met de vlakke hand in het gezicht. Dat is de eerste keer dat verdachte [persoon 4] slaat.

Eind oktober 2010 raakt [persoon 4] haar baan en dus ook haar inkomsten kwijt. Verdachte weet dat. Er gaat alleen maar geld uit. Deze levenswijze houden [persoon 4] en verdachte niet lang vol. Op enig moment maakt verdachte de opmerking dat [persoon 4] door seks met mannen te hebben, veel geld kan verdienen. Dat is een algemene opmerking, met het doel hen te helpen. Na deze opmerking van verdachte zegt [persoon 4] dat zij dat niet wil gaan doen.

Op een gegeven moment is al het geld op. Ze kunnen geen boodschappen doen en niet meer bellen. De telefoonkosten worden nog wel van de rekening van [persoon 4] afgeschreven [§ 3.4 pag.22]. [persoon 4] haalt geld van haar spaarrekening om hun levensonderhoud en telefoonkosten te kunnen betalen.

Op enig moment heeft verdachte de bankpas van [persoon 4] in zijn bezit gekregen. Daarmee neemt hij geld op van de rekening van [persoon 4] zonder haar toestemming. Ook maakt verdachte geld van de rekening van [persoon 4] over om te kunnen gokken. Als [persoon 4] hem daarop aanspreekt en zegt dat zij het geld voor andere dingen, zoals de huishouding, nodig hebben, vindt verdachte dat hij haar geld wel nodig heeft en interesseert het hem niet wat [persoon 4] daarvan vindt, ook al is het haar geld. Na enige tijd zijn de rekeningen van [persoon 4] leeg, voornamelijk omdat verdachte daar over kon beschikken.

Na de opmerking van verdachte dat [persoon 4] wel veel geld kon verdienen door seks te hebben met mannen, haalt zij geld van haar spaarrekening omdat zij geen seks met mannen tegen betaling wil hebben. Dat zegt [persoon 4] ook tegen verdachte. Geld van de spaarrekening halen is voor [persoon 4] een noodsprong om niet te gaan werken zoals verdachte voorstelt [§ 3.4 pag. 23].

Verdachte heeft vanaf het begin een zekere mate van controle over [persoon 4]. Op een bepaald moment, medio november 2010, beseft [persoon 4] dat zij geld nodig hebben. Verdachte vraagt haar dan of zij wil gaan werken door seks te hebben met mannen. Ze moeten gewoon geld hebben. Verdachte overtuigt [persoon 4] daarin toe te stemmen. [persoon 4] wil dat eigenlijk niet maar zij voelt dat dit de enige manier is om snel geld te hebben. Bovendien spreekt [persoon 4] met verdachte af dat het maar voor een korte periode is. Verdachte zegt ook dat [persoon 4] kan stoppen met die werkzaamheden zodra zij dat wil.

[persoon 4] heeft geen idee hoe zij zoiets aan moet pakken, verdachte wel. Hij schaft een prepaidtelefoon aan en plaatst seksadvertenties van [persoon 4] op internet buiten haar om. De eerste keer dat de prepaidtelefoon overgaat, is verdachte aanwezig. [persoon 4] neemt de telefoon op, verdachte geeft haar tijdens het gesprek aanwijzingen. Het is [persoon 4] dan duidelijk dat zij met haar eerste klant spreekt. Zij is daar helemaal niet op voorbereid. Nadat [persoon 4] de telefoon neerlegt, krijgt zij van verdachte aanwijzingen hoe zij verder moet handelen. Verdachte zegt dat als de man binnen komt, [persoon 4] direct het geld aan de klant moet vragen en dat zij vervolgens het geld direct aan hem moet geven. Met het geld wat [persoon 4] zo verdient, kunnen [persoon 4] en verdachte hun huishouding en andere kosten betalen. Verdachte vertelt aan [persoon 4] welke bedragen zij voor welke handelingen moet vragen [§ 3.4 pag. 24].

De eerste klanten ontvangt [persoon 4] in het pand aan de [adres 2] in Eindhoven. Nadat de eerste klant weg is, zegt [persoon 4] tegen verdachte dat zij dit niet wil en dat zij zich daar niet prettig bij voelt. De eerste keer dat de telefoon overgaat nadat de eerste klant weg is, neemt [persoon 4] niet op. Verdachte is het daarmee niet eens, want elke telefoontje is geld. Verdachte blijft daarna dwang op [persoon 4] uitoefenen om de telefoon op te nemen. De tweede dag is het makkelijker. [persoon 4] heeft vier of vijf klanten. Na de eerste klant heeft [persoon 4] ongeveer een week gewerkt [§ 3.4 pag. 25].

Na die week gaat [persoon 4] een week naar haar ouderlijke woning gegaan om in het gezin te helpen. [persoon 4] blijft daar een dag of vijf. Als zij verdachte aan de telefoon heeft, stelt die zich erg controlerend op. In die week probeert [persoon 4] werk te krijgen omdat zij wil voorkomen dat zij daarna weer seks voor geld moet hebben. Dat is in december 2010. Na ongeveer een week bij haar ouders te zijn geweest, gaat [persoon 4] terug naar de [adres 2] in Eindhoven, naar verdachte. Dan ontmoet zij ook [persoon 2] [§ 3.4 pag. 26]. In de dagen daarna merkt [persoon 4] dat [persoon 2] de prepaidtelefoon opneemt en dat ook [persoon 2] seks met mannen voor geld heeft [§ 3.4 pag. 27].

Iedere keer als het tussen [persoon 4], [persoon 2] en verdachte over geld gaat, ontstaat er een grote discussie die vaak overgaat in ruzie. [persoon 4] en [persoon 2] hebben dan enkele dagen gewerkt en meerdere klanten ontvangen voor geld. Als zij dan naar de stad willen, zegt verdachte dat er geen geld is, terwijl [persoon 4] en [persoon 2] weten dat zij veel hebben verdiend. Verdachte wil niet zeggen waar hij het geld aan uitgeeft. Als verdachte niet thuis is werken [persoon 4] en [persoon 2] soms door. Verdachte belt namelijk heel vaak om te vragen hoeveel klanten zij hebben gehad en wat er nog aan klanten komt, zodat hij weet hoeveel geld hij bij [persoon 4] en [persoon 2] nog in ontvangst kan nemen. Het interesseert verdachte niet hoe het met [persoon 4] en [persoon 2] gaat, het gaat hem alleen maar om het geld.

In het begin dat [persoon 4] met verdachte is, is het geld voor hen samen. Als [persoon 2] er bij komt, verandert de relatie tussen [persoon 4] en verdachte. Het is dan zo dat [persoon 4] alleen voor verdachte werkt. Verdachte belooft aanvankelijk dat [persoon 4] elke week geld krijgt, maar die afspraak komt hij niet na. [persoon 4] blijft afhankelijk van verdachte. [persoon 4] werkt en verdachte doet niets, alleen het geld opmaken. Dit vindt allemaal plaats in de woning aan de [adres 2] in Eindhoven [§ 3.4 pag. 28].

Na een tijdje zijn [persoon 4] en [persoon 2] het beu dagelijks aan verdachte te moeten vragen waar hun geld is. Drie weken nadat zij begonnen zijn met werken, lopen zij weg uit het pand aan de [adres 2] naar de woning van de ouders van [persoon 4]. Onderweg ontvangt [persoon 4] diverse sms-en en telefoontjes van verdachte. Daarop reageert zij niet, tot er een sms van verdachte komt "1-0 voor jullie, jullie komen er nog wel achter, [persoon 4] ik weet jou moeder te wonen". [persoon 4] is bang dat verdachte haar moeder iets zal aandoen. Ook dreigt verdachte dat hij de moeder van [persoon 4] zal vertellen van haar werkzaamheden in de prostitutie. Daarom neemt [persoon 4] het volgende telefoontje van verdachte aan. Omdat verdachte belooft beter voor [persoon 4] en [persoon 2] te zorgen gaan zij naar hem terug [§ 3.4 pag. 29].

In december 2010, net voor Kerst, gaan [persoon 4], [persoon 2] en verdachte in de [adres 1] in Helmond wonen. [persoon 4] werkt inmiddels bij [werkgever] . Zij beschouwt zich nog steeds als de vriendin van verdachte [§ 3.4 pag. 31]. In de eerste week dat [persoon 4] bij [werkgever] werkt, confronteert verdachte [persoon 4] met het contact dat [persoon 4], tegen de wens van verdachte in, met een andere jongen, genaamd [persoon 7] heeft. Verdachte geeft [persoon 4] dan een harde vuistslag tegen de zijkant van haar gezicht. [persoon 4] verlaat de flat. Onderweg belt verdachte haar op. Onder druk van het dreigement van verdachte dat hij alles aan de ouders van [persoon 4] zal vertellen gaat zij naar hem terug.

Diezelfde nacht sleurt verdachte [persoon 4] en [persoon 2] onverwacht uit bed. Verdachte confronteert [persoon 4] met de msn-gesprekken die zij met [persoon 7] heeft gevoerd. [persoon 2] moet die gesprekken voorlezen [§ 3.4 pag. 32]. Verdachte zit dan naast [persoon 4] op de bank een sigaret te roken. Telkens als [persoon 2] iets voorleest wat verdachte niet zint, drukt hij de brandende sigaret op de rechterbovenarm van [persoon 4]. Verdachte doet dat meerdere malen op meerdere plaatsen op haar bovenarm. Verdachte drukt op die wijze 7 of 8 keer met die sigaret op de arm van [persoon 4]. [persoon 4] is op dat moment emotieloos en voelt niet veel van de sigaret. Verdachte merkt dat en hij slaat met gebalde vuist vol op het linkeroor van [persoon 4]. Hij slaat erg hard. Later is dat oor en de schedel achter het oor, blauw verkleurd [§ 3.4 pag. 33].

De volgende ochtend ziet [persoon 4] op meerdere plaatsen op haar rechterarm blaasjes op de huid van de sigaret. Daar zit vocht in als bij een blaar. Deze wondjes genezen later. Dit voorval vindt op de donderdag voor de Kerst van 2010 plaats. [persoon 4] blijft de dagen daarna in de [adres 1]. Door het letsel kan [persoon 4] niet naar huis of naar haar werk omdat [persoon 4] de buitenwereld niet wil laten weten dat zij door verdachte is mishandeld. In de tijd kort na de mishandeling heeft [persoon 4] nog sporadisch voor verdachte gewerkt. Het betreft klanten die speciaal naar haar vragen [§ 3.4 pag. 35]. In de tijd dat zij bij [werkgever] werkte, had zij met verdachte afgesproken dat zij met het prostitutiewerk zou stoppen. Verdachte had daarmee ingestemd.

Verdachte belt de hele dag door om te vragen of er klanten zijn geweest en wat er al is verdiend. Als verdachte in de woning aan de [adres 1] komt en hij vindt dat er te weinig is verdiend, dan vallen er klappen naar [persoon 4] en [persoon 2]. Verdachte slaat dan met zijn vuisten vooral achter op het hoofd. Verdachte slaat [persoon 4] zowel op de [adres 2] als op de [adres 1] [§ 3.4 pag. 36].

In de [adres 1] in Helmond is het toekomstbeeld van [persoon 4] over een relatie met verdachte grotendeels weg. [persoon 4] is echter nog steeds verliefd op verdachte en zij wil hem niet zo maar opgeven. [persoon 4] hoeft dan niet meer van verdachte in de prostitutie te werken. Net na de Kerst komt [persoon 1] ook in de flat aan de [adres 1] in Helmond wonen [§ 3.4 pag. 37]. Ook zij heeft daar seks met mannen voor geld [§ 3.4 pag. 38]. Als verdachte geld nodig heeft gaat de telefoon aan en moeten [persoon 4], [persoon 2] en [persoon 1] werken. Vanaf half februari 2011 verblijft [persoon 4] steeds minder op de [adres 1] in Helmond [§ 3.4 pag. 39].

Als [persoon 4] aan verdachte denkt, denkt zij aan het bedreigen, aan het slaan en aan de gedwongen seks met mannen die [persoon 4] voor hem moest hebben, aan het geld dat verdachte van [persoon 4] heeft afgepakt en aan de problemen met geld die zij nog steeds ondervindt omdat verdachte zoveel schulden op haar naam heeft gemaakt [§ 3.4 pag. 43].

De getuige [persoon 2] bevestigt de verklaring van [persoon 4]. [persoon 2] verklaart dat [persoon 4] als prostituee werkt en dat verdachte de werktijden en de tarieven bepaalt. Zij ziet dat [persoon 4] het daarmee verdiende geld aan verdachte moet geven. [persoon 2] heeft gezien dat [persoon 4] door verdachte, zowel in de woning aan de [adres 2] in Eindhoven en in de flat aan de [adres 1] in Helmond, diverse keren is geslagen en dat verdachte in de flat aan de [adres 1] in Helmond diverse keren een brandende sigaret op de arm van [persoon 4] heeft gedrukt [§ 3.4 pag. 159 t/m 164].

De getuige [persoon 1] verklaart dat zij met [persoon 4] en verdachte in de woning aan de [adres 1] in Helmond heeft gewoond, dat zij van [persoon 4] en verdachte heeft gehoord dat [persoon 4] in de prostitutie heeft gewerkt, dat [persoon 4] van verdachte haar spaarrekening leeg heeft moeten maken en dat verdachte [persoon 4] slaat. [persoon 1] heeft dat ook een keer gezien [§ 3.4 pag. 197, 214].

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde feit

========================================

Op 3 januari 2012 doet [persoon 5] aangifte dat zij in de periode van 2 januari 2011 tot en met 9 juli 2011, (mede) door toedoen van verdachte in de prostitutie werkzaam is geweest. Nadat zij met die werkzaamheden is begonnen, dwingt verdachte haar daarmee door te gaan, eigent hij zich al het geld toe dat [persoon 5] daarmee verdient en besteedt dat voor zichzelf [§ 3.5 pag. 27 t/m 39].

Meer in het bijzonder houdt de verklaring van [persoon 5] zakelijk weergegeven onder meer het navolgende in.

In juli 2010 leert [persoon 5] [medeverdachte] kennen. In december 2010 krijgt [persoon 5] weer contact met [medeverdachte]. Hij begint tegen haar te praten over werken in de prostitutie. Hij spreekt er over dat je daarmee veel geld kunt verdienen en een mooi leventje kunt hebben. [medeverdachte] heeft het daar bijna dagelijks over. [medeverdachte] vertelt [persoon 5] dat hij bezig is een kamer voor hen te zoeken om samen te wonen, maar dat er dan wel geld moet komen. [persoon 5] kan in de prostitutie gaan werken zodra zij 18 jaar oud is. De gesprekken voelen voor [persoon 5] aan alsof zij geen keuze heeft. Zij probeert het moment om naar [medeverdachte] te gaan uit te stellen. Omdat zij geen onderdak heeft, is zij daarvoor afhankelijk van [medeverdachte] [§ 3.3 pag. 28].

Nadat [persoon 5] 18 jaar oud wordt gaat zij terug naar [medeverdachte]. Omdat deze geen woonruimte heeft, brengen zij de nacht in zijn auto door. De volgende dag haalt verdachte [persoon 5] en [medeverdachte] op en zij gaan naar een hotel. Verdachte betaalt dat hotel maar zegt wel meteen dat [persoon 5] dat terug moet betalen. [medeverdachte] heeft geen geld en zegt dat verdachte er bij is om alles te regelen. [persoon 5] heeft dan een relatie met [medeverdachte] en het is haar duidelijk dat zij in de prostitutie moet gaan werken. Van verdachte moet [persoon 5] naar club [bedrijf 1] in Gilze Rijen bellen en vragen of zij daar kan komen werken. [persoon 5] doet dat omdat zij nergens anders naar toe kan. Het enige wat zij kan, is bij [medeverdachte] zijn. [persoon 5] heeft geen slaapplek, zij heeft niets. Verdachte regelt alles en [medeverdachte] laat dat gebeuren, hij weet ervan. De helft van het door [persoon 5] verdiende geld moet zij aan verdachte geven, [medeverdachte] zal de andere helft bewaren. In [bedrijf 1] wordt [persoon 5] om het uur door [medeverdachte] gebeld. Zij heeft daar van 19.00 uur tot 01.00 uur gewerkt. [medeverdachte] vraagt altijd hoeveel klanten [persoon 5] al heeft gehad als hij belt [§ 3.5 pag. 35].

Op 2 januari 2011 wordt [persoon 5] 18 jaar. Een week daarna gaat zij op het Baekelandplein in Eindhoven werken. [medeverdachte] komt met dat idee en [persoon 5] heeft geen geld. [medeverdachte] houdt [persoon 5] altijd in de gaten. Hij houdt het geld bij zich. Als [persoon 5] haar geld niet af wil geven doet [medeverdachte] moeilijk [§ 3.5 pag. 24].

[medeverdachte] geeft ook cocaïne aan [persoon 5]. Als [persoon 5] dat niet gebruikt, kan zij niet werken. [persoon 5] belt en smst [medeverdachte] en de anderen heel vaak met de vraag of ze haar willen komen halen en dat zij niet meer kan en wil werken. Dat wordt altijd weggewuifd door hen. [persoon 5] moet ook steeds eerder beginnen met werken. [medeverdachte] en verdachte brengen [persoon 5] altijd met de auto naar [bedrijf 1]. Zij hebben elke week een andere huurauto. Verdachte rijdt altijd. Het geld dat [persoon 5] bij [bedrijf 1] verdient, geeft zij allemaal aan [medeverdachte]. [persoon 5] heeft twee weken bij [bedrijf 1] gewerkt.

Een keer blijkt verdachte geen vervoer te hebben. Van [medeverdachte] moet [persoon 5] dan naar [bedrijf 2] in Tongelre [= Eindhoven]. [persoon 5] wil dat niet en zij gaan terug naar hotel Corso in Eindhoven. [medeverdachte] klaagt dan dat zij geen inkomsten hebben en hij geeft [persoon 5] een tik op haar arm. Daarna slaat hij haar steeds harder en dat deed pijn. Later was de hele arm van [persoon 5] blauw en haar wang ook [§ 3.5 pag. 32].

Op de dag dat [medeverdachte] wordt aangehouden, wordt [persoon 5] door verdachte bij [bedrijf 1] opgehaald en naar Tilburg gebracht. Daar ontmoet zij ook [persoon 2]. Verdachte regelt dat [persoon 5] bij een escortbureau in Tilburg gaat werken. Het geld dat zij daarmee verdient moet zij aan verdachte geven. [persoon 5] weet zeker dat als zij het geld niet uit eigen beweging geeft, verdachte boos wordt en het gewoon van haar afpakt. Dat is namelijk als eens eerder gebeurd. [persoon 5] werkt twee avonden in de escort in Tilburg [§ 3.5 pag. 33]. In Tilburg slaat verdachte [persoon 5] ook [§ 3.5 pag. 36].

Nadat [medeverdachte] is opgepakt, neemt verdachte [persoon 5] als het ware over. Omdat [persoon 5] niet in de escort kan en wil werken, moet zij van verdachte in de raamprostitutie in Nijmegen gaan werken. Daarbij is ook [persoon 4] aanwezig. Die avond werkt [persoon 5]. Van haar verdiende geld houdt zij wat achter. De volgende ochtend brengt verdachte haar naar Tilburg terug. De volgende ochtend wordt [persoon 5], buiten medeweten van verdachte om, op verzoek van [medeverdachte] door [medeverdachte] opgehaald [§ 3.5 pag. 33].

In juli 2011 komt [persoon 5] weer in contact met verdachte. [persoon 5] vraagt verdachte of hij iets voor haar kan regelen omdat zij geen geld heeft. [persoon 5] maakt met verdachte de afspraak dat zij naar Amsterdam gaan en dat [persoon 5] daar voor zichzelf gaat werken. Diezelfde avond werkt [persoon 5] in [bedrijf 3]. De volgende dag zegt verdachte dat [persoon 5] het verdiende geld aan hem moet geven. [persoon 5] weigert dit. Verdachte vraagt of hij het geld mag tellen. [persoon 5] geeft het geld aan verdachte en ziet dat hij het geld in zijn zak stopt. [persoon 5] vraagt het geld terug, maar verdachte weigert dit. Als [persoon 5] wegloopt, komt verdachte haar achterna. Hij houdt [persoon 5] tegen en zegt dat zij nu van hem is. Verdachte zegt tegen haar dat zij de grootste fout van haar leven heeft gemaakt om met hem mee te gaan. Die dag werkt [persoon 5] in Amsterdam achter het raam.

Vanuit Amsterdam vertrekken [persoon 5] en verdachte naar Rotterdam. Verdachte wil dat [persoon 5] seks met een andere man heeft. Als zij dat niet wil, krijgt zij behoorlijk wat klappen die pijn doen. [persoon 5] wil dan ook weg, maar mag dat niet [§ 3.5 pag. 35]. De volgende dag hoeft [persoon 5] niet te werken omdat zij zoveel blauwe plekken heeft. De dag daarna moet [persoon 5] naar [bedrijf 4] in Rotterdam om te gaan werken [§ 3.5 pag. 36]. Het daar verdiende geld heeft [persoon 5] afgegeven [§ 3.5 pag. 38].

Daarna gaat [persoon 5] terug naar haar ouders in Eindhoven. Zij vertelt hen gedeeltelijk wat er is gebeurd. In de dagen daarna valt verdachte [persoon 5] lastig. Als verdachte door de politie wordt aangehouden, stoppen alle bedreigingen en zo [§ 3.5 pag. 37]. Op 9 juli 2011 stopt [persoon 5] met het werken in de prostitutie [§ 3.5 pag. 25].

De getuige [persoon 2] bevestigt de verklaring van [persoon 5] over hetgeen in Tilburg is voorgevallen in de periode dat [persoon 2] en [persoon 5] voor escortbureau's werkzaam waren. [persoon 5] komt in februari 2011 bij haar in Tilburg wonen omdat haar vriend [medeverdachte] vast zit. [persoon 5] woont ongeveer een week bij [persoon 2] en verdachte in Tilburg. [persoon 2] ziet dan dat verdachte [persoon 5] slaat [§ 3.5 pag. 99, 100].

[persoon 4] en verdachte hebben [persoon 5] wel eens bij een seksclub in Gilze Rijen afgezet. In de periode dat [medeverdachte] vast zit, werkt [persoon 5] door. [persoon 4] en verdachte gaan met [persoon 5] naar Nijmegen, waar [persoon 5] achter het raam werkt. Daarna ziet [persoon 4] [persoon 5] niet meer [§ 3.5 pag. 213, 214].

De getuige [getuige 8], vader van [persoon 5], verklaart dat hij van [persoon 5] hoort dat zij van verdachte in de prostitutie moet werken, dat zij veel klappen van hem heeft gehad en dat hij, getuige [getuige 8] ziet dat een arm en een been van [persoon 5] onder de blauwe plekken zit. Hij verklaart ook dat [persoon 5] verslaafd zou zijn [§ 3.5 pag. 62 t/m 64].

De getuige [getuige 9], moeder van [persoon 5], verklaart dat zij van [persoon 5] hoort dat zij als prostituee voor [medeverdachte], [medeverdachte] en verdachte moet werken, dat [persoon 5] al haar verdiende geld aan deze personen moet geven, dat [persoon 5] in Rotterdam, Amsterdam en Eindhoven als prostituee heeft gewerkt en dat [persoon 5] van [medeverdachte] en verdachte cocaïne krijgt om haar werk te kunnen doen. Tevens verklaart de getuige dat zij van [persoon 5] heeft gehoord dat zij door [medeverdachte] en [medeverdachte] is mishandeld. De getuige ziet verschillende keren blauwe plekken op het lichaam van [persoon 5] [§ 3.5 pag. 65 t/m 69].

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde feit

=======================================

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank het onder 1 aan verdachte ten laste gelegde feit, dat verdachte [persoon 1] heeft bewogen tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden en het afgeven van het geld dat zij daarmee heeft verdiend aan verdachte. Op basis van de verklaring van [persoon 1] hebben verbalisanten berekend dat zij in de periode van 28 december 2010 tot en met 11 januari 2011, € 8.950,-- met haar werkzaamheden in de prostitutie heeft verdiend [§ 4.1 pag. 1366, 1367].

Over haar verdiensten en over de levenswijze van verdachte heeft [persoon 1] onder meer het navolgende verklaard.

Op 28 december 2010 ontmoet [persoon 1] verdachte, Zij blijft twee weken bij hem. Zij vertelt hem dat zij geldgebrek heeft. Verdachte biedt aan haar te helpen en hij geeft [persoon 1] geld. Zij ziet dat verdachte dit uit een stapeltje biljetten haalt dat uit zijn broekzak komt. Later, in de periode dat [persoon 1] bij verdachte verblijft, ziet zij hem vaak een stapeltje geld tellen. Verdachte neemt haar ook mee naar de woning in de [adres 1] in Helmond, in een gehuurde Mercedes. Later komt [persoon 1] er achter dat verdachte elke week van auto wisselt [§ 3.1 pag. 18].

Nadat [persoon 1] met haar werkzaamheden in de prostitutie is begonnen, pakt verdachte zodra hij thuiskomt het door [persoon 1] en [persoon 2] verdiende geld en doet dat bij het stapeltje dat hij al in zijn broekzak heeft [§ 3.1 pag. 21].

[persoon 1] leert ook [persoon 4] kennen. [persoon 4] zegt tegen [persoon 1] dat zij haar spaarrekening, ongeveer € 4.000,-- leeg heeft gehaald en aan verdachte heeft gegeven. Verdachte werkt niet en heeft geen uitkering. [persoon 4] en [persoon 2] vertellen dat hij het aan hen dankt hoe hij erbij loopt in kleding van € 100,-- per stuk en zo [§ 3.1 pag. 22].

[persoon 1] werkt bijna elke dag, met uitzondering van 1 januari 2011. Zij heeft gemiddeld 5 klanten op een dag. [persoon 1] en [persoon 2] houden geen geld achter [§ 3.1 pag. 23]. Vlak voordat [persoon 1] bij verdachte weggaat, vertelt [persoon 2] haar dat in de periode dat zij voor verdachte heeft gewerkt, verdachte al het door haar verdiende geld van haar heeft afgenomen. Het geld dat [persoon 1] in de periode van de [adres 1] in Helmond heeft verdiend met prostitutiewerkzaamheden, ongeveer € 4.000,--, heeft verdachte van haar afgenomen [§ 3.1 pag. 24].

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank het onder 2 aan verdachte ten laste gelegde feit, dat verdachte [persoon 2] heeft bewogen tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden en het afgeven van het geld dat zij daarmee heeft verdiend aan verdachte. Op basis van de verklaring van [persoon 2] hebben verbalisanten berekend dat zij in de periode van 14 november 2010 tot en met 28 april 2011, € 55.400,-- met haar werkzaamheden in de prostitutie heeft verdiend [§ 4.1 pag. 1368, 1369, 1370].

Over haar verdiensten en over de levenswijze van verdachte heeft [persoon 2] onder meer het navolgende verklaard.

In de periode van midden november 2010 tot begin januari 2011 werkt [persoon 2] als prostituee [privé-ontvangst], meestal zeven dagen per week. Vanaf januari 2011 tot april 2011 werkt zij via escortbureau's. Verdachte weet hoeveel geld zij daarmee verdient en dat moet hij hebben. [persoon 2] durft niet tegen verdachte te liegen en zij durft geen geld voor hem achter te houden [§ 3.2 pag. 51].

Verdachte maakt al het door [persoon 2] verdiende geld op. Zij heeft daarvan niets gehad. Verdachte gaat uit eten met andere meisjes van het geld van [persoon 2]. [persoon 2] ziet verdachte wel eens met een pak geld thuis komen. Elke dag is het geld weer weg. [persoon 2] vindt daarvan nooit iets terug. Verdachte koopt de nieuwste kleding, soms blousjes van € 200,-- [§ 3.2 pag. 50]. Verdachte strooit met geld. Hij vindt het stoer om geld te laten zien aan anderen. Verdachte wil om de zoveel tijd de nieuwste telefoon, hij koopt veel parfums en hij huurt elke week wel een andere auto.

Verdachte gokt veel. [persoon 2] moet twee keer naar het casino in Tilburg komen terwijl zij aan het werk is omdat verdachte geld nodig heeft. Als er ergens een gokautomaat is dan zit verdachte er al achter. Verdachte betaalt alles voor anderen. Als je met verdachte op stap gaat, betaalt hij. Verdachte betaalt alles handje contantje. [persoon 2] weet niet hoeveel geld zij verdient. Alleen al in de periode van Eindhoven en de [adres 1] te Helmond, is zij bij € 20.000,-- gestopt met tellen. [persoon 2] verklaart veel meer te hebben verdiend, maar zij kan dat niet meer bijhouden. [persoon 2] geeft al haar geld aan verdachte [§ 3.2 pag. 51].

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank het onder 3 aan verdachte ten laste gelegde feit, dat verdachte [persoon 3] heeft bewogen tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden en het afgeven van het geld dat zij daarmee heeft verdiend aan verdachte. Op basis van de verklaring van [persoon 3] hebben verbalisanten berekend dat zij in de periode van 18 augustus 2010 tot en met 15 september 2010, € 2.300,-- met haar werkzaamheden in de prostitutie heeft verdiend [§ 4.1 pag. 1371, 1372, 1373].

Over haar verdiensten en over de levenswijze van verdachte heeft [persoon 3] onder meer het navolgende verklaard.

Nadat zij met verdachte in contact komt, vertelt verdachte haar dat zij achter het raam duizenden euro's per dag kan verdienen. Ook vertelt verdachte haar dat hij op 17-jarige leeftijd een van de rijkste jongens van Eindhoven is. [persoon 3] weet dat dat waar is, dat verdachte tonnen geld heeft verdiend [§ 3.3 pag. 45].

Verdachte maakt een plan om [persoon 3] in Amsterdam achter het raam te laten werken. Later die middag gaan zij naar Amsterdam. Kermis Hilaria in Eindhoven is net geweest [§ 3.3 pag. 46] [gehouden van 30 juli 2010 tot en met 8 augustus 2010 - bron: [website].

In Amsterdam gaat [persoon 3] aan het werk. Haar verdiensten geeft zij voor een deel aan verdachte [§ 3.3 pag. 51, 52]. Daarna vertrekken [persoon 3] en verdachte naar Groningen. Ook daar gaat [persoon 3] achter het raam werken. In Groningen verandert verdachte helemaal. Verdachte maakt problemen als [persoon 3] het door haar verdiende geld niet aan hem geeft. De ene keer vraagt verdachte naar het geld, de andere keer geeft [persoon 3] het hem gewoon. Volgens [persoon 3] heeft verdachte ook een gokprobleem, er gaat heel veel geld de gokkast in. Als ze ergens pizza halen en er staat een kast, gooit verdachte er geld in. Dan kijkt [persoon 3] hem aan met de gedachte "Dat is mijn geld!" [§ 3.3 pag. 53, 54]. In Groningen heeft [persoon 3] ongeveer 2 weken aan een stuk door gewerkt [§ 3.3 pag. 55]. Daarna brengt verdachte [persoon 3] naar [bedrijf 5] in Duitsland. Volgens [persoon 3] heeft zij daar 3 dagen gewerkt [§ 3.3 pag. 58]. Verdachte maakte alles wat binnen komt op [§ 3.3 pag. 61].

Vlak voor oudjaar 2010-2011 ziet [persoon 3] verdachte weer. Zij ziet hem in een Mercedes zitten en stapt bij hem in de auto. [persoon 3] ziet dat verdachte een dikke bontjas aan heeft en dat hij veel geld bij zich heeft [§ 3.3 pag. 79].

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank het onder 4 aan verdachte ten laste gelegde feit, dat verdachte [persoon 4] heeft bewogen tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden en het afgeven van het geld dat zij daarmee heeft verdiend aan verdachte. Op basis van de verklaring van [persoon 4] hebben verbalisanten berekend dat zij in de periode van 4 november 2010 tot en met 11 januari 2011, € 7.800,-- met haar werkzaamheden in de prostitutie heeft verdiend [§ 4.1 pag. 1379].

Over haar verdiensten en over de levenswijze van verdachte heeft [persoon 4] onder meer het navolgende verklaard.

In de periode tussen ongeveer 1 november 2010 en 15 december 2010 werkt [persoon 4], in het pand aan de [adres 2] te Eindhoven, ongeveer 35 dagen met gemiddeld 3 klanten per dag. [persoon 4] verdient in die periode ongeveer € 9.500,-- [§ 3.4 pag. 50]. In de periode tussen Kerst 2010 en eind februari / begin maart 2011 woont [persoon 4] aan de [adres 1] in Helmond. Daar heeft zij een stuk of acht klanten. In die periode verdient zij ongeveer € 800,--. Waar dat geld is gebleven weet [persoon 4] niet [§ 3.4 pag. 51].

[persoon 4] moet het geld dat zij verdient meteen aan verdachte geven. Verdachte heeft vaak grote geldbedragen op zak als hij weggaat. Als hij terugkomt, heeft hij niets meer [§ 3.4 pag. 28]. [persoon 4] en [persoon 2] werken, verdachte doet niets, behalve het geld opmaken [§ 3.4 pag. 29]. Verdachte heeft elke week nieuwe kleren, gaat naar de kapper en huurt auto's. Verdachte gokt. Hij speelt overal waar een gokkast staat. Verdachte is een patsertje en wil graag laten zien dat hij geld te verteren heeft. Hij geeft gemakkelijk rondjes weg tijdens het uitgaan [§ 3.4 pag. 50].

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank het onder 5 aan verdachte ten laste gelegde feit, dat verdachte [persoon 5] heeft bewogen tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden en het afgeven van het geld dat zij daarmee heeft verdiend aan verdachte. Op basis van de verklaring van [persoon 5] hebben verbalisanten berekend dat zij in de periode van 2 januari 2011 tot en met 9 juli 2011, € 1.200,-- met haar werkzaamheden in de prostitutie heeft verdiend [§ 4.1 pag. 1374, 1375].

Over haar verdiensten en over de levenswijze van verdachte heeft [persoon 5] onder meer het navolgende verklaard.

In januari 2011, net nadat [persoon 5] 18 jaar is geworden, komt zij in contact met verdachte. Het is [persoon 5] duidelijk dat zij in de prostitutie moet gaan werken [§ 3.5 pag. 31]. Ongeveer twee weken later gaat zij bij een escortbureau in Tilburg werken. Het geld dat zij daarmee verdient, geeft zij aan verdachte. [persoon 5] heeft nooit iets van dat geld gezien. [persoon 5] werkt 2 avonden bij het escortbureau in Tilburg. [§ 3.5 pag. 33]. [persoon 5] ziet vaak dat verdachte veel geld in zijn zak heeft. Hij leeft erg luxe in de vorm van dure auto's huren, uit eten, dure kleren en dat soort dingen. [persoon 5] ziet dat ook al in voordat zij in de prostitutie werkt. Verdachte werkt niet [§ 3.5 pag. 35]. In Rotterdam werkt [persoon 5] een dag in [bedrijf 4]. Het daar verdiende geld geeft zij aan verdachte [§ 3.5 pag. 38]. Op 9 juli 2011 stopt [persoon 5] met het werken in de prostitutie [§ 3.5 pag. 25].

Bij zijn verhoor door de politie op 9 mei 2012 heeft verdachte zakelijk weergegeven onder meer verklaard.

Ik weet dat wat ik nu ga zeggen mij in een moeilijke situatie brengt. Ik had op dat moment, in de periode dat ik contact met [persoon 5] had, geld. Iedereen zag aan mijn kleding en mijn uitgaan dat ik geld had. Ik wil niet zeggen hoe ik aan dat geld kwam. Ik had genoeg geld om een paar maanden van te leven. Ik kan het allemaal niet bewijzen. Ik ben een persoon die niemand vertelt hoe iemand aan zijn geld komt. Dat ik heb verteld dat ik veel geld had, zet mij nu in een klote positie. Ik kan niet aantonen hoe ik daar aan kwam. Het was contant geld, het was geen "eerlijk geld" [§ 02.1 pag. 408].

Ten aanzien van de onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde feiten voorts:

========================================================

Uit het onderzoek op de zittingen van 16 april 2013 en 17 april 2013 en uit de inhoud van het procesdossier, is de rechtbank gebleken dat verdachte in zijn contacten met de verschillende aangeefsters telkens volgens het nagenoeg zelfde patroon te werk is gegaan. De rechtbank stelt het volgende vast.

Verdachte heeft met alle aangeefsters een affectieve relatie opgebouwd. Vrij snel na het ontstaan van die relatie heeft verdachte telkens ter sprake gebracht dat er geld nodig was om een gezamenlijke toekomst op te bouwen en dat dit geld snel zou kunnen worden verdiend als de aangeefsters in de prostitutie zouden gaan werken. Verdachte heeft ervoor gezorgd dat advertenties waarin aangeefsters zich als prostituee aanboden, op internet kwamen te staan en verdachte heeft de locaties geregeld waar aangeefsters de klanten konden ontvangen. Het daarmee door aangeefsters verdiende geld zou verdachte bewaren en sparen. Alle aangeefsters hadden aanvankelijk het idee dat verdachte zulks ook deed.

Verdachte heeft alle aangeefsters in een kwetsbare positie gebracht waarin zij van hem afhankelijk waren. Door deze handelwijze heeft verdachte een situatie gecreëerd waarin hij een zodanig overwicht op aangeefsters had dat aangeefsters daardoor werden bewogen in de prostitutie te gaan werken en alle verdiensten die zij daarmee realiseerden aan verdachte afgaven. Uit alle aangiften blijkt verder dat verdachte, nadat aangeefsters met de prostitutiewerkzaamheden waren begonnen, hen heeft bewogen met die werkzaamheden door te gaan, waarbij verdachte het gebruik van geweld tegen het merendeel van de aangeefsters en intimidatie van hen als zij niet wilden werken, niet heeft geschuwd. Bijna al het geld dat aangeefsters hebben verdiend, hebben zij aan verdachte gegeven, daarvan hebben zij niets danwel nagenoeg niets terug gekregen terwijl verdachte in die periode geen inkomsten had en er desondanks een overvloedige, dure levensstijl op na hield.

Aldus heeft de rechtbank vastgesteld dat er tussen de onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde feiten op essentiële onderdelen overeenkomsten bestaan. Deze overeenkomsten zijn zodanig sterk dat de rechtbank van oordeel is dat de afzonderlijke aangiften elkaar ondersteunen. Er is ook geen aanleiding te veronderstellen dat aangeefsters hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd. Desondanks blijkt uit de door hen afzonderlijk van elkaar afgelegde verklaringen, dat zij eenzelfde patroon schetsen over de wijze waarop hun contacten met verdachte verliepen, een en ander zoals hiervoor is weergegeven.

Conclusie van de rechtbank over de ten laste gelegde feiten

Gelet op de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen en alles wat hiervoor is overwogen acht de rechtbank de onder 1 tot en met 5 [mensenhandel] en onder 6 [witwassen] ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder "de bewezenverklaring" nader zal worden omschreven.

De overtuiging van de rechtbank dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, wordt verder versterkt door het beroep van verdachte op zijn zwijgrecht. De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf, maar zeker in samenhang bezien, wijzen zodanig sterk in de richting van verdachte dat deze in beginsel om een redelijke verklaring van de zijde van verdachte vragen. Verdachte heeft deze verklaring echter niet willen geven.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van 28 december 2010 tot en met 13 januari 2011 te Helmond,[persoon 1] door dreiging met geweld, door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling

en

[persoon 1] door dreiging met geweld, door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van [persoon 1] met een derde

Immers heeft hij, verdachte in voornoemde periode:

- voornoemde [persoon 1] onderdak verschaft en

- voornoemde [persoon 1] bewogen in de prostitutie te gaan werken en

- een seksadvertentie van die [persoon 1] opgemaakt en op internet ([internetsite]) geplaatst en

- tegen voornoemde [persoon 1] gezegd dat het door haar met de prostitutiewerkzaamheden verdiende geld voor haar gespaard/bewaard zou worden en

- de simkaart met daarop de contacten van voornoemde [persoon 1] vernield en

- voornoemde [persoon 1] verboden de woning [adres 1] te Helmond te verlaten en

- in aanwezigheid van die [persoon 1] een ander meisje/vrouw die op de [adres 1] te Helmond prostitutiewerkzaamheden verrichtte geslagen en geschopt en

- voornoemde [persoon 1] hasjiesj verstrekt en

- de werkzaamheden van die [persoon 1] gecontroleerd en

- die [persoon 1] gedwongen/bewogen (een groot deel van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem af te staan/af te dragen;

2.

op tijdstippen in de periode van 14 november 2010 tot en met 28 april 2011 te Eindhoven en Helmond en Etten-Leur en Tilburg, [persoon 2] door geweld, door dreiging met geweld, door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling

en

[persoon 2] door geweld, door dreiging met geweld, door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van [persoon 2] met een derde

Immers heeft hij, verdachte in voornoemde periode:

- een liefdesrelatie aangegaan/onderhouden met voornoemde [persoon 2] en

- voornoemde [persoon 2] bewogen in de prostitutie te gaan werken en

- tegen voornoemde [persoon 2] gezegd dat het door haar met de prostitutiewerkzaamheden verdiende geld voor haar gespaard zou worden en zou worden besteed aan een gezamenlijke woning en een gezamenlijke toekomst en

- voornoemde [persoon 2] verdovende middelen verschaft en

- voornoemde [persoon 2] verboden om de woning aan de [adres 1] te Helmond te verlaten en

- voornoemde [persoon 2] meermalen geslagen/gestompt en/of getrapt/geschopt en

- voornoemde [persoon 2] meermalen gedreigd te slaan en/of stompen en

- voornoemde [persoon 2] met een mes bedreigd en

- voornoemde [persoon 2] bewogen om zijn, verdachtes, naam in haar nek te laten tatoeëren en

- voornoemde [persoon 2] bewogen om seks te hebben met klanten zonder condoom en

- de werkzaamheden van die [persoon 2] gecontroleerd en

- die [persoon 2] bewogen (een groot deel van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem, verdachte, af te staan/af te dragen;

3.

op tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 augustus 2010 tot en met 15 september 2010 te Amsterdam en Groningen en in Duitsland, [persoon 3] door geweld, door dreiging met geweld, door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling

en

[persoon 3] door geweld, door dreiging met geweld, door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van [persoon 3] met een derde

Immers heeft hij, verdachte, in voornoemde periode:

- een liefdesrelatie aangegaan/onderhouden met voornoemde [persoon 3] en

- voornoemde [persoon 3] bewogen in de prostitutie te gaan werken en

- tegen voornoemde [persoon 3] gezegd dat het door haar met de prostitutiewerkzaamheden verdiende geld voor haar gespaard/bewaard zou worden en dat het geld besteed zou worden aan een gezamenlijke woning en gezamenlijke toekomst en

- voornoemde [persoon 3] meermalen naar een prostitutieplek vervoerd en

- voornoemde [persoon 3] meermalen geslagen/gestompt en

- voornoemde [persoon 3] meermalen gedreigd te slaan en/of stompen en

- de werkzaamheden van die [persoon 3] gecontroleerd en

- die [persoon 3] bewogen (een groot deel van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem af te staan/af te dragen;

4.

op tijdstippen in de periode van 01 oktober 2010 tot en met 01 maart 2011 te Eindhoven en Helmond, [persoon 4] door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling

en

[persoon 4] door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van [persoon 4] met een derde

Immers heeft hij, verdachte in voornoemde periode:

- een liefdesrelatie aangegaan/onderhouden met voornoemde [persoon 4] en

- voornoemde [persoon 4] in een slechte(re) financiële positie gebracht en

- voornoemde [persoon 4] bewogen in de prostitutie te gaan werken en

- voornoemde [persoon 4] beloofd dat het door haar verdiende geld zou worden besteed aan een gezamenlijke toekomst en dat het geld door hem, verdachte, zou worden terug betaald en

- de werkzaamheden van die [persoon 4] gecontroleerd en

- die [persoon 4] bewogen (een groot deel van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem af te staan/af te dragen;

en

hij op tijdstippen in december 2010 te Helmond telkens opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [persoon 4], heeft geslagen/gestompt en brandende sigaretten op de arm van die [persoon 4] heeft uitgedrukt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

5.

op tijdstippen in de periode van 02 januari 2011 tot en met 9 juli 2011 te Gilze Rijen en Tilburg en Nijmegen en Amsterdam en Roterdam tezamen en in vereniging met een ander, [persoon 5] door geweld, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling

en

[persoon 5] door geweld, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft bewogen hem, verdachte en/of zijn mededader te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van [persoon 5] met een derde

Immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader in voornoemde periode:

- een liefdesrelatie aangegaan/onderhouden met voornoemde [persoon 5] en

- voornoemde [persoon 5] onderdak verschaft en

- voornoemde [persoon 5] bewogen in de prostitutie te gaan werken en

- tegen voornoemde [persoon 5] gezegd dat het door haar met de prostitutiewerkzaamheden verdiende geld voor haar gespaard/bewaard zou worden en

- voornoemde [persoon 5] cocaïne verstrekt en

- voornoemde [persoon 5] meermalen naar een prostitutieplek vervoerd en

- voornoemde [persoon 5] meermalen geslagen/gestompt en

- de werkzaamheden van die [persoon 5] gecontroleerd en

- die [persoon 5] bewogen (een groot deel van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem/hen af te staan/af te dragen;

6.

op tijdstippen in de periode van 18 augustus 2010 tot en met 8 mei 2012,, op een of meer plaatsen in Nederland en/of een of meerdere plaatsen in Duitsland, voorwerpen, te weten hoeveelheden (contant) geld zijnde de inkomsten uit de prostitutiewerkzaamheden van [persoon 1] en [persoon 2] en [persoon 3] en [persoon 4] en [persoon 5], heeft verworven en omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. De feiten 1, 2, 3, 4 en 5 zijn telkens voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 273f eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. Feit 6 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 420bis eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie:

Primair vordert de officier van justitie - onder verwijzing naar het rapport van het Pieter Baan Centrum (PBC) - voor de feiten 1 t/m 6 een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek, alsmede oplegging van de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege. Voor het geval de rechtbank oordeelt dat het PBC-rapport te weinig aanknopingspunten biedt om de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege op te kunnen leggen, vordert de officier van justitie een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar met aftrek.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

De officier van justitie maakt kenbaar voornemens te zijn een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heef zich - onder verwijzing naar de uitspraak van de HR van 19 februari 2013 (LJN BX9407) - op het standpunt gesteld dat geen maatregel van TBS kan worden opgelegd. Het rapport van het PBC biedt daarvoor geen grondslag. De deskundigen van het PBC hebben weliswaar vastgesteld dat sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte, maar zich onthouden van een uitspraak over de eventuele doorwerking daarvan in de ten laste gelegde feiten.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank in het bijzonder rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel. Hij heeft vijf kwetsbare, jonge vrouwen bewogen tot prostitutie en op grove wijze voordeel getrokken uit hun werkzaamheden. Verdachte heeft de slachtoffers op slinkse wijze afhankelijk van hem gemaakt en hen vervolgens uitgebuit. Vier van de slachtoffers heeft hij daarbij mishandeld en bedreigd. Verdachte heeft gehandeld uit puur winstbejag en geen enkele rekening gehouden met de gevolgen voor de psychische en lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Deze gevolgen blijken mede uit hetgeen twee van de slachtoffers in hun schriftelijke slachtofferverklaring hebben aangegeven. Zoals in het PBC rapport beschreven heeft verdachte een parasitaire levensstijl. Nergens heeft hij getoond dat hij inzicht heeft in de laakbaarheid van zijn handelen.

Verdachte heeft zich daarnaast gedurende langere tijd schuldig gemaakt aan witwassen. Het geld dat door de vijf slachtoffers met de prostitutie werd verdiend, ging (nagenoeg) geheel op aan de luxueuze levensstijl van verdachte. Zonder dat hij zelf beschikte over enige legale bron van inkomsten, gaf verdachte het geld uit aan onder meer gokken, dure kleding en de huur van auto's. Witwassen leidt tot ontwrichting van het economische en financiële verkeer, omdat daarbij de criminele herkomst van gelden wordt verhuld.

Verdachte - die reeds veelvuldig is veroordeeld voor misdrijven - heeft de onderhavige feiten gepleegd in een periode waarin hij zich heeft onttrokken aan een hem door de rechtbank 's-Gravenhage in 2009 opgelegde gevangenisstraf van 4 jaar waarvan 1 jaar voorwaardelijk, eveneens voor mensenhandel. Deze recidive rekent de rechtbank hem zwaar aan.

De deskundigen van het PBC hebben geconcludeerd dat zij - ondanks enige beperkingen van het onderzoek, nu verdachte geweigerd heeft daaraan mee te werken - over voldoende informatie beschikken om te kunnen spreken van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte, in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Deze stoornis was ook aanwezig in de aanloop tot en ten tijde van de bewezen verklaarde feiten. De kans op recidive wordt als reëel geschat. De informatie waarop de deskundigen zich hebben gebaseerd bestond onder andere uit eerdere rapportages omtrent de persoon van verdachte, zijn (justitiële) voorgeschiedenis en de observatie in het PBC.

De rechtbank onderschrijft deze conclusies van het PBC en maakt deze tot de hare. De deskundigen van het PBC hebben zich - in verband met de ontkennende houding van verdachte - onthouden van een uitspraak omtrent zijn toerekeningsvatbaarheid.

Het PBC-rapport biedt - anders dan de raadsman stelt - in beginsel voldoende basis voor het opleggen van de maatregel van TBS aan verdachte. De lezing van de raadsman berust op een onjuiste uitleg van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2013, waarin het volgende is bepaald.

Ingevolge artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan de verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, op last van de rechter ter beschikking worden gesteld. Deze bepaling eist, anders dan bij de in artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht voorkomende vraag of het feit aan de verdachte niet kan worden toegerekend "wegens" de gebrekkige ontwikkeling of stoornis van zijn geestvermogens, niet meer dan een uit gelijktijdigheid bestaand verband. De opvatting dat de rechter bij het geven van een last dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld, in zijn vonnis moet vaststellen dat de bewezen verklaarde feiten "het gevolg zijn van" de geestesgesteldheid van de verdachte, vindt geen steun in het recht.

Dit laat overigens onverlet dat de rechter bij het al dan niet geven van een last tot terbeschikkingstelling, nadat hij heeft geoordeeld dat aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging daarvan is voldaan, relevant kan achten in hoeverre aannemelijk is dat enig verband bestaat tussen - kort gezegd - de stoornis en het begane feit, nu de last tot terbeschikkingstelling immers wordt opgelegd naar aanleiding van een begaan strafbaar feit.

Aan de wettelijke eisen voor oplegging van de maatregel is in casu voldaan, nu op onderbouwde wijze is vastgesteld dat bij verdachte ten tijde van het plegen van de misdrijven sprake was van een gebrekkige ontwikkeling in zijn geestvermogens. Voorts onderkent de rechtbank het door de officier van justitie gestelde belang van beveiliging van de maatschappij tegen verdachte.

De rechtbank acht desondanks de maatregel van TBS hier niet passend. Oplegging van de TBS maatregel zou in dit geval, gelet op de persoon van verdachte en zijn weigerachtige en ontkennende houding, louter neerkomen op maatschappijbeveiliging, zonder (concreet) zicht op een behandeling. Dit beveiligingsdoel kan ook - en naar het oordeel van de rechtbank in dit geval effectiever - worden gerealiseerd via oplegging van een langdurige vrijheidsstraf. Daarbij acht de rechtbank verdachte volledig toerekeningsvatbaar voor zijn daden. Voor een andere conclusie ziet de rechtbank noch in het PBC rapport noch in het (overigens) ter zitting verhandelde, enig aanknopingspunt.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een langdurige gevangenisstraf passend en geboden is. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf en wel voor de duur van 10 jaren met aftrek.

De rechtbank legt daarmee een zwaardere straf op dan de door de officier van justitie (subsidiair) gevorderde gevangenisstraf, nu de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van de feiten en de zware recidive van verdachte onvoldoende tot uitdrukking bracht.

De vordering van de benadeelde partij [persoon 1] [feit 1].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een schadevergoeding van € 10.950,--, bestaande uit immateriële schadevergoeding van € 2.000,-- en materiële schadevergoeding van € 8.950,-- [post: verdiensten uit prostitutie], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in het overige deel van de gevorderde materiële schadevergoeding [post: telefoonkosten] omdat de rechtbank van oordeel is dat deze schade niet zonder meer een rechtstreeks gevolg van het hiervoor bewezen verklaarde handelen van verdachte is. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2011 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De vordering van de benadeelde partij [persoon 2] [feit 2].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een schadevergoeding van € 63.675,--, bestaande uit immateriële schadevergoeding van € 7.500,-- en materiële schadevergoeding van € 56.175,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

De materiële schadevergoeding bestaat uit een bedrag van € 55.400,-- als verdiensten van de benadeelde partij uit haar prostitutiewerkzaamheden en de kosten voor het verwijderen van de tatoeages met de naam van verdachte, tot op heden begroot op € 775,--.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in het overige deel van de gevorderde materiële schadevergoeding, bestaande uit de post "overgekocht door klant van 28 april 2011" van € 3.000,-- omdat de rechtbank van oordeel is dat dit geen schade is die de benadeelde partij heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het hiervoor bewezen verklaarde handelen van verdachte. De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Bij de berekening van de verdiensten van de benadeelde partij uit haar werkzaamheden in de prostitutie is een rekenfout geslopen in de post "woensdag 2 februari 2011 tot donderdag 28 april 2011 (totaal 48 dagen) (middels escortbureau prostitueren)" [§ 4.1 pag. 1369]. De onder die post berekende vergoeding van € 15.000,-- is gebaseerd op een werkzame periode van 50 dagen waarin de benadeelde partij € 300,-- per dag heeft verdiend, terwijl de benadeelde partij in die periode in werkelijkheid 48 dagen heeft gewerkt. Op deze post wordt derhalve een bedrag van € 600,-- in mindering gebracht. Dit deel van de vordering wordt afgewezen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 april 2011 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De vordering van de benadeelde partij [persoon 3] [feit 3].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een schadevergoeding van € 2.300,-- bestaande uit materiële schadevergoeding [post: verdiensten uit prostitutiewerkzaamheden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De vordering van de benadeelde partij [persoon 4] [feit 4].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een schadevergoeding van € 10.800,--, bestaande uit immateriële schadevergoeding van € 3.000,-- en materiële schadevergoeding van € 7.800,-- [post: verdiensten uit prostitutie], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in het overige deel van de gevorderde materiële schadevergoeding omdat de rechtbank van oordeel is dat deze schade geen rechtstreeks gevolg van het hiervoor bewezen verklaarde handelen van verdachte is. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2011 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De vordering van de benadeelde partij [persoon 5] [feit 5].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een schadevergoeding van € 1.200,--, bestaande uit materiële schadevergoeding.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in het overige deel van de gevorderde materiële schadevergoeding omdat de rechtbank van oordeel is dat deze schade geen rechtstreeks gevolg van het hiervoor bewezen verklaarde handelen van verdachte is.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 5, 10, 24c, 27, 36f, 57, 60a, 273f, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Verklaart de onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

ten aanzien van de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten telkens:

* Mensenhandel.

ten aanzien van de onder 4 bewezen verklaarde feit:

* Mensenhandel en Mishandeling, meermalen gepleegd.

ten aanzien het onder 5 bewezen verklaarde feit:

* Mensenhandel, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

ten aanzien van het onder 6 bewezen verklaarde:

* Witwassen, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

ten aanzien van de onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 bewezen verklaarde feiten:

* Een gevangenisstraf voor de duur van tien jaar.

Beveelt dat de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht.

ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit voorts:

* Maatregel van schadevergoeding van € 10.950,-- subsidiair 89 dagen hechtenis. Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [persoon 1] van een bedrag van € 10.950,-- (zegge: tienduizend negenhonderd vijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 89 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het toegewezen bedrag, bestaande uit € 2.000,-- immateriële schadevergoeding en € 8.950,-- materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [persoon 1].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [persoon 1] van een bedrag van € 10.950,-- (zegge: tienduizend negenhonderd vijftig euro), bestaande uit € 2.000,-- immateriële schadevergoeding en

€ 8.950,-- materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde feit voorts:

* Maatregel van schadevergoeding van € 63.675,-- subsidiair 330 dagen hechtenis. Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [persoon 2] van een bedrag van € 63.675,-- (zegge: drieënzestigduizend zeshonderd vijfenzeventig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 330 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het toegewezen bedrag, bestaande uit € 7.500,-- immateriële schadevergoeding en € 56.175,-- materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [persoon 2]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [persoon 2] van een bedrag van € 63.675,-- (zegge: drieënzestigduizend zeshonderd vijfenzeventig euro), bestaande uit € 7.500,-- immateriële schadevergoeding en € 56.175,-- immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering is voor zover de vordering betrekking heeft op de post "overgekocht door klant op 28 april 2011" ten bedrage van € 3.000,--.

Wijst de vordering af voor zover die betrekking heeft op de post "woensdag 2 februari 2011 tot 28 april 2011" ten bedrage van € 600,--.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde feit voorts:

* Maatregel van schadevergoeding van € 2.300,-- subsidiair 33 dagen hechtenis. Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [persoon 3] van een bedrag van € 2.300,-- (zegge: tweeduizend driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 33 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het toegewezen bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [persoon 3]:

Wijst de gehele vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [persoon 3] van een bedrag van € 2.300,-- (zegge: tweeduizend driehonderd euro), bestaande uit materiële schadevergoeding.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde feit voorts:

* Maatregel van schadevergoeding van € 10.800,-- subsidiair 89 dagen hechtenis. Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [persoon 4] van een bedrag van € 10.800,-- (zegge: tienduizend achthonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 89 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het toegewezen bedrag, bestaande uit € 3.000,-- immateriële schadevergoeding en € 7.800,--immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [persoon 4]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [persoon 4] van een bedrag van € 10.800,-- (zegge: tienduizend achthonderd euro), bestaande uit € 3.000,-- immateriële schadevergoeding en € 7.800,-- materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde feit voorts:

* Maatregel van schadevergoeding van € 1.200,-- subsidiair 22 dagen hechtenis. Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [persoon 5] van een bedrag van € 1.200,-- (zegge: eenduizend tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het toegewezen bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [persoon 5]:

Wijst de gehele vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [persoon 5] van een bedrag van € 1.200,-- (zegge: eenduizend tweehonderd euro), bestaande uit materiële schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.W.H. Renneberg, voorzitter,

mr. N.M. Spelt en mr. S. van Lokven, leden,

in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,

en is uitgesproken op 8 mei 2013.

Mr. Van Lokven is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 In de hierna weer te geven bewijsmiddelen wordt - tenzij anders vermeld - verwezen naar het proces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, divisie recherche, dossiernummer PL 2219 2219110022 20121001.1100.20379/20458 [onderzoek Limonadewesp], afgesloten op 1 oktober 2012.