Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ8756

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
SHE 13 / 532
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:1960, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid, nabijheid, ruimtelijke uitstraling. Belanghebbende. Onlosmakelijke samenhang. 1.2a Invoeringswet Wabo

Samenvatting:

Eisers hebben vanuit hun woningen beperkt zicht op een bouwlocatie voor een loods, vergund met artikel 2.1, eerste lid onder a, van de Wabo. De landschappelijke impact van het bouwplan is voor eisers zeer beperkt tot beperkt. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat de woningen zijn gelegen op de rand van de geurcontour van het bedrijf van vergunninghoudster, dient te worden betrokken bij de beoordeling van de ruimtelijke uitstraling van het bouwplan en dat deze eisers een rechtstreeks betrokken belang hebben bij de verleende omgevingsvergunning voor bouwen.

In de Wabo is geen aanhoudingsplicht opgenomen zoals voorheen het geval was in artikel 52 van de Ww (oud). De door eisers voorgestane coördinatieverplichting vloeit in dit geval evenmin voort uit artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo omdat vergunninghoudster al een milieuvergunningsaanvraag had ingediend voor 1 oktober 2010. Artikel 1.2a, tweede lid van de Invoeringswet Wabo voorziet in eisers behoefte aan coördinatie tussen beide aanvragen. Ingevolge artikel 1.2a, derde lid, van de Invoeringswet Wabo is artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo niet van toepassing. Vergunninghoudster is daarom niet verplicht om nogmaals een omgevingsvergunning voor de milieuactiviteit aan te vragen. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en verklaart het bezwaarschrift van eisers ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2013/94

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Bestuursrecht

Zaaknummer: SHE 13/532

Uitspraak van de meervoudige kamer van 19 april 2013 in de zaak tussen

[eiser A], [eiser B], [eiser C] en 51 anderen, wonend te Rijkevoort,

eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxmeer,

verweerder

(gemachtigden: mr. H.M.M. van Tilborg en mr. J.P.L.M. van de Velden)

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen [bedrijf A], gevestigd te Rijkevoort,

vergunninghoudster

(gemachtigde mr. J. van Houtum).

Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een mestverwerkingsloods aan de [adres 1].

Bij besluit van 20 december 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.

Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld.

De zaak is - gelijktijdig met de zaak onder nummer SHE 12/3039 - behandeld op de zitting van 19 maart 2013, waar eisers zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigden. Derde-partij is verschenen bij [persoon 1], bijgestaan door de gemachtigde.

Overwegingen

1.1 De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Vergunninghoudster exploiteert een varkenshouderij op het perceel [adres 1]. Eisers zijn woonachtig aan de Kampweg, St. Anthonisdijk, Sportlaan, Kerkveld, Beekdal, Parkweg, Hoog Kampen en de Kapelstraat te Rijkevoort. Geen van eisers heeft gronden in eigendom die rechtstreeks grenzen aan de projectlocatie.

1.2 Op 3 maart 2010 heeft vergunninghoudster een milieuvergunning aangevraagd voor het veranderen van de inrichting ten behoeve van duurzame mestverwerking. Deze aanvraag is daarna enkele malen gewijzigd. Tegen de ontwerpbeschikking hebben eisers binnen de termijn van terinzagelegging zienswijzen kenbaar gemaakt. Verweerder heeft op 22 januari 2013 de gevraagde milieuvergunning verleend. Hiertegen hebben eisers beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. In 2008 heeft vergunninghoudster een milieuvergunning aangevraagd voor het veranderen van de inrichting en het houden van extra dieren in stal zeven. Na aanvulling van de oorspronkelijke aanvraag (van 9 juni 2008) voor de milieuvergunning, heeft verweerder op 14 februari 2012 het voornemen uitgesproken de gevraagde milieuvergunning te verlenen. Het ontwerpbesluit heeft vervolgens van 7 maart 2012 tot en met 17 april 2012 voor eenieder ter inzage gelegen. Binnen deze termijn hebben eisers en anderen zienswijzen ingediend. Verweerder heeft op 10 juli 2012 de gevraagde milieuvergunning verleend.

1.3 Op 24 juli 2012 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In het primaire besluit is slechts voor deze activiteit een omgevingsvergunning verleend.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van alle eisers op gelijkluidend advies van de commissie bezwaarschriften niet-ontvankelijk verklaard. In een overweging ten overvloede heeft verweerder de bezwaren van eisers inhoudelijk afgewezen.

3.1 De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of alle eisers een rechtstreeks belang hebben bij de beoordeling van het primaire besluit. Het primaire besluit heeft enkel en alleen betrekking op de activiteit bouwen.

3.2 Om als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te kunnen worden aangemerkt, dienen eisers ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) een voldoende objectief, actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben. In zaken met betrekking tot omgevingsvergunningen voor bouwen is hierbij in de eerste plaats van belang op welke afstand van het betreffende te bouwen object zij wonen en in hoeverre zij zicht hebben op de projectlocatie. Pas daarna is van belang of de ruimtelijke uitstraling van het bouwplan zodanig is dat sprake is van een rechtstreeks betrokken belang.

3.3 In een uitspraak van 13 april 2011, LJN BQ1081, heeft de ABRS overwogen dat onder het vóór de Wabo geldende recht de kring van belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb, bij bijvoorbeeld een vergunning op grond van de Wet milieubeheer voor het in werking hebben van een inrichting aanmerkelijk ruimer kan zijn dan de kring van belanghebbenden bij bijvoorbeeld een uitwegvergunning voor de aanleg van een uitweg vanuit die inrichting. Nu uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wabo niet blijkt dat de wetgever dit verschil in omvang van de kringen van belanghebbenden heeft willen opheffen, ligt het in de rede om, indien een bestreden omgevingsvergunning meer dan één toestemming als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo bevat, per toestemming te bepalen of degene die een rechtsmiddel heeft aangewend belanghebbende is. Het ligt eveneens in de rede dat deze regel uitzondering lijdt voor zover de betrokken vergunning ziet op een activiteit als bedoeld in de zin van artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo, die behoort tot verschillende categorieën activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2.

3.4 Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat de dichtstbijzijnde woning van een eiser aan de St. Anthonisdijk is gelegen op circa 550 meter van de projectlocatie. De dichtstbijzijnde woning van eisers aan de Kampweg (oneven nummers) is gelegen op een afstand van circa 600 meter. De woningen van eisers in overige straten zijn gelegen op nog grotere afstand. Ter zitting is verder vastgesteld dat slechts vanuit de woningen gelegen aan de [adressen] alsmede vanuit de woningen gelegen aan de [adressen] en vanuit de woningen aan de [adressen] beperkt zicht is op de projectlocatie. Reeds hierom is de rechtbank van oordeel dat verweerder de bezwaarschriften van de eisers van alle overige woningen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat deze woningen op te grote afstand zijn gelegen en omdat vanuit deze woningen geen zicht is op de projectlocatie en de te bouwen loods. De hierboven genoemde uitspraak van de ABRS in relatie tot artikel 2.7 van de Wabo leidt niet tot een ander oordeel. In dit geval is slechts voor één activiteit (bouwen) toestemming gevraagd en verleend en kan niet worden gezegd dat deze activiteit behoort tot meerdere categorieën. De verleende omgevingsvergunning voorziet slechts in het bouwen van een loods en niet tevens in het plaatsen van een mestverwerkinginstallatie. Het is mogelijk deze activiteit te verrichten zonder dat sprake is van de verandering van de inrichting die mogelijk wordt gemaakt in de milieuvergunning van 22 januari 2013. De verandering vindt pas daarna plaats. De omstandigheid dat het pas mogelijk is de mestverwerkinginstallatie in te richten en te gebruiken als de loods is gebouwd, leidt niet tot een ander oordeel. Er is daarom geen sprake van een onlosmakelijke samenhang met de, ten tijde van het bestreden besluit, aangevraagde verandering van de inrichting. Daarom blijven de mogelijke milieugevolgen buiten beschouwing bij de beoordeling van de belanghebbendheid van de eisers die vanuit hun woningen geen zicht hebben op de projectlocatie.

3.5 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de eisers in de hierboven met name genoemde woningen met beperkt zicht op de projectlocatie eveneens niet-ontvankelijk zijn omdat de ruimtelijke uitstraling van het bouwplan op deze woningen niet zodanig is dat zij een rechtstreeks betrokken belang hebben. Verweerder wijst er hierbij op dat het gaat om een bouwplan bij een bestaand gebouwencomplex met een niet-afwijkende hoogte. Desgevraagd heeft verweerder aangegeven dat aspecten als verkeersveiligheid en geurhinder bij de beoordeling buiten beschouwing zijn gelaten.

3.6 De rechtbank is op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de landschappelijke impact van het bouwplan voor de eisers met woningen aan de Kampweg zeer beperkt is. Weliswaar is de goothoogte van de aangevraagde loods wat hoger dan de goothoogte van de zuidelijk gelegen stallen, maar de bouwhoogte is niet afwijkend. Deze impact is anders voor de drie woningen aan de St. Anthonisdijk waar als gevolg van de schuine zichtlijn sprake is van een beperkte landschappelijke impact welke in het bestreden besluit onvoldoende is onderkend. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat de woningen aan zowel de Kampweg als aan de St. Anthonisdijk zijn gelegen op de rand van de geurcontour van het bedrijf van vergunninghoudster dient te worden betrokken bij de beoordeling van de ruimtelijke uitstraling van het bouwplan. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van de ABRS van 20 oktober 2010, LJN: BO1160. Weliswaar betrof deze uitspraak een handhavingsverzoek wegens strijd met het bestemmingsplan, maar ook in de onderhavige zaak is de planologische toelaatbaarheid van het project onlosmakelijk verbonden met de activiteit bouwen. Gelet op bovenstaande omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de ruimtelijke uitstraling van het bouwplan, de eisers woonachtig in de genoemde woningen aan de Kampweg en de

St. Anthonisdijk (hierna te noemen de ontvankelijke eisers) wel een rechtstreeks betrokken belang hebben bij de verleende omgevingsvergunning voor bouwen en dat verweerder hen ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4. Het bestreden besluit is met betrekking tot de ontvankelijke eisers genomen in strijd met artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en komt voor vernietiging in aanmerking. In het bestreden besluit heeft verweerder in een overweging ten overvloede de inhoudelijke bezwaren van de ontvankelijke eisers gewogen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding na te gaan of er aanleiding is om zelf in de zaak te voorzien.

5.1 De ontvankelijke eisers hebben zowel in bezwaar als beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft verzuimd de omgevingsvergunningsaanvraag voor de activiteit ‘bouwen’ te coördineren met de milieuvergunningsaanvraag voor het veranderen van de inrichting ten behoeve van een duurzame mestverwerking. Volgens hen is de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ verleend in strijd met de Wabo en de Invoeringswet Wabo. Zij stellen dat de procedures ten onrechte zijn gesplitst. Zij plaatsen vraagtekens bij het moment van indienen van de milieuvergunningsaanvraag voor het veranderen van de inrichting ten behoeve van een duurzame mestverwerking.

Verweerder stelt dat er geen sprake is van een coördinatieverplichting en dat artikel 2.7 van de Wabo niet van toepassing is op de milieuvergunningsaanvraag.

5.2 Ingevolge artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo blijft het recht zoals dit gold onmiddellijk voor 1 oktober 2010 van toepassing op de voorbereiding en vaststelling van een beschikking op een aanvraag om een milieuvergunning die voor dit tijdstip een aanvraag is ingediend. Ingevolge artikel 1.2, derde lid, van de Invoeringswet Wabo wordt in gevallen als bedoeld in het tweede lid een vergunning gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit op het tijdstip waarop de betrokken beschikking onherroepelijk is geworden.

5.3 Ingevolge artikel 1.2a, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo treedt een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer die in verband met het bepaalde in artikel 20.8 van de Wet milieubeheer nog niet in werking is getreden niet eerder in werking dan nadat een (omgevings)vergunning is verleend voor de betrokken bouwactiviteit. In artikel 1.2a, derde lid, van de Invoeringswet Wabo is bepaald dat artikel 2.7 van de Wabo niet van toepassing is ten aanzien van activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a en e, van de Wabo.

5.4 De rechtbank stelt op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat ten tijde van de milieuvergunningsaanvraag voor het veranderen van de inrichting ten behoeve van een duurzame mestverwerking reeds was voorzien in de bouw van de thans vergunde loods. Van een ingrijpende wijziging van de milieuvergunningsaanvraag is niet gebleken. Omdat de aanvraag voor de milieuactiviteit is ingediend voor de inwerkingtreding van de Wabo is hierop het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Wabo van toepassing op basis van artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo.

5.5 Op de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor bouwen is de Wabo wel van toepassing. In de Wabo is geen aanhoudingsplicht opgenomen zoals voorheen het geval was in artikel 52 van de Ww (oud). Artikel 3.3 van de Wabo heeft slechts betrekking op aanhouding in verband met de in het eerste lid van dat artikel genoemde omstandigheden.

Een coördinatieverplichting vloeit in dit geval evenmin voort uit artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo omdat vergunninghoudster al een milieuvergunningsaanvraag had ingediend voor 1 oktober 2010. Artikel 1.2a, tweede lid van de Invoeringswet Wabo voorziet in eisers behoefte aan coördinatie tussen beide aanvragen. Ingevolge artikel 1.2a, derde lid, van de Invoeringswet Wabo is artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo niet van toepassing. Vergunninghoudster is daarom niet verplicht om nogmaals een omgevingsvergunning voor de milieuactiviteit aan te vragen. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verlening van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ niet in strijd is met (artikel 2.7, eerste lid van) de Wabo of de invoeringswet Wabo. Deze grond faalt.

6.1 Eisers hebben in het bezwaarschrift aangevoerd dat in het primaire besluit ten onrechte is vermeld dat het gaat om bouwen van een bijbehorend bouwwerk.

In het advies van de gemeentelijke bezwarencommissie wordt opgemerkt dat deze beschrijving geen recht doet aan het uitgangspunt van artikel 2.22 van de Wabo. In het bestreden besluit wordt daarnaast aangevoerd dat de benaming niet relevant is voor de toetsingscriteria van artikel 2.10, eerste lid van de Wabo en dat de benaming ‘bijbehorend bouwwerk’ ook wordt gehanteerd in andere gevallen.

6.2 De rechtbank is van oordeel dat in de omgevingsvergunning de activiteiten voldoende duidelijk zijn omschreven. Voor zover verwarring zou hebben kunnen ontstaan doordat de loods niet als zodanig is genoemd in het primaire besluit is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld en vormt dit geen reden voor herroeping van het primaire besluit. Deze grond faalt.

7.1 Eisers voeren verder in het bezwaarschrift aan dat het gebruik van het gebouw als ‘lichte industrie’ in strijd is met het bestemmingsplan.

7.2 Op de projectlocatie rust ingevolge het bestemmingsplan ‘buitengebied 2008’ de bestemming ‘agrarische bedrijven’ met de aanduiding IV. Het perceel is niet gelegen in een landbouwontwikkelingsgebied. Ingevolge artikel 2.1, onder A, vierde lid, onder 4.8 is het perceel mede bestemd voor niet-zelfstandige, aan het agrarisch bedrijf ter plaatse gekoppelde, mestbewerking, mestverwerking of biomassa(co)vergisting met gebruikmaking van overwegend product (mest, mestfractie of biomassa) van het eigen agrarische bedrijf, eventueel aangevuld met producten van derden en waarbij in het geval van biomassa(co)vergisting de verwerkingscapaciteit niet meer mag bedragen dan 25.000 ton biomassa op jaarbasis, behoudens ontheffing (conform artikel 3.2. onder 3.2.21.A of B).

Gelet op deze medebestemming is de rechtbank van oordeel dat de bouw van de loods niet in strijd is met de op het perceel rustende bestemming. Deze grond faalt.

8.1 Volgens eisers staan niet alle onderdelen van het op te richten gebouw op de tekening, zoals leidingen met aan- en afvoerputten of lozingsconstructies dan wel geurwerende maatregelen. Verweerder acht het gelet op de indieningvereisten niet noodzakelijk dat deze onderdelen op de tekening staan.

8.2 De rechtbank is van oordeel dat hetgeen is aangevraagd voldoet aan de indieningvereisten. Indien en voor zover eisers van mening zijn dat wordt gebouwd in afwijking van de omgevingsvergunning voor de activiteit ’bouwen’ kunnen zij om handhaving verzoeken. Deze bezwaargrond faalt.

9. Omdat de bezwaargronden van de ontvankelijke eisers falen, ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien, de bezwaren van eisers tegen het primaire besluit van 28 augustus 2012 ongegrond te verklaren en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd.

10. De rechtbank ziet wel aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten. Eisers hebben verzocht om een vergoeding in de reiskosten voor de drie met name genoemde personen. Van deze personen is [eiser B] niet woonachtig in een van de woningen van de ontvankelijke eisers. De rechtbank zal daarom een vergoeding toekennen van € 45,60, bestaande uit twee keer de kosten van een dagretour Boxmeer – ’s-Hertogenbosch per openbaar vervoer, tweede klasse, ingevolge artikel 2, eerste lid onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De door eisers gevraagde verschotten zijn niet onderbouwd en worden daarom niet vergoed, ingevolge artikel 2, eerste lid, onder e, van het Bpb.

11. De rechtbank ziet tevens aanleiding te bepalen dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep van de eisers woonachtig in de woningen gelegen aan de [adressen], de [adressen] en de [adressen] gegrond;

- verklaart het beroep van de overige eisers ongegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de bezwaarschriften van de eisers woonachtig in de woningen gelegen aan de [adressen], de [adressen] en de [adressen];

- verklaart de bezwaren van deze eisers ongegrond en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd;

- veroordeelt verweerder in de door eisers [eiser A en eiser C] gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 45,60, te betalen aan deze eisers;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 156,00 aan eisers moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. J.D. Streefkerk en mr. J. Nijenhof, leden, in aanwezigheid van mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 april 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.