Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ8753

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
SHE 13 / 113
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het betreft een omgevingsvergunning verleend voor het vestigen van een hospice, bekend onder de naam Bijna Thuis Huis Best. Afwijking van het bestemmingsplan.

Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de hospice als passend beoordeeld moet worden. Verweerder gaat niet in op de beweerde overlast als gevolg van steeds weer nieuwe zeer ernstig zieke en zorgbehoevende bewoners in hun laatste levensfase met alle omstandigheden die daarbij horen. Verder heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom er geen extra parkeerdruk wordt verwacht en dat er voldaan wordt aan de parkeernorm. In zoverre heeft verweerder niet voldaan aan het advies van de onafhankelijke commissie voor de behandeling van bezwaarschriften.

Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard. De genoemde gebreken betreffen motiveringsgebreken die in de beroepsfase kunnen worden hersteld. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder daartoe bij tussenuitspraak in de gelegenheid te stellen. De rechtbank zal verweerder een termijn geven van acht weken na verzending van de tussenuitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/113

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2013 in de zaak tussen

Bewonersvereniging "Op 't Heerbeeck", te Best, eiseres,

(gemachtigden: [gemachtigde A] en [gemachtigde B]),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Best, verweerder,

(gemachtigde: B. van der Vleuten).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: Woonstichting 'thuis, te Eindhoven en Stichting Bijna Thuis Huis Best e.o., gemachtigde: mr. A.P. van Knippenbergh.

Procesverloop

Bij besluit van 16 juli 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het vestigen van een hospice, bekend onder de naam Bijna Thuis Huis Best (hierna: een BTHB) aan de Nazarethstraat 34 te Best.

Bij besluit van 18 december 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit van 16 juli 2012 onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2013. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Derde-partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

De rechtbank heeft na de zitting het onderzoek heropend om bij eiseres aanvullende informatie op te vragen. Eiseres heeft de aanvullende informatie aan de rechtbank doen toekomen, waarna verweerder en derde-partijen hun reactie hebben gegeven.

Na daartoe van partijen verkregen toestemming heeft de rechtbank het onderzoek gesloten zonder een nadere zitting te houden.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Op 18 april 2012 heeft verweerder een aanvraag om een omgevingsvergunning ontvangen van Domein Woningcorporatie (thans Woonstichting ‘thuis). De aanvraag ziet op het vestigen van een hospice (bouwen en gebruik). Het plan heeft op grond van de planregels van het bestemmingsplan “Centrum” de bestemming “Bijzondere doeleinden, klasse II” (BD-II). De aanvraag is in strijd met dit bestemmingsplan. Verweerder heeft met behulp van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) medewerking verleend aan het plan en daarvoor een omgevingsvergunning verleend.

2. De rechtbank dient ten eerste te beoordelen of de gemachtigde van eiseres, [gemachtigde A], bevoegd was beroep aan te tekenen tegen het bestreden besluit. Daarbij heeft de rechtbank in ogenschouw genomen dat aan de hand van het uittreksel uit het handelsregister en uit het afschrift van de statuten kan worden opgemaakt dat [persoon 1] de penningmeester van eiseres is en uit dien hoofde bevoegd is om, tezamen met de voorzitter, eiseres in rechte te vertegenwoordigen.

De rechtbank acht, met de op 28 maart 2013 alsnog door [persoon 1] verstrekte machtiging aangetoond dat [gemachtigde A], als voorzitter van eiseres, bevoegd was namens eiseres beroep aan te tekenen tegen het bestreden besluit en eiseres ter zitting te vertegenwoordigen.

3. Eiseres geeft aan dat de aanvraag omgevingsvergunning in strijd is met het bestemmingsplan. Nu van het bestemmingsplan is afgeweken dient een zorgvuldige voorbereiding plaats te vinden en een goede belangenafweging te worden gemaakt, die ook onderdeel moet zijn van een deugdelijke en kenbare motivering. Volgens eiseres is er onvoldoende rekening gehouden met de ruimtelijke uitstraling, die een hospice in een wooncomplex heeft. Zo is sprake van meer verkeersbewegingen en wordt niet gemotiveerd waarom verweerder zich niet houdt aan de parkeernorm, zoals vermeld in de uitspraak van de AbRvS van 1 november 2012, LJN: BY2468 (hierna: de Son en Breugel- norm). Verder gaat verweerder volgens eiseres in het bestreden besluit voorbij aan de in het bezwaar uitvoerig beschreven emotionele kanten van de onderhavige kwestie en aan de verwachte overlast in relatie tot de vergunningverlening. Ook is verweerder, bij de overweging om al dan niet te komen tot vergunningverlening, door de Stichting Bijna Thuis Huis Best e.o. (hierna: de Stichting) op het verkeerde been gezet, doordat de Stichting als uitgangspunt hanteerde dat er voorheen sprake was van een aanleunwoning en de stap van een aanleunwoning naar een hospice verwaarloosbaar klein is. Het ontbreekt verweerder aan empathie met de bewoners. Een hospice past niet in een wooncomplex. Er is verder onvoldoende onderzoek gedaan naar alternatieve locaties.

4. Verweerder geeft aan dat de emotionele en psychische weerstand geen ruimtelijk aspect betreft en niet dusdanig van aard is dat de omgevingsvergunning om die reden had moeten worden geweigerd. Ten aanzien van het aantal verkeersbewegingen stelt hij zich op het standpunt dat de toename van het aantal verkeersbewegingen met 2,3 dusdanig marginaal is, dat niet kan worden gesproken van een aantasting van de bestaande woonomgeving. Er wordt geen extra parkeerdruk verwacht. Om een goede ruimtelijke uitstraling te verantwoorden heeft verweerder wel besloten dat er een extra parkeerplaats moet komen voor hulpdiensten. Dit is als voorwaarde in de vergunning opgenomen. De term aanleunwoning wordt niet meer gebruikt. Er is sprake van een seniorenwoning. Qua infrastructuur is de omgeving op zorg gericht, waarmee een hospice in overeenstemming is. Verweerder geeft aan dat hij een besluit heeft genomen op de voorliggende aanvraag. Met een verwijzing naar een uitspraak van de AbRvS van 29 februari 2012, LJN: BV7253, stelt hij zich op het standpunt dat alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Daarvan is volgens verweerder niets gebleken.

5. De rechtbank wijst erop dat het verlenen van een omgevingsvergunning, zoals de onderhavige, een bevoegdheid is van verweerder, waarbij een belangenafweging dient plaats te vinden. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid tot verlening van de omgevingsvergunning heeft kunnen komen. Een dergelijke afweging leent zich alleen voor een terughoudende (marginale) toets door de rechtbank. Zij dient de opvatting van verweerder daarom met een zekere afstand te beoordelen. Het vorenstaande neemt niet weg dat tevens ter beoordeling staat of verweerder bij dit besluit een aantal, met name in de Awb neergelegde, uitgangspunten in acht heeft genomen, zoals het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking.

6. De rechtbank stelt aan de hand van het procesdossier en het verhandelde ter zitting vast dat onweersproken blijft dat de geplande hospice goed bereikbaar is met zowel de auto als het openbaar vervoer en het gebouw structureel is ingericht voor mensen met een zorgvraag. De inrichting en maatvoering van bijvoorbeeld drempels en deuropeningen sluiten goed aan bij het gebruik van de woning als hospice. Daarbij komt dat de gekozen locatie fysiek verbonden is met zorgcentrum ‘Kanidas’ en het verpleeghuis ‘Molenveste’ en, indien noodzakelijk, ook van daaruit verpleging en hulp kan worden ingeschakeld. In het kader van de in acht te nemen zorgvuldigheid is gekozen voor een appartement op de begane grond aan het einde van de gang waar een eigen ingang kan worden gecreëerd, zodat geen vermenging plaatsvindt met de overige bewoners van “Op ’t Heerbeeck” en de privacy zoveel mogelijk wordt gewaarborgd. De rechtbank is van oordeel dat hoewel de woonomgeving en het woongenot van de leden van eiseres ten gevolge van de vestiging van een hospice zullen veranderen, dit op zich geen aanleiding vormt tot het weigeren van de omgevingsvergunning. Het betoog van eiseres op dit punt treft dan ook geen doel.

7. Ten aanzien van de door eiseres gevreesde overlast als gevolg van de vergunningverlening verwijst verweerder naar een bij het primaire besluit gevoegde bijlage “bijna thuis huis Best” en stelt hij zich op basis daarvan op het standpunt dat het bezoek niet onaanvaardbaar meer zal zijn dan in een gewone woonsituatie. Verweerder voert echter onvoldoende argumenten aan waarom de hospice, ondanks de duidelijke functiewijziging ten aanzien van een woonsituatie, toch als passend beoordeeld moet worden. Verweerder gaat niet in op de beweerde overlast als gevolg van steeds weer nieuwe zeer ernstig zieke en zorgbehoevende bewoners in hun laatste levensfase met alle omstandigheden die daarbij horen, zoals (de kans op) nerveuze bezoekers, die mogelijk en ook ’s nachts buiten zullen staan praten om de patiënt te ontzien. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd is. Het betoog van eiseres op dit punt slaagt.

8. Verder heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom er geen extra parkeerdruk wordt verwacht en dat er voldaan wordt aan de parkeernorm. Verweerder wijst voor de onderbouwing van het bestreden besluit naar het advies van de onafhankelijke commissie voor de behandeling van bezwaarschriften (hierna: de commissie), waarin wordt aangegeven dat verweerder dient te motiveren waarom van de ‘Son en Breugel- norm’ en van de door het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW) gehanteerde norm wordt afgeweken, maar voldoet daar niet aan. Verweerder volstaat in het bestreden besluit enkel met de opmerking dat geen extra parkeerdruk wordt verwacht. Dit leidt ertoe dat moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit ook op dit punt niet wordt gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering en het beroep ook om die reden doel treft.

9. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat de toename van het aantal verkeersbewegingen dusdanig marginaal is dat niet kan worden gesproken van een aantasting van de bestaande omgeving door te verwijzen naar een uitspraak van de AbRvS van 27 juli 2011, LJN: BR3208. Het betoog van eiseres op dit punt kan dan ook niet slagen.

10. Met een verwijzing naar een uitspraak van de AbRvS van 29 februari 2012, LJN: BV7253 heeft verweerder tevens voldoende beargumenteerd dat hij dient te beslissen op de voorliggende aanvraag en het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking kan nopen indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Eiseres heeft niet aangetoond dat dit het geval is, waardoor ook dit betoog faalt.

11. Gelet op het voorgaande is er sprake van motiveringsgebreken. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard.

12. De in de rechtsoverwegingen 7 en 8 genoemde gebreken betreffen gebreken die in de beroepsfase kunnen worden hersteld. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder daartoe in de gelegenheid te stellen. De rechtbank zal verweerder een termijn geven van acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.

13. Artikel 8:51b, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht verplicht het bestuursorgaan om de bestuurstrechter zo spoedig mogelijk mede te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen.

Partijen zullen, als verweerder gebruik maakt van deze gelegenheid, binnen vier weken na verzending van de mededeling van de wijze waarop de gebreken zijn hersteld, daarover hun zienswijze kunnen geven.

14. De rechtbank zal in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen.

15. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen acht weken na de dag waarop deze tussenuitspraak is verzonden de gebreken te herstellen, met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A.C. Spoormakers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.