Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ8654

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
SHE 13 / 413
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Dwangsom wegens niet tijdig nemen van een besluit. Een schriftelijk aan een bestuursorgaan gericht aanbod om een marketingonderzoek te verrichten met daarin verweven een verzoek om informatie kan niet worden aangemerkt als een Wob-aanvraag. Eiser heeft verweerder niet duidelijk gemaakt dat het hier Wob-aanvraag betrof waar verweerder los van het marketingaanbod op diende te beslissen. Er is dan ook geen sprake van een aanvraag in de zin van art. 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dat betekent dat het ontbreken van een beslissing op het verzoek van eiser niet kan worden aangemerkt als een niet tijdig gegeven beschikking op aanvraag in de zin van art. 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zodat verweerder geen dwangsom kan hebben verbeurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/413

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 april 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergeijk, verweerder

(gemachtigde: drs. M. van den Hurk).

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat geen dwangsom is verbeurd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 19 februari 2013 heef verweerder het besluit van 19 december 2012 ingetrokken voor zover daarbij het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk was verklaard, het bezwaar van eiser wederom niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit eveneens niet-ontvankelijk verklaard.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2013. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Object van beoordeling in beroep

1. Het geschil heeft de volgende achtergrond. Eiser heeft bij e-mail van 26 augustus 2012 verweerder het aanbod gedaan een marketingonderzoek te verrichten en verweerder verzocht hem informatie aan te leveren. Dit zou volgens eiser een verzoek in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) betreffen. Bij e-mail van 30 september 2012 heeft eiser een “rappelschrijven” gestuurd naar verweerder. Bij e-mail van 2 oktober 2012 heeft verweerder aan eiser medegedeeld geen behoefte te hebben aan het door eiser voorgestelde onderzoek. Eiser heeft daar bezwaar tegen gemaakt. Bij aanvullend bezwaarschrift heeft eiser aangevoerd dat het bezwaar mede was gericht tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek van eiser en het verzoek bij verweerder neergelegd om de verbeurde dwangsom vast te stellen. Verweerder heeft daarop bij het bestreden besluit beslist.

2. Verweerder heeft bij besluit van 19 februari 2013 het besluit van 19 februari 2012 ten dele ingetrokken en ten dele gewijzigd. Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, in verbinding met artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het beroep tegen het besluit van 19 december 2012 geacht mede betrekking te hebben op het besluit van verweerder van 19 februari 2013.

3. Verweerder voert aan dat met het besluit van 19 december 2012 noch met het besluit van 19 februari 2013 is beoogd een beslissing te nemen op het verzoek van eiser om een dwangsom vast te stellen. Het besluit van verweerder van 19 december 2012 houdt echter wel de vaststelling in dat geen dwangsommen zijn verschuldigd. Dat betekent dat sprake is van een dwangsombeschikking in de zin van artikel 4:18 van de Awb en dus van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het standpunt van verweerder kan dan ook niet worden aanvaard. Het bestreden besluit is op dit onderdeel niet ingetrokken bij het besluit van 19 februari 2013. Dat betekent dat het beroep op grond van artikel 4:19, eerste lid, van de Awb mede geacht moet worden te zijn gericht tegen deze dwangsombeschikking.

Beoordeling van het beroep tegen het besluit van 19 december 2012, voor zover dat is ingetrokken bij besluit van 19 februari 2013

4. De rechtbank ziet zich voor de vraag geplaatst of eiser nog een belang heeft bij de beoordeling van dit besluit.

5. Verweerder heeft het besluit van 19 december 2012 ingetrokken voor zover dat een beslissing inhield op het bezwaar van eiser met betrekking tot zijn Wob-verzoek. Van rechtswege is op dit onderdeel een beroep ontstaan tegen het besluit van 19 februari 2013. In het kader van de behandeling van het beroep tegen dat besluit kan worden getoetst of het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk is verklaard of niet. Van andere belangen aan de zijde van eiser die niettemin tot een beoordeling van het beroep tegen het besluit van 19 december 2012 in zoverre zouden kunnen nopen is niet gebleken. Dat betekent dat eiser geen procesbelang meer heeft bij een toetsing van het besluit van 19 december 2012 voor zover dat een beslissing op het bezwaar van eiser inzake diens Wob-verzoek inhield. De rechtbank wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 15 september 2010 (LJN: BN7011). Eiser zal in dat beroep daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Beoordeling van het beroep tegen het besluit van 19 februari 2013 voor zover betrekking hebbende op het Wob-verzoek

6. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat geen sprake was van een Wob-verzoek waar verweerder gehouden was op te beslissen. De rechtbank begrijpt als het standpunt van verweerder dat er geen sprake was van een besluit omdat er geen aanvraag aan vooraf is gegaan, zodat het maken van bezwaar daartegen niet open stond.

7. Eiser voert aan dat wel degelijk sprake is geweest van een Wob-verzoek waar verweerder op diende te beslissen.

8. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. Ingevolge het tweede lid vermeldt de verzoeker bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.

9. Eiser heeft op 26 augustus 2012 aan verweerder een e-mail gestuurd met als titel “doelgroep marketing”. Deze e-mail houdt naar de kern genomen een aan verweerder gericht aanbod van eiser in om tegen een sterk gereduceerd tarief uit te zoeken welke groepen burgers zich in de gemeente bevinden, hoe deze groepen zich ten opzichte van afvalscheiding gedragen en wat hun motieven zijn opdat afvalscheiding en recycling kunnen worden gemarketed op een manier die goed bij de doelgroep past. Een en ander zou dan worden vertaald naar op maat gesneden adviezen om de afvalscheiding bij consumenten te verbeteren en om de afvalscheiding en inzameling bij bedrijven in de gemeente van verweerder te verbeteren, alles neergelegd in een door eiser op te stellen rapport. In het kader van dit marketingaanbod heeft eiser verweerder verzocht om informatie met betrekking tot de door de gemeente van verweerder reeds geïmplementeerde maatregelen en voorzieningen in verband met afvalscheiding en de kosten en baten hiervan.

10. Door het verzoek op deze wijze en in de hierboven weergegeven bewoordingen te verpakken in een marketingaanbod heeft eiser verweerder op het verkeerde been gezet. Eiser heeft het verweerder niet duidelijk gemaakt dat het hier een los van het marketingaanbod en dus een op zichzelf te beschouwen Wob-verzoek betrof waar verweerder onafhankelijk van het marketingaanbod op diende te beslissen. In het bericht van eiser werd immers alle aandacht nadrukkelijk gericht op het marketingaanbod, terwijl het verzoek om informatie ergens aan het einde van het bericht daarin min of meer verkapt lag verscholen. Dat betekent dat van verweerder in redelijkheid niet kon worden verlangd dat hij het verzoek van eiser als een verzoek in het kader van de Wob beschouwde. Verweerder heeft dan ook terecht het verzoek niet als zodanig opgevat.

11. De vraag dringt zich op of verweerder uit de e-mail van eiser van 30 september 2012 redelijkerwijs af had moeten leiden dat sprake was van een Wob-verzoek waar hij gehouden was op te beslissen. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Deze e-mail van eiser houdt in dat eiser verweerder “vriendelijk wil verzoeken” op korte termijn hem het besluit omtrent zijn bij e-mail van 28 augustus 2012 gedane marketingaanbod te doen toekomen alsmede de verlangde informatie. Aan deze e-mail is een afschrift van de e-mail van 28 augustus 2012 gehecht. Eiser heeft in het rappelschrijven op geen enkele wijze duidelijk gemaakt dat sprake is van een Wob-verzoek waar verweerder onafhankelijk van het marketingaanbod op diende te beslissen. Eiser heeft niet meer gedaan dan het bij e-mail van 28 augustus 2012 gedane marketingaanbod bij verweerder in herinnering te roepen en heeft daarbij volstaan met een verwijzing naar zijn e-mail van 28 augustus 2012. Ook in het rappelschrijven werd dus nadrukkelijk de aandacht gevestigd op het marketingaanbod, terwijl het verzoek om informatie min of meer verkapt daarin lag verscholen. Verweerder behoefde het rappelschrijven dan ook redelijkerwijs niet als een Wob-verzoek op te vatten. Dat betekent dat het rappelschrijven van eiser evenmin als zijn oorspronkelijke mail van 28 augustus 2012 als een Wob-verzoek kan worden aangemerkt. Van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb is dus ook hier geen sprake.

12. Omdat het rappelschrijven van eiser niet aangemerkt kan worden als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb kan de reactie van verweerder van 2 oktober 2012 op dat rappelschrijven niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Ingevolge artikel 7:1 in verbinding met artikel 8:1 van de Awb kan alleen tegen een besluit bezwaar worden gemaakt. Tegen de mededeling van verweerder van 2 oktober 2012 stond dus geen bezwaar open. Verweerder heeft het bezwaar van eiser in zoverre dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Beoordeling van het beroep tegen het besluit van 19 februari 2013 voor zover daarin het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is verklaard.

13. Het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen is door verweerder niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat er geen sprake is geweest van een aanvraag om een besluit te nemen, zodat ook geen sprake kan zijn van het niet tijdig nemen van een besluit. Er is evenmin sprake van een ingebrekestelling geweest, aldus verweerder.

14. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend beroep in te stellen, alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken tenzij het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Verweerder heeft op dit bezwaar een besluit genomen door dit bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Nu voor eiser niet de mogelijkheid van het maken van bezwaar openstond, is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte deze beslissing op het bezwaar van eiser heeft genomen. Voor deze conclusie verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 14 april 2011 (LJN: BQ1392). Het bestreden besluit kan dan ook geen stand houden en dient te worden vernietigd. Verweerder zal na vernietiging niet worden opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen, aangezien op dat bezwaar niet mag worden beslist.

Beoordeling van het beroep tegen het besluit van 19 december 2012 voor zover inhoudende een dwangsombeschikking

16. Artikel 4:17, eerste lid, van de Awb bepaalt dat indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is.

17. Zoals de rechtbank hiervoor onder punt 10 en 11 heeft geoordeeld, is in deze geen sprake geweest van een aanvraag in de zin van art. 1:3, derde lid, van de Awb omdat het verzoek van eiser niet kan worden aangemerkt als een verzoek in het kader van de Wob. Dat betekent dat het ontbreken van een beslissing daarop niet kan worden aangemerkt als een niet tijdig gegeven beschikking op aanvraag in de zin van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb en dus dat ook geen dwangsommen kunnen zijn verbeurd. Verweerder heeft daarom terecht bepaald dat geen dwangsommen zijn verschuldigd.

Conclusie

18. Het beroep tegen het besluit van 19 december 2012, voor zover dat met betrekking tot het Wob-verzoek is ingetrokken bij besluit van 19 februari 2013, wordt niet-ontvankelijk verklaard. Voor zover het beroep is gericht tegen het besluit van 19 februari 2013 inzake het Wob-verzoek, wordt het beroep ongegrond verklaard. Het beroep dat is gericht tegen de dwangsombeschikking van 19 december 2012 wordt ongegrond verklaard. Het beroep dat is gericht tegen het besluit van 19 februari 2013, voor zover daarbij het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk werd verklaard, wordt gegrond verklaard. De rechtbank vernietigt dit besluit in zoverre.

19. Omdat de rechtbank het beroep in zoverre gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

20. Met betrekking tot de proceskostenveroordeling in beroep is de vraag aan de orde of in dit geval sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht is dat vereist om tot een proceskostenveroordeling in de beroepsfase over te kunnen gaan. De rechtbank heeft echter onvoldoende aanknopingspunten gevonden om te kunnen concluderen dat geen sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom in de door eiser gemaakte proceskosten in de fase van het beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 472,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van €472,- en een wegingsfactor 1). Voor een vergoeding van de door eiser in de bezwaarfase gemaakte proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb komen deze kosten alleen voor vergoeding in aanmerking indien sprake is van het herroepen van een in bezwaar bestreden besluit wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Daarvan is in dit geval geen sprake.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het besluit van 19 december 2012, voor zover dat met betrekking tot het Wob-verzoek is ingetrokken, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen de dwangsombeschikking van 19 december 2012 ongegrond;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 19 februari 2013, voor zover betreffende het

Wob-verzoek, ongegrond;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 19 februari 2013 gegrond, voor zover daarbij is beslist op het bezwaarschrift van eiser en vernietigt dit besluit in zoverre;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 156,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 472,- te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.P.J. Scheele, rechter, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 april 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.